Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/15.4.3.1
15.4.3.1 Hoofdregel
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS418015:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze uitzondering komt niet voor in het Verdrag en is ontleend aan een gelijke bepaling in de Afdelingen 3 en 4.
HvJ EG 18 september 1995, zaak C-318-93, Brenner en Noller/Dean Witter Reynolds, Jur. 1995, p. 1-5275, NJ 1995, 520 heeft zulks geoordeeld voor art. 13 lid 2 EEX.
Ktr. Eindhoven 12 november 2004, JAR 2005, 38; Ktr. 's-Hertogenbosch 2 juni 2005, NIPR 2005, 358.
Art. 18 aanhef jo 4 EEX-V°.
Zie echter de art. 9 EEX-V°/8 Verdrag, 16 EEX-V°/14 Verdrag, en 19 sub 1 EEX-V°.
HvJ EG 13 juli 2000, zaak C-512/98, Group Josi/UGIC, Jur. 2000, p. 1-5925, NJ 2003, 597, r.o. 57 waarover o.m. Zilinsky, Ondememingsrecht 2001, p. 538.
Afdeling 5 heeft een toepassingsbereik dat afwijkt van de algemene regels van de art. 2-6 EEX-V°Nerdrag en art. 23 EEX-V°/17 Verdrag. Afdeling 5 is in beginsel van toepassing, indien de verweerder (werknemer of werkgever) zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een EG-lidstaat. Deze beperking van het formele toepassingsbereik blijkt expliciet uit Afdeling 5 (art. 19 aanhef EEX-V° voor de vordering van de werknemer tegen de werkgever en art. 20 aanhef EEX-V° voor de vordering van de werkgever tegen de werknemer). Ik verwijs ook naar art. 18, aanhef jo art. 4 EEX-V°. Heeft de verweerder geen woonplaats in een EG-lidstaat, dan is het commune internationaal privaatrecht van de aangezochte rechter beslissend. Voor de vordering van de werknemer tegen de werkgever kent art. 18 lid 2 EEX-V° een uitzondering: indien de werkgever een filiaal, agentschap of andere vestiging in een EG-lidstaat heeft, wordt de werkgever geacht in die staat woonplaats te hebben voor geschillen die de exploitatie daarvan betreffen. Werkgevers met woonplaats buiten de EG-lidstaten, maar met filiaal, agentschap of andere vestiging in een EG-lidstaat staat, kunnen door deze fictie van art. 18 lid 2 EEX-V° ook daar worden gedagvaard.1Ik wijs op het bepaalde in art. 18 lid 2 EEX-V°. Deze bepaling is een uitzondering op de art. 2-6 EEX-V°. Door de fictie in art. 18 lid 2 EEX-V° heeft Afdeling 5 dus een uitgebreider toepassingsbereik.2
Omdat voor werkgever en werknemer verschillende regels gelden, bespreek ik hierna beide apart: eerst de vordering van de werknemer tegen de werkgever (art. 19 EEX-V°) en dan de vordering van de werkgever tegen de werknemer (art. 20 EEX-V°). Door een forumkeuze kan slechts in beperkte mate van deze fora worden afgeweken. De regels zijn dan ook semi-dwingend en daardoor voor forumkeuze van belang. Ik merk volledigheidshalve op dat het woord 'vordering' in Afdeling 5 ruim dient te worden opgevat en zowel vorderingen in dagvaarding- als verzoekschriftprocedures omvat. Ook een vordering tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst valt dus onder het toepassingsbereik van Afdeling 5.3
i) Vordering van de werknemer tegen de werkgever
Indien de werknemer een vordering instelt tegen de werkgever, is Afdeling 5 in beginsel slechts van toepassing, indien de werkgever woonplaats heeft in een EG-lidstaat (art. 19 aanhef EEX-V°). Voor het Verdrag geldt krachtens art. 5 aanhef en sub 1 Verdrag hetzelfde. Indien de werknemer een vordering instelt tegen een werkgever zonder woonplaats, filiaal, agentschap of andere vestiging in een EG-lidstaat beheerst het commune internationaal privaatrecht zijn vordering.4 Voor de inhoud van het commune internationaal privaatrecht verwijs ik naar par. 15.4.6.
ii) Vordering van de werkgever tegen de werknemer
De beperking van het toepassingsbereik tot verweerders in EG-lidstaten is met name van belang voor de werkgever die zijn vordering aanhangig maakt tegen de werknemer. Hij moet immers zijn vordering instellen voor het gerecht van de woonplaats van de werknemer in een EG-lidstaat (art. 20 lid 2 EEX-V°). Bij vorderingen van de werkgever tegen de werknemer met woonplaats buiten de EG-lidstaten is Afdeling 5 EEX-V° dus niet van toepassing (art. 18 aanhef jo 4 EEX-V°). In een dergelijk geval bepaalt het commune internationaal privaatrecht de bevoegdheid van het gerecht van de aangezochte EG-lidstaat.
De woonplaats van de eiser (werkgever en werknemer) is niet van belang en mag zich ook buiten de EG-lidstaten c.q. verdragsluitende staten bevinden.5 De bepalingen van Afdeling 5 stellen geen enkele beperking aan de woonplaats van de eiser. Dat volgt bovendien a contrario uit art. 18 EEX-V° waarin uitdrukkelijk is bepaald dat art. 5 lid 5 EEX-V° onverkort van toepassing is. Dit artikel kent evenmin een beperking voor eisers met woonplaats in niet-lidstaten. Uit het arrest Group Josi/ UGIC6 (voor de verzekeringsovereenkomst) over het toepassingsbereik van Afdeling 3 kan voorts naar analogie worden afgeleid dat ook eisers in niet EG-lidstaten die een geschil hebben met een wederpartij in een EG-lidstaat zijn gebonden aan het bepaalde in Afdeling 5.