Inhoudsopgave
Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/173:173 Vennootschappelijke goederengemeenschap; afgescheiden vermogen.
Archief
Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/173
173 Vennootschappelijke goederengemeenschap; afgescheiden vermogen.
Documentgegevens:
prof. mr. M. van Olffen, voorheen door prof. mr. J.M.M. Maeijer, datum 01-02-2017
- Datum
01-02-2017
- Auteur
prof. mr. M. van Olffen, voorheen door prof. mr. J.M.M. Maeijer
- JCDI
JCDI:ADS339431:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Goederenrecht / Gemeenschap
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
- Wetingang
art. 3:192 BW
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De leer van het zogenaamde afgescheiden vermogen moet worden onderscheiden van het vraagstuk van de gebondenheid van de vennootschappelijke gemeenschap van goed of goederen. Van een afgescheiden vermogen is bij een vennootschap sprake, indien de vennootschappelijke goederengemeenschap zowel in als buiten faillissement van de vennootschap, zowel tijdens het bestaan van de vennootschap als na ontbinding, dient als verhaalsobject voor de zaakcrediteuren, de crediteuren van de vennootschap: van de gezamenlijke vennoten als zodanig. De goederengemeenschap kan dan juist vanwege deze externe werking als ‘afgescheiden’ worden beschouwd van het privévermogen van de vennoten. De exclusiviteit van deze verhaalsmogelijkheid wordt verklaard vanuit de beschikkingsgebondenheid van de vennoten en de hieruit volgende onmogelijkheid voor hun privécrediteuren om zich te verhalen op de vennootschappelijke goederengemeenschap.
Naast de vraag van de gebondenheid van de vennootschappelijke goederengemeenschap en de daaruit in de eerste plaats voor de vennoten voortvloeiende gevolgen, staat de vraag naar de positie van de vennootschappelijke goederengemeenschap als mogelijk verhaalsobject voor zaakcrediteuren, crediteuren van de vennootschap. Deze laatste vraag wordt wel aangeduid als de vraag naar het bestaan van een – extern werkend – afgescheiden vermogen van de vennootschap. Ook ik zou het gebruik van de terminologie ‘afgescheiden vermogen’ willen reserveren voor deze laatste problematiek. Zie hierboven nr. 164. Ook HR 17 december 1993, NJ 1994/301 maakt dit onderscheid tussen gebonden gemeenschap en afgescheiden vermogen.
Voor het aanvaarden van een dergelijk afgescheiden vermogen vindt men in de wet geen rechtstreekse aanknopingspunten. In de literatuur vindt men uiteenlopende benaderingen. Ik kan slechts een greep doen. Zo leidt Scheltema, WPNR 1928/3045 en WPNR 1928/3048, uit de extern werkende gebondenheid – bij de v.o.f. – van het firmavermogen aan het vennootschapsdoel het afgescheiden zijn van dit vermogen af. De eigenlijke grond voor de vermogensafscheiding ziet hij in het verhogen van de kredietwaardigheid van de vennootschap door bescherming van de handelscrediteuren die aldus in hun verhaalsrechten worden versterkt. In deze leer wordt niet verklaard dat ook na de ontbinding van de v.o.f., in het liquidatiestadium, afgescheidenheid van het vermogen moet worden aangenomen, ook al is het firmavermogen dan niet meer aan het vennootschapsdoel gebonden. Volgens Vrij, WPNR 1927/2993 en 1927/2994, strekt het afgescheiden vermogen bij de v.o.f. tot bescherming van de firmanten zelf; het moet worden gezien als een tegenwicht aan het risico dat voor hen verbonden is aan hun hoofdelijke aansprakelijkheid en aan de wederzijdse vertegenwoordigingsbevoegdheid van de firmanten. Door het afgescheiden vermogen worden de firmanten beschermd tegen het verhaal van privécrediteuren van hun medevennoten op het firmavermogen. Vgl. P.R. Smits, De externe gebondenheid van het vennootschapsvermogen (VDHI nr. 3) 1969, p. 21, voor een kritiek op deze zienswijze – waarin afgezien van de positie van de privécrediteuren – niet wordt verklaard waarom zaakcrediteuren een recht hebben zich te verhalen op het afgescheiden vermogen. In de literatuur neemt Smits a.w., p. 143 e.v. het standpunt in dat de leer van het afgescheiden vermogen zelfstandig moet worden verklaard en onafhankelijk is van het verschijnsel van de gebondenheid van de vennootschappelijke goederengemeenschap aan het vennootschapsdoel en de hieruit voortvloeiende beschikkingsgebondenheid van de vennoten. Het afgescheiden vermogen moet rechtstreeks worden verklaard vanuit de regels van verhaalsrecht die de omvang bepalen van het verhaal op de goederen van de schuldenaar voor diens verbintenissen. Men kan Smits toegeven dat de vraag naar de gebondenheid van de vennootschappelijke goederengemeenschap en de daaruit in de eerste plaats voor de vennoten voortvloeiende gevolgen, en de vraag naar het bestaan van een afgescheiden vermogen in de hiervoor bedoelde zin, uit elkaar moeten worden gehouden; zijn studie is in dit opzicht zeer verhelderend. De vraagstukken kunnen echter niet volledig van elkaar worden losgekoppeld. Het afgescheiden vermogen en de hieruit voortvloeiende verhaalsmogelijkheden van de zaakcrediteuren op de vennootschappelijke goederengemeenschap zouden weinig effect sorteren indien de privécrediteuren van de vennoten zich eveneens op deze goederengemeenschap zouden kunnen verhalen. En dat dit laatste niet kan, moet, zoals wij hierboven zagen, worden afgeleid uit de beschikkingsgebondenheid van de vennoten zelf. De exclusiviteit van de verhaals mogelijkheid voor zaakcrediteuren op de vennootschappelijke goederengemeenschap kan slechts uit deze beschikkingsgebondenheid worden verklaard. In zoverre is de leer van het afgescheiden vermogen nauw verweven met het vraagstuk van de beschikkingsgebondenheid van de vennoten.
