Fokken met kortsnuitige honden; criteria ter handhaving van art. 3.4. Besluit Houders van dieren; Dr. Marjan AE van Hagen (Departement Dier in Wetenschap en Maatschappij en het Expertisecentrum Genetica Gezelschapsdieren), in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, p. 26
Rb. Amsterdam, 25-09-2024, nr. C/13/743592 / HA ZA 23-1118
ECLI:NL:RBAMS:2025:3831
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
25-09-2024
- Zaaknummer
C/13/743592 / HA ZA 23-1118
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2025:3831, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 04‑06‑2025; (Eerste aanleg - meervoudig, Proceskostenveroordeling)
ECLI:NL:RBAMS:2024:5973, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 25‑09‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
Uitspraak 04‑06‑2025
Inhoudsindicatie
WAMCA-zaak. Eindvonnis. De Raad van Beheer handelt onrechtmatig. Haar huidige beleid voor afgifte stambomen aan fokkers van kortsnuitige honden voldoet niet. De Raad van Beheer mag pas stambomen afgeven aan fokkers van kortsnuitige honden indien die fokkers een dierenartsverklaring dan wel een door een dierenarts opgemaakt petscanformulier overleggen inhoudend dat beide ouderdieren voldoen aan de handhavingscriteria.
Partij(en)
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/743592 / HA ZA 23-1118
Vonnis van 4 juni 2025
in de zaak van
STICHTING DIERENRECHT,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Dier&Recht,
advocaat: mr. H.P. Wellenberg,
tegen
RAAD VAN BEHEER OP KYNOLOGISCH GEBIED IN NEDERLAND,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Raad van Beheer,
advocaat: mr. J. Verstoep.
1. De zaak in het kort
1.1.
Stichting Dier&Recht vordert in deze collectieve actie dat de Raad van Beheer stopt met het afgeven van stambomen aan kortsnuitige honden, die zijn gefokt in strijd met het Besluit houders van dieren en de daarvoor in de Beleidsregel brachycephale honden opgenomen handhavingscriteria.
1.2.
In het tussenvonnis van 25 september 2024 heeft de rechtbank beslist dat Stichting Dier&Recht op grond van het collectieve actierecht ontvankelijk is in haar vorderingen.
In dit vonnis zal de rechtbank een inhoudelijke beslissing geven. Eerst volgt een overzicht van de stukken in deze zaak (de procedure). Daarna volgen de feiten, die ook al grotendeels in het tussenvonnis van 25 september 2024 waren opgenomen, maar hier voor de volledigheid en leesbaarheid van dit vonnis worden herhaald en aangevuld. Onder de kop ‘het geschil’ staat de vordering van Stichting Dier&Recht met toelichting en onder de kop ‘de beoordeling’ volgt de beslissing met uitleg van de rechtbank.
1.3.
De rechtbank beslist in dit vonnis dat de Raad van Beheer onrechtmatig handelt door bij de afgifte van stambomen aan kortsnuitige honden niet aan fokkers te vragen om een petscanformulier of dierenartsverklaring te overleggen waaruit blijkt dat beide ouderdieren voldoen aan die handhavingscriteria. De Raad van Beheer zal (binnen twee maanden na dit vonnis) van fokkers van kortsnuitige honden moeten verlangen dat zij wel een dergelijk petscanformulier of dierenartsverklaring overleggen waaruit blijkt dat de ouderdieren voldoen aan die handhavingscriteria, voordat hij een stamboom mag afgeven aan de nakomelingen van deze honden.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 december 2023, met producties,- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 25 september 2024 over de ontvankelijkheid van Stichting Dier&Recht, met de daarin genoemde stukken,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 april 2025, met de daarin genoemde stukken,
- de brief van mr. Verstoep van 22 mei 2025 naar aanleiding van het proces-verbaal,
- de brief van mr. Wellenberg van 28 mei 2025 in reactie op de brief van mr. Verstoep.
2.2.
Daarna is een datum voor het vonnis bepaald.
3. De feiten
3.1.
Stichting Dier&Recht is opgericht in 2006 en is een stichting die beoogt de rechtspositie en het welzijn van dieren te bewaken en te verbeteren.
3.2.
De Raad van Beheer is een vereniging van verenigingen. De leden van de Raad van Beheer zijn rasverenigingen, kynologenclubs en bijzondere verenigingen. De Raad van Beheer is aangesloten bij de Fédération Cynologique Internationale (FCI), een internationale overkoepelende organisatie op het gebied van rashonden. De Raad van Beheer is, als lid van de FCI, belast met de uitgifte van stambomen aan fokkers van rashonden in Nederland. De doelen van de Raad van Beheer staan in zijn statuten:
“(…) Artikel 2
1. De Raad van Beheer heeft ten doel:
a. de bevordering van de kynologie in Nederland, het stellen van regels met betrekking tot alle vormen van hondensport in Nederland, zomede het bestrijden van alle handelingen die de belangen of het aanzien van de Nederlandse Kynologie kunnen schaden, ongeacht of deze handelingen in of buiten Nederland worden gepleegd;
b. het voeren van een stamboekhouding voor rashonden;
c. de bevordering van de gezondheid en het welzijn van honden en hondenpopulaties;
d. uitvoering van de wettelijke regels en de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften op het gebied van de gezondheid en het welzijn van honden;
e. zorg te dragen voor een optimale maatschappelijke inbedding van de Kynologie binnen de Nederlandse samenleving;
f. het (doen) bijhouden van registraties die betrekking hebben op de in dit artikel genoemde activiteiten, alsmede in voorkomende gevallen de verstrekking van gegevens uit die registraties aan derden-belanghebbenden.
2. (…)”
3.3.
Sinds 2014 is het verboden met honden te fokken op een wijze waarop de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen benadeeld kan worden (artikel 3.4 lid 1 Besluit houders van dieren). Ook is bepaald dat bij het fokken in ieder geval, voor zover mogelijk, wordt voorkomen dat ernstige erfelijke afwijkingen en ziekten, uiterlijke kenmerken die schadelijk zijn voor welzijn of gezondheid en ernstige gedragsafwijkingen worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen (artikel 3.4 lid 2 Besluit houders van dieren).
3.4.
Het Besluit houders van dieren beperkt zich tot doelvoorschriften en bevat open normen. In opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft de Universiteit Utrecht handhavingscriteria opgesteld voor het fokken van kortsnuitige honden. Deze zijn opgenomen in een rapport van 21 januari 2019 genaamd: “Fokken met kortsnuitige honden. Criteria ter handhaving van art. 3.4. Besluit Houders van dieren.
Fokken met Gezelschapsdieren” (hierna ook wel: de handhavingscriteria)1.en komen op het volgende neer:

Indien de norm wordt overschreden is er een verhoogd risico op BOS/BOAS (brachycephaal obstructief syndroom, BOS, of in het Engels en in de wetenschappelijke literatuur BOAS: brachycephalic obstructive airway syndrome) en mag niet met deze honden worden gefokt.
3.5.
De handhavingscriteria worden sinds de publicatie door de Universiteit Utrecht gebruikt door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) als handhavende instantie. Op 24 augustus 2023 zijn de handhavingscriteria ook als beleidsregel in de Staatscourant gepubliceerd (ook wel de Beleidsregel brachycephale honden genoemd).
3.6.
Of een hond voldoet aan de handhavingscriteria kan een dierenarts controleren en vastleggen in een door de Universiteit Utrecht opgesteld petscanformulier, waarop ingevuld kan worden hoe het dier op deze zes criteria scoort en welke conclusie daaruit kan worden getrokken.
