Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/4.3
4.3 Het maximaliseren van maatschappelijke welvaart
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS302844:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Cooter & Ulen 2016, p. 12.
Op meerdere gronden valt eraan te twijfelen of mensen daadwerkelijk rationeel handelen en of deze aanname ten grondslag mag liggen aan (rechts)economische analyse; een recentelijk invloedrijke stroming waarin dit aan de orde wordt gesteld is die van de ‘behavioral economics’. Vergelijk bijvoorbeeld de opvattingen van Korobkin & Ulen 2000 afgezet tegen die van Mitchell 2002.
Het hanteren van bepaalde regels vertaalt zich zeker niet één op één naar gedrag van partijen die aan die regels onderworpen zijn. Toch wordt er binnen het vermogensrecht van uitgegaan dat mensen zich iets gelegen laten liggen aan (rechts)regels, al is het alleen maar omdat dat empirisch vast te stellen valt door te kijken naar hoe zij omgaan met (goederenrechtelijke) rechten van anderen; zie voor het goederenrecht specifiek Rose 1997a, p. 1898-1899 en in algemene zin Friedman 2000, p. 16.
Het uitgangspunt dat de (rechts)regels die we hebben het gevolg zijn van een weldoordachte visie op de maatschappij, lijkt uit te gaan van een almachtige en alwetende wetgever. Slechts weinig juristen zullen zich in dit beeld herkennen. Toch wordt dit uitgangspunt in afgezwakte vorm aangehangen. Het argument daarvoor is dat het recht zichzélf over de tijd heen ontwikkelt tot een coherent kader, doordat partijen procederen over inefficiënte rechtsregels en rechters geneigd zijn efficiëntere regels daarvoor in de plaats te stellen; Friedman 1996; Posner 2011, p. 30. Of deze ‘invisible hand’ daadwerkelijk tot een efficiënte set met regels leidt, is omstreden; zie Cooter 2015, p. 34. Ook is omstreden of het recht enkel prikkelt door te straffen en te belonen; ook moreel gedrag vertonen kan een doel op zich zijn; Claeys 2012, p. 136.
Cooter 2015, p. 5, 17.
Baker 1980, p. 946; Michelman 1982, p. 664.
Posner 2011, p. 18.
Friedman 2000, p. 21-22; Angner 2010, p. 121. Het maximaliseren van maatschappelijke welvaart als uitgangspunt is het onderliggende motief van de zogenaamde ‘welfare economics’; zie Kaplow & Shavell 2002, p. 16.
In het Engels wordt de term ‘utility’ gebruikt; zie o.a. Posner 2011, p. 15-16. Het gebruik van deze term moet niet worden gelijkgeschakeld met het gebruiken van een utilitaristisch perspectief. Deze laatste stroming gaat (in een economische context) uit van het maximaliseren van persoonlijk nut door individuen en het maximaliseren van maatschappelijk nut door de overheid, zonder een theoretisch fundament te bieden om te verklaren of en hoe het maximaliseren van persoonlijk nut bijdraagt aan het maximaliseren van maatschappelijk nut. De huidige stroming van ‘welfare economics’ gebruikt daarentegen nÁÁst het concept ‘maximalisatie’ ook het concept ‘evenwicht’ (‘equilibrium’) om te bepalen of het maximaliseren van persoonlijk nut leidt tot het maximaliseren van maatschappelijk nut; zie Cooter 2015, p. 40.
Zie bijvoorbeeld Parisi & Klick 2004, p. 442-443; Calabresi 2014, p. 320; Fagundes 2017, p. 1865. Sommige (rechts)economen maken overigens wel een onderscheid tussen ‘nut’ en ‘geluk’. Het maximaliseren van ‘nut’ leidt namelijk tot meer productie, hetgeen op de lange termijn te verkiezen zou zijn boven het maximaliseren van ‘geluk’, dat vooral leidt tot consumptie. Zie in deze zin Posner 1987, p. 19; Parisi & Klick 2004, p. 445.
Parisi & Klick 2004, p. 438; Hackney Jr. 2007, p. 94.
Zie hierover Fishburn 1987; Collison Black 2008.
Posner 1985, p. 88. (Rechts)economen hebben het dan over ‘willingness to pay’; zie bijvoorbeeld Baker 1980, p. 939.
