HR, 17-02-2015, nr. 14/01497
ECLI:NL:HR:2015:327
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-02-2015
- Zaaknummer
14/01497
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:327, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑02‑2015; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2883, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:2883, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑12‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:327, Gevolgd
- Wetingang
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2015-0080
NbSr 2015/82
Uitspraak 17‑02‑2015
Inhoudsindicatie
N-o verklaring in h.b. Defecte griffievolmacht. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BV6999 en ECLI:NL:HR:2013:BY8357 dat ingeval een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om h.b. in te stellen niet aan de in ECLI:NL:HR:2009:BJ7810 geformuleerde eisen voldoet, het verzuim voor gedekt kan worden gehouden wanneer verdachte of een door hem ex art. 279 Sv gemachtigde raadsman ttz. is verschenen. Het Hof heeft het voorgaande miskend, nu uit het p-v van de tz. in h.b. blijkt dat een door verdachte ex art. 279 Sv gemachtigde raadsman ttz. is verschenen en het aldaar verhandelde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen.
Partij(en)
17 februari 2015
Strafkamer
nr. 14/01497
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 6 maart 2014, nummer 23/001048-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.
2.2.
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de grond dat - kort gezegd - het beroep niet is ingesteld op de wijze als bedoeld in HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102.
2.3.
In voormeld arrest zijn eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen dient te voldoen. Zo moet die volmacht inhouden:
(i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv);
(ii) de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 450, derde lid, Sv);
(iii) het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (art. 450, derde lid, Sv).
Die eisen dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. Gelet op deze ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, is in zaken waarin ter terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen, daarom in de regel het door een advocaat door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker ingestelde beroep niet-ontvankelijk indien die volmacht niet aan alle voormelde voorwaarden voldoet.
Gelet op diezelfde ratio bestaat evenwel onvoldoende grond voor de niet-ontvankelijkverklaring van het appel op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de hiervoor onder (i) genoemde voorwaarde ingeval ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar - zonodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen, zodat dat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999, NJ 2012/426), en evenmin op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de onder (ii) en (iii) vermelde voorwaarden ingeval de verdachte dan wel een op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, aangezien het belang dat met die voorwaarden is gediend, in zo een geval niet is geschaad, zodat het verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8357, NJ 2013/75).
2.4.
Het middel klaagt terecht dat het Hof het voorgaande heeft miskend, nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep - zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 - blijkt dat een door de verdachte op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman op die terechtzitting is verschenen en het aldaar verhandelde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2015.
Conclusie 16‑12‑2014
Inhoudsindicatie
N-o verklaring in h.b. Defecte griffievolmacht. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BV6999 en ECLI:NL:HR:2013:BY8357 dat ingeval een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om h.b. in te stellen niet aan de in ECLI:NL:HR:2009:BJ7810 geformuleerde eisen voldoet, het verzuim voor gedekt kan worden gehouden wanneer verdachte of een door hem ex art. 279 Sv gemachtigde raadsman ttz. is verschenen. Het Hof heeft het voorgaande miskend, nu uit het p-v van de tz. in h.b. blijkt dat een door verdachte ex art. 279 Sv gemachtigde raadsman ttz. is verschenen en het aldaar verhandelde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen.
Nr. 14/01497 Zitting: 16 december 2014 | Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 6 maart 2014 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het namens haar ingestelde hoger beroep.
2. Namens de verdachte heeft mr. A.J. van der Velden, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in haar hoger beroep.
4. De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte bij vonnis van 22 februari 2013 bij verstek ter zake van “witwassen” veroordeeld tot een geldboete van tweeduizend euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door dertig dagen hechtenis, een en ander onder aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft de rechtbank het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 8.850,- verbeurd verklaard.
5. Tegen deze uitspraak is door een griffiemedewerker van de rechtbank op 27 februari 2013 hoger beroep ingesteld. Aan de akte rechtsmiddel is gehecht het schrijven van mr. M. de Klerk, advocaat te Velserbroek en raadsman van betrokkene, d.d. 27 februari 2013 dat - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende inhoudt:
“Hierbij wens ik namens [verdachte], geboren op [geboortedatum]-1975, die mij daartoe heeft gemachtigd, hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van uw rechtbank d.d. 22-02-2013. Bij deze machtigt ondergetekende een medewerker van de rechtbank, dit hoger beroep in te stellen.”
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2014 is mr. M. de Klerk aldaar als raadsman van de verdachte verschenen. Het proces-verbaal van die zitting houdt voorts – voor zover voor de beoordeling van het middel relevant – het volgende in:
“De voorzitter deelt mede - zakelijk weergegeven -:
De dagvaarding van verdachte in hoger beroep is rechtsgeldig betekend aan de griffier op 13 januari 2014, nu verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande is. Er is op 21 januari 2014 een afschrift van de dagvaarding naar het bij de politie opgegeven adres van verdachte in Italië gezonden.
