Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/8.2.1.e
8.2.1.e Vijfde invalshoek: dépeage (`Zersplitterung)?
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS464024:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. alinea's 435 en 468 hiervoor, alsook par. 7.2.2 onder (a)(iii).
Terzijde zij opgemerkt dat sommige auteurs hun voorstel niet in de sleutel van `Zersplitterung' of dépegage plaatsen, maar de subject-vraag als een voorvraag presenteren, waarop een aparte conflictregel kan worden losgelaten (zie bijvoorbeeld Drobnig 1976, p. 200). Dat komt in resultaat op hetzelfde neer, maar gaat rechts-theoretisch veel verder: deze auteurs zien de subject-vraag kennelijk zelfs niet als een onderdeel van de intellectuele-eigendomsbescherming. Over de problematiek van de voorvraag in het algemeen, zie Strikwerda 2008 (Inleiding), p. 48 e.v.
Zie ook Bouche 2002 (Territorialité), p. 421 e.v. en p. 526-528.
Zie alinea 982 hiervoor.
Zie onder meer Beier, Schricker & Ulmer 1985 (Max-Planck-Institut), p. 105; Quaedvlieg 1997, p. 161; Lucas & Lucas 2006, p. 851 e.v. Vgl. ook BGH 2 oktober 1997, GRUR Int. 1998, p. 427-431 (Spielbankaffüre), zie daarover ook noot 45 van hoofdstuk 5.
Vgl. Polak 1994, p. 42.
Bouche 2002 (Territorialite'), p. 527.
De vraag wordt hier óók voor de publiekrechtelijke dimensie opgeworpen, omdat intellectuele-eigendomsrechten een zekere semi-publiekrechtelijke inslag hebben (zie par. 8.2.1 onder (a)).
Zo kan men zich bijvoorbeeld voorstellen dat ontwikkelingslanden liever de schepper als subject aanwijzen, en niet de (veelal Westerse) werkgever.
Zo ook Thum 2005, p. 278-279. Voor de context van internet ('global acts of exploitation') stelt zij evenwel voor cinematografische werken — een andere conflictregel voor. Een onderscheid tussen internet en de wereld `off line' lijkt mij echter problematisch; zie ook noot 140 van dit hoofdstuk 8.
Zie par. 8.2.1 onder (b)(ii) en (b)(iii).
Vgl. ook de opmerking van Patry, genoemd in alinea 1143 hiervoor, die betrekking heeft op de subject-vraag.
Zie par. 8.2.1 onder (b)(ii) en (b)(iii), alsmede alinea 1143 hiervoor.
Dit wordt ook onderkend door Ginsburg 1986, p. 30. Vgl. ook De Boer 1977, p. 691-692.
De lex originis-verwijzing is voor de subject-vraag onder meer bepleit door Drobnig 1976, p. 202. Tegenwoordig lijkt de lex originis-verwijzing uit de gratie te raken bij pleitbezorgers voor subject-dépegage, wellicht door het besef dat de lex originis-verwijzing door internet niet meer bruikbaar is. Wat bepleiten zij tegenwoordig dan wel? Aan de nationaliteit of de woonplaats van de auteur kan men niet aanknopen, want het is nu juist de vraag wie als auteur moet worden aangemerkt, zoals De Boer 1977, p. 691 terecht onderkent. In zwang raakt daarom thans aanknoping aan de woonplaats van de schepper, zie bijvoorbeeld Van Eechoud 2005 (Alternatives); ALI Principles 2008 (§ 313).
1191. Inleiding. Bezien wij ten slotte een vijfde mogelijke invalshoek. Deze betreft de vraag of, zoals sommige auteurs tegenwoordig voorstellen, dépegage (`Zersplitterung') wenselijk is.
1192. Verwijzingscategorie. Uitgangspunt is dat de verwijzingscategorie van de lex loci protectionis-verwijzing de gehele bescherming van intellectuele-eigendomsrechten omvat. Deze bescherming — zo kwam in hoofdstuk 7 aan de orde is opgebouwd uit vier componenten:
het object van de bescherming (wat moet worden verstaan onder een werk van letterkunde of kunst, een uitvinding, een merk, enz.?);
het subject van de bescherming (wie is de originaire rechthebbende?);
de inhoud van de bescherming (ontstaan, omvang, en einde van de rechten); en
de handhaving van de bescherming (de 'rechtsmiddelen' en de sancties).
1193. De vraag is nu of het wenselijk is om de bescherming niet in haar geheel te onderwerpen aan de lex loci protectionis, maar bepaalde aspecten van die bescherming af te splitsen en aan een ander rechtsstelsel te onderwerpen. Daarmee fragmenteert men dus de verwijzingscategorie (`Zersplitterung'). Is dergelijke dépegage wenselijk?
