Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/5.3.3
5.3.3 De vereniging van gepensioneerden als cao-partij?
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687247:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
J. van Drongelen, Collectief arbeidsrecht, deel 4, De collectieve arbeidsovereenkomst en het algemeen verbindend verklaren van bepalingen daarvan, Zutphen: Paris 2012, p. 74, met literatuurverwijzingen, over wat een werknemersvereniging is.
Kamerstukken I 2002/03, 28354, A, p. 4. Zo ook: Kamerstukken II 2004/05, 28354, nr. 10, p. 2: ‘Als niet-actieven hebben gepensioneerden geen plaats aan de overlegtafel waar over arbeidsvoorwaarden gesproken wordt. Het primaat van de sociale partners bij het arbeidsvoorwaardenoverleg wordt door ouderenorganisaties ten volle geaccepteerd. Bij het bepalen van de inhoud van pensioenregelingen zijn gepensioneerden geen partij en ze willen dat ook niet zijn’.
Bijvoorbeeld J. Mannoury, De collectieve arbeidsovereenkomst, Alphen aan den Rijn: Samsom 1961, p. 6, ziet geen bezwaren. Mannoury wijst er ook op dat in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1926/27, 166, nr. 3, p. 4) is opgemerkt dat niet geëigende verenigingen, zoals een dansclub van fabrieksmeisjes of een werkliedenfanfarecorps (!), de weg is afgesneden op grond van artikel 2 Wet CAO.
W.J.P.M. Fase en J. van Drongelen, CAO-recht, Deventer: Kluwer 2004, p. 214-215.
J. van Drongelen, Collectief arbeidsrecht, deel 4, De collectieve arbeidsovereenkomst en het algemeen verbindend verklaren van bepalingen daarvan, Zutphen: Paris 2012, p. 112.
HR 8 juni 2007, JAR 2007/162, NJ 2007/464, m.nt. E. Verhulp (AbvaKabo FNV/Branchevereniging Ondernemers in der Kinderopvang).
Onder andere P.Th. Mantel, ‘Recht op toelating tot cao-onderhandelingen; meer dan representativiteit?’, SMA 2008, p. 75 e.v.
Zie bijvoorbeeld met verwijzingen naar jurisprudentie J. van Drongelen, Collectief arbeidsrecht, deel 4, De collectieve arbeidsovereenkomst en het algemeen verbindend verklaren van bepalingen daarvan, Zutphen: Paris 2012, p. 112-122; A.Ph.C.M. Jaspers, ‘Toegang tot het cao-overleg’, TAP 2010/2; F.B.J. Grapperhaus en M.A.S.M. Veenstra, ‘Toelating tot cao-onderhandelingen en de positie van kleine vakbonden’, SR 2007/62; N. Jansen, Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg, Deventer: Kluwer 2019, p. 153-156.
E. Verhulp en N. Jansen, Losbladige arbeidsovereenkomst, aant. 15 bij artikel 1 Wet CAO; N. Jansen, Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg, Deventer: Kluwer 2019, p. 155.
Rb. Utrecht 28 april 1999, JAR 1999/115 (Vakvereniging voor machinisten en conducteurs der NV Nederlandse Spoorwegen/NS Reizigers).
Hof Arnhem 14 maart 1995, JAR 1995/96 (NV RCC c.s./Werknemersvereniging RCC).
Rb. Alkmaar (vzr.) 18 februari 2010, JAR 2010/85 (Nederlandse Vereniging van Luchtvaarttechnici/CHC Helicopters Netherlands).
Hof Amsterdam 26 oktober 2010, JAR 2010/308, TRA 2011/15, m.nt. J.J.M. de Laat (CHC Helicopters Netherlands/Nederlandse Vereniging van Luchtvaarttechnici).
N. Jansen, in: J.M. van Slooten, M.S.A. Vegter en E. Verhulp (red.), Tekst & Commentaar Arbeidsrecht, Tiende druk, Deventer: Kluwer 2018, artikel 1 Wet CAO, aant. 1.
Rb. Utrecht (vzr.) 2 februari 2011, JAR 2011/63, m.nt. A. Stege (NvvPO/Landelijke Huisartsen Vereniging c.s.); Rb. Utrecht 22 februari 2012, JAR 2012/88 (NvvPO/Landelijke Huisartsen Vereniging c.s.).
