Hof 's-Hertogenbosch, 07-02-2012, nr. HD 200.073.155
ECLI:NL:GHSHE:2012:BV3650, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
07-02-2012
- Zaaknummer
HD 200.073.155
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2012:BV3650, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 07‑02‑2012; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:92, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
ECLI:NL:GHSHE:2011:BV3647, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 26‑07‑2011; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:92, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Uitspraak 07‑02‑2012
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Voortzetting van LJN BV3647 “hereditatis petitio”. Vordering van erfgenamen wegens door de erflater onverschuldigd betaalde bedragen. Deels toegewezen.
Partij(en)
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
zaaknummer HD 200.073.155
arrest van de zevende kamer van 7 februari 2012
in de zaak van
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. G.L. Brokking-van Alphen,
tegen:
1. [Geintimeerde sub 1.],
wonende te [woonplaats],
2. [Geintimeerde sub 2.],
wonende te [woonplaats],
3. [Geintimeerde sub 3.],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
advocaat: mr. F.H. Kuiper,
als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 26 juli 2011 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer/rolnummer 135431/HA ZA 08-1312 tussen partijen (en [erfgename sub 2.] ) gewezen vonnis van 21 april 2010.
6. Het verdere verloop van het geding
6.1 Bij genoemd tussenarrest heeft het hof bepaald dat een deskundigenbericht zal worden uitgebracht, mevrouw R. ter Kuile-Haller tot deskundige benoemd en iedere verdere beslissing aangehouden.
6.2 De deskundige heeft een rapport d.d. 25 oktober 2011 ter griffie gedeponeerd. Bij beslissing van 16 november 2011 heeft het hof de kosten van de deskundige bepaald op € 1.500,=.
6.3 Appellante heeft een akte uitlating deskundigenbericht genomen en geïntimeerden een antwoordakte.
6.4 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.
7. De verdere beoordeling
7.1 Het hof heeft aan de deskundige de vraag voorgelegd of de handtekening die op het stuk van 29 mei 2006 bij de naam van de erflater voorkomt ook daadwerkelijk door hem daarop is geplaatst. De deskundige heeft deze vraag in haar rapport aldus beantwoord dat de betwiste handtekening met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid door hem zelf is vervaardigd. De advocaat van appellante heeft tegenover de deskundige kritiek geuit op enkele vergelijkingshandtekeningen. De deskundige concludeert dat wanneer deze handtekeningen buiten beschouwing gelaten worden de erflater de betwiste handtekening hoogstwaarschijnlijk heeft vervaardigd, waarbij zij aantekent dat de bekritiseerde handtekeningen vallen binnen de variatiebreedte van de overige ter beschikking gestelde handtekeningen.
7.2 Het hof acht het deskundigenbericht duidelijk, goed onderbouwd en inzichtelijk gemotiveerd; de reacties van partijen op het conceptrapport zijn er adequaat in verwerkt. Partijen hebben geen commentaar geleverd dat afbreuk doet aan de waarde van het deskundigenbericht. Op grond hiervan komt het hof tot de conclusie dat er geen grond is voor de betwisting door appellante dat de handtekening die op het stuk van 29 mei 2006 voorkomt bij de naam van de erflater ook daadwerkelijk door de erflater daarop is geplaatst. Dat betekent dat deze betwisting van het verweer van geïntimeerden tegen onderdeel A van de vordering van appellante wordt verworpen en dat de overige betwistingen van dat verweer nu aan de orde moeten komen.
7.3 Appellante stelt zich op het standpunt dat de betalingen tot een bedrag van in totaal € 181.500,= door erflater onverschuldigd zijn gedaan. Zij voert daartoe aan dat de overeenkomst van 29 mei 2006 nietig dan wel vernietigbaar is en dat zij de nietigheid ervan heeft ingeroepen, aangezien
1) de vereiste toestemming van de echtgenote van de erflater ontbreekt;
2) de overeenkomst is aangegaan onder misbruik van omstandigheden van de kant van geïntimeerden sub 1 en 2;
3) de overeenkomst is aangegaan onder invloed van dwaling dan wel bedrog van de kant van geïntimeerden sub 1 en 2;
4) voor betaling van enig bedrag boven het in de overeenkomst vermelde bedrag geen grond bestaat.
Het hof zal deze gronden achtereenvolgens bespreken.
Ad 1)
7.4 Appellante beroept zich op het bepaalde in artikel 1:88 BW dat voor een aantal rechtshandelingen de toestemming van de echtgenoot verplicht stelt. Artikel 1:89 lid 1 BW bepaalt dat rechtshandelingen die in strijd met het voorgaande artikel zijn verricht vernietigbaar zijn en dat alleen de andere echtgenoot een beroep op de vernietigingsgrond toekomt. Appellante is niet de echtgenote van de erflater en zij heeft niet aangegeven op grond waarvan haar desondanks een beroep op deze vernietigingsgrond zou kunnen toekomen. Het beroep van appellante op deze bepalingen faalt.
Ad 2)
7.5 Volgens appellante is sprake van misbruik van omstandigheden omdat de erflater ten opzichte van geïntimeerden sub 1 en 2 verkeerde in een kwetsbare, afhankelijke positie, gezien zijn hoge leeftijd, de ziekte van zijn echtgenote, zijn verhuizing samen met haar naar een woonzorgcentrum, het niet meer zelf auto kunnen rijden en het veelvuldig contact met geïntimeerden. Daarnaast wijzen zij op de consequentie van de betalingen dat geïntimeerden de woning uiteindelijk bijna voor niets hebben verkregen.
7.6 Artikel 3:44 lid 4 BW, waar appellante zich op beroept, bepaalt dat misbruik van omstandigheden aanwezig is wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals (onder meer) afhankelijkheid bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt hetgeen appellante hierover naar voren heeft gebracht niet de conclusie dat in dit geval sprake is geweest van misbruik van omstandigheden. De persoonlijke omstandigheden van de erflater in de periode waarin de betalingen zijn verricht, tussen 23 juni 2006 en 24 mei 2007, en de omvang van de betalingen ten opzichte van de koopprijs van de woning kunnen op zich genomen aanleiding bieden voor het vermoeden dat de betalingen geheel of gedeeltelijk onder invloed van misbruik van omstandigheden zijn verricht, maar wil dit kunnen leiden tot een geslaagd beroep op artikel 3:44 BW dan zal dit vermoeden onderbouwd dienen te worden met concrete feiten. Het is op zich immers evenzeer voorstelbaar dat iemand in de geschetste omstandigheden een dergelijke overeenkomst aangaat en dergelijke betalingen verricht terwijl een en ander daadwerkelijk zo door hem gewild wordt. De erflater behoefde hierbij geen rekening te houden met eventuele wensen of verwachtingen bij zijn toekomstige erfgenamen.
7.7 Aan de concrete onderbouwing van de gestelde afhankelijke positie van de erflater van geïntimeerden sub 1 en 2 ontbreekt het in dit geval. Appellante omschrijft die afhankelijkheidsrelatie in globale termen, terwijl de verschillende brieven van familieleden die in eerste aanleg en in hoger beroep in het geding zijn gebracht meer inzicht geven in de allengs verslechterende verstandhouding binnen de familie en de discussie over de wenselijkheid van rechtsmaatregelen tegen de in de ogen van een aantal anderen bevoordeelde geïntimeerden dan in de mate waarin de erflater in zijn laatste levensjaar in een afhankelijke positie verkeerde. De verklaringen van familieleden die geïntimeerden bij memorie van antwoord hebben overgelegd, bieden een onderbouwing voor hun verweer dat van een van hen afhankelijke positie in die tijd geen sprake was. De enige verklaring van een buitenstaander is de verklaring van de huisarts van 30 november 2010 die de erflater en zijn echtgenote sinds 1986 tot aan hun overlijden huisgeneeskundige zorg heeft verleend. Hij verklaart onder meer dat de erflater tot aan zijn overlijden volkomen helder van geest is gebleven, dat hij een brede interesse had, gemakkelijk contact legde en over allerlei zaken sprak en dat hij ook contact had met zijn broer en schoonzus waarover hij zich zeer verheugde (prod. VI mva). Bij schriftelijk pleidooi heeft appellante de juistheid van deze verklaring niet betwist. Zij meent dat de vermelding van het contact met broer en schoonzus haar visie over hun invloed op de erflater ondersteunt. Voor dat laatste ziet het hof geen grond. De verklaring van de huisarts ondersteunt de visie van geïntimeerden dat de erflater tot het einde toe een zelfstandig bestaan heeft geleid. Enige vorm van afhankelijkheid of druk is er op geen enkele manier in te lezen.
7.8 Alles bij elkaar is het hof van oordeel dat de feiten en omstandigheden die appellante in deze procedure naar voren heeft gebracht haar beroep op misbruik van omstandigheden niet of onvoldoende kunnen dragen, zodat dit wordt verworpen. Aan bewijslevering, zoals in eerste aanleg in globale termen aangeboden en in hoger beroep niet herhaald, komt het hof bij deze stand van zaken niet toe.
Ad 3)
7.9 Appellante heeft zich beroepen op dwaling c.q. bedrog maar zij heeft dit niet met daarop toegespitste feiten of omstandigheden onderbouwd, zodat dit wordt verworpen.
Ad 4
7.10 Appellante heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat in ieder geval de betalingen boven het in de overeenkomst van 29 mei 2006 vermelde bedrag van € 100.000,= zonder grond zijn. Geïntimeerden hebben hiertegen aangevoerd dat het bedrag dat in de overeenkomst is genoemd, een raming betreft en dat na het sluiten van de overeenkomst en de aanvang van de werkzaamheden aan de woning is gebleken dat deze werkzaamheden een hoger bedrag vergden. Tegenover de erflater hebben zij steeds rekenschap afgelegd van de stand van zaken en van de gemaakte kosten. Door appellante is gesuggereerd dat de overschrijvingen niet door de erflater zelf zijn gedaan, maar concrete feiten die deze suggestie kunnen ondersteunen, heeft zij niet aangevoerd zodat het hof hieraan voorbijgaat. Het hof stelt vast dat de grondslag voor de betalingen volgens geïntimeerden voortvloeit uit de overeenkomst van 29 mei 2006, hetgeen niet onaannemelijk is aangezien de overeenkomst uitgaat van een raming en niet aangeeft dat het bedrag van € 100.000,= een maximum bedrag betreft. De overschrijding van deze raming met 80% is fors, maar de verklaring die geïntimeerden daarvoor geven, namelijk dat de verbouwing duurder uitviel dan aanvankelijk voorzien, is een verklaring die op zichzelf niet onaannemelijk voorkomt. In ieder geval zijn door appellante in dit verband geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat de betalingen boven € 100.000,= niet meer zijn terug te voeren op de overeenkomst van 29 mei 2006 en dat zij ook overigens als onverschuldigd betaald kunnen worden aangemerkt. Met betrekking tot eventuele bewijslevering geldt hier hetzelfde als hiervoor onder 7.8 is overwogen.
7.11 Een en ander voert tot de slotsom dat onderdeel A van de vordering van appellante niet toewijsbaar is zodat de grieven die op dit onderdeel betrekking hebben, worden verworpen.
Conclusie
- 7.12.
In het tussenarrest van 26 juli 2011 heeft het hof overwogen en beslist dat de grieven van appellante tegen de afwijzing van onderdeel F slagen (r.o. 4.19) en dat de grieven tegen de verwerping van onderdeel G worden verworpen (r.o. 4.21). Dit laatste geldt, zoals hiervoor gezegd, ook voor onderdeel A (r.o. 7.11). Dit betekent dat het vonnis waarvan beroep met betrekking tot onderdeel F zal worden vernietigd en voor het overige zal worden bekrachtigd. Bij de toewijzing van de vordering van appellante op onderdeel F gaat het om een verklaring voor recht met betrekking tot de terugbetaling aan de boedel. In het petitum vermeldt appellante terugbetaling aan appellante/de boedel, maar waar het hier gaat om een beroep op de hereditatis petitio dient betaling vanzelfsprekend aan de boedel te gebeuren en niet aan één van de erfgenamen.
- 7.13.
Gelet op de familierelatie tussen partijen en het feit dat beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in hoger beroep tussen hen compenseren. Dit geldt ook voor de kosten van het deskundigenbericht.
- 8.
De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij onderdeel F is afgewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat geïntimeerde sub 3 gehouden is tot terugbetaling aan de boedel van het bedrag van € 200.000,= als beschreven in de dagvaarding in eerste aanleg onder F, zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg, 29 juli 2008, tot aan de dag der voldoening;
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen, in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en S. Bochove en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 februari 2012.
Uitspraak 26‑07‑2011
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Deskundigenbericht. “hereditatis petitio”.
Partij(en)
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
zaaknummer HD 200.073.155
arrest van de zevende kamer van 26 juli 2011
in de zaak van
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. G.L. Brokking-van Alphen,
tegen:
1. [Geintimeerde sub 1.],
wonende te [woonplaats],
2. [Geintimeerde sub 2.],
wonende te [woonplaats],
3. [Geintimeerde sub 3.],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
advocaat: mr. F.H. Kuiper,
op het bij exploten van dagvaarding van 16 juli 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 21 april 2010 tussen appellante en [erfgename sub 2.] als eiseressen en geïntimeerden als gedaagden.
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 135431/HA ZA 08-1312)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 28 januari 2009.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Appellante is tijdig van het eindvonnis van 21 april 2010 in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft appellante onder overlegging van vijf producties 19 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van haar vorderingen.
2.2
Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden onder overlegging van twaalf producties de grieven bestreden.
2.3
Vervolgens heeft schriftelijk pleidooi plaatsgevonden. Partijen hebben daartoe een pleitnota overgelegd met over en weer een reactie op de pleitnota van de wederpartij. Appellante heeft hierbij nog een productie overgelegd.
2.4
Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het procesdossier van appellante ontbreekt de memorie van antwoord.
3. De gronden van het hoger beroep
Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. Hiermee wordt het geschil in volle omvang aan het hof ter beoordeling voorgelegd. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4. De beoordeling
4.1
Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.
- a)
Op 25 mei 2007 is overleden de heer [Y.] (verder: erflater), weduwnaar en enig erfgenaam van mevrouw [Z.], die op 25 december 2006 was overleden. Het echtpaar [YZ.] had geen kinderen.
- b)
Bij testament van 27 maart 2007 heeft de erflater onder meer het volgende bepaald:
- II.
BENOEMING ERFGENAMEN
Ik benoem tot mijn erfgenamen, ieder voor een gelijk deel van mijn nalatenschap, mijn broer en zusters. Indien mijn broer tegelijk of vóór mij overlijdt benoem ik in zijn plaats zijn echtgenote tot mede-erfgenaam, overigens geldt aanwas, geen plaatsvervulling.
Verder zijn bij dit testament tot executeur benoemd de notaris, mr. J.Th.M. Pas, en tot begrafenisexecuteur de broer van de erflater.
- c)
De broer van de erflater is [broer van de erflater], geïntimeerde sub 1. De zusters van de erflater zijn [zus van de erflater sub 1.], appellante, [zus van de erflater sub 2.], [zus van de erflater sub 3.] en [zus van de erflater sub 4.]. Laatstgenoemde is op 21 november 2007 overleden; haar erfgenamen zijn [erfgename sub 1.], [erfgename sub 2.], in eerste aanleg mede-eiseres, [erfgename sub 3.], [erfgename sub 4.] en [erfgename sub 5.].
- d)
Geïntimeerde sub 2 is de echtgenote van geïntimeerde sub 1, geïntimeerde sub 3 is hun zoon.
- e)
Op verzoek van appellante en [erfgename sub 2.] is notaris Pas bij beschikking van de kantonrechter van 30 juni 2008 als executeur ontslagen. Bij die beschikking is aan appellante en [erfgename sub 2.] toestemming verleend om op de voet van artikel 4:183 BW de goederen van de nalatenschap op te vorderen van geïntimeerden.
4.2
Als enige heeft geïntimeerde sub 1 de nalatenschap van zijn broer verworpen. Plaatsvervulling in de zin van artikel 4:12 BW is gezien de hiervoor aangehaalde bepaling uit het testament niet aan de orde. Erfgenamen van de erflater zijn derhalve de volgende acht personen: [zus van de erflater sub 1.], [zus van de erflater sub 2.] en [zus van de erflater sub 3.] ieder voor een kwart en [erfgename sub 1.], [erfgename sub 2.], [erfgename sub 3.], [erfgename sub 4.] en [erfgename sub 5.] ieder voor 1/20e.
4.3
In deze procedure hebben appellante en [erfgename sub 2.] in eerste aanleg met betrekking tot de nalatenschap van de erflater jegens geïntimeerden een verklaring voor recht gevorderd op een zevental onderdelen (A tot en met G) , waarvan na de comparitie van partijen op 30 juni 2009 de onderdelen A, F en G resteerden. De comparitie van partijen is bepaald bij tussenvonnis van 28 januari 2009. Bij het eindvonnis van 21 april 2010 is de gevorderde verklaring voor recht op deze onderdelen afgewezen.
4.4
Onderdeel A betreft zeven bedragen, in totaal € 181.500,=, die van de rekening van de erflater zijn overgemaakt aan geïntimeerden sub 1 en 2. In het petitum van de memorie van grieven is in dit verband een bedrag van € 181.000,= vermeld, maar dat berust kennelijk op een verschrijving aangezien de som van de zeven bedragen uitkomt op € 181.500,= en dit bedrag in eerste aanleg aan de orde is geweest. Onderdeel F betreft een bedrag van € 200.000,= dat van de rekening van de erflater is overgemaakt aan (het garagebedrijf van) geïntimeerde sub 3. Onderdeel G betreft de waarde van een Toyota Yaris met kenteken
[kentekennummer].
4.5
Met betrekking tot de onderdelen A en F (alsmede de onderdelen B en D die in dit hoger beroep niet aan de orde zijn) hebben appellante en [erfgename sub 2.] tegen geïntimeerden een kort geding aanhangig gemaakt. Bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 8 januari 2009 zijn geïntimeerden 1 en 2 (onder meer) veroordeeld tot betaling van € 181.500,= en is geïntimeerde sub 3 veroordeeld tot betaling van € 200.000,=, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2008. Op het hoger beroep hiertegen door geïntimeerden is dit vonnis bekrachtigd bij arrest van dit hof van 26 januari 2010 (naar aanleiding van een opmerking dienaangaande van geïntimeerden merkt het hof op dat dit arrest is gewezen door andere raadsheren).