3.7.
De Raad van Beheer is het vanaf het begin af aan niet eens geweest met de zes handhavingscriteria en heeft het gebruik van een andersoortige BOAS-test, de zogenaamde Cambridge test, voorgestaan bij het bepalen van de geschiktheid van ouderhonden voor de fok van kortsnuitige honden.
Op 28 november 2024 heeft hij aan zijn leden een nieuwsbrief gestuurd met voor zover relevant de volgend inhoud:
“(…) Rond de kortsnuiten blijkt het ministerie geen aanpassingen te willen doen. Al onze inspanningen en goede bedoelingen ten spijt, het is ons tot op heden niet gelukt om onze visie met betrekking tot de toepassing van de BOAS-test voor de beoordeling van de kortsnuitige rassen door de beoordelende instanties aanvaard te krijgen. Wij moeten ons bij de conclusie neerleggen, dat de fokker met uitsluitend de toepassing van de BOAS-test helaas niet kan voldoen aan de gevraagde inspanning als bedoeld in Art 3.4 Besluit houders van dieren (Bhd).
(…)
Rol en verantwoordelijkheid Raad en fokkers
De Raad van Beheer onderschrijft nadrukkelijk het uitgangspunt dat wij moeten staan en zorgen voor de fok van gezonde honden (…)”
3.8.
Sinds 1 januari 2025 voert de Raad van Beheer nieuw beleid. Bij de dekaangifte dient de fokker via een vinkje in het aanmeldformulier te verklaren dat hij met de aangemelde combinatie van ouderdieren voldoet aan de wettelijke regels en de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften op het gebied van de gezondheid en het welzijn van honden. Dit geldt voor alle rassen en nesten. De fokker kan ‘ja’ of ‘nee’ aanvinken. Indien de fokker ‘nee’ aanvinkt, behandelt de Raad van Beheer de dekaangifte niet en geeft hij geen stamboom af. Ter illustratie een voorbeeld van deze verklaring bij een dekaangifte op de website:

4. De collectieve vorderingen
Eiswijziging
4.1.
Stichting Dier&Recht heeft bij akte van 27 januari 2025 haar eis gewijzigd. De Raad van Beheer heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
4.2.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe een eiswijziging zich verhoudt tot het wettelijke regime van een WAMCA procedure en beantwoordt die vraag als volgt. In een WAMCA procedure wordt de dagvaarding, en daarmee de eis, bekend gemaakt via opname in het centraal register voor collectieve vorderingen (artikel 1018c lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)). De zaak wordt daarna drie maanden aangehouden binnen welke termijn een andere belangenorganisatie een collectieve vordering kan instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen (1018c lid 3 Rv). Het doel van dit register is dus (onder meer) om belanghebbenden te informeren over ingestelde collectieve vorderingen en zodat belangenorganisaties kunnen beslissen of zij voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen ook een collectieve vordering willen instellen. Als tijdens de procedure de eis wordt gewijzigd kan dat worden doorkruist. Dat betekent dat terughoudend moet worden omgegaan met een eiswijziging in een WAMCA procedure en dat die alleen kan worden toegestaan als de belangen van andere belangenorganisaties daardoor niet worden geschaad, of aan die belangen tegemoet wordt gekomen bijvoorbeeld door de gewijzigde vordering in het register op te nemen en opnieuw een termijn van drie maanden te stellen voordat de zaak wordt voortgezet (en voordat een exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen). Als het gaat om ideële vorderingen en niet om schadevergoeding, zal het echter niet vaak voorkomen dat verschillende belangenorganisaties als exclusieve belangenbehartiger willen worden aangewezen.
4.3.
De kans dat in deze zaak de belangen van een andere belangenorganisatie worden geschaad doordat de vordering wordt gewijzigd (en een andere organisatie de kans wordt ontnomen om zich als belangenbehartiger voor de gewijzigde vordering te melden) acht de rechtbank zo klein dat daarmee in deze procedure geen rekening hoeft te worden gehouden. Deze eiswijziging stuit dus niet af op het wettelijke regime van een WAMCA procedure. Er hoeft dan ook geen nadere termijn te worden gesteld voor andere belangenorganisaties om zich desgewenst te kunnen melden voor de gewijzigde vordering.
4.4.
Verder geldt in zijn algemeenheid als uitgangspunt dat Stichting Dier&Recht in beginsel het recht heeft haar eis of de gronden te wijzigen zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. De gedaagde partij kan hiertegen bezwaar maken op als zij vindt dat de wijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De Raad van Beheer voert in dit geval aan dat de eiswijziging van Stichting Dier&Recht buiten beschouwing moet worden gelaten omdat dit zorgt voor onredelijke bemoeilijking van de mogelijkheid om verweer te voeren. Dit verweer slaagt niet en de eiswijziging wordt toegestaan, vanwege de volgende redenen.
Materieel is de vordering door de eiswijziging van Stichting Dier&Recht hetzelfde gebleven. Vergeleken met de vordering in de dagvaarding is de gewijzigde eis enkel concreter geworden en na de vragen van de rechtbank op de zitting zijn twee van de drie gevorderde verklaringen voor recht ingetrokken omdat daarbij een zelfstandig belang ontbrak. Van begin af aan is bovendien duidelijk geweest dat het doel van Stichting Dier&Recht is dat de Raad van Beheer geen stambomen afgeeft voor puppy’s van ouderhonden die onvoldoende scoren op de zes handhavingscriteria en dat zij daarmee beoogt op te komen voor het welzijn van dieren. Door de eiswijziging is enkel concreet geworden wat de Stichting Dier&Recht wil dat de Raad van Beheer hiervoor doet en voor welke hondenrassen dat zou moeten gelden. Dat is in dit geval dat de Raad van Beheer geen stambomen meer afgeeft als de fokker ten aanzien van ouderdieren van de in de gewijzigde eis genoemde hondenrassen geen dierenartsverklaring of door een dierenarts ingevuld petscanformulier heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij aan de handhavingscriteria voldoen. Daar moet de Raad van Beheer zich tegen verweren en dat heeft hij ook gedaan (zie onder andere de spreekaantekeningen van de Raad van Beheer randnummer 22-26). Hij wordt daarom geacht niet te zijn geschaad in zijn verdedigingsbelang en krijgt geen gelegenheid om zich bij akte over de gewijzigde eis uit te laten. De Raad van Beheer heeft bovendien onvoldoende duidelijk gemaakt op welk onderdeel van de gewijzigde eis hij zich niet (goed) heeft kunnen voorbereiden.
Tot slot is inderdaad ongelukkig dat Stichting Dier&Recht opnieuw in het petitum had opgenomen dat de Raad van Beheer onrechtmatig handelt ‘jegens Stichting Dier&Recht’, terwijl in het tussenvonnis van 25 september 2024 al is overwogen dat dat niet kan (zie rechtsoverweging 5.8 en 5.23). Dat Stichting Dier&Recht pas ter zitting de woorden ‘jegens Stichting Dier&Recht’ heeft geschrapt, maakt echter nog niet dat ten opzichte van de Raad van Beheer de goede procesorde zou zijn geschonden. Gelet op het tussenvonnis en de van meet af aan kenbare insteek van de procedure, had het de Raad van Beheer al duidelijk moeten zijn dat er sprake was van een vergissing.
De (gewijzigde) vorderingen
4.5.