Rb. Midden-Nederland (vzr.) 13 november 2018, JAR 2018/306 (LV POH-GGZ/Landelijke Huisartsen Vereniging c.s.).
J.H. Even, ‘Toelating tot cao-onderhandelingen en de positie van de categorale vakbond: elk voordeel heeft zijn nadeel’, AR Updates annotaties 2011-0098, stelt ook dat het maatwerk blijft of een categorale vakbond moet worden toegelaten en de rechter daarbij tot op zekere hoogte vooruit mag lopen op de onderhandelingsresultaten.
N. Jansen, ‘Representativiteit van vakbonden is niet alleen een kwestie van leden’, TAO 2019/1; J. van Drongelen, Collectief arbeidsrecht, deel 2, Zutphen: Paris 2009, p. 90.
Kan een vereniging van gepensioneerden een cao afsluiten? Volgens artikel 1 Wet CAO moet een cao worden aangegaan met een of meer verenigingen van werknemers met volledige rechtsbevoegdheid. Strikt genomen valt de vereniging van gepensioneerden hier uiteraard niet onder.1 Gepensioneerden worden gewoonweg niet gezien als onderdeel van de sociale partners.2 In de literatuur is erop gewezen dat onder artikel 1 Wet CAO enkel zuivere werknemersverenigingen vallen en dus geen gemengde verenigingen (waar ook anderen dan werknemers lid van zijn), maar daar wordt ook wel anders over gedacht.3 In de praktijk lijken mij gemengde verenigingen een feit aangezien vrijwel alle vakbonden een breder ledenbestand hebben.
Het is natuurlijk een stap van een vereniging van werknemers die ook zzp’ers toelaat naar een vereniging zonder enige werknemer. Dat neemt niet weg dat het onderscheid wat mij betreft lastig te rechtvaardigen is. Verenigingen van werknemers zijn er in allerlei smaken, van groot tot klein, van categoraal tot ‘yellow’. Ook een ‘grey union’ als de vereniging van gepensioneerden is de facto een exponent hiervan. Wat representativiteit betreft, kan een dergelijke vereniging voor sommige onderwerpen zelfs representatiever zijn dan een reguliere vakbond. Een strikte toepassing van artikel 1 Wet CAO betekent dat reguliere vakbonden met slechts enkele gepensioneerde leden wel een cao mogen aangaan die ex-werknemers bindt, maar een vereniging van gepensioneerden die een groter deel van de gepensioneerden vertegenwoordigt niet. Representativiteit is een algemeen probleem bij cao’s, maar dit specifieke representativiteitsprobleem kan relatief eenvoudig worden opgelost door een vereniging van gepensioneerden als vereniging te erkennen die cao’s mag aangaan. Dat lijkt mij ook wenselijk in het licht van de vrijheid van vereniging. Als gezegd, worden ex-werknemers in dit kader weliswaar niet genoemd in onder meer de ILO-verdragen (zoals ILO-verdrag 87) en het Europees Sociaal Handvest, maar dat lijkt mij als zodanig geen argument om die vrijheid daar niet toe te laten uitstrekken. Ik kom daarop terug in paragraaf 6.2.3.
