Procestaal: Italiaans.
HvJ EU, 21-12-2023, nr. C-261/22
ECLI:EU:C:2023:1017
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
21-12-2023
- Magistraten
K. Lenaerts, L. Bay Larsen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, E. Regan, F. Biltgen, N. Piçarra, P. G. Xuereb, L. S. Rossi, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer
- Zaaknummer
C-261/22
- Conclusie
T. ćapeta
- Roepnaam
GN (Motif de refus fondé sur l’intérêt supérieur de l’enfant)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:1017, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 21‑12‑2023
ECLI:EU:C:2023:582, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑07‑2023
Uitspraak 21‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Europees aanhoudingsbevel — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Artikel 1, lid 3 — Artikel 15, lid 2 — Procedure van overlevering tussen lidstaten — Gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 7 — Eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven — Artikel 24, leden 2 en 3 — Inaanmerkingneming van het belang van het kind — Recht van elk kind om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden — Moeder met inwonende jonge kinderen
K. Lenaerts, L. Bay Larsen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, E. Regan, F. Biltgen, N. Piçarra, P. G. Xuereb, L. S. Rossi, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer
Partij(en)
In zaak C-261/22,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij beslissing van 19 april 2022, ingekomen bij het Hof op 19 april 2022, in de strafprocedure tegen
GN,
in tegenwoordigheid van:
Procuratore generale presso de Corte d'appello di Bologna,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, K. Jürimäe (rapporteur), C. Lycourgos, E. Regan, F. Biltgen, N. Piçarra, kamerpresidenten, P. G. Xuereb, L. S. Rossi, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele en J. Passer, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: C. Di Bella, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 maart 2023,
gelet op de opmerkingen van:
- —
GN, vertegenwoordigd door R. Ghini, avvocato,
- —
Procuratore generale presso la Corte d'appello di Bologna, vertegenwoordigd door A. Scandellari, sostituto procuratore della Repubblica,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door S. Faraci, avvocato dello Stato,
- —
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, J. M. Hoogveld en P. P. Huurnink als gemachtigden,
- —
de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door K. Pleśniak en A. Stefănuc als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en A. Spina als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 2023,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft, ten eerste, de uitlegging van artikel 1, leden 2 en 3, en de artikelen 3 en 4 van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit 2002/584’), en, ten tweede, de geldigheid van deze bepalingen in het licht van de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging in Italië van een Europees aanhoudingsbevel dat door de Belgische rechterlijke autoriteiten tegen GN is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in België.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
Het Verdrag inzake de Rechten van het Kind is op 20 november 1989 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (United Nations Treaty Series, deel 1577, blz. 3).
4
Artikel 3, lid 1, van dit verdrag bepaalt:
‘Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.’
Unierecht
5
Overweging 6 van kaderbesluit 2002/584 is als volgt verwoord:
‘Het Europees aanhoudingsbevel waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.’
6
Artikel 1 van dit kaderbesluit heeft als opschrift ‘Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel’ en bepaalt:
- ‘1.
Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
- 2.
De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
- 3.
Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast.’
7
In artikel 3 van dit kaderbesluit worden de gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel genoemd en in de artikelen 4 en 4 bis de gronden tot facultatieve weigering ervan.
8
Artikel 7 van dit kaderbesluit heeft als opschrift ‘Inschakeling van de centrale autoriteit’ en bepaalt in lid 1 dat iedere lidstaat één of, indien zijn rechtsorde daarin voorziet, meer centrale autoriteiten kan aanwijzen om de bevoegde rechterlijke autoriteiten bij te staan.
9
Artikel 15 van kaderbesluit 2002/584 heeft als opschrift ‘Beslissing over de overlevering’ en bepaalt:
- ‘1.
De uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist, binnen de termijnen en onder de voorwaarden die in dit kaderbesluit zijn gesteld, over de overlevering van de betrokkene.
- 2.
Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit van oordeel is dat de door de uitvaardigende lidstaat meegedeelde gegevens onvoldoende zijn om haar in staat te stellen een beslissing te nemen over de overlevering, verzoekt zij dringend om aanvullende gegevens, met name in verband met de artikelen 3 tot en met 5 en artikel 8, en kan zij een uiterste datum voor de ontvangst ervan vaststellen, rekening houdend met de noodzaak de in artikel 17 gestelde termijn in acht te nemen.
- 3.
De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan te allen tijde alle aanvullende dienstige inlichtingen aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit toezenden.’
10
Artikel 17 van dit kaderbesluit preciseert de termijnen en de wijze waarop de beslissing over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel moet worden genomen.
11
Artikel 23 van het kaderbesluit (‘Termijn voor overlevering van de persoon’) bepaalt:
- ‘1.
De gezochte persoon wordt zo spoedig mogelijk overgeleverd, op een datum die de betrokken autoriteiten in onderlinge overeenstemming vaststellen.
- 2.
De gezochte persoon wordt overgeleverd niet later dan tien dagen na de definitieve beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.
[…]
- 4.
De overlevering kan bij wijze van uitzondering tijdelijk worden opgeschort om ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat die overlevering het leven of de gezondheid van de gezochte persoon ernstig in gevaar zou brengen. De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vindt plaats zodra deze gronden niet langer bestaan. De uitvoerende rechterlijke autoriteit stelt de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en in onderlinge overeenstemming wordt een nieuwe datum voor overlevering vastgesteld. In dat geval vindt de overlevering plaats binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum.
[…]’
Italiaans recht
12
Artikel 2 van legge n. 69 — Disposizioni per conformare il diritto interno alla decisione quadro 2002/584/GAI del Consiglio, del 13 giugno 2002, relativa al mandato d'arresto europeo e alle procedure di consegna tra Stati membri (wet nr. 69 houdende bepalingen ter aanpassing van het interne recht aan kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten), van 22 april 2005 (GURI nr. 98 van 29 april 2005, blz. 6; hierna: ‘wet nr. 69/2005’), in de versie die voortvloeit uit decreto legislativo n. 10 (wetsbesluit nr. 10) van 2 februari 2021 (GURI nr. 30 van 5 februari 2021; hierna: ‘wetsbesluit nr. 10 van 2021’), dat van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, bepaalt:
‘De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel mag in geen geval leiden tot schending van de grondbeginselen van de constitutionele orde van de staat of van de onvervreemdbare rechten van de persoon die in de Grondwet zijn erkend, van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen die zijn neergelegd in artikel 6 [VEU] of van de grondrechten die gewaarborgd zijn door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [(EVRM)][…].’
13
Artikel 18 van deze wet luidt:
‘De corte di appello [(rechter in tweede aanleg, Italië)] weigert de overlevering in de volgende gevallen:
- a)
indien het in het Europees aanhoudingsbevel ten laste gelegde strafbare feit krachtens de Italiaanse wet teniet is gedaan door amnestie, wanneer de Italiaanse staat ter zake bevoegd is;
- b)
indien blijkt dat de gezochte persoon in Italië voor dezelfde feiten is veroordeeld bij onherroepelijke uitspraak of strafbeschikking, er ten aanzien van hem een beslissing om niet te vervolgen is uitgesproken die niet meer kan worden aangevochten of er in een andere lidstaat van de Europese Unie een definitieve uitspraak is gegeven, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de straf reeds ten uitvoer is gelegd of ten uitvoer wordt gelegd, dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd krachtens het recht van de staat die de sanctie heeft opgelegd;
- c)
indien de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, jonger was dan 14 jaar toen het strafbare feit werd gepleegd.’
14
Artikel 18 van wet nr. 69/2005, in de versie van vóór de inwerkingtreding van wetsbesluit nr. 10 van 2021, bepaalde:
‘De corte di appello weigert de overlevering:
[…]
- p)
indien de persoon om wiens overlevering wordt verzocht een zwangere vrouw is of een moeder met inwonende kinderen van jonger dan drie jaar is, behalve wanneer, in geval van een Europees aanhoudingsbevel dat in de loop van de procedure is uitgevaardigd, de toezichtsvereisten die ten grondslag liggen aan de beperkende maatregel van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit van bijzonder ernstig;
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15
Op 26 juni 2020 hebben de Belgische rechterlijke autoriteiten tegen GN een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van vijf jaar die door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (België) bij verstek is opgelegd voor de tussen 18 september 2016 en 5 augustus 2017 in België gepleegde strafbare feiten mensenhandel en hulp bij illegale immigratie.
16
GN is op 2 september 2021 in Bologna (Italië) aangehouden. Haar inwonende zoon, geboren te Ferrare (Italië) op 10 november 2018, was aanwezig toen zij werd aangehouden. Bovendien was zij zwanger van een tweede kind, dat op 10 mei 2022 is geboren.
