Binnen 8 dagen; zie art. 342 lid 3 in verbinding met art. 351 lid 2 Fw. De faxcopie van het cassatierekest is ter griffie van de Hoge Raad ontvangen op 7 april 2009, daags daarna gevolgd door het originele ondertekende rekest.
HR, 18-12-2009, nr. 09/01466
ECLI:NL:HR:2009:BK0864
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
18-12-2009
- Zaaknummer
09/01466
- Conclusie
Mr. F.F. Langemeijer
- LJN
BK0864
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BK0864, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 18‑12‑2009; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BK0864
ECLI:NL:PHR:2009:BK0864, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑10‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BK0864
- Wetingang
art. 350 Faillissementswet
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑12‑2009
Inhoudsindicatie
WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling op de voet van art. 350 lid 3 sub c F. (81 RO).
18 december 2009
Eerste Kamer
09/01466
EE/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
Verzoekster tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij vonnis van 28 september 2007 van de rechtbank 's-Hertogenbosch is ten aanzien van [verzoekster] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Op voordracht van de rechter-commissaris heeft de rechtbank bij vonnis van 26 november 2008 de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] tussentijds beëindigd op de voet van art. 350 F. Voor het geval dat de uitspraak kracht van gewijsde krijgt, heeft de rechtbank bepaald dat [verzoekster] in staat van faillissement verkeert.
Tegen dit vonnis heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 30 maart 2009 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [verzoekster] heeft op 30 oktober 2009 schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 december 2009.
Conclusie 16‑10‑2009
Mr. F.F. Langemeijer
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
1.
Deze WSNP-zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Verzoekster tot cassatie (hierna: de schuldenares) is op 28 september 2007 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Op voordracht van de rechter-commissaris heeft de rechtbank te 's‑Hertogenbosch bij vonnis van 26 november 2007 de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd op de voet van art. 350 Fw. De reden was dat de schuldenares niet heeft voldaan aan haar verplichting de bewindvoerder tijdig in te lichten over bepaalde kwesties die haar financiële toestand betreffen.
2.
Op het hoger beroep van de schuldenares heeft het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch op 30 maart 2009 het beroepen vonnis bekrachtigd. Tegen die beslissing is namens de schuldenares — tijdig — beroep in cassatie ingesteld1..
3.
Middel I behelst in de eerste plaats (cassatierekest onder 5.1 – 5.4) de klacht dat het hof niet heeft onderkend dat het rapport van het boekenonderzoek door de Belastingdienst, waarnaar het hof verwijst, slechts berust op aannames van de Belastingdienst, niet op feitelijk contact met de schuldenares. Namens de schuldenares is bezwaar gemaakt tegen de desbetreffende belastingaanslagen. De bewindvoerder had in dit verband geen enkele functie: hem restte slechts de uitkomst van de fiscale procedures af te wachten. Door deze uitkomst niet af te wachten en dit rapport mede aan zijn beslissing ten grondslag te leggen, geeft het hof volgens het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Subsidiair wordt geklaagd over onbegrijpelijkheid van de beslissing.
4.
Daarnaast klaagt het middel (cassatierekest onder 5.5 – 5.9) dat het hof miskent dat de schuldenares ‘stellige informatie’ heeft verstrekt aan de bewindvoerder. Dat de bewindvoerder deze informatie niet heeft willen aanvaarden als juist, doet aan de informatieverstrekking niet af. Voor zover het fiscale aangelegenheden betreft, is uitsluitend de belastingrechter competent. Nu, blijkens de verklaring van de bewindvoerder, de schuldenares haar overige verplichtingen redelijk tot goed is nagekomen, had het hof, in het licht van de omstandigheden van het geval, de toepassing van de schuldsaneringsregeling behoren te laten voortduren, dan wel behoren na te gaan of de schuldenares de uitkomsten van het boekenonderzoek heeft bestreden in een fiscale procedure. Tot zover de samengevatte klachten.
5.