De raadsman deelt mede - zakelijk weergegeven -:
Ik hoef de door u genoemde stukken niet te zien. Ik ben verschenen als gemachtigd raadsman.
De voorzitter deelt mede - zakelijk weergegeven -:
Er is hoger beroep ingesteld door middel van een schriftelijke volmacht, in deze volmacht ontbreekt de instemming van verdachte met het aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping en er is geen adres van verdachte opgenomen in de schriftelijke volmacht.
De advocaat-generaal deelt mede - zakelijk weergegeven -:
De machtiging voldoet niet aan de eisen die de wet en de Hoge Raad aan de schriftelijke volmacht stelt. De Hoge Raad is in zijn jurisprudentie mild in de richting van de verdediging, maar dit valt er naar mijn mening niet onder. Ik vorder dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, wegens de gebreken in de schriftelijke volmacht strekkende tot het instellen van het hoger beroep.
De raadsman deelt mede - zakelijk weergegeven -:
Verdachte heeft mij bepaaldelijk en schriftelijk gevolmachtigd om al hetgeen te doen dat nodig is in deze zaak. Ik probeer het gebrek in de schriftelijke volmacht te herstellen door haar oorspronkelijke schriftelijke machtiging aan mij te overleggen aan uw hof.
De raadsman legt een schriftelijke machtiging d.d. 30 september 2012 over aan het hof.
De voorzitter deelt mede - zakelijk weergegeven -:
U wordt blijkens deze schriftelijke machtiging onder meer uitdrukkelijk en bepaaldelijk gemachtigd om de verdediging te voeren, rechtsmiddelen aan te wenden of in te trekken en bij de Raad voor Rechtsbijstand een aanvraag in te dienen om in aanmerking te komen voor gefinancierde rechtsbijstand.
De advocaat-generaal deelt mede - zakelijk weergegeven -:
Los van de schriftelijke machtiging d.d. 30 september 2012 voldoet de schriftelijke volmacht tot het instellen van hoger beroep niet aan de eisen die de wet stelt. Het bevat geen adres, noch het adres dat in de schriftelijke machtiging wordt genoemd. Ik blijf bij mijn standpunt. U, voorzitter, vraagt mij of dit anders was als verdachte domicilie had gekozen. Ik blijf erbij dat dit dan ook in schriftelijke volmacht vermeld had moeten worden.”
7. Het hof heeft vervolgens in zijn arrest van 6 maart 2014 het volgende overwogen:
“Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard nu de schriftelijke volmacht van de raadsman aan de griffier tot het instellen van hoger beroep zodanige gebreken vertoont dat niet is voldaan aan de eisen van artikel 450, derde en vierde lid van het Wetboek van Strafvordering. Voornoemde volmacht bevat geen instemming van verdachte met het aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep, noch een adres van verdachte voor toezending van een afschrift van de appeldagvaarding.
De raadsman heeft hierop ter terechtzitting in hoger beroep een machtigingsformulier van verdachte aan het hof overgelegd, waarin de verdachte de raadsman machtigt tot het uitvoeren van diverse handelingen.
Het hof is van oordeel dat de schriftelijke volmacht tot het instellen van hoger beroep niet voldoet aan de eisen in artikel 450 van het Wetboek van Strafvordering. Deze gebreken worden niet geheeld door de overgelegde schriftelijke machtiging van de verdachte aan de raadsman, nu hierin niet staat vermeld dat verdachte instemt met het aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping van de terechtzitting in hoger beroep, noch een adres dat specifiek bedoeld is voor de toezending van een afschrift van de appeldagvaarding. Het hof zal verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.”
8. In HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8357 is het volgende overwogen:
“2.5. In het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2009, LJN BJ7810, NJ 2010/102, zijn eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet voldoen.
(…)
Die volmacht dient onder andere de verklaring van de advocaat te bevatten dat hij door de betrokkene bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv). Die eisen dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. Gelet op de ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, bestaat in een geval als het onderhavige, waarin de gemachtigde raadsman ter terechtzitting is verschenen, onvoldoende grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens het niet voldoen van de volmacht aan de in de overwegingen van het Hof onder (ii) en (iii) vermelde voorwaarden. Het belang dat met die voorwaarden is gediend, is in zo een geval niet geschaad. Het verzuim kan daarom voor gedekt worden gehouden.”
9. Het komt mij voor dat in onderhavige zaak zich een situatie heeft voorgedaan vergelijkbaar met de situatie die aanleiding gaf tot het hierboven aangehaalde arrest: de volmacht waarmee hoger beroep is ingesteld voldeed niet aan de voorwaarden, maar de gevolmachtigd raadsman is wel op de terechtzitting in hoger beroep verschenen om daar namens de verdachte de verdediging te voeren. Daaruit moet, gezien de rechtspraak van uw Raad, mijns inziens volgen dat de beslissing van het hof in onderhavige zaak om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep - gelet op de overwegingen die het hof hieraan ten grondslag heeft gelegd - niet zonder meer begrijpelijk is.
10. Het middel slaagt.
11. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG