Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/16.1
16.1 Samenwerking gelijkend op uitlevering
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS458218:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevelen de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ), PbEG 2002, L190/1. Het kaderbesluit is voor Nederland omgezet met de Overleveringswet (Wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overleveringtussen de lidstaten van de Europese Unie (Overleveringswet), Stb. 2004, 195, i.w.tr. 12mei 2004).
In HvJ 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru) heeft het HvJ voor gevallen waarin gebrekkige detentieomstandigheden toteen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling leiden, geoordeeld dat deze aan overlevering in de weg kunnen staan. Zie nader par. 15.3.2.
De samenwerking in de Unie op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning kreeg haar eerste gestalte in het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel.1 Dat instrument is in de EU in de plaats gekomen van het Europees verdrag betreffende uitlevering en een aantal andere verdragen met een beperkter bereik.
Het beginsel van wederzijdse erkenning komt in het systeem van het Europees aanhoudingsbevel tot uitdrukking door enkele kenmerkende vernieuwingen ten opzichte van het klassieke uitleveringssysteem. Zo vindt de samenwerking rechtstreeks plaats tussen justitiële autoriteiten en niet langer langs ministeriële of diplomatieke weg. In samenhang daarmee gaat het bovendien niet langer om een verzoek maar om een bevel. Een andere opvallende breuk met het bestaande systeem vormt de beperking van de eis van dubbele strafbaarheid, of beter gezegd: de eis van strafbaarheid van het feit waarvoor uit- of overlevering wordt verzocht of bevolen naar het recht van de aangezochte staat. De eis wordt niet volledig overboord gezet, maar voor bepaalde (type) delicten, opgesomd in een lijst in het kaderbesluit en daarom doorgaans aangehaald als ‘lijstfeiten’, geldt enkel nog een verzwaarde eis van strafbaarheid naar het recht van de verzoekende staat. Ook andere weigeringsgronden verliezen terrein, al is het geenszins zo dat ze allemaal komen te vervallen. Zo is er in het systeem van het Europees aanhoudingsbevel nog altijd ruimte voor weigering van de overlevering van onderdanen. Veel discussie is er geweest over de mogelijkheid overlevering te weigeren vanwege dreigende of voltooide mensenrechtenschendingen. Het kaderbesluit kent daar geen expliciete weigeringsgrond voor. Dit is kenmerkend, ook gelet op latere ontwikkelingen in Unieverband, die juist meer ruimte geven aan de mensenrechtelijke exceptie. Echter is in de Overleveringswet, waarmee het Europees aanhoudingsbevel in het Nederlandse recht is geïmplementeerd, is in artikel 11 een dergelijke weigeringsgrond desondanks opgenomen.2
Een belangrijke wijziging in vergelijking met de uitleveringsprocedure is verder de afwezigheid van gewone rechtsmiddelen en de concentratie van de behandeling van overleveringszaken bij een gespecialiseerde kamer van de rechtbank Amsterdam. Overigens zijn deze wijzigingen enkel het gevolg van de Nederlandse implementatie en niet van het kaderbesluit zelf. Ten slotte zijn de termijnen waaraan de behandeling van een aanhoudingsbevel is gebonden beduidend korter dan die in het uitleveringssysteem.
Het instrument van overlevering impliceert vertrouwen voor zover het toetsingsmogelijkheden en weigeringsgronden achterwege laten. Dat is het geval bij lijstfeiten. Daarvoor geldt geen eis van dubbele strafbaarheid. De uitvoerende staat kan niet toetsen of het feit naar haar eigen recht strafbaar is en evenmin is een toets mogelijk of de uitvaardigende staat het feit terecht als lijstfeit heeft aangemerkt. Op dat punt impliceert het instrument vertrouwen: vertrouwen dat het feit terecht als lijstfeit is aangemerkt en vertrouwen de aard van dat feit overlevering rechtvaardigt, ook al komt niet vast te staan dat het in de uitvoerende lidstaat een strafbaar feit oplevert. Hier werkt een gedachte van equivalentie van de rechtsstelsels: ook al is het feit in het eigen rechtsstelsel geen strafbaar feit, de gelijkwaardigheid van het andere rechtsstelsel dwingt ertoe te aanvaarden dat het feit in de andere staat wel strafbaar is en dat het aanleiding geeft tot uitlevering.
Vanuit het kaderbesluit geredeneerd impliceert het instrument ook op het vlak van mensenrechten vertrouwen. Het kaderbesluit voorziet immers niet in een mensenrechtelijke weigeringsgrond. De Overleveringswet kent die wel, maar in zekere zin druist dat in tegen het kaderbesluit. Met een beroep op de verplichtingen die op grond van het EVRM op Nederland rusten is die weigeringsgrond in de Overleveringswet te rechtvaardigen, maar die geldt dan eigenlijk onafhankelijk van het kaderbesluit: dat dicteert in wezen vertrouwen.