Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.11:14.11 Opt-outs
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.11
14.11 Opt-outs
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS459449:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een oplossing voor de wens minder vergaand samen te werken, althans daar niet toe verplicht te zijn, wordt gevormd door het fenomeen van de ‘opt-out’. Sommige lidstaten hebben bij de totstandkoming van de verschillende verdragen een uitzonderingspositie weten in te nemen, waardoor bepaalde onderdelen van het betreffende verdrag niet op hen van toepassing zijn. Het is een constructie waar het normale institutionele kader van de EU in beginsel geen ruimte voor laat, maar die verdragsrechtelijk niet is uit te sluiten nu het staten vrij staat bij het sluiten van een verdrag, waaronder de diverse EUverdragen die in de loop der jaren tot stand zijn gekomen, een dergelijke constructie overeen te komen. Voor de goede orde moet worden opgemerkt dat zulks enkel mogelijk is voorafgaand aan het sluiten van het verdrag. Indien een (lid)staat eenmaal ongeclausuleerd partij is geworden bij een (EU-)verdrag, is een eenzijdige opt-out niet langer mogelijk.
De voor het onderhavige onderwerp belangrijke opt-outs betreffen vanzelfsprekend die aangaande de samenwerking in strafzaken, maar daarnaast ook die aangaande de gelding van het Handvest van de Grondrechten. In het Verdrag van Lissabon zijn verschillende opt-outs te vinden, die deels aansluiten bij eerder bewerkstelligde uitzonderingsposities.
Deze uitzonderingsposities hebben in het licht van het vertrouwensbeginsel vooral betekenis voor de lidstaten die die uitzonderingspositie hebben. Zij kunnen immers bij elke voorgestelde vorm van samenwerking toetsen of zij ermee instemmen. Daarbij kan onder meer een rol spelen hoe groot het vertrouwen in normatief-voorwaardelijk opzicht in de andere lidstaten is. Een dergelijke opt-out biedt deze landen in zekere zin een riantere positie dan het voorheen geldende stelsel van unanimiteit. Het niet instemmen van minimaal één lidstaat betekende in dat stelsel immers een blokkade. Een dergelijke blokkade zorgt uiteraard voor vrij zware politieke en diplomatieke druk. Het alternatief, de hierna te bespreken nauwere samenwerking tussen een deel van de lidstaten, is immers beduidend omslachtiger en is in JBZverband formeel nog nooit toegepast. Een opt-out met een mogelijkheid om toch mee te doen, legt de bal volledig bij de lidstaat met de uitzonderingspositie. Die kan in vrijheid een keuze maken. Keerzijde daarvan is dat die lidstaat ook geen invloed kan uitoefenen op het resultaat. Wanneer een blokkade moet worden wegnomen, zijn concessies immers eerder aan de orde dan in het geval dat een besluit gewoon tot stand kan komen met de mogelijkheid dat een lidstaat zich achteraf alsnog aansluit.