Met inachtneming van het voorgaande vordert Stichting Dier&Recht – samengevat en na (gecorrigeerde) eiswijziging – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht te verklaren dat de Raad van Beheer onrechtmatig handelt door stambomen af te geven (aan fokkers) voor pups van brachycephale rassen (Franse bulldog, Engelse bulldog, Mopshond, Boston terrier, Pekingees, Shih Tzu, Lhasa Apso, King Charles Spaniël, Cavalier King Charles Spaniël, Yorkshire terrier, Chihuahua, Dwergkeeshond, Maltezer, Japanse spaniel, Affenpincher, Griffon belge, Griffon bruxellois, Petit Brabançon, Staffordshire bull terier, Boxer, Bordeaux dog, Bullmastiff, Mastiff, Mastino Napoletano) zonder dat de fokker een dierenartsverklaring, dan wel een door een dierenarts ingevuld petscanformulier, heeft overgelegd waaruit blijkt dat de beide ouderdieren voldoen aan de criteria uit de Beleidsregel brachycephale honden;
II. de Raad van Beheer te gebieden om het onrechtmatig handelen zoals omschreven onder I. te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 2.500 per onrechtmatig afgegeven stamboom;
III. de Raad van Beheer te veroordelen in de proceskosten.
4.6.
Stichting Dier&Recht legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.
Honden met kortere snuiten en kleinere neusopeningen dan beschreven in de handhavingscriteria lijden chronisch aan onder andere ernstige benauwdheid, hoofdpijn en oogproblemen.
Stichting Dier&Recht stelt dat de Raad van Beheer onrechtmatig handelt in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – in strijd met de wet dan wel de maatschappelijke zorgvuldigheid – door stambomen af te geven aan kortsnuitige honden waarvan de ouderdieren niet voldoen aan de handhavingscriteria en waarmee dus niet mag worden gefokt. Hierdoor stimuleert dan wel faciliteert de Raad van Beheer dat fokkers de wet overtreden en dat ondermijnt het dierenwelzijn. Stichting Dier&Recht vordert daarom een gebod dat de Raad van Beheer stopt met de afgifte van stambomen als de fokker geen dierenartsverklaring of een door een dierenarts ingevuld petscanformulier heeft overgelegd waaruit blijkt dat beide ouderdieren voldoen aan de handhavingscriteria. Het risico op het doorgeven van erfelijke gezondheidsaandoeningen waar de dieren onder lijden, wordt hiermee beperkt.
4.7.
De Raad van Beheer voert verweer. De Raad van Beheer concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Stichting Dier&Recht, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Stichting Dier&Recht in de kosten van deze procedure.
De Raad van Beheer heeft ten eerste aangevoerd dat de handhavingscriteria ongeschikt zijn als invulling van de norm van artikel 3.4 Besluit houders dieren. Een ademhalingstest op basis van de zogenoemde ‘Cambridge methode’ volstaat om de gezondheid van kortsnuitige honden te toetsen. Daarnaast voert de Raad van Beheer aan dat het niet aan hem is om de wet- en regelgeving te handhaven. De normadressaat van het Besluit houders van dieren en de handhavingscriteria is de fokker. Het toezicht op de naleving en handhaving is overgelaten aan overheidsinstanties: de NVWA , LID (Landelijke Inspectie Dierenwelzijn) en RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). De Raad van Beheer heeft ten aanzien van de afgifte van stambomen slechts de functie van een administratiekantoor en hoeft niet toe te zien op de naleving van de wet- en regelgeving.
Bovendien verlangt Stichting Dier&Recht een onmogelijke prestatie. De Raad van Beheer is niet in staat alle ouderdieren te controleren. Door het verplicht stellen van het overleggen van een petscanformulier of dierenartsverklaring wordt de discussie over het voldoen van de ouderdieren aan de handhavingscriteria naar de Raad van Beheer gehaald die hier, zoals toegelicht, niet over gaat. Bovendien zal er weinig effect van uitgaan op de populatie van kortsnuitige honden gelet op het relatief kleine aandeel stamboomhonden, waardoor Stichting Dier&Recht ook geen belang heeft bij haar vordering.
Tot slot doet de Raad van Beheer middels zijn gewijzigde beleid van 1 januari 2025 al (onverplicht) meer dan nodig is, door aan de fokker te vragen of de combinatie van ouderdieren voldoet aan de wettelijke regels en de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften op het gebied van de gezondheid en het welzijn van honden.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Voldoende belang
5.1.
In het kader van de ontvankelijkheidsvereisten van de WAMCA is in het tussenvonnis van 25 september 2024 al geoordeeld dat de rechtsvorderingen van Stichting Dier&Recht strekken tot bescherming van het algemeen belang, namelijk dierenwelzijn, en dat dit een rechtmatig belang is (zie tussenvonnis rechtsoverweging 5.11). Het verweer van de Raad van Beheer dat Stichting Dier&Recht onvoldoende materieel dan wel processueel belang heeft bij haar vorderingen gaat dan ook niet op. In welke mate de Raad van Beheer invloed heeft op de hondenpopulatie in Nederland door de hoeveelheid afgegeven stambomen staat niet in de weg aan het ideële belang dat Stichting Dier&Recht bij haar vorderingen heeft.
Normadressaat van de wet en de uitvoeringsregels
5.2.
Artikel 3.4 Besluit houders dieren verbiedt honden te fokken op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of nakomelingen kan worden benadeeld. De open norm van dit artikel wordt ingevuld met de handhavingscriteria opgesteld voor het fokken van kortsnuitige honden. Door opname van deze handhavingscriteria in de Beleidsregel gepubliceerd in de Staatscourant, worden deze nu ter handhaving door de NVWA gebruikt (zie 3.3-3.5). De rechtbank gaat voorbij aan de inhoudelijke betwisting van de handhavingscriteria door de Raad van Beheer. Hoewel de Raad van Beheer in zijn conclusie van antwoord heeft betoogd dat de handhavingscriteria niet geschikt zijn om te toetsen of met een kortsnuitige hond gefokt mag worden, heeft hij ter zitting verklaard zich, gezien de opstelling van het ministerie en de NVWA, hierbij (kort gezegd) neer te leggen. Daarom is niet in te zien welk belang de Raad van Beheer nog heeft bij instandhouding van de verweren die zien op invulling van de norm van artikel 3.4 Besluit houders dieren. De rechtbank gaat in het vervolg dus uit van de handhavingscriteria.
5.3.
De normadressaat van deze handhavingscriteria is in beginsel de fokker. De NVWA kan naleving daarvan handhaven door te controleren of de fokkers hieraan voldoen. Deze norm kan echter ook invulling geven aan hoe het volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt als het gaat om het fokken van honden. Nu handelen of nalaten in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt onrechtmatig is, strekt deze norm zich ook uit tot de Raad van Beheer. Hiertoe is het volgende relevant.
5.4.
