Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/1.3.1
1.3.1 Gekozen perspectieven
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183530:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Er is niet gekozen voor een meer normatieve insteek, bijvoorbeeld door de vraag te stellen hoe de verzekering in coassurantie of pools zich zou moeten verhouden tot het mededingingsrecht. Een dergelijke onderzoeksvraag vergt een andere onderzoeksopzet/beoordelingskader. Het onderhavige onderzoek was erop gericht in kaart te brengen hoe de verzekeringsmarkt functioneert en op welke punten spanning bestaat met het mededingingsrecht.
Zie (uitvoerig) over het doen van klassiek juridisch onderzoek (ook wel juridisch-dogmatisch onderzoek genaamd), Taekema 2011, p. 33 en Van Dijck, Snel & Van Golen 2018, p. 84 (die – liever – spreken over een juridisch-dogmatisch onderzoeksdesign).
Een andere onderzoekdiscipline gebruiken als hulpwetenschap houdt in dat de onderzoeker een probleem formuleert dat niet geheel met juridische methoden kan worden opgelost. De informatie uit een andere discipline is dan noodzakelijk om het onderzoek goed te kunnen doen. Zie H.S. Taekema & B. van Klink, ‘Dwarsverbanden. Interdisciplinair onderzoek in de rechtswetenschap’, NJB 2009 (84/39), p. 2559-2566.
Vgl. H.S. Taekema & B. van Klink, ‘Dwarsverbanden. Interdisciplinair onderzoek in de rechtswetenschap’, NJB 2009 (84/39), p. 2559-2566.
In het begeleidende emailbericht bij de enquête werd aangegeven dat de vragenlijst was bedoeld om de bevindingen van het onderzoek te toetsen aan de praktijk. In de introductie op de vragenlijst was opgenomen dat het doel van de vragenlijst was om te weten te komen op welke mogelijke manieren risico’s in coassurantie in de Nederlandse praktijk verzekerd worden (waarom en wanneer wordt de keuze gemaakt voor coassurantie of het onderbrengen in een pool?) en hoe dat precies in zijn werk gaat. Zie de appendix bij dit boek, bijlage I.
Het onderzoek van Baarsma e.a. 2008 bevat een specifieke beschrijving van coassurantie in de Nederlandse markt.
Het onderzoek is vooral beschrijvend van aard.1 Er wordt een beschrijving gegeven van het mededingingsrecht en (fundamentele) werkwijzen in de verzekeringswereld. Kort gezegd wordt in kaart gebracht hoe de verzekeringsmarkt functioneert, en wordt daarop het mededingingsrecht betrokken. Bij de vraag hoe beiden ‘werelden’ zich tot elkaar verhouden is ervoor gekozen de status quo van de inhoud van het mededingingsregels, zoals naar voren komt in de Europese beschikkingspraktijk en diverse richtsnoeren van de Europese Commissie als uitgangspunt te nemen. De vraag welke doelen het mededingingsrecht dient, bijvoorbeeld het bereiken van de consumentenwelvaart of de totale welvaart, wordt daarmee in dit boek niet ter discussie gesteld.
Om de onderzoeksvragen goed te kunnen beantwoorden is gekozen voor verschillende onderzoeksmethoden. In de eerste plaats is klassiek juridisch onderzoek verricht.2 Dit gedeelte van het onderzoek bestaat uit het raadplegen van de relevante wetgeving, jurisprudentie en literatuur op het terrein van het mededingingsrecht. Arresten van het Europese Hof van Justitie (dat bestaat uit het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Gerecht van Eerste Aanleg) zijn geraadpleegd om de geldende uitleg van de mededingingsregels te onderzoeken. Ook is de beschikkingspraktijk van de Europese Commissie onderzocht. Het klassieke juridische onderzoek bevat dus de systematisering van de rechtsregels die op het terrein van mededinging gelden. Het doel daarvan is om een beoordelingskader op te stellen voor het onderzoek naar de toepassing van het mededingingsrecht in de zakelijke verzekeringssector. Bovendien stelt het mij in staat om antwoord te geven op de (tweede) deelvraag: wat is de kern van het mededingingsrecht?
Hoewel het dominante perspectief in het onderzoek juridisch is, kent het onderzoek tevens een sterke economische component. Zoals gezegd is het mededingingsrecht een domein dat grenst aan of zelfs overlapt met de economische wetenschap (met name markteconomie, industriële organisatie, micro- en macro-economie). Vanwege deze nauwe samenhang tussen recht en economie heb ik in hoofdstuk drie van dit boek de economische factoren in kaart gebracht die bij de toepassing van het mededingingsrecht in de verzekeringssector een rol spelen. Methodologisch is de economische discipline gebruikt als een hulpwetenschap.3 Dat betekent dat informatie uit de economische discipline noodzakelijk was om het onderzoek goed te kunnen uitvoeren, omdat juridische vragen omtrent mededinging niet los kunnen worden gezien van de economische realiteit.4 Het was (dus) noodzakelijk om me te bedienen van economische inzichten teneinde de juridische vragen goed (en in de juiste context) te kunnen beantwoorden. Het onderhavige onderzoek is niet opgezet als een rechtseconomisch onderzoek; inzichten uit de rechtseconomie zijn wel ter inspiratie gebruikt.
De EU-dimensie is op dit vlak onontkoombaar omdat de toepasselijke rechtsregels niet van nationale origine zijn. Dat maakt dat het onderzoek ook een Europeesrechtelijk perspectief kent. Voor een beschrijving van het mededingingsrecht is aangehaakt bij de inhoud van het Europese mededingingsrecht dat, voor wat betreft het kartelverbod en het verbod op misbruik van een machtspositie, rechtstreeks doorwerkt in de nationale rechtsorde. Omdat het mededingingsrecht in andere lidstaten van de Europese Unie nagenoeg hetzelfde is als in Nederland, lag het voor de hand om acht te slaan op andere rechtstelsels. Er is daarom gekozen om voorbeelden en literatuur uit de landen Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en België te betrekken in het onderzoek. In deze landen neemt coassurantie, net als in Nederland, een belangrijke plaats in. Een algemene beschrijving van de organisatie van de verzekeringsmarkten in die landen is opgenomen in hoofdstuk vier.
Het onderzoek bevat als gezegd ook een empirische component. Het empirische onderzoek (hierna: het praktijkonderzoek) dient meerdere doelen. In de eerste plaats geeft het inzicht in de werking van coassurantie in de Nederlandse praktijk.5 Daarover bestaat zeer weinig empirisch onderzoek en het (schaarse) onderzoek dat voorhanden is, is gedateerd.6 Bovendien is het meest recente empirische onderzoek naar de werking van coassurantie en verzekeringspools, uitgevoerd in opdracht van de Europese Commissie door EY, gericht op alle lidstaten van de Europese Unie en niet specifiek op de situatie in Nederland. Het tweede doel van het praktijkonderzoek bestond er daarom uit om na te gaan hoezeer de bevindingen uit eerdere onderzoeken gelden voor de Nederlandse markt. Als derde (en meest wezenlijke) doel dient het praktijkonderzoek ertoe om een ‘reality check’ te doen van enkele belangrijke onderzoeksbevindingen. Ten slotte is het praktijkonderzoek gebruikt om er voorbeelden en/of casusposities aan te ontlenen. In de volgende paragraaf sta ik uitgebreider stil bij de verantwoording van het (praktijk)onderzoek.