Het systeem van sanctionering van fiscale fraude
Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/6.6:6.6 Conclusie
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/6.6
6.6 Conclusie
Documentgegevens:
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270173:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk stond de volgende vraag centraal: Welke sanctioneringsmogelijkheden ten aanzien van fiscale fraude zijn er? Ter beantwoording van deze vraag zijn verschillende reacties van overheidswege behandeld, die kunnen volgen op fiscaal frauduleus gedrag door belastingplichtigen.
Ten behoeve van het overzicht volgt eerst een schema, waarin wordt samengevat welke reacties op normoverschrijdend gedrag in fiscale context in beeld komen, binnen welke handhavingssfeer en met welk(e) doel(en):
Fiscaal strafrechtCommuun strafrecht
Fiscaal punitief bestuursrecht
Vrijheidsbenemend/beperkend
Gevangenisstraf
Fiscale misdrijvenValsheid in geschrifteWitwassen
X
Hechtenis
Fiscale overtredingen
X
Taakstraf
Fiscale misdrijvenFiscale overtredingenValsheid in geschrifteWitwassen
X
Aantasting van het vermogen
Geldboete
Fiscale misdrijvenFiscale overtredingenValsheid in geschrifteWitwassen
VergrijpenVerzuimen
Verbeurdverklaring
Fiscale misdrijvenFiscale overtredingenValsheid in geschrifteWitwassen
X
Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Civiele dwangsom
Uitsluiting aftrek boete
Schadevergoeding aan de fiscus als benadeelde partij
Art. 198 WvSr (onttrekken aan beslag)
X
Naming en shaming
Ontzetting uit rechten
Fiscale misdrijvenValsheid in geschrifteWitwassen
X
Openbaarmaking uitspraak
X
X
Openbaarmaking vergrijpboeten
X
Vergrijpen
Aantekening in de justitiële documentatie
Fiscale misdrijvenValsheid in geschrifteWitwassenNa strafbeschikking
X
Strafbeschikking
Fiscale overtredingen en misdrijven (zowel de fiscale als de strafrechtelijke)Valsheid in geschrifte (alleen de strafrechtelijke)Witwassen (alleen de strafrechtelijke)
X
Tabel 6.3
Ten eerste valt op dat de vrijheidsbenemende en vrijheidsbeperkende sancties enkel van toepassing zijn in de strafrechtelijke handhavingssfeer. Hieruit blijkt dat strafrechtelijke handhaving in ieder geval is voorbehouden aan de meest ernstige gevallen: in die situaties mag een belastingplichtige in zijn vrijheid worden aangetast (strafrecht als ultimum remedium). Waar vermogenssancties in fiscale zaken altijd ‘gewoon’ zijn geweest, is de toepassing van gevangenisstraf de laatste jaren populairder geworden.1
Ten tweede valt op dat een heel rijtje aan reacties van overheidswege bestaat, welke het vermogen van belastingplichtige aantast, in geval een belastingplichtige zijn verplichtingen niet nakomt. De vraag is in hoeverre het noodzakelijk is dat belastingplichtige op zo veel manieren in zijn vermogen kan worden getroffen.
Niet genoemd in het schema – maar wel in de trant van het treffen van het vermogen – is de bevoegdheid van de inspecteur om na te vorderen of na te heffen. Deze bevoegdheid valt onder de noemer van ‘heffing’ en het is niet gebruikelijk deze als ‘sanctie’ te duiden. Er moet eenvoudigweg geheven (en betaald) worden wat er al geheven (en betaald) had moeten zijn. Ook middels de actie van schadevergoeding aan de fiscus wordt beoogd nog niet ontvangen maar wel verschuldigd belastinggeld te innen en ook hier is het niet gebruikelijk van een sanctie te spreken. Deze actie ligt in de invorderingssfeer. Vergelijkbaar ligt de uitsluiting van aftrek van kosten (bijvoorbeeld de kosten voor een dwangsom of een boete) in de heffingssfeer en niet in de sanctiesfeer: deze ‘beperking’ heeft invloed op de heffingsgrondslag. De vermogenssancties die in het grijs zijn aangeduid bleken zich kortom buiten de sfeer van de repressieve handhaving te begeven. Om die reden komen ze in hoofdstuk zeven niet nader aan bod. Uitzonderingen zijn de ontnemingsmaatregel en de civiele dwangsom. Omdat het effect van deze sancties in sommige situaties toch leek te neigen naar vergelding, wordt in hoofdstuk zeven ten aanzien van deze maatregel en dit dwangmiddel bezien of wellicht toch sprake zou kunnen zijn van een straf. In de literatuur wordt zulks met regelmaat betoogd.