De Raad van Beheer profileert zich – onder meer in zijn statuten en in publieke uitingen – als instantie die door middel van stamboomafgifte niet alleen instaat voor de afstamming van de pup maar ook voor de kwaliteit van de fokker en diens werkwijze en daarmee voor de gezondheid van de pups. De Raad van Beheer neemt hiermee een maatschappelijke positie in die een bepaalde mate van verantwoordelijkheid met zich brengt. Blijkens de statuten van de Raad van Beheer is een van de doelen de gezondheid en het welzijn van honden (zie 3.2). De Raad van Beheer plaatst verder filmpjes op zijn website, die gericht zijn op potentiële kopers van honden en die uitlatingen van de Raad van Beheer bevatten over de gezondheid van een stamboomhond. Het gaat dan om teksten als: “met een stamboomhond weet je zeker dat het met dierenwelzijn allemaal goed zit”, “het zijn fokkers die gezonde pups fokken” en “een stamboomhond wordt met veel zorg gefokt. De afstamming, de voorouders, de resultaten van gezondheidsonderzoeken, deze belangrijke informatie over de pup is online te vinden.” In het midden kan blijven of voornoemde campagne op het internet op dit moment nog live is, zoals Stichting Dier&Recht stelt en de Raad van Beheer betwist, omdat de Raad van Beheer hier in elk geval nooit afstand van heeft genomen. Daarbij staan ook op zijn website uitlatingen die een verband leggen tussen een stamboom en de gezondheid van de hond, zoals “met zorg werken aan gezonde en sociale honden uit een goed nest”, en “bij het bepalen welke reu een teef mag dekken, houden fokkers rekening met de gezondheid, het karakter en het uiterlijk van beide ouderdieren”. Met het doen van dergelijke uitlatingen doet de Raad van Beheer het in het maatschappelijk verkeer voorkomen alsof een stamboom veel meer is dan enkel een bewijs van afstamming en alsof hij ervoor instaat dat stamboompups gezonder zijn dan pups zonder stamboom. Dit maakt dat hij zich niet achter de fokkers kan verschuilen, maar op hem een eigen verantwoordelijkheid rust ten aanzien van het mitigeren van (het risico op) erfelijk overdraagbare gezondheidsproblemen bij rashonden. Dit klemt te meer nu de Raad van Beheer onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken het standpunt van Stichting Dier&Recht dat een stamboom in het algemeen waardevermeerderend werkt en dus het fokken van stamboompups stimuleert. Dat dit anders is voor een ras dat via social media wordt gehyped waardoor men vooral bereid is veel te betalen voor een pup die snel beschikbaar is, wat bij stamboompups niet het geval is, doet daaraan niet af. Dit is immers tijdelijk van aard.
5.5.
Nu verder niet in geschil is dat er ernstige gezondheidsafwijkingen bestaan bij de in de vordering genoemde kortsnuitige honden en dat die grotendeels erfelijk zijn, brengt die verantwoordelijkheid mee dat van de Raad van Beheer in het maatschappelijk verkeer verwacht kan worden dat hij waar hij kan bijdraagt aan de naleving van de voorschriften die gelden om met ouderdieren te mogen fokken.
De Raad van Beheer handelt onrechtmatig
5.6.
Vervolgens is de vraag of de Raad van Beheer met zijn huidige beleid – aan de fokker wordt gevraagd via een vinkje te verklaren dat de combinatie van ouderdieren voldoet aan de wettelijke regels en de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften – voldoet aan wat van hem in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord.
5.7.
Hoewel men er in het maatschappelijk verkeer in beginsel vanuit moet kunnen gaan dat fokkers het daartoe bestemde hokje alleen aanvinken als zij menen dat de ouderdieren daadwerkelijk voldoen aan de wettelijke regels en uitvoeringsvoorschriften, zijn er in dit geval omstandigheden die maken dat niet enkel hierop kan worden vertrouwd.
Het is in de eerste plaats onduidelijk wat de fokker verklaart als hij de optie “ja” aanvinkt. Er staat immers niet expliciet vermeld aan welke wet- en regelgeving de ouderdieren in dat geval voldoen. Hierbij is van belang dat volgens de Raad van Beheer deze wet- en regelgeving heel lang iets anders inhield, namelijk of de kortsnuitige honden aan de zogenaamde Cambridge test voldoen en dus niet aan handhavingscriteria. Dat hij zich inhoudelijk niet kan vinden in de handhavingscriteria heeft de Raad van Beheer ook lange tijd gecommuniceerd, en communiceert hij nog steeds aan zijn leden (zie onder meer 3.7). Daarom kan in dit geval niet worden volstaan met de enkele verklaring van een fokker dat beide ouderdieren voldoen aan de wet- en regelgeving op het gebied van de gezondheid en het welzijn van honden.
5.8.
De Raad van Beheer zal zich gelet op de op hem rustende verantwoordelijkheid op een andere wijze ervan moeten vergewissen dat de ouderdieren waarmee is gefokt voldoen aan de handhavingscriteria. De vordering van Stichting Dier&Recht dat de Raad van Beheer alleen stambomen afgeeft als er een petscanformulier of dierenartsverklaring is bijgevoegd voorziet hierin, omdat hieruit duidelijk volgt hoe de ouderdieren scoren op de handhavingscriteria én daaruit een conclusie volgt of zij voldoen om mee te mogen fokken of niet. Dit oordeel geldt als objectief en betrouwbaar omdat de dierenarts die het petscanformulier invult, deskundig wordt geacht en is onderworpen aan toezicht via de voor hem of haar geldende beroeps- en gedragsregels.
5.9.
De Raad van Beheer heeft aangevoerd dat deze maatregel niet effectief zal zijn, omdat slechts een klein deel van honden in Nederland stamboomhonden zijn. De rechtbank begrijpt het verweer zo dat de Raad van Beheer betwist dat dit bij zal dragen aan het bevorderen van dierenwelzijn. Dit snijdt geen hout. Uitgangspunt is wat de Raad van Beheer in zijn eigen campagnes promoot: het verkrijgen van een stamboom is van belang voor fokkers van rashonden en voor mensen die rashonden willen kopen. Als er alleen nog stambomen zullen worden afgegeven aan pups van ouderdieren die voldoende scoren op de handhavingscriteria, is het te verwachten effect dat fokkers niet meer gaan fokken met honden die geen stamboompups zullen ‘opleveren’. Daardoor zal het aantal rashonden dat niet voldoet aan de handhavingscriteria afnemen, wat bijdraagt aan het gemiddelde welzijn van dat ras. Om welke aantallen per jaar dit gaat, doet er niet toe.
5.10.
Het laatste verweer van de Raad van Beheer is dat deze maatregel niet uitvoerbaar is. Ook daaraan gaat de rechtbank voorbij. Het verkrijgen van een door een dierenarts ingevuld petscanformulier of dierenartsverklaring is iets waar de fokkers zorg voor moeten dragen. De taak van de Raad van Beheer is beperkt tot een controle van het petscanformulier of de dierenartsverklaring, voordat hij een stamboom afgeeft. Niet is in te zien dat dit zoveel extra werk oplevert dat het niet uitvoerbaar is en de Raad van Beheer heeft ook niet voldoende concreet onderbouwd waarom dat tot een onevenredige werklastverzwaring zou leiden die niet van hem zou mogen worden gevergd. Bovendien speelt, in het kader van een belangenafweging mee dat een groter gewicht moet worden toegekend aan het verkleinen van het risico op honden met ernstige gezondheidsafwijkingen en daarmee bevordering van dierenwelzijn – een belang dat de Raad van Beheer ook zegt na te streven – dan aan het belang van de Raad van Beheer om zijn werklast te beperken.
Dat het voorgaande mogelijk betekent dat de Raad van Beheer een dergelijke controle ook voor andere rassen moet doen, maakt deze conclusie niet anders.
5.11.
De conclusie is dat de Raad van Beheer op grond van hoe het fokken van honden in het maatschappelijk verkeer betaamt fokkers bij het aanmelden voor een stamboom voor kortsnuitige pups moet opdragen een dierenartsverklaring dan wel een door een dierenarts opgemaakt petscanformulier te overleggen inhoudend dat beide ouderdieren voldoen aan de handhavingscriteria. Door dit niet te doen handelt de Raad van Beheer onrechtmatig.
Gevolgen voor de vorderingen
5.12.