Al gaat het volgens mij te ver om artikel 1 Wet CAO zo ruim te lezen dat ook verenigingen van gepensioneerden daaronder vallen, dat neemt niet weg dat indien zij representatiever zijn dan de gevestigde vakbonden, dit naar mijn mening een valide reden kan zijn om te proberen een plek aan de onderhandelingstafel af te dwingen. Een vereniging van gepensioneerden kan immers partij worden bij een cao, alleen zal de Wet CAO daar dan niet op van toepassing zijn. Daar zal in de regel geen aanleiding voor zijn, maar als de cao-partijen in overleg zijn over een wijziging die ook ex-werknemers raakt, dan is er duidelijk een gerechtvaardigd belang om daarover mee te spreken. Het tegenovergestelde is ook denkbaar, dat een verbod wordt gevorderd om over de positie van hun leden te onderhandelen en die te binden aan een resultaat.4 Een vordering tot toelating bij cao-overleg wordt doorgaans gebaseerd op onrechtmatige daad of de redelijkheid en billijkheid.5 De Hoge Raad stelt dat naarmate de belangen bij toelating tot een overleg groter of urgenter zijn, de argumenten die voor het niet toelaten worden aangevoerd van meer gewicht zullen moeten zijn, willen zij weigering van de toelating kunnen rechtvaardigen.6 Uitgangspunt is dat een vakbond met een groot aantal leden die representatiever is dan andere vakbonden, in beginsel recht heeft op toelating. Ik teken daarbij aan dat in de literatuur is betoogd dat de vereniging de statutaire bevoegdheid moet hebben om cao’s te kunnen afsluiten, wil de rechter kunnen toekomen aan de representativiteitstoets.7 Ik denk zelf dat dit niet per definitie relevant is om de hierna in paragraaf 5.3.4 te behandelen redenen.
De (lagere) rechtspraak en literatuur over toelating tot cao-onderhandelingen is omvangrijk en zal ik hier niet verder behandelen,8 aangezien deze kwestie voor ex-werknemers in beginsel niet anders is dan voor werknemers. Waar ik bij stil wil staan is dat de positie van een vereniging van gepensioneerden in deze problematiek volgens mij het meest vergelijkbaar is met die van een categorale vakbond, die een specifiek deel van het personeel vertegenwoordigt. Met vorderingen tot toelating van dergelijke vakbonden wordt verschillend omgegaan in de rechtspraak.9 Zo is geoordeeld dat grote vakbonden meer geneigd zullen zijn tot compromissen, waarbij specifieke belangen van minderheden, zoals door een categorale vakbond vertegenwoordigd, onvoldoende tot hun recht zouden komen. Dat maakt dat categorale vakbonden recht hebben op toelating.10 Ook is overwogen dat een categorale vakbond concrete feiten of omstandigheden moet stellen waaruit blijkt dat de door hem vertegenwoordigde werknemers specifieke cao-wensen hebben en deze bij de gevestigde vakbonden onvoldoende aan de orde zullen komen.11 Bij een geschil inzake CHC Helicopters werd in eerste aanleg toelating toegewezen omdat een specifieke groep belangen kan hebben die niet gelijklopen met de rest van het personeel en gevestigde bonden die belangen onvoldoende toegespitst kunnen behartigen.12 In hoger beroep werd toelating alsnog afgewezen omdat afzonderlijke behartiging van de belangen van één specifieke groep tot angst voor achterstelling – en daarmee onrust binnen de onderneming – kan leiden.13 Dit standpunt van het hof is terecht bekritiseerd; dit argument lijkt niet valide als de categorale vakbond kan aantonen afdoende representatief te zijn.14
Sympathieker lijken de oordelen van de rechtbank inzake NVvPO, waar werd geoordeeld dat het in casu om een representatievere vakbond ging dan de gevestigde bonden, en dat niet parallel lopende belangen juist een belangrijke reden zijn om toelating van een categorale vakbond toe te wijzen.15 Een latere poging van een andere categorale vakbond om toegelaten te worden tot de onderhandelingen van dezelfde cao sneuvelde opvallend genoeg, omdat de rechter oordeelde dat er al met categorale vakbonden onderhandeld werd en anders een bepaalde groep oververtegenwoordigd dreigde te raken.16 Daar kan ik mij in vinden, aangezien de gedachte is dat met toelating van een categorale vakbond wordt voorkomen dat specifieke belangen ondersneeuwen in het grote geheel. Duidelijk moet zijn dat dit in een specifiek geval ook dreigt te kunnen gebeuren.17 Als er te veel categorale vakbonden partij zouden worden, dan wordt het heel moeilijk om tot een werkbaar compromis te komen.18
Al met al zal een vereniging van gepensioneerden alleen kans maken om toegelaten te worden tot onderhandelingen indien deze afdoende representatief is en er specifieke wensen of belangen zijn die door de reguliere vakbonden mogelijk niet adequaat zullen worden behartigd. De categorale vakbond verschilt hierin niet van de vereniging van gepensioneerden; beiden vertegenwoordigen een deel van de (ex-)werknemers.