Posner 1985, p. 87. De nuancering dat er soms verschil kan zitten tussen wat het nut van een goed is voor iemand als hij het goed nog niet heeft versus wanneer hij het goed al wel heeft (het zogenaamde ‘endowment effect’) laat ik hier buitenwege. Zie hierover Posner 2011, p. 15; Mackaay 2013a, p. 217.
Dit lijkt een breder gedeeld uitgangspunt. Zie bijvoorbeeld Waldron 1990, p. 32; Dorfman 2012, p. 579 en voor Nederlandse literatuur voetnoot 55 van hoofdstuk 1.
Cooter 1982, p. 1.
Lawson 1992, p. 93; Friedman 2000, p. 20.
Zie voor voorbeelden Sterk 1985, p. 620 (vestigen beperkt recht), Ellickson 1993, p. 1371 (vestigen beperkt recht, verlenen verbintenisrechtelijke aanspraak), Friedman 2000, p. 19 (overdragen subjectief recht) en Stake 2000, p. 137 (splitsen subjectief recht, vestigen beperkt recht, verlenen verbintenisrechtelijke aanspraak).
Posner 2011, p. 16; Cooter 2015, p. 23-24. Dit lijkt – in het goederenrecht – sterk op een systeem waarin alle schaarse middelen terecht komen bij degene die ze het hoogst waardeert (zogenaamde allocatieve efficiëntie). Zie voor een bespreking van verschillende efficiëntiemaatstaven Chang 2015b, p. 507-512.
Margolis 1987, p. 473-474.
118. In de (rechts)economie wordt er doorgaans van uitgegaan dat iedere partij probeert om iets te optimaliseren, oftewel een maximale opbrengst te realiseren. Een politicus gaat voor het hoogste aantal stemmen, een goed doel voor de hoogste donatieopbrengst, een onderneming voor de hoogste winst, etc.1 Hierbij wordt aangenomen dat iedere ‘speler’ rationeel handelt.2 Dit houdt in dat hij de verschillende keuzeopties op een rij kan zetten en kan rangschikken van minst naar meest geschikt om het door hem gewenste resultaat te bereiken. Ook wordt ervan uitgegaan dat de speler kan worden (bij)gestuurd door het opleggen van (rechts)regels die de hem beschikbare keuzeopties beïnvloeden.3 Een rechtssysteem is in deze opvatting te zien als een set met ‘prikkels’ waarmee de overheid de spelers beweegt om maatschappelijk gewenst gedrag te vertonen.4
119. Een (rechts)economische analyse is dus een middel om tot een doel te geraken. Wat dat doel is, kan niet door de (rechts)economische wetenschap zelfstandig worden bepaald (al zijn er zeker schrijvers die beweren van wel).5 Dat betekent dat voor het zo optimaal mogelijk opbouwen en aanvullen van subjectieve rechten – net als voor alle andere dingen die in de (rechts)economie worden nagestreefd – een externe maatstaf nodig is om te bepalen wat optimaal is.6 Indien en zodra die maatstaf beschikbaar is, kan een (rechts)economische analyse worden gebruikt om te bepalen wat de beste manier is om het gewenste doel te bereiken.7
120. Bij gebrek aan een andere externe maatstaf wordt vaak aangenomen dat het optimaliseren van maatschappelijke welvaart een acceptabele maatstaf biedt.8 Onder welvaart wordt de mate verstaan waarin de individuen in de maatschappij hun behoeften kunnen bevredigen (‘nut’), wat voor economen ongeveer gelijk is aan de mate waarin zij gelukkig zijn.9 De reden dat economen ‘nut’ en ‘geluk’ gelijkstellen is dat zij het erg moeilijk vinden om geluk te meten.10 Hetzelfde geldt overigens voor ‘nut’. Omdat we niet in andermans hoofd kunnen kijken, weten we nooit helemaal zeker hoeveel nut anderen ergens aan ontlenen.11 Een manier om enig inzicht te krijgen in hoeveel nut iemand ergens aan ontleent, is hem te vragen verschillende alternatieven te rangschikken op een schaal, al naar gelang hij er méér of minder nut aan ontleent.12 Dit is echter een tijdrovende klus. Daarom gebruiken (rechts)economen vaak een omweg: ze stellen de hoeveelheid geluk of nut gelijk aan de ‘waarde’ (uitgedrukt in geld) die iemand bereid is om te betalen om iets te verkrijgen of behouden.13 De ‘waarde’ van subjectieve rechten komt dan grofweg neer op de verwachte mate waarin zij de rechthebbende in staat stellen om zijn behoeften te bevredigen (nut hebben), hetgeen gelijk zal zijn aan het bedrag dat hij bereid is om ervoor te betalen.14 Voor dit onderzoek ga ik ervan uit dat het onderliggende doel van het vermogensrecht inderdaad is om maatschappelijke welvaart te maximaliseren.15
121. De hoeveelheid nut die iemand ontleent aan een subjectief recht kan van persoon tot persoon verschillen; we vinden immers verschillende dingen leuk en worden van verschillende dingen blij. Dit zorgt ervoor dat het voor de individuele welvaart van de betrokken personen (en daarmee de maatschappelijke welvaart) verschil kan maken wie welk recht verkrijgt.16
Als A aan een subjectief recht 50 nut ontleent en B aan dat subjectieve recht 70 nut zou ontlenen, dan kunnen zij er bij een transactie beiden op vooruit gaan. Als A het subjectieve recht voor een bedrag van 60 aan B overdraagt, gaan zij er beiden 10 op vooruit.
