De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.1.1
2.1.1 Het begrip rechtsverhouding
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS387273:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vonck 2013, p. 147: “De vestiging van een beperkt recht resulteert in een bijzondere rechtsverhouding tussen de hoofdgerechtigde en de beperkt gerechtigde.”
Asser/Sieburgh 6-III 2018/8 wijst er op dat het woord overeenkomst ook wordt gebruikt voor ‘de uit de handeling voortvloeiende rechtsbetrekking tussen de contracterende partijen (de inhoud van het overeengekomene)’.
Reijntjes & Boon 2000, p. 5. Zie ook Asser/Sieburgh 6-I 2016/6 waar een rechtsbetrekking wordt omschreven als ‘een door het recht erkende en geregelde verhouding’.
Brahn/Reehuis 2015, p. 2: “Een subjectief recht is een aan iemand toekomende ‘bevoegdheid’. Een vermogensrecht betekent hier een aan een bepaalde persoon toekomend recht dat deel uitmaakt van zijn vermogen, bijvoorbeeld een eigendomsrecht of een vorderingsrecht. (…) De subjectieve vermogensrechten vallen te onderscheiden in rechten met betrekking tot goederen en rechten met betrekking tot personen.” Zo ook Reijntjes & Boon 2000, p. 77.
De Groot 1631, II, 1 par. 58.
Reijntjes & Boon 2000, p. 79. Nadruk in origineel.
Het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten verving aan het einde van de negentiende eeuw het onderscheid tussen rechten op zaken (ook genoemd res ad rem) en rechten jegens personen (res ad personam), met name om ook rechten op intellectuele eigendom in het schema te kunnen onderbrengen, zie onder meer Asser & Scholten 1905, p. 1-2.
Snijders & Rank-Berenschot 2017, p. 5 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 12-13.
Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/218: “De titel voor het vestigen van een recht van erfpacht wordt in veel gevallen gevormd door de obligatoire overeenkomst tot het vestigen van het erfpachtrecht. Uit deze overeenkomst ontstaat voor beide partijen de verplichting om aan de vestiging van het recht mee te werken.” Zo ook Vonck, in: GS Zakelijke rechten, titel 7 Boek 5 BW, aant. 54.1: ‘Titel van vestiging’ (online, bijgewerkt 30 januari 2018): “De titel van de vestiging van het erfpachtrecht is in het algemeen de uit het onbenoemde contract van ‘erfpachtgunning’ voortvloeiende verplichting van de eigenaar aan de erfpachter het erfpachtrecht te verschaffen, en de uit datzelfde contract voortvloeiende verplichting voor de erfpachter het erfpachtrecht aan te nemen met de kwalitatieve verplichtingen die uit dat recht voortvloeien, zoals een betaling van de canon.”
Vonck, in: GS Zakelijke rechten, titel 7 Boek 5 BW, aant. 54.2: ‘Betekenis van de titel na de vestiging’ (online, bijgewerkt 30 januari 2018): “Het contract in zoverre het als titel gediend heeft, is in principe uitgewerkt [na het vestigen van het erfpachtrecht].” En Vonck, in: GS Zakelijke rechten, art. 5:85 BW, aant. 2: ‘Zakelijk recht’ (online, bijgewerkt 30 januari 2018): “Dat contract verplicht tot de vestiging van een erfpachtrecht met een bepaalde inhoud en is nagekomen met de inschrijving van de vestigingsakte in de openbare registers. De verdere verplichtingen vloeien voort uit de erfpacht zelf en niet uit de overeenkomst.”
Hoewel bij erfpachtrechten de aandacht meestal uitgaat naar de inhoud van het gebruiksrecht en de vraag naar de eventuele derdenwerking van het goederenrechtelijk recht, is er bij ieder erfpachtrecht ook altijd sprake van een rechtsverhouding tussen de twee direct betrokken personen, erfverpachter en erfpachter.1 Het begrip rechtsverhouding wordt enerzijds gebruikt om de hele betrekking tussen twee personen aan te duiden, zoals bijvoorbeeld bij de huurovereenkomst die een groot aantal bevoegdheden en verplichtingen over en weer bevat, en wordt anderzijds gebruikt in engere zin om een bepaalde verbintenis aan te duiden.2 Ik gebruik het begrip rechtsverhouding in het kader van dit onderzoek in ruime zin, voor het geheel van de bevoegdheden en verplichtingen die tussen erfverpachter en erfpachter bij vestiging worden afgesproken. Ik gebruik daarvoor het begrip rechtsverhouding of erfpachtverhouding.
