Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/9.2.1:9.2.1 Kretzschmar/Mendes de Leon
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/9.2.1
9.2.1 Kretzschmar/Mendes de Leon
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS346072:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 25 november 1927, NJ 1928, 364 m.nt. Scholten (Kretzschmar/Mendes de Leon).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1927 overwoog de Hoge Raad in het arrest Kretzschmar/Mendes de Leon1 dat bestuurders voor hun handelen namens de vennootschap zelf aansprakelijk kunnen zijn op grond van onrechtmatige daad, wanneer zij tegen beter weten in een “geheel scheeve voorstelling” van zaken geven:
“bestuurders [zijn] persoonlijk aansprakelijk wanneer hetgeen zij als bestuurders hebben verricht van dien aard is, dat zij daardoor persoonlijk een onrechtmatige daad hebben gepleegd. Dit is het geval, wanneer een bestuurder tegen betere weten in een geheel scheeve voorstelling geeft van den staat van zaken in de N.V. en daardoor een derde beweegt om daarin a pari aandelen te nemen, die ten hoogste 15% waard waren.”
In de loop der jaren zijn in de jurisprudentie van de Hoge Raad verschillende verschijningsvormen van onrechtmatig handelen door een bestuurder aan de orde gekomen. Twee hiervan zijn het meest bekend, namelijk de zogenoemde ‘nakomingsfrustratie’ en schending van de ‘Beklamel-norm’.