Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.4.4.2:6.4.4.2 Beperkte antwoordplicht
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.4.4.2
6.4.4.2 Beperkte antwoordplicht
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500695:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De klager was ‘only required to state a simple fact – namely who had been the driver of his car – which is not in itself incriminating.’ (§ 54).
EHRM 8 april 2004 (Weh t. Oostenrijk), § 54.
EHRM 10 januari 2008 (Lückhof en Spanner t. Oostenrijk), § 55.
A-G Bleichrodt, conclusie bij HR 8 juli 2008, NJ 2008, 455 (m.nt. Schalken), pt. 14.14. Dan zou sprake zijn van volgtijdelijke samenloop van nalevingstoezicht en opsporing c.q. vervolging.
Zie § 6.4.3 hiervoor.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Beperkte onderzoeksbevoegdheid in verkeerszaken
Niet elke van de verdachte gevorderde verklaring is potentieel zelfbelastend. In de zaak Weh was klager in zijn hoedanigheid van geregistreerd eigenaar van een auto, enkel gehouden om te verklaren over een eenvoudig feit, te weten wie in zijn auto gereden had. Het EHRM vindt deze verklaring op zichzelf niet belastend.1 Het zwijgrecht was (dus) niet in het geding.2
In de gevoegde zaken Lückhof en Spanner zet het Hof de wettelijke antwoordplicht van de klagers af tegen enkele andere meewerkverplichtingen die in eerdere nemo tenetur-zaken in het geding waren. Nadat het vaststelt dat evenals in de gevoegde zaken O’Halloran en Francis sprake was van beperkt onderzoek naar de identiteit van bestuurders van auto’s, wijst het op de beperkte antwoordplicht in Weh. De beperkte antwoordplicht maakt dat verkeerszaken verschillen van andere zaken, zoals Funke, J.B., Heaney en McGuinness en Shannon. Daarin waren de autoriteiten wel bevoegd om uitgebreid te zoeken naar informatie en/of verdachten te onderwerpen aan een uitgebreid verhoor.3
Wil een beperkte onderzoeksbevoegdheid van de autoriteiten en – voor zover hiervan te onderscheiden – een beperkte antwoordplicht van de verdachte aan het zwijgrecht raken, dan moet daarin kennelijk (potentiële) zelfbelasting schuilgaan. Naar ik aanneem, geldt dit ook voor een beperkte antwoordplicht in niet-verkeerszaken. Vgl. de vraag of de verdachte iemand heeft beroofd. Het antwoord is beperkt, te weten een eenvoudig feit (ja of nee) en tegelijk potentieel zelfbelastend.
Toch potentiële zelfbelasting Weh?
Dat de beperkte antwoordplicht van Weh niet aan het zwijgrecht raakt, is vatbaar voor discussie. Iets wat op zichzelf niet belastend is, kan vaak wel potentieel belastend zijn. Zie Bleichrodt die meent dat wat van Weh werd gevraagd op zichzelf niet belastend was, maar dat wanneer hij aan zijn (met een bestuurlijke boete gesanctioneerde) verplichting tot opgave van de bestuurder had voldaan en had aangegeven dat hij zelf de auto had bestuurd (wat volgens Bleichrodt meestal het geval is), het bewijs theoretisch niet volledig zou zijn geleverd, maar bij verkeersovertredingen, die met technische hulpmiddelen worden geconstateerd, praktisch gesproken wel.4 Hier komt bij dat in Straatsburg ook niet rechtstreeks belastende verklaringen nemo tenetur-bescherming hebben.5