Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 6.1.2 Gebruiksmelding
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Artikel 6.6 (aansturingsartikel)
In dit artikel is een verwijzing naar de aansturingstabel opgenomen. Uit dit aansturingsartikel in combinatie met tabel 6.6 volgt welke regels voor een bepaalde gebruiksfunctie van toepassing zijn. Uit de tabel volgt ook dat de gebruiksmeldingplicht op een aantal gebruiksfuncties niet van toepassing is. Vergelijkbaar met het voorheen in artikel 1.18, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 gestelde geldt de meldingplicht niet voor de reguliere woonfunctie en voor wegverkeer bedoelde bouwwerken. Andere tunnels dan wegtunnels zijn dus wel gebruiksmeldingplichtig, ongeacht of zij tevens een stationsfunctie hebben. Verder geldt de meldingplicht nu ook voor bouwwerken (zoals voor nachtverblijf) waarvoor eerder een omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik nodig was. Dit is onder andere gebaseerd op het rapport ‘Onderzoek naar vermindering vergunning en melding brandveilig gebruik’ (Arcadis 3 juni 2014, zie www.rijksoverheid.nl).
Artikel 6.7 (gebruiksmelding)
Dit artikel regelt de gebruiksmeldingplicht voor gebouwen. Het eerste lid bepaalt dat het niet is toegestaan een bouwwerk te gebruiken zonder gebruiksmelding. Dit verbod omvat ook het handelen in afwijking van de melding. Voor zover het immers gaat om activiteiten die zonder melding niet mogen worden verricht, is ieder handelen dat niet is gemeld handelen zonder melding. Deze gebruiksmelding moet ten minste vier weken voor aanvang van het gebruik aan het bevoegd gezag worden gedaan. In deze gebruiksmeldingplicht komen de eerdere meldingplicht uit het Bouwbesluit 2012 en de omgevingsvergunning brandveilig gebruik uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) samen. Dit besluit kent alleen een meldingplicht en geen vergunningplicht brandveilig gebruik.
Het eerste lid is niet aangestuurd voor een andere woonfunctie dan een woonfunctie voor kamergewijze verhuur en een woonfunctie voor zorg.
De gebruiksmelding is zaakgebonden. Dit betekent dat als de gemelde activiteit voortaan door iemand anders wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld door een nieuwe eigenaar of huurder, er geen nieuwe melding hoeft te worden gedaan.
Het tweede lid regelt dat de in het eerste lid bedoelde meldingplicht alleen van toepassing is als het totaal aantal personen in het bouwwerk groter is dan het in tabel 6.6 genoemde aantal personen. In een gebouw (of deel van een gebouw) met meerdere gebruiksfuncties is die gebruiksfunctie met het laagste in de tabel genoemde aantal personen bepalend voor de beoordeling of er melding moet plaatsvinden. Bijvoorbeeld: een gebouw met een bijeenkomstfunctie voor 45 personen, een industriefunctie voor 5 personen en een kantoorfunctie voor 2 personen, is gebruiksmeldingplichtig omdat het totaal aantal personen 52 is en dat is meer dan de 50 die geldt als laagste maximum (bij de bijeenkomstfunctie) voor de in het gebouw aanwezige gebruiksfuncties. Vergeleken met het Bouwbesluit 2012 is het aantal personen waarbij een gebruiksmelding nodig is voor de industriefunctie en de kantoorfunctie verhoogd. De grens ligt bij die functies voortaan bij 150 personen in plaats 50 personen. Voor deze verlichting van de eis is gekozen omdat de gebruikers van een kantoorfunctie of een industriefunctie (meestal personeelsleden) in het algemeen goed bekend zijn met de vluchtroutes van het gebouw. Deze versoepeling leidt tot een beperking van het aantal gevallen waarin een gebruiksfmelding moet worden gedaan.
Het tweede lid is niet aangestuurd voor de woonfunctie omdat bij de woonfunctie het aantal personen in die woonfunctie geen rol speelt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur niet het aantal personen maar wel het aantal wooneenheden een rol speelt. Als het aantal wooneenheden kleiner is dan vijf, dan is er geen sprake van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur, ongeacht het aantal bewoners dat in de wooneenheid aanwezig is. Het gevolg is dat de voor een woonfunctie voor kamergewijze verhuur specifieke regels dan niet van toepassing zijn. De gemeente heeft de mogelijkheid om in het omgevingsplan regels te stellen om overbewoning van een woonfunctie te voorkomen.
Het derde lid geeft een uitzondering op het maximum van 50 personen bij een reguliere bijeenkomstfunctie (kantine of bedrijfsrestaurant) of een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen als deze tevens een nevengebruiksfunctie is van een kantoor- of industriefunctie. Dit lid regelt dat bij dergelijke nevengebruiksfuncties van een kantoor- of industriefunctie moet worden uitgegaan van een totale waarde van 150, dezelfde waarde die voor de kantoor- en de industriefunctie geldt. Een kantoorgebouw inclusief nevengebruiksfuncties met niet meer150 personen is dus niet meldingplichtig.
De medewerkers in de kantine, het bedrijfsrestaurant of bedrijfsparkeergarage van een kantoor- of industriefunctie zullen gemiddeld genomen even bekend zijn met de veiligheidssituatie en -organisatie in die kantine, dat bedrijfsrestaurant of die bedrijfsparkeergarage als met die situatie en organisatie in de rest van het gebouw. Dit geldt niet voor het publiek in een reguliere bijeenkomstfunctie of parkeergarage.