122. Let wel dat dit extraatje beschreven moet worden in termen van ‘nut’ of ‘waarde’, en niet in termen van geld: ook al gaan A en B er beiden 10 op vooruit, de totale hoeveelheid geld in de maatschappij verandert niet.17 Op dezelfde wijze als hierboven zouden er nog veel meer transacties kunnen plaatsvinden. Steeds wanneer (het gebruik van) een subjectief recht vanméér nut is voor een ander dan de huidige subjectief gerechtigde, dan kan worden geprobeerd om dit nut te ‘verzilveren’ door een transactie aan te gaan. Dit kan gebeuren door het subjectieve recht geheel of gedeeltelijk aan deze ander over te dragen, deze ander een beperkt goederenrechtelijk recht te verlenen, of hem een verbintenisrechtelijke aanspraak toe te kennen.18 Bij elk van deze transacties wordt de maatschappelijke welvaart een beetje verhoogd. Elk van deze transacties is dus efficiënt om het doel – verhogen van de maatschappelijke welvaart – te bereiken.
123. Een belangrijke vraag in de (rechts)economie is hoe tot een zo hoog mogelijke maatschappelijke welvaart gekomen kan worden. In discussies over deze vraag is een grote rol weggelegd voor het begrip ‘transactiekosten‘, dat is besproken in paragraaf 4.2. Hoe lager transactiekosten zijn, des te meer transacties kunnen worden aangegaan en des te meer de maatschappelijke welvaart dus kan worden verhoogd.
124. Een maatschappelijk gezien efficiënte verdeling van subjectieve rechten is die verdeling waarin het nut dat alle betrokkenen samen aan hun schaarse middelen ontlenen, is gemaximaliseerd.19 Een efficiënt rechtssysteem zorgt er daarom voor dat 1) subjectieve rechten zoveel mogelijk worden toegedeeld aan degene die er het meeste nut aan ontleent en 2) voor gevallen waarin subjectieve rechten zijn toegedeeld aan een ander dan degene die er het meeste nut aan zou ontlenen, de transactiekosten om dat te herstellen zo laag mogelijk zijn.20 Een maatregel of transactie is efficiënt wanneer deze – het overige gelijkblijvend – ervoor zorgt dat subjectieve rechten terecht komen bij iemand die ze hoger waardeert dan de vorige gerechtigde, of transactiekosten verlaagt.
125. In dit onderzoek gebruik ik de term ‘maatregel’ voor een verandering die aan een markt wordt opgelegd, vooral in het geval de overheid (in de vorm van de wetgever of een rechter) een juridische regel formuleert (zie voor de definitie van ‘overheid’ randnummer 59). De term ‘juridische regel’ gebruik ik om te onderscheiden met regels die door een andere partij dan de wetgever of rechter worden opgelegd, zoals morele verplichtingen. Ik gebruik de term ‘transactie’ voor een verandering die door partijen binnen de markt zelf wordt doorgevoerd, vooral in de vorm van het uitwisselen van subjectieve rechten. Uitwisseling van subjectieve rechten kan plaatsvinden doordat een subjectief recht in zijn geheel overgaat naar een ander, bijvoorbeeld als gevolg van een overdracht. Het kan ook plaatsvinden doordat een stukje van een subjectief recht aan een ander toekomt, bijvoorbeeld omdat het in tweeën wordt gesplitst of een beperkt recht wordt gevestigd (zie randnummer 122).