17
Tijdens het verhoor op 3 september 2021 heeft GN niet ingestemd met haar overlevering aan de Belgische rechterlijke autoriteiten. Na een terechtzitting op 17 september 2021 heeft de Corte d'appello di Bologna (rechter in tweede aanleg Bologna, Italië), in zijn hoedanigheid van uitvoerende rechterlijke autoriteit, de Belgische rechterlijke autoriteiten verzocht om informatie over, ten eerste, de wijze waarop straffen die aan moeders met inwonende minderjarige kinderen zijn opgelegd ten uitvoer worden gelegd in België, ten tweede, de gevangenisbehandeling waaraan GN zou worden onderworpen in geval van overlevering, ten derde, de maatregelen die zouden worden genomen ten aanzien van haar minderjarige kind en, ten vierde, de mogelijkheid om de procedure die tot een veroordeling bij verstek had geleid opnieuw te voeren.
18
Bij nota van 5 oktober 2021 heeft de procureur des Konings te Antwerpen (België) de Corte d'appello di Bologna meegedeeld dat de antwoorden op de gestelde vragen onder de bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Justitie (België) vielen.
19
Bij arrest van 15 oktober 2021 heeft de Corte d'appello di Bologna geweigerd om GN aan de Belgische rechterlijke autoriteiten over te leveren, en haar onmiddellijke invrijheidstelling gelast. Volgens deze rechter bestond er, bij gebreke van een antwoord van de Belgische rechterlijke autoriteiten op zijn vragen, namelijk geen enkele zekerheid dat de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat een detentieregeling kent die vergelijkbaar is met die van de uitvoerende lidstaat, waarbij het recht van de moeder om niet van de band met haar kinderen te worden beroofd en om voor hen te zorgen wordt beschermd, en ervoor wordt gezorgd dat kinderen de noodzakelijke moederlijke en gezinszorg krijgen, zoals gewaarborgd door zowel de Italiaanse grondwet als artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en artikel 24 van het Handvest.
20
Bij de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), de verwijzende rechter, werd tegen dit arrest hogere voorziening ingesteld door de Procuratore generale presso la Corte di appello di Bologna (procureur-generaal bij de rechter in tweede aanleg Bologna, Italië) en door GN.
21
De verwijzende rechter stelt vast dat de bepaling van wet nr. 69/2005 die in een uitdrukkelijke grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel voorzag in het geval dat de persoon op wie dit bevel betrekking had een zwangere vrouw of de moeder van inwonende kinderen van jonger dan drie jaar was, is ingetrokken bij wetsbesluit nr. 10 van 2021 teneinde de Italiaanse wetgeving in overeenstemming te brengen met kaderbesluit 2002/584, waarin dit geval niet wordt genoemd als een van de gronden tot verplichte of facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.
22
Deze rechter is evenwel van oordeel dat indien de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat niet voorziet in maatregelen ter bescherming van het recht van kinderen om niet van hun moeder te worden gescheiden die vergelijkbaar zijn met die waarin het Italiaanse recht voorziet, de overlevering van de moeder een schending oplevert van de door de Italiaanse grondwet en het EVRM beschermde grondrechten.
23
Daarbij zij aangetekend dat het Europees aanhoudingsbevel volgens die rechter tot een materie behoort die volledig is geharmoniseerd. In die omstandigheden vraagt de verwijzende rechter zich af of kaderbesluit 2002/584 de uitvoerende rechterlijke autoriteit verbiedt om de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel tegen een moeder van jonge kinderen te weigeren wanneer de overlevering niet alleen in strijd zou zijn met haar recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, maar ook met het belang van haar kinderen. Indien dat het geval is, vraagt hij zich af of dit kaderbesluit verenigbaar is met artikel 7 en artikel 24, lid 3, van het Handvest, gelezen in het licht van met name de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake artikel 8 EVRM.
24
In die omstandigheden heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moeten artikel 1, leden 2 en 3, en de artikelen 3 en 4 van [kaderbesluit 2002/584] aldus worden uitgelegd dat zij de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet toestaan de overlevering van een moeder met inwonende minderjarige kinderen te weigeren of in ieder geval uit te stellen?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, zijn artikel 1, leden 2 en 3, en de artikelen 3 en 4 van [kaderbesluit 2002/584] dan verenigbaar met artikel 7 en artikel 24, lid 3, van het [Handvest], mede gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake artikel 8 EVRM en de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, voor zover zij voorschrijven dat de moeder wordt overgeleverd waardoor de banden met haar inwonende minderjarige kinderen worden verbroken zonder rekening te houden met het belang van het kind?’
