Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.5.1
IV.5.1 Een vreemde eend in art. 2:342 BW
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377339:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:342 BW luidt: (1) Een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen, kunnen van een stemgerechtigde vruchtgebruiker of pandhouder van een aandeel in rechte vorderen dat het stemrecht op het aandeel overgaat op de houder van het aandeel, indien die vruchtgebruiker of pandhouder door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat hij het stemrecht blijft uitoefenen. (2) Een afschrift van het exploit van dagvaarding moet onverwijld door eisers aan de houder van het aandeel, die niet zelf tevens eiser is, worden betekend. Artikel 336, leden 2,3 en 4 en artikel 339 lid 2 zijn van toepassing en de artikelen 337 en 338 lid 1 zijn van overeenkomstige toepassing, in dier voege dat in het geval van artikel 338 lid 1 de vruchtgebruiker of pandhouder het vruchtgebruik of het pandrecht niet op een ander kan doen overgaan.(3) Indien de vordering tot overgang van het stemrecht is toegewezen, vindt de overgang plaats door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis. Voor de positie van de pandhouder en de vruchtgebruiker in een uitstotings- en uittredingsprocedure verwijs ik naar § IV.6.4.a.
Zie Hamers (1996), p. 213, die in dit verband opmerkt: 'Wat hij (de pandhouder, CB) wel verliest is de extra waarborg die hem de mogelijkheid bood de waarde van zijn pand te bewaken.'
Zie voor de periode tot 1999 ook Leijten (1999/1), p. 204.
Voor een bespreking van de positie van de pandhouder indien een uitstotings- of uittredingsvonlering is ingesteld verwijs ik naar § VI.6.a. In § VI.5 komt de vordering van art. 2:342 BW tegen de stemgerechtigde pandhouder en vruchtgebruiker aan de orde.
Twee van de drie vorderingen van de geschillenregeling zien op de positie van de aandeelhouder. De uitstoting en uittreding worden tegen hem ingesteld. De aandeelhouder is echter niet de enige die door zijn gedrag niet langer binnen de vennootschappelijke gelederen kan worden geduld. De stemgerechtigde vruchtgebruiker of pandhouder kan ook wangedrag vertonen. Schaadt de vruchtgebruiker of pandhouder het vennootschappelijk belang, dan kan hij een vordering tot overgang van zijn stemrecht conform art. 2:342 BW tegemoet zien.1
Op grond van lid 1 kunnen een of meer aandeelhouders vorderen dat de stemgerechtigde vruchtgebruiker of pandhouder van een aandeel het stemrecht wordt ontnomen. De aandeelhouders die de vordering willen instellen, moeten alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen. Naast deze ontvankelijkheidseis bevat lid 1 de grond voor de overgang van het stemrecht: met het gedrag van de vruchtgebruiker of pandhouder wordt het belang van de vennootschap zodanig geschaad, dat niet langer kan worden geduld dat hij het stemrecht blijft uitoefenen. De eisen voor het instellen van de vordering zijn dus identiek aan die van art. 2:336 lid 1 BW. Enkele procedurele aspecten van de uitstoting zijn op grond van lid 2 van toepassing of van overeenkomstige toepassing.
Wordt de vordering toegewezen, dan gaat het stemrecht ingevolge lid 3 'terug' over op de blootaandeelhouder. Een vergoeding ter compensatie van het verlies van het stemrecht krijgt de pandhouder of vruchtgebruiker niet. Hij behoudt natuurlijk wel het pandrecht of het vruchtgebruik op de aandelen.2 In § IV.5.3 ga ik nader in op de uitstoting van de stemgerechtigde. Waar de regeling van art. 2:342 BW aansluit bij de uitstotingsregeling, volsta ik met een verwijzing naar de behandeling van de desbetreffende artikelen in dit boek.
Tot jurisprudentie heeft 'de vreemde eend van art. 2:342 BW' niet geleid.3 Interessant is daarom te onderzoeken waarom de bepaling destijds in de geschillen-regeling is opgenomen. In § IV.5.2 beschrijf ik de redenen die aan de invoering ten grondslag lagen. Een bespreking van de bijzondere uitstotingsprocedure volgt in § IV.5.3.
Niet eenmaal is een uitspraak gepubliceerd waarin een stemgerechtigde vruchtgebruiker of pandhouder is uitgestoten of de vordering is afgewezen. De enige procedure waarin uit het incident bleek dat een vordering tot gedwongen overgang van stemrecht aanhangig was, dateerde uit 2008. De uitspraak ging over de schorsing van het stemrecht van de pandhouder en komt in § IV.5.4 aan de orde.
Nu de vordering zo'n vreemde eend is, dat zij niet eenmaal tot een uitspraak heeft geleid, is het gerechtvaardigd aan haar bestaansrecht te twijfelen. Ook is het de vraag of art. 2:342 BW de gevestigde zekerheidsrechten niet onacceptabel kan doorkruisen. De pandhouder wil ongestoord van zijn stemrecht gebruik kunnen maken, teneinde het zekerheidsrecht afdoende uit te winnen. Mogelijk kan art. 2:342 BW beter geschrapt worden? Ik verwijs voor het antwoord naar § IV.5.5. Tot slot sluit ik af met een conclusie.4