Uitgangspunt
4.6
Artikel 4:183 BW, de hereditatis petitio, bepaalt onder meer dat een erfgenaam de goederen van de nalatenschap kan opvorderen van iedere derde die deze goederen zonder recht houdt. In dit geval is niet in discussie dat de gelden en de auto afkomstig zijn uit het vermogen van de erflater. De vraag is of zij op het moment van het overlijden van de erflater nog tot het vermogen van de erflater en daarmee tot diens nalatenschap behoorden, zoals appellante stelt en geïntimeerden betwisten. Geïntimeerden houden die goederen dan immers als derden zonder recht. Voor zover komt vast te staan dat dit het geval is, kan appellante als erfgenaam zich ten opzichte van geïntimeerden beroepen op artikel 4:183 BW.
4.7
Anders dan geïntimeerden menen is in dit verband niet beslissend dat de bedragen vóór het overlijden van de erflater zijn afgeschreven. Het gaat er om of zij nog tot het vermogen van de erflater behoorden en dat kan ook het geval zijn wanneer zij weliswaar feitelijk aan dat vermogen zijn onttrokken, maar daarvoor niet een toereikende grondslag bestond. De rechtbank heeft ten onrechte in het vonnis waarvan beroep geïntimeerden in hun andersluidende stellingname gevolgd; in zoverre slagen de grieven van appellante.
4.8
Degene die zich op de hereditatis petitio beroept, dient te stellen dat de desbetreffende goederen tot de nalatenschap behoren en dat de derde die deze onder zich heeft daar geen recht op heeft. Appellante heeft aan haar stelplicht voldaan doordat zij ten aanzien van beide bedragen en van de auto heeft aangegeven dat en waarom geïntimeerden hier geen rechten op kunnen doen gelden. Vervolgens is het aan geïntimeerden om hier voldoende gemotiveerd tegenover te stellen welke rechten zij op de desbetreffende goederen kunnen doen gelden en waarop deze zijn gebaseerd. In hoeverre daarvan sprake is komt in het hierna volgende aan de orde bij de drie verschillende onderdelen. De bewijslast van de ondeugdelijkheid van de gepretendeerde rechten, ten slotte, ligt in geval van een voldoende gemotiveerd verweer bij appellante.
Onderdeel A
4.9
Vast staat dat in de periode van 23 juni 2006 tot en met 24 mei 2007 zeven bedragen met een totaal van € 181.500,= zijn overgemaakt van de rekening van de erflater naar die van geïntimeerden sub 1 en 2. Volgens appellante zijn deze overschrijvingen zonder rechtsgrond geschied, zodat de desbetreffende bedragen tot het vermogen van de erflater zijn blijven behoren, in de vorm van een vordering op geïntimeerden sub 1 en 2, en dus ook deel uitmaken van de nalatenschap. Volgens geïntimeerden is de grondslag voor de betaling van deze bedragen gelegen in een nadere overeenkomst tussen de erflater enerzijds en geïntimeerden sub 1 en 2 anderzijds, die inhield dat de erflater de kosten op zich nam van het achterstallig onderhoud van de woning die hij aan hen had verkocht.
4.10
Deze verkoop betreft de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] die door de erflater en zijn echtgenote werd bewoond totdat zij in 2006 naar een woonzorgcentrum verhuisden. De woning is bij notariële koopovereenkomst van 26 april 2004 voor een bedrag van € 198.301,= door de erflater aan geïntimeerden sub 1 en 2 verkocht. Bij notariële akte van
- 29.
mei 2006 is de woning geleverd. Op dezelfde dag is tussen partijen ten aanzien van de gehele koopprijs een akte van geldlening en hypotheekverlening opgemaakt. De hypotheek is op 15 januari 2007 opgezegd wegens aflossing van het gehele geleende bedrag in december 2006.
4.11
Volgens geïntimeerden hebben de erflater en zijzelf ten tijde van de levering geconstateerd dat de woning ernstig achterstallig onderhoud vertoonde en wilde de erflater de kosten daarvan voor zijn rekening nemen. In verband daarmee is volgens hen op 29 mei 2006 tussen hen een aanvullende overeenkomst gesloten zoals overgelegd als productie 1 bij conclusie van antwoord. Dit stuk houdt de volgende overeenkomst in:
De verkoper zal voor zijn rekening nemen de kosten van het gehele achterstallige onderhoud aan het woonhuis [adres] te[plaatsnaam], dat op een bedrag van circa eenhonderd duizend euro wordt geraamd. Verrekening zal achteraf plaatsvinden.
De kopers verklaren onder deze voorwaarde het woonhuis te zullen kopen.
[plaatsnaam], 29 mei 2006.
De verkoper, De kopers,
[erflater] [broer van de erflater] [geïntimeerde sub 2.]
Het stuk is op de aangegeven plaatsen ondertekend. Volgens appellante is de handtekening van de erflater op dit stuk vals. Bij de comparitie van partijen in eerste aanleg hebben geïntimeerden een exemplaar getoond dat volgens hen het origineel van de overeenkomst is, ondertekend door zowel de erflater als geïntimeerden sub 1 en 2. Ook overigens betwist appellante de gestelde afspraak. Als deze al gemaakt is, is deze niet in overeenstemming met de wil van de erflater geweest, aldus appellante.
