Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, r.o. 3.6.1.
Rb. Zeeland-West-Brabant, 21-03-2024, nr. BRE 23/3543
ECLI:NL:RBZWB:2024:1901
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
21-03-2024
- Zaaknummer
BRE 23/3543
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2024:1901, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21‑03‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2024/622
NTFR 2024/812 met annotatie van Mr. E.I. Brouwer
Viditax (FutD) 2024032610
FutD 2024-0788
Uitspraak 21‑03‑2024
Inhoudsindicatie
IB Box 3. Box 3 niet te hoog, werkelijk rendement hoger dan forfaitair rendement
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3543
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de belastingdienst.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 april 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 172.312 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 147.907.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de box 3-heffing te hoog is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de box 3-heffing niet te hoog. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende is gehuwd met mevrouw [naam] . Zij hebben twee kinderen.
4.1.
Belanghebbende heeft aan zijn kinderen schenkingen gedaan onder schuldigerkenning voor een totaalbedrag van € 1.186.000.
4.2.
In zijn aangifte IB/PVV over het jaar 2021 heeft belanghebbende een grondslag sparen en beleggen aangegeven van € 3.436.437. Daarvan is een bedrag van € 2.820.804 aan belanghebbende toegerekend.
De grondslag sparen en beleggen is als volgt opgebouwd:
Bank- en spaarrekeningen | € 796.594 | |
Aandelen, obligaties e.d. | € 3.884.582 | |
Vorderingen, uitgeleend geld | € 49.500 | |
Totaal bezittingen | € 4.730.676 | |
Diversen, kosten beleggingen | -/- € 14.639 | |
Schenkingen onder schuldigerkenning aan kinderen | -/- € 1.186.000 | |
Totaal schulden voor drempel | -/- € 1.200.639 | |
Schuldendrempel | € 6.400 | |
Totaal schulden | -/- € 1.194.239 | |
Heffingvrij vermogen | -/- € 100.000 | |
Grondslag sparen en beleggen | € 3.436.437 |
4.3.
De definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 is conform de ingediende aangifte opgelegd.
4.4.
De invoering van de Wet rechtsherstel box 3 heeft bij belanghebbende niet tot een vermindering van de aanslag geleid.
Motivering
Box 3-heffing
5. Aangezien toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 voor belanghebbende niet tot een gunstiger resultaat leidt, vindt deze wet geen toepassing en is de box 3-heffing nog altijd gebaseerd op het in de Wet IB 2001 opgenomen forfaitaire stelsel. In het Kerstarrest1.heeft de Hoge Raad overwogen dat voor degene die door het forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, dit leidt tot een schending van de door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM2.(EP) in samenhang met artikel 14 van het EVRM gewaarborgde rechten. Vervolgens heeft de Hoge Raad rechtsherstel geboden door te bepalen dat alleen het werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken.
5.1.
Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zijn werkelijke rendement in 2021 hoger is dan het forfaitaire rendement dat in de belastingheffing is betrokken bij het opleggen van de aanslag.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is vanwege het hogere werkelijk rendement geen sprake van een situatie zoals in het Kerstarrest en is er dus geen sprake van een schending van artikel 1 EP in samenhang met artikel 14 van het EVRM. Voor het bieden van rechtsherstel is dan geen aanleiding. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de stelling van belanghebbende dat de tarieven zoals gehanteerd in de Wet rechtsherstel box 3 op grond van het Kerstarrest onvoldoende rechtsherstel zouden bieden.
Individuele en buitensporige last
6. Voor de beantwoording van de vraag of in belanghebbendes geval ten aanzien van de box 3-heffing sprake is van een individuele en buitensporige last als gevolg waarvan de heffing strijdig is met artikel 1 EP, is beslissend of de last zich voor belanghebbende sterker laat voelen dan in het algemeen en voorts of de last voor hem buitensporig is. Bij de beoordeling van de vraag of een zodanige individuele en buitensporige last zich voordoet, moeten de gevolgen van de aanslag als geheel beschouwd worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene.3.Daarbij moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. In het algemeen kan immers worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen.4.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een individuele en buitensporige last voor belanghebbende. Belanghebbende beschikt over voldoende inkomen in box 1 en voldoende (werkelijk) rendement over zijn vermogen om zijn box 3-heffing te betalen.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 21 maart 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑03‑2024
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831, r.o. 2.5.2.
Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047, r.o. 4.3.3.