Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.4.1.5
IV.4.1.5 Subsidiariteit
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS597480:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. Lensing & Mulder 1994, p. 59; Kitai 2002, p. 288; Van Kempen 2012, p. 43; Corstens/Borgers 2014, p. 46-47; Ashworth & Zedner 2014, p. 258 e.v.
“Tout homme étant présumé innocent jusqu’à ce qu’il ait été déclaré coupable, s’il est jugé indispensable de l’arrêter, toute rigueur qui ne serait pas nécessaire pour s’assurer de sa personne doit être sévèrement réprimée par la loi.” Zie daarover nader reeds § II.7.
Of de onschuldpresumptie het subsidiariteitsvereiste als zodanig stelt hangt er vanaf of men bereid is waar geen legitieme grond voor een handeling aanwijsbaar is aan te nemen dat de grond daarvoor is gelegen in een onheuse schuldveronderstelling. De onschuldpresumptie verbiedt dan niet alleen schuldveronderstellende gronden, maar vereist zelfstandig een schuld niet-veronderstellende grond. In elk geval geldt het subsidiariteitsvereiste ook waar de onschuldpresumptie géén rol heeft, bijvoorbeeld om- dat de behandeling geen relatie heeft met een strafbaar feit, of omdat de betrokkene voor dat feit is veroordeeld. Zie bijv. de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en de bijbehorende memorie van toelichting, Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 3.
Vgl. Gerards 2006, p. 7-8: “We hebben de neiging om een belangenafweging voor te stellen als ‘tweedimensionaal’, in die zin dat één duidelijk herkenbaar algemeen belang botst met één duidelijk herkenbaar individueel belang. Die voorstelling vormt echter een sterke simplificatie van de werkelijkheid. In de praktijk speelt in ieder proces van besluitvorming een veelheid van belangen en overwegingen [...].”
Aldus ook Schubarth 1978, p. 32.
Zie art. 10 lid 2 sub a van het IVBPR en art. 2 lid 4 Pbw. Zie daarover § VI.5.2.2 en § VIII.3.5.
Beperking van individuele rechten vereist naast een legitiem doel ook subsidiariteit. Die eis kan uit het vereiste van een legitiem doel worden afgeleid. Alles dat verdergaande beperking oplevert dan noodzakelijk voor het bereiken van het beoogde legitieme doel, wordt door dat doel niet gerechtvaardigd en heeft derhalve een andere rechtvaardiging nodig. In de literatuur wordt met regelmaat gesteld dat in de behandelingsdimensie een subsidiariteitsvereiste ligt besloten.1 Al in artikel 9 van de DDHC komt het onschuldvermoeden op deze manier tot uitdrukking.2
Al te soepele toepassing van een subsidiariteitsvereiste kan inderdaad blijk geven van een bejegening als schuldige.3 Het subsidiariteitsvereiste verlangt dat steeds wordt gekozen voor de geschikte handeling die het minst beperkend is en dus het minste leed voor de betrokkene veroorzaakt. Bij die afweging is evenwel niet alleen relevant welke alternatieven in theorie denkbaar zijn, maar ook in hoeverre die alternatieven gelijke geschiktheid hebben en bijkomende voor- en nadelen met zich brengen.4 Vooral hier heeft het onschuldvermoeden meerwaarde voor het subsidiariteitsbeginsel. Een reëel praktisch gevaar is dat weliswaar wordt gezocht naar een legitieme grond om een nog niet-veroordeelde in zijn rechten te beperken, maar dat de op basis van die grond verrichte handelingen niet met de benodigde strikte subsidiariteit worden volbracht, op grond van overwegingen die niet anders kunnen worden begrepen dan als punitieve overwegingen. De onschuldpresumptie verbiedt in overweging te nemen dat de betrokkene leedtoevoeging verdient of dat een strikte subsidiariteitstoets toch louter uitstel van executie betekent. Het gewicht van de verdenking dient dus tamelijk gering te zijn bij subsidiariteitsafwegingen over de te verkiezen methode van inbreuk en de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.5 Op deze wijze heeft de onschuldpresumptie bijvoorbeeld betekenis voor de tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis die op een zo min mogelijk bezwarende wijze dient plaats te hebben.6 Wel zijn de subsidiariteitsoverwegingen die aan een bejegening ten grondslag worden gelegd niet altijd dermate expliciet dat zij zich door derden adequaat laten controleren op hun verenigbaarheid met de onschuldpresumptie. De behandelingsdimensie is in dit opzicht dus eerder een abstracte instructie aan de handelende actor zelf om de verdachte in zijn overwegingen niet reeds als veroordeelde te beschouwen.