Volgens de bewindvoerder is de schuldenares tekortgeschoten in het informeren van de bewindvoerder, in het bijzonder voor wat betreft de exploitatie van een eigen bedrijf ([A]) en haar gezinssamenstelling, waarbij de bewindvoerder verwees naar het rapport van het boekenonderzoek door de Belastingdienst. In rov. 3.5 is het hof, anders dan de schuldenares, van oordeel dat de conclusie in het rapport van de Belastingdienst deugdelijk is onderbouwd. Bovendien heeft het hof aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat de schuldenares in weerwil van op 31 januari 2008 met de bewindvoerder gemaakte afspraken — dus verwijtbaar, zo voeg ik toe — heeft nagelaten de bewindvoerder te informeren over haar werkhervatting, heeft nagelaten hem een afschrift te sturen van haar bezwaarschrift aan de Belastingdienst en hem nog steeds niet afdoende heeft ingelicht over haar gezinssamenstelling en ondernemerschap. Deze motivering kan de beslissing dragen, los van het antwoord op de vraag of de desbetreffende belastingaanslag standhoudt na bezwaar en een eventueel beroep op de belastingrechter.
6.
De aangevoerde omstandigheid dat de schuldenares een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de (op het rapport gebaseerde) belastingaanslag betekende dat zowel de bewindvoerder als het hof ermee rekening moest houden dat die belastingaanslag nog niet onherroepelijk was. Die rechtsregel is door het hof niet geschonden. Het gestelde feit verhinderde niet dat de bewindvoerder of het hof de informatie uit het rapport van het fiscale boekenonderzoek gebruikt ter onderbouwing van zijn eigen oordeel over de wel of niet naleving door de schuldenares van haar informatieverplichting uit hoofde van de schuldsaneringsregeling. Geen rechtsregel noopte het hof de beslissing als bedoeld in art. 350 Fw op te schorten en de toepassing van de schuldsaneringsregeling voort te zetten totdat definitief zal zijn beslist op het bezwaarschrift tegen de belastingaanslagen, noch om uit te gaan van de onjuistheid van de uitkomst van het boekenonderzoek zolang in de fiscale procedure niet anders is beslist.
7.
Voor zover het middel berust op de gedachte dat de schuldenares reeds aan haar informatieverplichting heeft voldaan zodra zij ‘stellige informatie’ aan de bewindvoerder verstrekt, gaat de klacht niet op. Als maatstaf voor de (tussentijdse) beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de gronden, vermeld in art. 350, lid 3, aanhef en onder c, Fw heeft te gelden of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, de daar genoemde gedragingen een duidelijke aanwijzing vormen dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Hierin ligt besloten dat voor de toepassing van de bedoelde opheffingsgronden vereist is dat de schuldenaar van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt2.. Het hof heeft deze maatstaf niet uit het oog verloren: het hof neemt immers de redengeving over van de rechtbank, die uitdrukkelijk deze maatstaf heeft toegepast en preciseert in welke opzichten de schuldenares in haar informatieverplichting jegens de bewindvoerder tekort is geschoten (blz. 2, 3 en 4 Rb). Daarenboven heeft het hof in rov. 3.5.2 genoteerd dat de schuldenares in strijd met de afspraken met de bewindvoerder hem niet volledig opening van zaken heeft gegeven. Voor de maatstaf om te beoordelen welke inlichtingen een schuldenaar gevraagd of ongevraagd aan de bewindvoerder moet verschaffen, verwijs ik naar de bestaande rechtspraak3.. Middel I faalt.
8.
Middel II klaagt dat het hof niet uitdrukkelijk heeft beslist op het ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair door de schuldenares gedane verzoek om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen (zie rov. 3.4.1). Deze klacht faalt omdat in rov. 3.5.2 besloten ligt dat, en waarom, het hof dit subsidiaire verzoek niet heeft ingewilligd. Het hof laat het immers niet bij de constatering dat de schuldenares in het verleden in haar informatieverplichting tekort is geschoten. Het hof legt aan zijn beslissing ook ten grondslag, dat de schuldenares de bewindvoerder nog steeds niet afdoende heeft geïnformeerd over haar gezinssamenstelling en ondernemerschap. Die motivering kan de verwerping van het subsidiaire verzoek dragen. Voor zover middel II voortbouwt op middel I, faalt de klacht om dezelfde redenen.
9.
De middelen nopen niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑10‑2009
HR 4 november 2005, NJ 2006, 135; HR 12 juni 2009, NJ 2009, 270.
Onder meer: HR 15 februari 2002, NJ 2002, 259 m.nt. B. Wessels.