Het voorgaande betekent dat de door Stichting Dier&Recht gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen. Ook het gebod om dit onrechtmatig handelen – het afgeven van stambomen zonder dat een dierenartsverklaring dan wel een door een dierenarts opgemaakt petscanformulier is bijgevoegd – te staken, wordt toegewezen.
5.13.
De rechtbank ziet aanleiding om daarbij een dwangsom op te leggen aan de Raad van Beheer van € 2.500 per onrechtmatig afgegeven stamboom, met een maximum van € 250.000. De Raad van Beheer krijgt een termijn van twee maanden na betekening vonnis voor het inrichten van het proces (op zijn website) en om zijn leden te informeren.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.14.
De Raad van Beheer heeft verweer gevoerd tegen directe uitvoerbaarheid van het vonnis.
5.15.
In beginsel is een vonnis meteen uitvoerbaar. Als hiertegen verweer wordt gevoerd, moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. De maatstaf daarbij is of het belang van degene die de uitvoerbaarheid bij voorraad vordert, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand totdat de uitspraak kracht van gewijsde heeft of op een eventueel rechtsmiddel is beslist.2.
5.16.
Het door de Raad van Beheer aangevoerde belang dat het hoogst onzeker is of door hem betaalde dwangsommen terug gehaald kunnen worden is onvoldoende tegenover het belang van Stichting Dier&Recht bij directe uitvoerbaarheid. Voor het terugbetalen van dwangsommen bestaat immers geen aanleiding als de Raad van Beheer aan de veroordeling voldoet. Stichting Dier&Recht hoeft daarom niet met stukken te onderbouwen dat zij financieel in staat is om dwangsommen terug te betalen. Overigens heeft Stichting Dier&Recht in het kader van de ontvankelijkheidseisen enig inzicht gegeven in haar financiële status en is er geen aanleiding om te denken dat zij over onvoldoende vermogen beschikt. Het belang van Stichting Dier&Recht om een direct uitvoerbaar vonnis te krijgen omdat dit een groot maatschappelijk probleem is, dat al te lang doorgaat weegt daarom in dit geval zwaarder.
Proceskosten
5.17.
De Raad van Beheer is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Dier&Recht worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding | € | 129,14 | |
- griffierecht | € | 676,00 | |
- salaris advocaat | € | 1.535,00 | (2,5 punten × € 614,00) |
- nakosten | € | 178,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
Totaal | € | 2.518,14 |
6. De beslissing
De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat de Raad van Beheer onrechtmatig handelt door stambomen af te geven (aan fokkers) voor pups van brachycephale rassen (Franse bulldog, Engelse bulldog, Mopshond, Boston terrier, Pekingees, Shih Tzu, Lhasa Apso, King Charles Spaniël, Cavalier King Charles Spaniël, Yorkshire terrier, Chihuahua, Dwergkeeshond, Maltezer, Japanse spaniel, Affenpincher, Griffon belge, Griffon bruxellois, Petit Brabançon, Staffordshire bull terier, Boxer, Bordeaux dog, Bullmastiff, Mastiff, Mastino Napoletano) zonder dat de fokker een dierenartsverklaring dan wel een door de een dierenarts ingevuld petscanformulier heeft overgelegd waaruit blijkt dat de beide ouderdieren voldoen aan de criteria uit de Beleidsregel brachycephale honden,
6.2.
gebiedt de Raad van Beheer om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis het onrechtmatig handelen zoals omschreven onder 6.1 te staken en gestaakt te houden,
6.3.
veroordeelt de Raad van Beheer om aan Stichting Dier&Recht een dwangsom te betalen indien hij niet aan de veroordeling onder 6.2 voldoet, van € 2.500,00 per onrechtmatig afgegeven stamboom, tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt,
6.4.
veroordeelt de Raad van Beheer in de proceskosten van € 2.518,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Raad van Beheer niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, mr. L. Voetelink en mr. Q.R.M. Falger, rechters, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑06‑2025
Hoge Raad 29 november 1996, NJ 1997,684
Uitspraak 25‑09‑2024
Inhoudsindicatie
WAMCA-zaak. Toepasselijk collectief actierecht: WAMCA van toepassing. Ontvankelijkheidseisen stichting; stichting ontvankelijk voor deel van haar vorderingen. Tussenvonnis.
Partij(en)
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/743592 / HA ZA 23-1118
Vonnis van 25 september 2024
in de zaak van
STICHTING DIERENRECHT,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Dier&Recht,
advocaat: mr. H.P. Wellenberg,
tegen
RAAD VAN BEHEER OP KYNOLOGISCH GEBIED IN NEDERLAND,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Raad van Beheer,
advocaat: mr. A.B. Lever.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 december 2023, met producties,- de conclusie van antwoord, met producties,
- de rolbeslissing van 29 mei 2024,- de akte van Stichting Dier&Recht van 26 juni 2024,- de akte van Raad van Beheer van 24 juli 2024.
1.2.
Daarna is een datum voor het vonnis bepaald over de in deze fase aan de orde zijnde onderwerpen: het toepasselijk collectieve actierecht en de ontvankelijkheid van Stichting Dier&Recht.
2. In het kort: waar gaat deze zaak over?
2.1.
Stichting Dier&Recht vordert in deze collectieve actie dat de Raad van Beheer stopt met het afgeven van stambomen van honden, specifiek kortsnuitige honden, die zijn gefokt in strijd met het Besluit houders van dieren en de daarvoor opgestelde handhavingscriteria.
2.2.
Omdat Stichting Dier&Recht dit vordert middels een collectieve actie procedure, moet de rechtbank eerst bepalen welk collectieve actierecht van toepassing is en vervolgens of Stichting Dier&Recht ontvankelijk is op grond van dit collectieve actierecht.
2.3.
De rechtbank beslist in dit vonnis dat Stichting Dier&Recht ontvankelijk is voor een deel van haar vorderingen en dat een zitting zal worden gepland om deze vorderingen inhoudelijk te bespreken.
3. De feiten
3.1.
Stichting Dier&Recht is opgericht in 2006 en is een stichting die beoogt de rechtspositie en het welzijn van dieren te bewaken en te verbeteren.
3.2.
In artikel 2 van de statuten van Stichting Dier&Recht is bepaald wat het doel is van Stichting Dier&Recht:
“Doel
Artikel 2
1. De stichting heeft ten doel:
de belangen van dieren te behartigen en hun rechtspositie te versterken.
2. De stichting beoogt verder:
a. de rechtsontwikkeling en het verbeteren van wetgeving ten gunste van het dier;
b. de bestaande rechtsmiddelen ter bescherming van het dier toe te laten passen;
c. het bewustzijn te bevorderen over het welzijn, het lijden en de gezondheid van dieren;
d. het bewustzijn te bevorderen over de negatieve gevolgen voor de natuur door het houden van dieren;
e. op te treden tegen aantasting van de natuur.
De stichting beoogt niet het maken van winst. (…)”
3.3.
De Raad van Beheer is een vereniging van verenigingen. De leden van de Raad van Beheer zijn rasverenigingen, kynologenclubs en bijzondere verenigingen. Eén van de taken van de Raad van Beheer is het afgeven van stambomen aan fokkers van rashonden in Nederland. Zij is de enige organisatie in Nederland die dergelijke stambomen afgeeft. Dit doel staat in de statuten van de Raad van Beheer:
“De Raad van Beheer heeft ten doel:
(…)
b. het voeren van een stamboekhouding voor rashonden; (…)”
3.4.