4.12
Aan appellante kan worden toegegeven dat deze overeenkomst, waarop geïntimeerden de rechtvaardiging voor de overgemaakte bedragen op baseren, vragen oproept. Het valt op dat in de notariële aktes betreffende de levering van de woning, de lening en de hypotheekverlening geen gewag gemaakt wordt van deze aanvullende afspraak terwijl dat wel in de lijn der verwachting zou liggen aangezien deze van invloed is op de hoogte van de koopsom. Verder valt op dat deze afspraak eerst in 2006 wordt gemaakt terwijl de koopovereenkomst zelf van twee jaar eerder dateert. Gesteld noch gebleken is dat de toestand van de woning juist in die twee jaar aanzienlijk zou zijn verslechterd. Verder is het uiteindelijk betaalde bedrag van € 181.500,= aanzienlijk hoger dan de raming in het stuk van 29 mei 2006. De stelling van geïntimeerden dat de erflater een dergelijke overschrijding niet bezwaarlijk vond, wordt niet door aanvullende bescheiden onderbouwd. De consequentie van deze afspraken is dat de woning in feite voor niets is verkocht, gelet ook op het gegeven dat de overdrachtskosten ad € 12.342,65 ten laste van de erflater zijn gekomen.
4.13
Aan de betalingen is door geïntimeerden sub 1 en 2 tegenover de stelling van appellante dat deze zonder grond zijn geweest, uitsluitend deze met hen gemaakte afspraak ten grondslag gelegd. Hun onderbouwing van de juistheid van hun stellingen op dit punt gaat steeds terug op het stuk van 29 mei 2006. Nu appellante heeft betwist dat de handtekening die op dit stuk voorkomt bij de naam van de erflater ook daadwerkelijk door de erflater daarop is geplaatst, acht het hof het wenselijk deze handtekening aan een onderzoek door een deskundige te onderwerpen. Appellante heeft daar op aangedrongen en geïntimeerden zijn bereid aan een dergelijk onderzoek medewerking te verlenen. Wanneer de conclusie is dat niet kan worden vastgesteld dat de handtekening destijds door de erflater op het stuk is geplaatst, komt daarmee de grond aan het verweer van geïntimeerden ten aanzien van onderdeel A te ontvallen. Wanneer die conclusie een andere is, dienen de overige betwistingen van appellante van het verweer van geïntimeerden aan de orde te komen. Het hof zal mevrouw R. ter Kuile-Haller tot deskundige benoemen ter beantwoording van de vraag of de handtekening die op het stuk van 29 mei 2006 bij de naam van de erflater voorkomt ook daadwerkelijk door hem daarop is geplaatst. Het voorschot van de deskundige zal door beide partijen ieder voor de helft gedragen dienen te worden.
Onderdeel F
4.14
Vast staat dat geïntimeerde sub 3 op 16 maart 2006 (ten behoeve van zijn bedrijf) een bedrag van € 200.000,= van de rekening van de erflater heeft ontvangen en dat hij in de periode van april 2006 tot en met april 2007 maandelijks € 500,= aan de erflater heeft betaald, derhalve in totaal € 6.500,= (13 maal € 500,=). Volgens appellante betreft deze overschrijving een lening die door geïntimeerde sub 3 niet is terugbetaald, zodat het desbetreffende bedrag tot het vermogen van de erflater is blijven behoren, in de vorm van een vordering op geïntimeerden sub 3, en dus ook deel uitmaakt van de nalatenschap. Volgens geïntimeerde is het bedrag hem ter beschikking gesteld onder het beding dat hij maandelijks het bedrag van € 500,= zou betalen, welk bedrag de erflater volgens geïntimeerden vond overeenkomen met wat de erflater bij de bank ook zou krijgen (aan rente). Appellante acht het onaannemelijk dat de erflater een zo aanzienlijk deel van zijn vermogen op deze wijze aan een neef ten goede zou hebben willen laten komen. Als er al sprake is van een schenking, en dan niet van een schenking bij overlijden als bedoeld in artikel 7:177 BW, is deze volgens appellante niet in overeenstemming met de wil van de erflater tot stand gekomen.
4.15
Op grond van hetgeen met betrekking tot deze overschrijving naar voren is gekomen, ligt een lening het meest voor de hand. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het gaat om een aanzienlijk deel van het vermogen van de erflater, dat niet is gebleken van een bijzondere relatie tussen de erflater en de ontvanger en dat niet is gebleken van een voorgeschiedenis die op een dergelijke schenking op dat moment zou kunnen wijzen. Het gegeven dat de erflater in zijn belastingaangifte geen melding heeft gemaakt van een vordering op geïntimeerde sub 3 acht het hof in dit verband niet van doorslaggevende betekenis aangezien daarvoor ook andere redenen geweest kunnen zijn. Ook het gegeven dat geïntimeerde sub 3 na het overlijden van de erflater aangifte heeft gedaan voor het schenkingsrecht is niet bepalend voor de kwalificatie aangezien dit een eenzijdige handeling van de ontvanger betreft.