Procedure bij het Hof
25
De verwijzende rechter heeft verzocht om deze zaak te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
26
Deze rechter heeft aangevoerd dat het hoofdgeding gevolgen heeft voor de grondrechten van een zwangere vrouw en haar inwonende kind van jonge leeftijd en dat de versnelde procedure noodzakelijk is om een einde te maken aan de aanhoudende onzekerheid omtrent het toekomstige gezag over dit kind. De voorgelegde vragen stellen ook kwesties aan de orde die veel bij de rechterlijke instanties van de lidstaten aanhangige zaken gemeen hebben en die dringend moeten worden behandeld.
27
Artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, kan beslissen een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure die afwijkt van de bepalingen van dat Reglement.
28
In dit verband zij eraan herinnerd dat een dergelijke versnelde procedure een procedureel instrument betreft dat bedoeld is om buitengewoon spoedeisende situaties te behandelen (arrest van 21 december 2021, Randstad Italia, C-497/20, EU:C:2021:1037, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29
In casu heeft de president van het Hof op 11 mei 2022, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten het in punt 25 van het onderhavige arrest bedoelde verzoek af te wijzen.
30
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt namelijk dat GN onmiddellijk in vrijheid is gesteld ter uitvoering van het arrest van de Corte d'appello di Bologna van 15 oktober 2021. Bovendien blijkt uit de door de verwijzende rechter aan het Hof verstrekte informatie niet dat er tijdens de behandeling van de onderhavige prejudiciële verwijzing een gevaar bestaat wat het gezag betreft over de kinderen van GN. Eventuele onzekerheid over de gevolgen van de beslissing tot beëindiging van de procedure in het hoofdgeding voor dat gezag, of het feit dat een groot aantal personen of juridische situaties mogelijkerwijs wordt geraakt door de gestelde vragen, is als zodanig geen reden tot buitengewone spoedeisendheid, hoewel dit noodzakelijk is om een versnelde behandeling te rechtvaardigen [zie in die zin arresten van 22 september 2022, Bundesrepublik Deutschland (Bestuurlijke opschorting van het overdrachtsbesluit), C-245/21 en C-248/21, EU:C:2022:709, punt 34, en 9 november 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Begrip ‘ernstige schade’), C-125/22, EU:C:2023:843, punt 30].
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
31
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, leden 2 en 3, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit weigert de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, over te leveren op grond dat deze persoon de moeder is van inwonende jonge kinderen.
32
Gelet op de uiteenzettingen van deze rechter moet de eerste vraag aldus worden opgevat dat zij is gebaseerd op de premisse dat de persoon tegen wie in het hoofdgeding het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, twee jonge inwonende kinderen heeft en dat die kinderen er belang bij hebben regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met hun moeder te blijven onderhouden. In deze context vraagt die rechter zich af of hij de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel kan weigeren op grond van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest, met het argument dat de overlevering van die persoon haar dergelijke betrekkingen en contacten met haar kinderen zou kunnen ontnemen.
33
Vooraf zij eraan herinnerd dat het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en het beginsel van wederzijdse erkenning, dat zelf op het onderling vertrouwen tussen de lidstaten berust, in het Unierecht van wezenlijk belang zijn, aangezien zij de mogelijkheid bieden om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden. Meer bepaald vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen [arresten van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 40, en 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 93].
34
Wanneer de lidstaten het Unierecht ten uitvoer brengen, zijn zij dus gehouden om aan te nemen dat de andere lidstaten de grondrechten eerbiedigen, zodat zij niet kunnen eisen dat een andere lidstaat een hoger nationaal niveau van bescherming van de grondrechten biedt dan door het Unierecht wordt verzekerd, en evenmin kunnen nagaan, behoudens uitzonderlijke gevallen, of die andere lidstaat in een concreet geval daadwerkelijk de door de Europese Unie gewaarborgde grondrechten heeft geëerbiedigd [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 192, en arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 94].