1194. Subject-vraag. De roep om dépegage heeft tegenwoordig met name betrekking op de subject-vraag in het auteursrecht.1 Als reden wordt doorgaans aangevoerd dat dit de internationale exploitatie zou vereenvoudigen. Onder de vigeur van de lex loci protectionis-verwijzing is denkbaar dat er verschillende originaire rechthebbenden kunnen bestaan ten aanzien van hetzelfde werk. In Duitsland is bijvoorbeeld de werknemer de originaire rechthebbende van een bepaald werk, terwijl in de Verenigde Staten zijn werkgever als originaire rechthebbende geldt. Dat kan bezwaarlijk zijn: wie de wereldwijde rechten ten aanzien van dit werk wil verkrijgen, moet hier bijvoorbeeld op bedacht zijn. Overigens lijkt de soep in de praktijk niet zo heet te worden gegeten als zij hier wordt opgediend. Vaak wordt dit vooraf contractueel ondervangen, bijvoorbeeld in de arbeidsovereenkomst (het probleem doet zich vooral voor in het kader van arbeidsverhoudingen). Hoe dan ook, de voorstanders van dépegage brengen naar voren dat mogelijke diversiteit moet worden voorkomen door voor de subject-vraag een aparte conflictregel te gebruiken; deze vraag moet huns inziens centraal worden aangeknoopt, of accessoir worden aangeknoopt aan het recht dat op de arbeidsovereenkomst toepasselijk is.2
1195. Onwenselijk. M.i. is dépegage evenwel onwenselijk. Dat geldt voor de subject-vraag (die vraag wordt in deze paragraaf verder centraal gesteld omdat zij het meest omstreden is), maar het geldt evenzeer voor alle andere aspecten van de bescherming. En het geldt voor alle intellectuele-eigendomsrechten. De verwijzingscategorie van de lex loci protectionis-verwijzing dient m.i. dus de bescherming in haar geheel te omvatten.3
1196. Samenhang. In de eerste plaats is de bescherming van een intellectuele-eigendomsrecht immers één samenhangend geheel. Dit kwam al eerder in deze studie ter sprake.4 De subject-vraag is, net als de andere drie hiervoor genoemde componenten, een inherent onderdeel van de bescherming. Zij is, net als de object-vraag, onlosmakelijk verbonden met de inhoud van het recht.5 Deze componenten zijn op elkaar afgestemd. Zij vormen één uitgebalanceerd en samenhangend geheel. De subject-vraag is dus, net als de object-vraag, niet een afsplitsbaar onderdeel. Splitsing zou de innerlijke samenhang alsook de wezenlijke doelstellingen van de betrokken wetgever verstoren.6 "(...) le droit subjectif et ses prérogatives sont définis en considération même de la personne du titulaire, et cela est particulièrement vrai s'agissant du droit d'auteur."7 Bovendien is het conflictenrechtelijk wegknippen van de subject-vraag van de andere constituerende elementen van een recht, rechtstheoretisch gezien een hoogst wonderlijke constructie, die in vergelijkbare gevallen elders in het recht dan ook niet voorkomt. Is — in het privaatrecht — ooit serieus voorgesteld om de vraag wie originair een eigendomsrecht of een vorderingsrecht verkrijgt, aan een aparte verwijzingsregel te onderwerpen? Is — in het publiekrecht — ooit serieus voorgesteld om de vraag aan wie een vergunning wordt verleend, conflictenrechtelijk anders te behandelen?8 Twee keer nee.
1197. Rechtspolitiek. Daarnaast is dépegage ook onwenselijk om de redenen die in de bespreking van de andere invalshoeken naar voren zijn gekomen. Toen zijn die redenen voor het geheel van de bescherming besproken, maar dezelfde redenen gelden natuurlijk evenzeer voor een deel daarvan. Het belangrijkste bezwaar is het rechtspolitieke bezwaar. Iedere rechtsgemeenschap, zo kwam in par. (b) als rechtspolitieke keuze naar voren, heeft er recht op dat op haar rechtsgebied alleen haar exclusiviteitsopvattingen heersen. Het is dus ook aan iedere rechtsgemeenschap om zelf te bepalen aan wie het alleenrecht op zijn rechtsgebied toekomt, wie binnen dat rechtsgebied het alleenrecht tegen de aldaar aanwezigen (de leden van de rechtsgemeenschap) mag uitoefenen 9 Dat betekent, vertaald naar het conflictenrecht, dat de lex loci protectionis óók de subject-vraag dient te beheersen.10 Daarentegen laadt dépegage, waarbij de subject-vraag wordt afgesplitst en onderworpen aan een andere conflictregel, de verdenking van imperialisme op zich — dit kwam in par. (b)(ii) aan de orde: landen met een hoog beschermingsniveau en een grote productie van intellectuele voortbrengselen hebben hier belang bij, zij kunnen aldus hun recht exporteren.11 Grip op de subject-vraag is in dat opzicht natuurlijk een strategische keuze.12 Zo bezien past het pleidooi voor afsplitsing van de subject-vraag dus in het patroon in de geschiedenis van het internationale intellectuele-eigendomsrecht dat reeds eerder is blootgelegd.13 Daar kan nog aan worden toegevoegd dat deze dépegage-constructie bij toepassing van de lex originis-verwijzing in het voordeel van werkgevers werkt. Want het ligt doorgaans in de macht van de werkgever om de plaats van eerste publicatie te bepalen14; hij kan het werk dus voor het eerst publiceren in een land met een rechtsstelsel dat hem als auteur aanmerkt — internet maakt dat zeer eenvoudig —, en daarmee heeft hij de alleenrechten in alle andere landen naar zich toe getrokken.15
1198. Conclusie. Tezamen genomen: dépegage (`Zersplitterung') is m.i. dus onwenselijk. De verwijzingscategorie van de lex loci protectionis-verwijzing dient de bescherming in haar geheel te omvatten. Met dit alles is niet gezegd dat toepassing van de lex loci protectionis-verwijzing op de subject-vraag probleemloos is. Er kunnen zich in dit verband inderdaad problemen voordoen. Die moeten echter niet met conflictenrechtelijke middelen worden bestreden. Dit is typisch een kwestie die, ook al is consensus wellicht moeilijk te realiseren, door eenvormig recht zou moeten worden geregeld. In par. 8.3 is daartoe een aanzet gedaan.