4.16
Bij conclusie van antwoord in eerste aanleg hebben geïntimeerden met betrekking tot de grondslag voor de overboeking naar voren gebracht dat geïntimeerde sub 3 van zijn oom € 200.000,= ontving met de afspraak dat hij maandelijks € 500,= terugbetaalt en dat het resterende na het overlijden kwijtgescholden werd.
Bij de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft geïntimeerde sub 3 hierover onder meer verklaard dat de erflater hem destijds heeft gezegd dat als hij niet meer zou leven, dat ik het dan kon houden en tot die tijd zou ik die € 500,= per maand betalen. (..) De zojuist gepresenteerde feiten die tot die betaling van EUR 200.000,-- hebben geleid, heeft een element van lening en van schenking.
Bij het pleidooi in hoger beroep in het kort geding dat heeft geleid tot het arrest van dit hof van 26 januari 2010 heeft geïntimeerde sub 3 bevestigd dat hij de titel van de afspraak, schenking, niet kan bewijzen (r.o. 4.7.1).
In de memorie van antwoord stellen geïntimeerden onder meer: “Aan het feit dat geïntimeerde sub 3 heeft verklaard een element van lening in de overeenkomst van schenking onder last te zien, mag geen bijzondere betekenis worden toegekend, nu hij immers niet juridisch is geschoold. Verder wordt bij deze uitdrukkelijk afstand genomen van het gestelde onder punt 14 van de Conclusie van Antwoord, de eerste alinea, voor zover daar wordt gesproken over het terugbetalen van € 500 per maand. De afspraak luidde dat geïntimeerde sub 3 maandelijks € 500 zou betalen bij wijze van contraprestatie, niet als terugbetaling.”
Bij het schriftelijk pleidooi in hoger beroep stellen geïntimeerden zich op het volgende standpunt: “Deze afspraak dient juridisch te worden gekwalificeerd als een gemengde overeenkomst, waarbij weliswaar een element van schenking aanwezig is, maar waarbij ook een tegenprestatie wordt bedongen. Van een zuivere schenking is dus geen sprake, omdat niet wordt voldaan aan het vereiste dat de overeenkomst “om niet” heeft plaatsgevonden. (..) Hij betwist dat er sprake is van een geldlening. Zijn oom heeft immers duidelijk gezegd dat hij het bedrag van € 200.000 niet terug hoefde te betalen.”
4.17
In de standpuntbepaling van geïntimeerden over de grondslag voor de betaling van het bedrag van € 200.000,= is een verschuiving waar te nemen van ‘lening en schenking’ naar ‘schenking met tegenprestatie’. Deze verschuiving wordt evenwel niet gedragen door de feiten. Immers, de eigen verklaring van geïntimeerde sub 3 bij de comparitie van partijen kan niet worden afgedaan met de mededeling dat hij niet juridisch geschoold is. Ten eerste werden geïntimeerden bij deze comparitie bijgestaan door hun advocaat en ten tweede volgt de gewraakte zinsnede op een mededeling van geïntimeerde sub 3 over de werking van artikel 7:177 BW, hetgeen bij uitstek als een juridische stellingname moet worden aangemerkt. Het terugnemen van de term terugbetalen in de conclusie van antwoord acht het hof niet overtuigend, aangezien in de aangifte voor het schenkingsrecht van geïntimeerde sub 3 die bij diezelfde conclusie is overgelegd (prod. 6) met betrekking tot de betalingen van € 500,= eveneens gesproken wordt van terugbetalen. Al met al hebben geïntimeerden naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd en al helemaal niet met bescheiden onderbouwd dat het bedrag van € 200.000,= in zijn geheel een schenking bij leven van de erflater betrof, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat geïntimeerde sub 3 zelf heeft bevestigd dat het bewijs voor die stelling ontbreekt.
4.18
Geïntimeerden hebben bij het schriftelijk pleidooi nog aangevoerd dat voor zover sprake zou zijn van een gift ter zake des doods deze overeenkomst niet meer vernietigd kan worden omdat inmiddels meer dan drie jaar is verstreken. Het hof gaat hieraan voorbij aangezien dit verweer niet eerder is gevoerd en daarom gezien het stadium waarin de procedure zich inmiddels bevindt, als tardief moet worden aangemerkt.
