Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.4.4
4.4.4.4 De inrichtingsvrijheid in de enquéterechtspraak
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364823:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2010, 228 m.nt. Van Ginneken (ASMI).
De ondernemingskamer had onder meer geoordeeld dat de inrichting van de (vennootschappelijke) organisatie gedateerd was.
Hof Amsterdam (OK) 6 juli 2006, ARO 2006/137 (TCA), zie met name r.o. 3.29: “De Ondernemingskamer is op grond van de bevindingen van de onderzoekers en hetgeen overigens in het geding daarover is gebleken, van oordeel dat de TCA-structuur zoals die in de loop der jaren inhoud heeft gekregen, zowel wat betreft de personele bezetting als de formele inbedding, heeft geleid tot een toestand van de vennootschap en haar organen die uit een oogpunt van goede corporate governance de toets der kritiek niet (meer) kan doorstaan. Met de onderzoekers is de Ondernemingskamer van oordeel dat de gang van zaken bij de vennootschap en bij Stichting AK te zeer wordt beheerst door Grijpink, Van Gelderen en Janmaat en dat deze personen het bij voortduring en steeds verdergaand ertoe hebben geleid dat zij met betrekking tot de gang van zaken in de uitoefening en het bestuur van de onderneming van de vennootschap hun positie hebben versterkt, zulks ten koste van de statutaire en contractuele positie van de certificaathouders-taxiondernemers.” Zie ook r.o. 3.35.
HR 4 mei 2007, JOR 2007/172 (TCA).
Hof Amsterdam (OK) 28 juni 2011, RO 2011/69, ARO 2011/107 (Waterspreng). Deze zaak is geschikt voordat het onderzoek gereed was. Zie Hof Amsterdam (OK) 7 juli 2011, ARO 2011/109.
Ook bij het uitoefenen van de inrichtingsvrijheid dienen de in par. 4.2.7 en 4.5 besproken gedragsnormen in acht te worden genomen. Dat komt ook in de enquéterechtspraak aan de orde.
Het uitgangspunt daarbij is dat gebruikmaking van de inrichtingsvrijheid in beginsel geen wanbeleid oplevert. De ondernemingskamer zal moeten motiveren waarom zich een uitzondering voordoet op dat beginsel. Dat blijkt uit de ASMI-beschikking1 waarin de Hoge Raad (in het kader van een motiveringsklacht) overwoog dat de ondernemingskamer onvoldoende rekening had gehouden met de omstandigheid dat iedere vennootschap binnen de grenzen van de wet vrij is haar (vennootschappelijke) organisatie naar eigen inzicht in te richten.2
In de TCA-beschikking3 daarentegen had de ondernemingskamer wel voldoende gemotiveerd dat de (vennootschappelijke) organisatie was ontaard in wanbeleid. De (motiverings)klachten die in cassatie werden aangevoerd, zijn met toepassing van art. 81 RO verworpen.4
In de Waterspreng-beschikking5 zag de ondernemingskamer in de inrichting van de deelrechtsorde aanleiding een enquéte te bevelen. In de statuten was bepaald dat bestuursbesluiten konden worden onderworpen aan goedkeuring van de prioriteitsaandeelhoudersvergadering (bestaande uit de houder van de meerderheid in de reguliere aandeelhoudersvergadering). Op een bepaald moment was bepaald dat alle bestuursbesluiten door de prioriteitsaandeelhoudersvergadering moesten worden goedgekeurd. Daardoor was het bestuur van de vennootschap vleugellam gemaakt. Dat achtte de ondernemingskamer onder meer in strijd met (de ratio van) de desbetreffende statutaire bepaling en het dienaangaande toepasselijke vennootschapsrecht – kennelijk: dat het bestuur en niet de prioriteitsaandeelhoudervergadering de vennootschap bestuurt – alsmede met de door de verschillende orgaan leden jegens elkaar in acht te nemen redelijkheid en billijkheid.