Sinds 2014 is het verboden met honden te fokken op een wijze waarop de gezondheid van het ouderdier of nakomelingen benadeeld kan worden (artikel 3.4 lid 1 Besluit houders van dieren). Ook is bepaald dat bij het fokken in ieder geval, voor zover mogelijk, wordt voorkomen dat ernstige erfelijke afwijkingen, uiterlijke kenmerken die schadelijk zijn voor welzijn of gezondheid en ernstige gedragsafwijkingen worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen (artikel 3.4 lid 2 Besluit houders van dieren).
3.5.
Het Besluit houders van dieren beperkt zich tot doelvoorschriften en bevat open normen. In opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft de Universiteit Utrecht op 21 januari 2019 zes handhavingscriteria opgesteld voor het fokken van kortsnuitige honden (hierna ook wel: de handhavingscriteria)1..
4. De collectieve vorderingen
4.1.
Stichting Dier&Recht vordert – enigszins samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht te verklaren dat de Raad van Beheer onrechtmatig jegens Stichting Dier&Recht handelt door stambomen af te geven (aan fokkers) voor kortsnuitige pups die zijn gefokt in strijd met artikel 3.4 Besluit houders van dieren en de handhavingscriteria waarmee de open norm is ingevuld;
II. voor recht te verklaren dat de Raad van Beheer onrechtmatig jegens Stichting Dier&Recht handelt door stambomen af te geven (aan fokkers) voor kortsnuitige pups zonder dat de fokker door middel van een dierenartsverklaring dan wel een door een dierenarts ingevuld petscan formulier heeft aangetoond dat de (combinatie van) ouderdieren voldoen aan artikel 3.4 Besluit houders van dieren en de handhavingscriteria waarmee de open norm is ingevuld;
III. voor recht te verklaren dat het afgeven van stambomen (aan fokkers) door de Raad van Beheer voor kortsnuitige pups die zijn gefokt in strijd met artikel 3.4 Besluit houders van dieren kwalificeert als een oneerlijke en/of misleidende handelspraktijk;
IV. voor recht te verklaren dat het afgeven van stambomen (aan fokkers) door de Raad van Beheer voor kortsnuitige pups zonder dat de fokker door middel van een dierenartsverklaring dan wel een door een dierenarts ingevuld petscan formulier heeft aangetoond dat de (combinatie van) ouderdieren voldoet aan artikel 3.4 Besluit houders van dieren en de handhavingscriteria waarmee de open norm is ingevuld kwalificeert als een oneerlijke en/of misleidende handelspraktijk;
V. de Raad van Beheer te gebieden om het onrechtmatig handelen en de oneerlijke en/of misleidende handelspraktijken zoals omschreven onder punten I, II, III en IV te staken en gestaakt te houden, dit op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per onrechtmatig afgegeven stamboom;
VI. de Raad van Beheer te veroordelen in de kosten van het geding.
4.2.
Stichting Dier&Recht wil met deze procedure bereiken dat de Raad van Beheer wordt veroordeeld te stoppen met het afgeven van stambomen aan fokkers voor kortsnuitige honden die zijn gefokt in strijd met de wet (artikel 3.4. Besluit houders van dieren zoals ingevuld door de handhavingscriteria). Honden met kortere snuiten en kleinere neusopeningen dan beschreven in de handhavingscriteria lijden namelijk chronisch aan onder andere ernstige benauwdheid, hoofdpijn en oogproblemen.
Voor vordering I en II stelt Stichting Dier&Recht dat de Raad van Beheer onrechtmatig handelt in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) – in strijd met de wet dan wel de maatschappelijke zorgvuldigheid – door stambomen af te geven aan kortsnuitige honden waarvan de ouderdieren niet voldoen aan de handhavingscriteria en waarmee dus niet mag worden gefokt. Hierdoor stimuleert dan wel faciliteert de Raad van Beheer dat fokkers de wet overtreden.
Stichting Dier&Recht legt aan voor vordering III en IV ten grondslag dat daarnaast sprake is van oneerlijke en/of misleidende handelspraktijken. De Raad van Beheer verkoopt weliswaar zelf geen honden, maar kwalificeert wel als handelaar. Stambomen zijn sterk verkoop bevorderend en het afgeven ervan kwalificeert daarom als handelspraktijk. Het afgeven van stambomen voor kortsnuitige honden die gefokt zijn in strijd met de wet en de handhavingscriteria is oneerlijk en misleidend. De gemiddelde consument wordt hiermee op het verkeerde been gezet want door de aanwezige stamboom nemen zij aan dat zij een gezonde hond kopen die is gefokt met het oog op dierenwelzijn, terwijl dat niet waar is.
4.3.
De Raad van Beheer concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Stichting Dier&Recht, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Stichting Dier&Recht, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Stichting Dier&Recht in de kosten van deze procedure.
Primair voert de Raad van Beheer aan dat de zes handhavingscriteria van de Universiteit Utrecht in het kader van artikel 3.4 Besluit houders van dieren ten onrechte worden gehanteerd. Deze handhavingscriteria zijn ongeschikt als invulling van de handhaving van de norm van artikel 3.4 Besluit houders van dieren. De Raad van Beheer geeft stambomen af voor honden die de internationaal erkende zogenoemde Cambridge test doorstaan. Die test is in Europese landen de standaard, de handhavingscriteria zijn onjuist. Het hanteren van de handhavingscriteria is in strijd met de strekking van het Besluit houders van dieren, fundamentele rechtsbeginselen en het publiekrecht, want strijdig met het beginselen van rechtszekerheid, zorgvuldigheid, transparantie, vertrouwen en het verbod op willekeur. Dit maakt dat van de Raad van Beheer niet gevergd kan worden dat zij daaraan gebonden zou zijn. Subsidiair geldt dat de wijze van handhaving van artikel 3.4 Besluit houders van dieren in strijd is met Europees recht, omdat die de uitvoer van bepaalde rassen binnen de Europese Unie ernstig beperkt. Dit is een verboden uitvoerbeperking in de zin van artikel 35 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Meer subsidiair betoogt de Raad van Beheer dat geen sprake is van handelen in strijd met de wet of een norm van ongeschreven recht, oneerlijke handelspraktijk of misleiding van consumenten.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig voor de ontvankelijkheidsvraag, nader ingegaan.
5. De beoordeling
5.1.
In dit vonnis zal eerst het toepasselijk collectieve actie regime worden vastgesteld. Vervolgens zal dat toepasselijke collectieve actierecht worden toegepast en zal worden getoetst of Stichting Dier&Recht ontvankelijk is haar vorderingen. De rechtbank eindigt dit vonnis tot slot met het verdere verloop van de procedure.
5.2.
Stichting Dier&Recht heeft in haar dagvaarding en in haar aanvullende akte van 26 juni 2024 gesteld dat zij ontvankelijk is op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie2.(hierna: de WAMCA). De Raad van Beheer refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal dit ambtshalve beoordelen.
Welk wettelijk regime is van toepassing: WAMCA of artikel 3:305a BW (oud)?
5.3.
Met ingang van 1 januari 2020 is de WAMCA in werking getreden. Daarvoor bestond in artikel 3:305a BW (oud) een wettelijke regeling voor collectieve acties waarbij, samengevat, wel een verklaring voor recht gevraagd kon worden maar geen schadevergoeding3..
5.4.
