Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/6.8.2.1
6.8.2.1 Art. 6:142 lid 2 BW
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583644:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 532; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 257 en 260; Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:142, aant. 13; Van Achterberg 1999, nr. 11; Wibier 2009a, nr. 14; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 274; Asser/Mijnssen & De Haan 3-1 2006, nr. 282; Wiarda 1937, p. 324.
Het onderscheid tussen beding en vordering wordt in de literatuur niet altijd gemaakt. Zie bijvoorbeeld Snijders & Rank-Berenschot 2007, nr. 356; en Asser/Mijnssen & De Haan 3-1 2006, nr. 282.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 530-531. Dezelfde regel geldt bij subrogatie, zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 529.
382. Onder de nevenrechten is begrepen het 'recht' van de oude schuldeiser op bedongen rente, behalve voor zover de rente opeisbaar was op het tijdstip van de overgang (art. 6:142 lid 2 BW).1 Het begrip 'recht op bedongen rente' wordt in art. 6:142 lid 2 BW in twee betekenissen gebruikt: in de betekenis van rentebeding en in de betekenis van rentevordering. Alleen het rentebeding is het nevenrecht, niet de (bestaande) rentevordering.2
In art. 6:142 lid 2 BW wordt alleen het rentebeding als een nevenrecht aangemerkt. Doordat het rentebeding als nevenrecht op de nieuwe schuldeiser overgaat, ontstaan na de overgang van de hoofdvordering de rentevorderingen in het vermogen van de nieuwe schuldeiser. Vorderingen uit hoofde van een overeenkomst of een beding in een overeenkomst, zoals een huurovereenkomst en een rentebeding, ontstaan in het vermogen van de degene die partij is bij de overeenkomst of bij het beding. Na de overgang van de hoofdvordering geldt het rentebeding tussen de nieuwe schuldeiser en de schuldenaar, als partijen bij het beding. Het rentebeding is anders dan de rentevordering niet vatbaar voor overdracht. Het beding is geen vermogensrecht, en het is bovendien een nevenrecht, en nevenrechten zijn niet voor zelfstandige overdracht vatbaar.
In art. 6:142 lid 2 BW wordt de opeisbare rente niet als een nevenrecht aangemerkt. De opeisbare rentevorderingen zijn de bestaande rentevorderingen (art. 3:9 lid 4 BW). Deze rentevorderingen zijn zelfstandig overdraagbare vermogensrechten. Zij gaan niet van rechtswege als nevenrechten op de nieuwe schuldeiser over, maar blijven bij de oude schuldeiser achter, tenzij zij afzonderlijk worden overgedragen.3 De toekomstige rentevorderingen kunnen bij voorbaat worden geleverd (art. 3:97 BW), maar nog niet overgedragen (zie hieronder).
Na de overgang van het rentebeding ontstaan de rentevorderingen in het vermogen van de nieuwe schuldeiser, ongeacht de periode waarop zij betrekking hebben. De eerste rentevordering die de nieuwe schuldeiser uit hoofde van het rentebeding verkrijgt, kan mede betrekking hebben op de periode vóór de overgang van de hoofdvordering. Als de hoofdvordering overgaat op 15 januari 2010, en de rentevordering periodiek opeisbaar wordt op de eerste dag van de maand, verkrijgt de nieuwe schuldeiser een rentevordering die betrekking heeft op de periode van 1 januari 2010 tot 1 februari 2010, dus mede op een periode die betrekking heeft op een periode vóór de overgang van de vordering.
Is een rentebeding overeengekomen ten aanzien van twee of meer hoofdvorderingen, en gaat één van beide hoofdvorderingen over op de nieuwe schuldeiser, dan wordt het rentebeding als het ware 'gekopieerd'. Het beding gaat niet over in de zin dat het uit de rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de oude schuldeiser zou verdwijnen. Het volgt niet alleen als nevenrecht de hoofdvordering die overgaat, maar blijft ook gelden ten aanzien van de hoofdvorderingen die achterblijven. De nieuwe schuldeiser en de schuldenaar zijn partij bij het beding dat met de hoofdvordering is overgegaan en uit dien hoofde bevoegd tot wijziging daarvan. De oude schuldeiser en de schuldenaar blijven partij bij het beding dat achterblijft en zijn uit dien hoofd bevoegd tot wijziging van dat rentebeding.
Het voorgaand is ook van toepassing op de stille cessie. De stille cessionaris verkrijgt op grond van art. 6:142 lid 2 jo 3:9 lid 4 BW de rentevorderingen die na de overgang van de hoofdvordering ontstaan. De rentevorderingen die vóór de overgang van de hoofdvordering zijn ontstaan, komen toe aan de stille cedent, die deze vordering als schuldeiser kan innen.