Naar huidig recht wordt onder een rechtsverhouding verstaan een betrekking tussen twee of meer rechtssubjecten waaraan door het objectieve recht bepaalde rechtsgevolgen worden verbonden.3 Een rechtsverhouding of rechtsbetrekking ontstaat als gevolg van een bepaalde handeling zoals het sluiten van een koopovereenkomst, de vestiging van een beperkt recht of het verrichten van een feitelijke handeling die kan worden gekwalificeerd als een onrechtmatige daad. Meestal ligt aan het ontstaan van een rechtsverhouding een door partijen beoogde rechtshandeling ten grondslag, maar noodzakelijk is dat niet. De vestiging van een erfpachtrecht is een door het recht geregelde gebeurtenis waaraan voor betrokkenen door het objectieve recht in titel 5.7 BW gevolgen zijn verbonden. Die gevolgen bestaan uit een of meer subjectieve rechten die door het recht aan de betrokken personen worden toegekend en die bestaan uit bevoegdheden en verplichtingen met betrekking tot de onroerende zaak. Die bevoegdheden en verplichtingen vormen veelal elkaars keerzijde en gelden altijd jegens personen.4 Eerder werd hier wel anders over gedacht in de zin dat een betrekking tussen een persoon en een zaak werd aangenomen:
“Een rechtsbetrekking, een bevoegdheid met als keerzijde een verplichting, kan alleen bestaan tussen personen. Men stelt het wel eens voor alsof een rechtsbetrekking ook zou kunnen bestaan tussen een persoon en een zaak. Zo noemt Hugo de Groot het eigendomsrecht een recht ‘bestaende tusschen den mensch ende de zaecke zonder noodigh opzicht (lees: betrekking) op een ander mensch’.5 Maar deze voorstelling is niet juist. De zaak is enkel het object van de tussen de eigenaar en alle andere personen bestaande betrekking.”6
Een subjectief recht veronderstelt een rechtsbetrekking, met als actieve zijde een bevoegdheid van een persoon en als keerzijde een verplichting van een of meer andere personen jegens die persoon. Die personen kunnen bepaald zijn zoals de koper en de verkoper bij een koopovereenkomst en dan is sprake van een relatief of persoonlijk recht. De personen kunnen daarnaast aan de passieve zijde onbepaald zijn zoals in de verhouding tussen de eigenaar van een zaak en alle andere personen die zijn bevoegdheid over zijn zaak te beschikken dienen te eerbiedigen en dan is sprake van een absoluut recht.7 Het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten ligt ten grondslag aan het onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht.8 Dat wil echter niet zeggen dat uit een goederenrechtelijk recht voor betrokkenen uitsluitend absolute rechten voortvloeien.
De rechtsverhouding tussen erfverpachter en erfpachter ontstaat bij de overeenkomst tot vestiging van het recht en heeft dan uitsluitend een verbintenisrechtelijk karakter. In het spraakgebruik wordt onder de ‘erfpachtovereenkomst’ of het ‘erfpachtcontract’ vaak de gehele rechtsverhouding met alle onderscheiden bevoegdheden en verplichtingen verstaan, ook na de vestiging. Vanuit juridisch oogpunt is dat onjuist omdat met de erfpachtovereenkomst of het erfpachtcontract alleen de titel voor de vestiging kan worden bedoeld, de overeenkomst die verplicht tot het vestigen van een erfpachtrecht met de in die overeenkomst aangeduide inhoud.9 De inhoud van die obligatoire overeenkomst gaat na vestiging over in het goederenrechtelijk erfpachtrecht.10 De rechtsverhouding is daarmee goederenrechtelijk van karakter geworden en wordt beheerst door de vestigingsakte, de bepalingen van titel 5.7 BW en vaak ook door bedingen in algemene erfpachtvoorwaarden. Daarnaast kunnen obligatoire afspraken zonder zakelijke werking tussen partijen blijven bestaan. De rechtsverhouding tussen erfverpachter en erfpachter bestaat dus uit een bundeling van bepaalde bevoegdheden en verplichtingen van betrokkenen met betrekking tot de onroerende zaak die ontstaan als het gevolg van de vestiging van het beperkte recht. Die subjectieve rechten kunnen van goederenrechtelijke of van verbintenisrechtelijke aard zijn.