Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/2.6:2.6 Rechtsvorderingen
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/2.6
2.6 Rechtsvorderingen
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692187:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hierover ook: Heemskerk 1974.
PG Boek 3, p. 893-894 bovenaan.
Zie Groeneveld-Tijssens 2015/11 en de daar genoemde literatuur.
Hierover: Haas 2009, p. 12 e.v.
PG Boek 3, p. 893.
PG Boek 3, p. 893.
Heemskerk 1974, p. 24 e.v.
Jongbloed 1987, p. 277. Zie ook Heemskerk 1974, p. 24.
PG Boek 3, p. 895. Zie hierover ook Haas 2009, p. 12.
Vanzelfsprekend tenzij er een met voldoende waarborgen omklede andere rechtsgang is, meestal bij de bestuursrechter.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
62. Art. 3:296 BW is geplaatst in de afdeling ‘rechtsvorderingen’. Voordat er meer over die plaats kan worden gezegd, moet worden onderzocht wat er met het begrip ‘rechtsvorderingen’ wordt bedoeld.1 In de parlementaire toelichting wordt het begrip in de algemene toelichting op titel 11 niet gedefinieerd. Er wordt slechts gesproken over ‘rechtsvorderingen als zijnde middelen tot handhaving van rechten en bevoegdheden’.2 In de regel wordt het begrip ‘rechtsvordering’ onderscheiden van het begrip ‘vorderingsrecht’ en natuurlijk van de vordering of de aanspraak als zodanig.3 Dat laatste is het materiële recht van de schuldeiser, terwijl het vorderingsrecht de bevoegdheid is om dat recht geldend te maken. De rechtsvordering dient hiervan te worden onderscheiden en is het processuele middel dat het mogelijk maakt om de aanspraak af te dwingen of te handhaven.
63. Het onderscheid is echter minder eenvoudig dan het lijkt omdat het begrip rechtsvordering door de wetgever op verschillende manieren wordt gebruikt. Zo bepaalt art. 3:306 BW bijvoorbeeld dat een rechtsvordering verjaart door verloop van twintig jaren. Zo gebruikt, is de rechtsvordering dus niet het middel om een subjectief recht geldend te maken, maar is het de bevoegdheid om het recht geldend te maken. Wanneer het begrip rechtsvordering wordt gebruikt om die bevoegdheid aan te geven, wordt ook wel van de materiële betekenis van het begrip rechtsvordering gesproken, terwijl, wanneer het begrip rechtsvordering wordt gebruikt om alleen het middel aan te geven, gesproken wordt over de formele betekenis.4 Voor het praktische gebruik van de rechterlijke bevoegdheid om een bevel of een verbod uit te vaardigen is dit onderscheid van beperkte relevantie. Ik gebruik het begrip rechtsvordering in het navolgende dan ook in die zin dat daarmee wordt gedoeld op het middel om het materiële recht af te dwingen. Daarmee is ook duidelijk dat de toepassing van art. 3:296 BW afhankelijk is van het bestaan van dat materiële recht. Een materieel recht op nakoming als zodanig is in het Burgerlijk Wetboek immers niet voorzien.5
64. Titel 11 van boek 3 BW bestaat uit vier gedeelten. Het eerste deel omvat art. 3:296-3:301 BW, die betrekking hebben op de vordering tot nakoming en de reële executie. Art. 3:302-305d BW geven enkele meer algemene regels over rechtsvorderingen. Van die algemene regels is voor het onderwerp het rechterlijk bevel en verbod vooral art. 3:303 BW relevant (het vereiste van voldoende belang; hierover nader paragraaf 7.6-7.8 van dit boek). Art. 3:306-3:325 BW regelen de verjaring, terwijl art. 3:326 BW inhoudt dat de bepalingen van titel 11 buiten het vermogensrecht overeenkomstige toepassing vinden, voor zover de aard van de betrokken rechtsverhouding zich daartegen niet verzet. Dat laatste artikel vergroot de mogelijkheid tot het uitspreken van een rechterlijk bevel en verbod in theorie aanmerkelijk.
65. De keuze om de rechtsvorderingen in het Burgerlijk Wetboek te regelen en niet in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is hierdoor ingegeven dat rechtsvorderingen nauw met de subjectieve rechten samenhangen en dat het onmogelijk werd geacht ‘eens en voor al een principiële scheiding aan te brengen’.6 De keuze voor plaatsing in het Burgerlijk Wetboek is als volgt verklaard:
‘Voor hem, die de kern van burgerlijke rechten in de rechtsvorderingen gelegen acht, zodat zonder rechtsvorderingen geen burgerlijk recht kan erkend worden, spreekt dit vanzelf. Maar ook indien men, gelijk het ontwerp doet, niet de rechtsvordering als de kern van ieder burgerlijk recht beschouwt, maar aan een burgerlijk recht betekenis toekent onafhankelijk van het bestaan van een rechtsvordering, dan nog is de betekenis van de rechtsvordering voor hem aan wie een recht toekomt, zo groot, dat een al of niet toekenning in het burgerlijk wetboek haar grondslag moet vinden.’7
66. In zijn oratie merkte Heemskerk op dat de plaatsing van titel 11 in het Burgerlijk Wetboek berust op een onjuiste gedachte. Hij betoogde kort gezegd dat titel 11 bestaat uit procesrechtelijke onderwerpen die in het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moeten worden geregeld.8 In zijn dissertatie bestreed ook Jongbloed de plaatsing van titel 11 in het Burgerlijk Wetboek. Hij pleitte er toen nog voor in het Burgerlijk Wetboek het materiële recht op te nemen en in een apart wetboek het handhavingsrecht.9 Naar mijn indruk moeten wij inmiddels concluderen dat het – wat er verder ook zij van de dogmatische overwegingen die voor het ene of het andere standpunt pleiten – niet tot problemen leidt dat de bevoegdheid om een rechtsvordering in te stellen strekkende tot een bevel of een verbod in het Burgerlijk Wetboek is neergelegd. Het volstaat dat die bevoegdheid er is.
67. Opmerking verdient dat uit art. 3:326 BW volgt dat de bepalingen van titel 11 buiten het vermogensrecht overeenkomstige toepassing vinden, voor zover de aard van de betrokken rechtsverhouding zich daartegen niet verzet. Hoewel dit artikel ook en vooral van belang is voor de andere bepalingen van titel 11, krijgt ook art. 3:296 BW daarmee theoretisch een tamelijk ruime strekking en kan het artikel ook werken in bijvoorbeeld het familierecht en het rechtspersonenrecht.10 De aard van de rechtsverhouding kan zich echter verzetten tegen het geven van een bevel, hetgeen met name in het familierecht aan de orde kan zijn. Het belang van het artikel is verder gelegen in het feit dat door deze schakelbepaling verplichtingen die op de overheid rusten, maar die niet tot het vermogensrecht behoren, afgedwongen kunnen worden bij de burgerlijke rechter.11