Er wordt van uit gegaan dat in een kantoor voor 150 personen met een bedrijfsrestaurant voor 150 personen en/of een bedrijfsparkeergarage voor 150 personen in totaal niet meer dan 150 personen aanwezig zullen zijn. Pas als bedoeld is dat er in het kantoor- of industriegebouw, waar deze onderdeel van uitmaken, inclusief nevengebruiksfuncties, tegelijkertijd meer dan 150 personen aanwezig zullen zijn geldt de meldingplicht. Zie ook de artikelsgewijze toelichting op het begrip nevengebruiksfunctie.
Het vierde lid regelt dat personen in een niet-besloten ruimte van een station, zoals een treinperron, of in een niet-besloten ruimte van een parkeergarage niet behoeven te worden meegeteld bij het bepalen of het station (overige gebruiksfunctie voor transport) of de parkeergarage (overige gebruiksfunctie voor stalling van motorvoertuigen) gebruiksmeldingplichtig is. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat deze uitzondering niet van toepassing is op andere gebruiksfuncties en dus ook niet op bijvoorbeeld een voetbaltribune (ander bouwwerk geen gebouw zijnde).
Het vijfde lid regelt dat een afzonderlijke gebruiksmelding gedaan mag worden voor een voor afzonderlijk gebruik bestemd gedeelte van een bouwwerk. Een gedeelte van een bouwwerk kan niet een voor afzonderlijk gebruik bestemd gedeelte zijn als op een vluchtroute van dat gedeelte ook andere gedeelten van het bouwwerk zijn aangewezen.
Artikel 6.8 (gegevens en bescheiden bij gebruiksmelding)
In dit artikel zijn de procedurele regels voor het indienen van een gebruiksmelding opgenomen. In het eerste lid is bepaald dat een melder de melding van een ondertekening moet voorzien en welke gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt. Een melding moet ook altijd zijn voorzien van een dagtekening (datum van ondertekening).
Bij een melding moeten de in dit besluit aangegeven gegevens en bescheiden worden aangeleverd. Van een melding in de zin van dit besluit is pas sprake als de vereiste gegevens en bescheiden daadwerkelijk zijn aangeleverd. Een ‘onvolledige’ melding is dus geen melding.
De in dit artikel opgenomen opsomming van aan te leveren gegevens en bescheiden is een maximale opsomming. Bij de gebruiksmelding hoeft alleen die informatie te worden aangeleverd die voor de beoordeling van de melding door het bevoegd gezag nodig is. Informatie die betrekking heeft op zaken die in een bepaald geval feitelijk niet aanwezig zijn en ook niet hoeven te zijn hoeft uiteraard niet te worden verstrekt. De gemeente mag niet meer informatie verlangen dan de in dit artikel bedoelde informatie.
Het tweede lid geeft aan dat de melder bij een gebruiksmelding voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik moet aangeven voor welke periode en welke tijdvakken in het kalenderjaar het gebruik is beoogd.
In het derde lid staat dat een melding ook betrekking kan hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende (dit zijn niet per se aangrenzende) terreinen. Dit is van belang om voor bijvoorbeeld een complex met winkels één melding te kunnen doen, of bij twee filialen van een bedrijf die aan weerszijde van de openbare weg liggen.
Artikel 6.9 (gegevens en bescheiden na gebruiksmelding)
Bij de gebruiksmelding moeten onder meer gegevens en bescheiden worden aangeleverd over de technische staat van het gebouw, gelet op het voorgenomen gebruik van het gebouw. Als het bouwwerk wordt veranderd, bijvoorbeeld door een verbouwing, ontstaat een nieuwe situatie. Om het bevoegd gezag in staat te stellen die nieuwe situatie te beoordelen, moeten op grond van dit artikel gegevens en bescheiden over die verandering worden verstrekt. In deze gevallen hoeft dus geen nieuwe melding te worden gedaan maar volstaat het aanleveren van gegevens en bescheiden over de nieuwe situatie. Deze gegevens en bescheiden moeten aangeleverd worden bij hetzelfde bevoegd gezag waaraan de melding zelf moet worden gedaan. Als het gebruik van het gebouw zodanig wordt veranderd, dat wordt afgeweken van de eerder gedane melding terwijl de nieuwe situatie meldingplichtig is, moet wel een nieuwe melding worden gedaan.
Artikel 6.10 (maatwerkregels gebruiksmelding)
Dit artikel bevat de grondslag voor het stellen van een maatwerkregel. De gemeente mag in het omgevingsplan een maatwerkregel stellen over het afwijken van het in tabel 6.6 genoemde aantal personen voor de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie en de logiesfuncties gelegen in een logiesgebouw. Op grond van artikel 6.7 in samenhang met de tabel geldt de algemene meldingplicht voor deze gebruiksfuncties vanaf 10 personen. Gemeenten kunnen er voor kiezen in het omgevingsplan bijvoorbeeld een meldingplicht vanaf 5 personen of vanaf 14 personen op te nemen. Deze mogelijkheid van lokaal maatwerk was er eerder ook in de Wabo bij de gebruiksvergunningplicht.