Opmerkelijk is voorts dat de verschillende vermogenssancties moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. De overeenkomst is dat ze allemaal het vermogen van de veroordeelde beogen te raken, maar dit doel kan via veel verschillende sancties en sanctioneringsmodaliteiten worden bereikt. Een zeer concreet voorbeeld is (de vraag naar) het nut van het naast elkaar bestaan van de fiscale en de strafrechtelijke strafbeschikking. Fortuin schreef op dit punt:
“De rolverdeling tussen de OvJ en de rijksbelastingdienst maakt een rommelige indruk. Een fundamenteel gebrek aan de snelle afdoening met de strafbeschikking, is dat de strafbaarheid van een feit is gebaseerd op een oordeel van de rijksbelastingdienst, welk oordeel in wezen toch niet meer is dan een partijstandpunt.”
Een ander voorbeeld is (de vraag naar) de meerwaarde van de strafbeschikking in vergelijking met de bestuurlijke boete. De boetebevoegdheid is over het algemeen in professionele handen bij hooggekwalificeerde toezichthouders en boetebesluiten komen volgens Mein doorgaans op zorgvuldige wijze tot stand. Als tegenhanger noemt hij in dit verband expliciet de strafbeschikking.2 Meer algemeen en samengevat: vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de meerwaarde van de afzonderlijke vermogenssancties, wanneer deze in relatie tot andere vermogenssancties worden bezien. In hoeverre is het (nog) logisch en te rechtvaardigen dat er veel op elkaar lijkende mogelijkheden zijn om de fiscaal fraudeur in zijn vermogen te treffen?
Opvallend is ten derde dat de onterende straf (terug van weggeweest; sinds de Middeleeuwen, waarin een fraudeur publiekelijk en letterlijk aan de schandpaal werd genageld) in opkomst is. Sancties die onder de noemer van naming en shaming vallen, passen goed bij onze hedendaagse snelle en op reputatie gerichte maatschappij. Wel is men alom van mening dat de impact van dergelijke sancties zeer groot is, hetgeen tot feitelijke en normatieve terughoudendheid moet leiden.
Tot slot is gebleken dat discussie mogelijk is over een eventuele discrepantie tussen het doel van de sanctie, zoals vastgesteld door de wetgever enerzijds en het daadwerkelijke effect ervan, zoals bijvoorbeeld door de veroordeelde ervaren anderzijds (de al genoemde dwangsom is hier een treffend voorbeeld van). Juridisch gezien is de manier waarop een sanctie wordt ervaren niet relevant. Het betreft immers een subjectieve aangelegenheid die per persoon enorm kan verschillen. Lesmeister, een bekende ex-gedetineerde witteboordencrimineel die met Huisman over zijn ervaringen in detentie schreef, meende:
“Al snel voelde ik dat er een grote kloof was tussen de praktijk zoals ik die had ervaren en de juridische werkelijkheid waarnaar de rechters keken.”
Lesmeister bleek vooral het opsporingsonderzoek als vervelend te ervaren, terwijl hij de detentieperiode ervaarde als een periode van relatieve rust. Desondanks was de detentieperiode wel als leedtoevoegend bedoeld.3
Er is sprake van een betrekkelijk caleidoscopisch geheel van strafsoorten en -maten en andere regels en uitgangspunten die telkens de resultante zijn van een bepaalde historische periode. De vraag rijst of de sancties, in het geval van fiscale fraude wel in voldoende mate op elkaar zijn afgestemd. Leidt het systeem van sanctioneringsmogelijkheden tot voorzienbare bestraffing en zijn alle sanctioneringsmogelijkheden goed op elkaar afgestemd (ook met het oog op het voorkomen van ongeoorloofde samenloop?).