35
In die context beoogt kaderbesluit 2002/584 met de instelling van een vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan [arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36
Het beginsel van wederzijdse erkenning, dat volgens overweging 6 van dat kaderbesluit de hoeksteen vormt van de gerechtelijke samenwerking in strafzaken, komt tot uitdrukking in artikel 1, lid 2, van datzelfde kaderbesluit, waarin de regel is neergelegd dat de lidstaten zich ertoe verbinden om op grond van dit beginsel en overeenkomstig de bepalingen van dat kaderbesluit elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen [arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37
Hieruit volgt ten eerste dat de uitvoerende rechterlijke autoriteiten slechts kunnen weigeren een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen om redenen die voortvloeien uit kaderbesluit 2002/584, zoals uitgelegd door het Hof. Ten tweede is de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel de regel en is de weigering van de tenuitvoerlegging de uitzondering, die strikt moet worden uitgelegd [arrest van 18 april 2023, E.D.L. (Weigeringsgrond op basis van ziekte), C-699/21, EU:C:2023:295, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
38
Dit kaderbesluit bepaalt niet dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan weigeren een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen op de enkele grond dat de persoon tegen wie een dergelijk aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, de moeder is van inwonende jonge kinderen. Gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen dat ten grondslag ligt aan de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, bestaat er namelijk een vermoeden dat de detentieomstandigheden van een moeder van dergelijke kinderen en de organisatie van de zorg voor deze kinderen in de uitvaardigende lidstaat aan een dergelijke situatie zijn aangepast, niet alleen in gevangenissen maar ook in het kader van andere regelingen die het mogelijk maken deze moeder ter beschikking te houden van de rechterlijke autoriteiten van die lidstaat of de kinderen buiten die omgeving te plaatsen.
39
Dit neemt echter niet weg dat uit artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 blijkt dat dit besluit niet tot gevolg kan hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de door het Handvest gewaarborgde grondrechten wordt aangetast.
40
In dit verband zij eraan herinnerd dat, ten eerste, in artikel 7 van het Handvest het recht van eenieder op eerbiediging van zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven is verankerd en, ten tweede, in artikel 24, lid 2, van het Handvest is bepaald dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen.
41
Zoals blijkt uit artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarnaar de toelichtingen bij artikel 24 van het Handvest uitdrukkelijk verwijzen, is lid 2 van dit laatste artikel ook van toepassing op besluiten die — zoals een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen de moeder van jonge kinderen — niet gericht zijn tegen deze kinderen, maar voor hen wel aanzienlijke gevolgen met zich meebrengen [zie in die zin arrest van 11 maart 2021, Belgische Staat (Terugkeer van de ouder van een minderjarige), C-112/20, EU:C:2021:197, punten 36 en 37].
42
De mogelijkheid voor een ouder en zijn kind om samen te zijn vormt een fundamenteel bestanddeel van het gezinsleven (arrest van 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon ‘Pancharevo’, C-490/20, EU:C:2021:1008, punt 61). Artikel 24, lid 3, van het Handvest bepaalt dat ieder kind het recht heeft regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belang indruist. Zoals de Procuratore generale presso de Corte d'appello di Bologna, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie hebben aangevoerd, moet bij de vaststelling van de belangen van het kind rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het individuele geval [zie naar analogie arresten van 26 maart 2019, SM (Onder Algerijnse kafala geplaatst kind), C-129/18, EU:C:2019:248, punt 73; 14 januari 2021, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Terugkeer van een niet-begeleide minderjarige), C-441/19, EU:C:2021:9, punten 46 en 60, en 11 maart 2021, Belgische Staat (Terugkeer van de ouder van een minderjarige), C-112/20, EU:C:2021:197, punt 27].
43
In de eerste plaats staat het aan elke lidstaat om, teneinde te waarborgen dat de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning — die ten grondslag liggen aan de werking van de regeling van het Europees aanhoudingsbevel — ten volle worden toegepast, onder het uiteindelijke toezicht van het Hof toe te zien op de eerbiediging van de eisen die inherent zijn aan de door artikel 7 van het Handvest en artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest gewaarborgde grondrechten, door geen enkele maatregel te nemen die daaraan afbreuk kan doen. Het kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit evenwel zijn toegestaan om er op grond van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 bij wijze van uitzondering van af te zien om aan een Europees aanhoudingsbevel gevolg te geven, wanneer de persoon tegen wie dat aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en/of zijn kinderen, in geval van overlevering van die persoon aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, een reëel gevaar lopen dat deze grondrechten zullen worden aangetast [zie in die zin arresten van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 46, en 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punten 72 en 96].