4.19
Alleen in het geval de betaling van het bedrag van € 200.000,= in zijn geheel aangemerkt zou kunnen worden als een schenking bij leven, zou dit bedrag aan het vermogen van de erflater zijn onttrokken en vervolgens ook geen deel hebben uitgemaakt van diens nalatenschap. Zoals hiervoor overwogen hebben geïntimeerden onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd dat die situatie zich voordoet. Aan bewijslevering door appellante komt het hof daarom, gelet op het onder rechtsoverweging 4.8 geformuleerde uitgangspunt, niet toe. De grieven van appellante die op onderdeel F betrekking hebben, slagen.
Onderdeel G
4.20
De erflater was eigenaar van een Toyota Yaris met kenteken [kentekennummer]. Het kenteken daarvan is op 2 januari 2007 overgeschreven op naam van geïntimeerde sub 1. Volgens appellante volgt hier niet uit dat de eigendom van de auto ook op hem is overgegaan. Dat is op zichzelf juist, maar het vormt daar wel een aanwijzing voor. Appellante wijst er verder op dat de erflater de rekeningen voor de auto is blijven betalen. Volgens haar kan daaruit worden afgeleid dat de erflater eigenaar van de auto is gebleven. In eerste instantie heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de auto door geïntimeerde sub 1 van de erflater is gekocht maar dat deze de koopprijs niet heeft betaald, zodat deze als niet aan de erflater voldane vordering onderdeel van diens nalatenschap is geworden. In hoger beroep gaat zij niet langer uit van een koopovereenkomst maar van een overeenkomst tot gebruik. Aangezien de auto inmiddels is doorverkocht, dient geïntimeerde de waarde van de auto aan de nalatenschap te voldoen, aldus appellante.
4.21
Bij de comparitie van partijen in eerste aanleg hebben geïntimeerden sub 1 en 2 verklaard dat en waarom de erflater in december 2006 het zelfstandig autorijden heeft opgegeven. Die verklaring houdt onder meer in dat de erflater autokosten bleef betalen en dat daar tegenover stond dat geïntimeerde sub 1 hem met de auto vervoerde. Naar het oordeel van het hof kan uit hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht niet worden afgeleid dat de auto door de erflater aan geïntimeerde sub 1 is verkocht. Appellante heeft dat standpunt kennelijk ook verlaten. De vraag is dan of de auto aan hem is geschonken dan wel dat de auto eigendom is gebleven van de erflater. Geïntimeerden hebben hun verweer tegen laatstgenoemde mogelijkheid naar het oordeel van het hof voldoende gemotiveerd. De door hen geschetste gang van zaken is op zich niet onaannemelijk, terwijl de feitelijke omstandigheden die geïntimeerden bij de comparitie van partijen naar voren hebben gebracht door appellante niet voldoende zijn betwist. Gelet op het onder rechtsoverweging 4.8 geformuleerde uitgangspunt rust de bewijslast op appellante. Door haar is evenwel geen voldoende hierop toegespitst bewijsaanbod gedaan, zodat haar vordering op dit onderdeel wordt verworpen. De grieven die op dit onderdeel betrekking hebben worden verworpen.
Conclusie
4.22
Met betrekking tot de onderdelen F en G zijn de grieven van appellante afgehandeld. Met betrekking tot onderdeel A zal een deskundigenonderzoek worden uitgevoerd waarna de grieven ten aanzien van dit onderdeel nader aan de orde zullen komen. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
5. De uitspraak
Het hof:
bepaalt dat een deskundigenbericht zal worden uitgebracht met betrekking tot de vraag of de handtekening die op het stuk van 29 mei 2006 bij de naam van de erflater voorkomt ook daadwerkelijk door hem daarop is geplaatst;
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vraag:
mevrouw R. ter Kuile-Haller
[adres]
[postcode] [woonplaats]
tel. [telefoonnummer]
verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof;
verzoekt de deskundige tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;
bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek zal aanvangen nadat de griffier heeft bericht dat het voorschot is ontvangen;
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat het voorschot is ontvangen en dat met het onderzoek kan worden aangevangen;
bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 1.500,-- inclusief btw, tenzij partij/partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt; in dat geval zal het hof op het bezwaar/de bezwaren beslissen en de hoogte van het voorschot bepalen;
bepaalt dat ieder van partijen wordt belast met de helft van genoemd voorschot van € 1.500,--, derhalve € 750,--;
bepaalt dat geïntimeerden laatstgenoemd bedrag binnen 2 weken na heden zal overmaken naar rekeningnummer 56.99.90.572 ten name van Arrondissement 536 ‘s-Hertogenbosch onder vermelding van zaaknummer HD 200.073.155;
bepaalt dat het voorschot van appellante, nu aan deze partij een toevoeging is verleend, voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komt;
verzoekt de deskundige, indien haar kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;
bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
benoemt mr. B.A. Meulenbroek tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffie dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;
verwijst de zaak naar de rol van 27 december 2011 voor memorie na deskundigenonderzoek, aan de zijde van appellante;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en S. Bochove en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 juli 2011.