174 Grondslag voor afgescheiden vermogen
Van de andere kant kan vanuit de beschikkingsgebondenheid van de vennoten op zich nog niet worden verklaard waarom aan de zaakcrediteuren de mogelijkheid moet worden geboden zich rechtstreeks op de vennootschappelijke goederengemeenschap te verhalen.
Een van de gronden voor deze laatste mogelijkheid is, zo zou ik menen, gelegen in de omstandigheid dat de gezamenlijke vennoten die zich als zodanig jegens een derde verbinden, en dit zal in de regel het geval zijn bij een openbare vennootschap, zulks doen onder meer met het doel hun kredietwaardigheid te vergroten. Dit doel wordt slechts bereikt indien een derde erop kan afgaan dat degenen die zich gezamenlijk als vennoten jegens hem verbinden, in het bijzonder met de hun gezamenlijk toebehorende vennootschappelijke goederen verhaal bieden voor de door hen aangegane schuld. Het kan ook iets anders worden uitgedrukt. Crediteuren van een openbare vennootschap of van vennoten die zich gezamenlijk als zodanig jegens hen hebben verbonden, mogen verwachten dat de in de vennootschappelijke gemeenschap gebrachte goederen bijzonder hen tot verhaal zullen strekken. En dit is weer van belang met het oog op de in dit verband door Scheltema benadrukte eventuele kredietwaardigheid van de vennootschap c.q. de gezamenlijke vennoten. Vgl. ook de formulering in het bekende, later in nr. 406 nog uitvoeriger te behandelen Hardy-arrest HR 3 februari 1956, NJ 1960/120. Ook indien een gedraging in het maatschappelijk verkeer als onrechtmatige daad van de vennootschap heeft te gelden, moeten degenen die door een dergelijke daad worden geschaad, hun hieruit voortvloeiende aanspraken jegens de gezamenlijke vennoten als zodanig op de vennootschappelijke goederengemeenschap kunnen verhalen, zonder te behoeven concurreren met de privécrediteuren van de vennoten en zulks los van hun eventuele aanspraken jegens een of meer vennoten in privé. Zie hierboven nr. 118 e.v., 144 en 148.
Er is echter nog een ander belangrijk aspect waarop ik wil wijzen. Art. 3:192 BW bepaalt voor de ontbonden maatschap en vennootschap dat tot de gemeenschap behorende schulden, hierna zal ik ook spreken van zaakschulden, op de goederen van de gemeenschap kunnen worden verhaald. Waarom zou deze regel niet gelden voor de niet-ontbonden maatschap en vennootschap? Zie hierboven nr. 149; vgl. ook Raaijmakers, WPNR 1991/5996; Van Mourik 1993/24; Cahen, Pitlo. Het Nederlands Burgerlijk recht, Algemeen deel van het verbintenissenrecht 2002, p. 71. In art. 7.13.1.7 lid 2 ontwerp-NBW is deze regel met een beroep op de redelijkheid ervan voor de niet-ontbonden stille maatschap die in het ontwerp geen rechtspersoonlijkheid heeft, neergelegd.
De bedenkingen van Mohr 1992, p. 96 en 111 tegen dit standpunt zijn gebaseerd op de uitleg van art. 3:176 lid 3 BW. Deze bepaling geldt echter voor de eenvoudige gemeenschappen. Zij spreekt ook niet, zoals art. 3:192 BW, over ‘tot de gemeenschap behorende schulden’. Zie heel uitdrukkelijk: Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 576 en vooral p. 1288. Aan de uitleg van art. 3:176 lid 3 BW kan derhalve geen argument worden ontleend tegen het hierboven aangeduide standpunt dat ook bij de niet-ontbonden maatschap en vennootschap ‘zaakschulden’ op de goederen van de gemeenschap kunnen worden verhaald. Overigens is Mohr, WPNR 1994/6123 en Maandblad NV 72, p. 3, noot 7 in één zin teruggekomen op zijn opvatting. In bedoelde noot schrijft hij dat zijns inziens op grond van art. 3:192 BW en art. 3:193 BW de (openbare) maatschap niet alleen na haar ontbinding maar ook tijdens haar bestaan een afgescheiden vermogen heeft.