De WAMCA is van toepassing op procedures die zijn ingesteld na 1 januari 2020 en die betrekking hebben op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016.4.De dagvaarding van Stichting Dier&Recht dateert van na 1 januari 2020, dus na de inwerkingtreding van de WAMCA. Stichting Dier&Recht eist dat de Raad van Beheer stopt met het afgeven van stambomen van pups die zijn gefokt in strijd met artikel 3.4 Besluit houders van dieren. Dit artikel is weliswaar ingevoerd in 2014, maar de invulling van deze norm met de zes handhavingscriteria van de Universiteit Utrecht bestaat sinds 21 januari 2019 (zie 3.5). De door Stichting Dier&Recht gestelde onrechtmatige gedraging, dan wel oneerlijke handelspraktijk, ziet op het afgeven van stambomen die in strijd zijn met die handhavingscriteria en dus op de periode na 2019. De vorderingen zien daardoor alleen op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na 15 november 2016 en daarmee is de WAMCA van toepassing op de vorderingen van Stichting Dier&Recht jegens de Raad van Beheer.
De ontvankelijkheidseisen van de WAMCA
5.5.
De rechtbank komt vervolgens toe aan de beoordeling van de ontvankelijkheid van Stichting Dier&Recht onder het WAMCA regime.
Stichting Dier&Recht niet ontvankelijk in haar vorderingen III en IV
5.6.
Voor de ontvankelijkheidsvraag speelt een rol voor welke belangen Stichting Dier&Recht op komt. De rechtbank begrijpt de collectieve actievorderingen van Stichting Dier&Recht zo dat vorderingen I en II zien op een meer algemeen belang, namelijk het dierenwelzijn, en de vorderingen III en IV op de belangen van consumenten/potentiële kopers.
5.7.
De rechtbank stelt voorop dat Stichting Dier&Recht niet kan opkomen voor het belang van consumenten vanwege oneerlijke handelspraktijken. Stichting Dier&Recht voldoet namelijk niet aan het vereiste van artikel 3:305a lid 1 BW; als Stichting Dier&Recht wil opkomen voor die consumentenbelangen moet dat in haar statuten staan. In haar statuten staat slechts dat zij opkomt voor het dierenwelzijn, het belang van het dier en de natuur (zie 3.2) en niet dat zij (ook) op komt voor de belangen van consumenten. Daarom is Stichting Dier&Recht niet-ontvankelijk in haar vorderingen III en IV en het deel van vordering V dat daarmee samenhangt.
5.8.
De vorderingen I en II zien op het door Stichting Dier&Recht gestelde onrechtmatig handelen van de Raad van Beheer. Die gestelde onrechtmatige daad ziet op het dierenwelzijn. In het licht van dit belang leest de rechtbank de gevraagde verklaring voor recht onder I en II zo dat de Raad van Beheer niet onrechtmatig handelt jegens Stichting Dier&Recht, want dat zou Stichting Dier&Recht immers opkomen voor haar eigen belang, maar dat de Raad van Beheer onrechtmatig handelt in het algemeen en daarmee het dierenwelzijn in het geding is.
Voor vordering I en II en de daarmee samenhangende resterende vordering onder V moet worden bepaald of Stichting Dier&Recht ontvankelijk is.
Vereisten
5.9.
Onder de WAMCA moet Stichting Dier&Recht voldoen aan:
- -
artikel 1018c lid 5 onder a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv): de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 BW;
- -
artikel 1018c lid 5 onder b Rv: eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het instellen van een collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering;
- -
artikel 1018c lid 5 onder c Rv: niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering.
Lichtere regime van lid 6: algemeen belang actie
5.10.
Op grond van de eerste bulletpoint moet Stichting Dier&Recht voldoen aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 BW. Stichting Dier&Recht hoeft echter niet aan de vereisten van artikel 3:305a lid 2 onder a tot en met e en lid 5 BW te voldoen als de vordering ziet op een ideëel doel en een zeer beperkt financieel belang heeft of wanneer de aard van de vordering daartoe aanleiding geeft (artikel 3:305a lid 6 BW). Dit wordt ook wel het ‘lichtere regime’ van lid 6 genoemd.
5.11.
Volgens Stichting Dier&Recht voldoet zij aan de criteria voor toepassing van artikel 3:305a lid 6 BW en is het lichtere regime van toepassing. De rechtbank gaat hier in mee. De vorderingen I, II en de resterende vordering onder V zien op het belang van het dierenwelzijn. Dat is aan te merken als een algemeen belang. Meer specifiek het ideële belang van welzijnsverbetering van dieren. Stichting Dier&Recht heeft dit ook onderbouwd door te stellen dat het gaat om het bewerkstelligen van gedragsverandering bij de Raad van Beheer en niet op verkrijgen van een schadevergoeding.
1018c lid 5 onder a Rv: de vereisten 3:305a BW onder het lichte regime van lid 6
5.12.
Dit betekent dat Stichting Dier&Recht alleen nog dient te voldoen aan de volgende vereisten van artikel 3:305a BW:
- a.
de ingestelde rechtsvordering strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, deze belangen worden ingevolge de statuten behartigt en deze belangen zijn voldoende gewaarborgd (artikel 3:305a lid 1 BW),
- b.
de stichting is voldoende representatief (artikel 3:305a lid 2 aanhef BW),
- c.
een financiering niet afkomstig is van een financier die een concurrent is van degene tegen wie de rechtsvordering zich richt, of van een financier die afhankelijk is van degene tegen wie de rechtsvordering zich richt (3:305a lid 2 onder f BW),
- d.
e stichting heeft geen winstoogmerk (artikel 3:305a lid 3 onder a BW),
- e.
de rechtsvordering heeft een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer (artikel 3:305a lid 3 onder b BW),
- f.
de stichting heeft voldoende getracht het gevorderde door het voeren van minnelijk overleg te bereiken (artikel 3:305a lid 3 onder c BW).
5.13.
Zoals hiervoor al is geoordeeld strekt de door Stichting Dier&Recht ingestelde rechtsvordering tot bescherming van het algemeen belang, namelijk dierenwelzijn. In de statuten van Stichting Dier&Recht staat ook dat zij dit belang behartigt (zie 3.2). Deze belangen zijn ook voldoende gewaarborgd, in die zin dat er activiteiten door Stichting Dier&Recht op dit gebied zijn ontplooid (wat hierna verder wordt toegelicht). Hiermee voldoet Stichting Dier&Recht dus aan het vereiste van artikel 3:305a lid 1 BW.
5.14.
De belangen zijn verder voldoende gewaarborgd als de stichting voldoende representatief is, gelet op de achterban. Stichting Dier&Recht is een non-profitorganisatie voor de bescherming van dieren. Stichting Dier&Recht is voldoende representatief om deze procedure te voeren. Zij staat bekend als een stichting die op komt voor de belangen van dieren en daarover campagnes voert, voorlichtingen geeft, rechtszaken voert en gesprekspartner is bij actualiteitenprogramma’s en van de overheid bij onderwerpen over dierenwelzijn. Stichting Dier&Recht heeft geen leden, maar wel een achterban zoals blijkt uit het feit dat zij door donaties van sympathisanten wordt gefinancierd en uit die middelen deze procedure bekostigd. Ook aan het vereiste van 3:305a lid 2 aanhef BW is voldaan.
5.15.
De financiering van Stichting Dier&Recht is afkomstig van individuele donateurs. Dat geld is voor de bedrijfsvoering van Stichting Dier&Recht en voor de financiering van rechtszaken. De financiering is daardoor niet afkomstig van een concurrent van de Raad van Beheer of van een financier die afhankelijk is van de Raad van Beheer. Stichting Dier&Recht voldoet aan het vereiste van artikel 3:305a lid 2 onder f BW.
5.16.
Verder heeft Stichting Dier&Recht geen winstoogmerk. Dat staat in haar statuten (zie 3.2). De vordering heeft een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer omdat het alleen gaat over het afgeven van stambomen in Nederland door de Raad van Beheer. Daarnaast heeft Stichting Dier&Recht voldoende onderbouwd dat zij heeft geprobeerd om tot een oplossing te komen met de Raad van Beheer (maar dit niet is gelukt). Daardoor voelt Stichting Dier&Recht ook aan de vereisten van artikel 3:305 lid 3 onder a, b en c BW.
1018c lid 5 onder b Rv
5.17.
Uit artikel 1018c lid 5 onder b Rv volgt dat Stichting Dier&Recht voldoende aannemelijk moet maken dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn.
5.18.
De feitelijke en rechtsvragen die in deze procedure moet worden beantwoord zijn voldoende gemeenschappelijk. De vraag of de Raad van Beheer stambomen mag afgeven voor honden die worden gefokt in strijd met de wet is een algemene, principiële vraag die niet op een andere manier aan de rechter kan worden voorgelegd. Het is efficiënter en effectiever om deze vraag in een collectieve procedure te beantwoorden dan via het voeren van individuele procedures over iedere stamboom die wordt afgegeven.
1018c lid 5 onder c Rv: collectieve ordering niet summierlijk ondeugdelijk
5.19.
Doel van artikel 1018c lid 5 sub c Rv is om in uitzonderlijke gevallen een collectieve vordering al vóór de inhoudelijke behandeling niet in behandeling te nemen omdat deze niet deugt.5.Daarvan is niet gebleken.
Conclusie ontvankelijkheid
5.20.
Stichting Dier&Recht is ontvankelijk in haar vorderingen I, II, V (voor zover die ziet op vordering I en II) en VI.
Verder verloop procedure
5.21.
Nu Stichting Dier&Recht ontvankelijk is moet over een aantal procedureregels nog een beslissing worden genomen voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. Het gaat om de volgende punten:
- -
het aanwijzen van een exclusieve belangenbehartiger (artikel 1018e lid 1 Rv);
- -
beoordelen wat de collectieve vordering precies inhoudt, voor welke nauw omschreven groep personen de exclusieve belangenbehartiger de belangen in deze collectieve vordering behartigt en of de aan een bepaalde plaats gebonden aard van de collectieve vordering aanleiding geeft voor behandeling van de zaak bij een ander gerecht (artikel 1018e lid 2 Rv);
- -
- -
indien er personen tot de nauw omschreven groep behoren die geen woonplaats of verblijf in Nederland hebben en een voor Nederland bindende internationale of Unieregeling geen wijze van aankondiging voorschrijft, aankondiging gelasten op een door hem te bepalen wijze (artikel 1018f lid 3 Rv); en
- -
een termijn voor het beproeven van een schikking stelt (artikel 1018g Rv).
5.22.
Deze voorschriften gelden ook voor vorderingen die niet zien op schadevergoeding maar op een algemeen belang-actie, zoals deze zaak. In beginsel moeten deze stappen dan ook worden doorgelopen, maar voor algemeen belang-acties ligt dat wel ingewikkeld.
Allereerst geldt dat het aanwijzen van een exclusief belangenbehartiger is bedoeld om duidelijk te maken wie van de belangenorganisaties die voor een bepaalde gebeurtenis een collectieve vordering hebben ingediend, de leiding heeft in de procedure en daarvoor verantwoordelijk is. Ook is de exclusieve belangenbehartiger degene die met de verweerder tot een schikking kan komen voor de hele groep die hij behartigt. In deze zaak zijn er geen andere belangenorganisaties die een zelfde vordering hebben ingesteld. Het aanwijzen van een exclusieve belangenbehartiger is daarom niet nodig, terwijl het wel tot verdere vertraging van de zaak leidt. Daarnaast is er in deze zaak geen nauw omschreven groep waar Stichting Dier&Recht voor optreedt; het gaat niet om de belangen van haar leden of van mensen die zich bij haar hebben aangemeld, maar om een algemeen belang, het dierenwelzijn. Omdat er geen nauw omschreven groep is van wie de belangen in deze collectieve vorderingen worden behartigd, kan die groep ook niet worden aangeschreven om kenbaar te maken of zij gebonden willen zijn door de uitspraak.
Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het niet zinvol wordt geacht om Stichting Dier&Recht als exclusief belangenbehartiger aan te wijzen en de opt-out procedure te volgen. Ook het aanhouden van de procedure om een schikking te beproeven wordt niet zinvol geacht omdat Stichting Dier&Recht als opkomend voor een algemeen belang niet kan onderhandelen namens de hele maatschappij.
5.23.
De rechtbank zal daarom de hiervoor onder 5.21 genoemde voorschriften in deze zaak niet naleven en overgaan tot de inhoudelijke beoordeling. Dat betekent dat een mondelinge behandeling zal worden gepland voor het inhoudelijk deel. Met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.8 is overwogen stelt de rechtbank de collectieve vordering als volgt vast:
dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht verklaart dat de Raad van Beheer onrechtmatig handelt door stambomen
af te geven (aan fokkers) voor kortsnuitige pups die zijn gefokt in strijd met artikel 3.4 Besluit houders van dieren en de handhavingscriteria waarmee de open norm is ingevuld;
II. voor recht te verklaren dat de Raad van Beheer onrechtmatig handelt door
stambomen af te geven (aan fokkers) voor kortsnuitige pups zonder dat de fokker door middel van een dierenartsverklaring dan wel een door een dierenarts ingevuld petscan formulier heeft aangetoond dat de (combinatie van) ouderdieren voldoen aan artikel 3.4 Besluit houders van dieren en de handhavingscriteria waarmee de open norm is ingevuld;
III. de Raad van Beheer te gebieden om het onrechtmatig handelen zoals omschreven
onder punten I en II te staken en gestaakt te houden, dit op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per onrechtmatig afgegeven stamboom;
IV. de Raad van Beheer te veroordelen in de kosten van het geding.
5.24.
Partijen wordt gevraagd binnen één week – uiterlijk 2 oktober 2024 – hun verhinderdata op te geven voor de periode februari-april 2025.
5.25.
Aan de hand van de opgegeven verhinderdata zal een mondelinge behandeling van het inhoudelijke geschil worden gepland.
5.26.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
6. De beslissing
De rechtbank
6.1.
bepaalt dat Stichting Dier&Recht ontvankelijk is in haar vorderingen I, II, V (voor zover die vordering ziet op vordering I en II) en VI en dat deze vorderingen voldoen aan de vereisten van artikel 1018c lid 5 Rv,
6.2.
beslist dat een mondelinge behandeling wordt gehouden ten overstaan van een meervoudige kamer,
6.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 2 oktober 2024 voor opgave verhinderdata in de periode februari - april 2025,
6.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, mr. L. Voetelink mr. Q.R.M. Falger, rechters, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑09‑2024
Fokken met kortsnuitige honden; criteria ter handhaving van art. 3.4. Besluit Houders van dieren; Dr. Marjan AE van Hagen (Departement Dier in Wetenschap en Maatschappij en het Expertisecentrum Genetica Gezelschapsdieren), in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, p. 26
Wet van 20 maart 2019, Stb. 2019, 130, tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken (Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie).
Wet van 6 april 1994 tot regeling van de bevoegdheid van bepaalde rechtspersonen om ter bescherming van de belangen van andere personen een rechtsvordering in te stellen (Stb. 1994, 269), waarbij artikel 3:305a BW is ingevoerd, in combinatie met de Wet van 23 juni 2005 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de collectieve afwikkeling van massaschades te vergemakkelijken (Kamerstukken II 2005-2006, 29 414, Stb. 2005, 340) in werking getreden op 16 juli 2005, laatstelijk gewijzigd op 13 juli 2016.