44
Dienaangaande zij benadrukt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit het in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde risico moet beoordelen aan de hand van het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten (zie in die zin arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 88). Bijgevolg kan wegens het ontbreken van zekerheid bij deze autoriteit over het bestaan, in de uitvaardigende lidstaat, van voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke in de uitvoerende lidstaat bestaan met betrekking tot de detentie van moeders van jonge kinderen en de zorg voor deze kinderen, niet worden vastgesteld dat dit risico als vaststaand wordt beschouwd.
45
Wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit die moet beslissen over de overlevering van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, daarentegen beschikt over gegevens die het bestaan van een dergelijk risico kunnen aantonen wegens hetzij structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de omstandigheden waarin moeders van jonge kinderen worden gedetineerd of waarin er voor die kinderen wordt gezorgd in de uitvaardigende lidstaat, hetzij gebreken met betrekking tot die omstandigheden die meer specifiek een objectief identificeerbare groep personen, zoals kinderen met een handicap, raken, dient die autoriteit concreet en nauwkeurig na te gaan of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokkenen wegens dergelijke omstandigheden dat gevaar zullen lopen.
46
De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet dus in het kader van een tweestappentoets die een analyse op basis van verschillende criteria vereist, beoordelen of er daadwerkelijk gevaar bestaat voor schending van de door artikel 7 en artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest gewaarborgde grondrechten, zodat deze stappen niet met elkaar mogen worden verward en achtereenvolgens moeten worden verricht (zie in die zin arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punten 101, 109 en 110).
47
Daartoe moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit in het kader van de eerste stap bepalen of er sprake is van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die erop kunnen wijzen dat er in de uitvaardigende lidstaat een reëel gevaar van schending van die grondrechten bestaat wegens gebreken als bedoeld in punt 45 van het onderhavige arrest. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren, alsmede uit informatie die is opgenomen in de databank van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) over de strafrechtelijke detentieomstandigheden in de Unie (Criminal Detention Database) (zie in die zin arresten van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 89, en 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 102).
48
In het kader van de tweede stap moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit concreet en nauwkeurig nagaan in hoeverre de gebreken die in de eerste stap van de in het vorige punt van dit arrest bedoelde toets zijn geïdentificeerd, gevolgen kunnen hebben voor de omstandigheden waarin de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, wordt vastgehouden of waarin er voor zijn kinderen wordt gezorgd, en of er, gelet op hun persoonlijke situatie, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat die persoon of zijn kinderen een reëel gevaar lopen dat die grondrechten zullen worden geschonden (zie in die zin arresten van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 94, en 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 106).
49
Daartoe moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit, indien zij van oordeel is dat zij niet over alle noodzakelijke gegevens beschikt om een beslissing over de overlevering van de betrokkene te nemen, overeenkomstig artikel 15, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 de uitvaardigende rechterlijke autoriteit dringend verzoeken om alle aanvullende gegevens te verstrekken die zij noodzakelijk acht met betrekking tot de omstandigheden waaronder deze persoon naar verwachting zal worden gedetineerd en de zorg voor zijn kinderen in die lidstaat zal worden georganiseerd (zie in die zin arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 95).
50
In dit verband moet worden benadrukt dat de informatie die de uitvoerende rechterlijke autoriteit mag opvragen zowel betrekking kan hebben op de eerste als op de tweede stap van de toets die deze autoriteit overeenkomstig punt 46 van het onderhavige arrest moet verrichten. Die autoriteit kan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit echter niet alleen om informatie verzoeken over de tweede fase van die toets wanneer zij van mening is dat niet is aangetoond dat er sprake is van structurele of fundamentele gebreken of gebreken die een objectief identificeerbare groep personen raken waartoe de betrokkene of zijn kinderen zouden behoren, zoals bedoeld in punt 45 van het onderhavige arrest (zie in die zin arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 135).
51
Overeenkomstig artikel 15, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit een uiterste datum stellen voor de ontvangst van de aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit gevraagde aanvullende gegevens. Die termijn dient te zijn aangepast aan het specifieke geval, opdat laatstgenoemde autoriteit voldoende tijd heeft om die gegevens te verzamelen en daartoe, zo nodig, om de bijstand kan verzoeken van de centrale autoriteit of een van de centrale autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, in de zin van artikel 7 van het kaderbesluit. Krachtens artikel 15, lid 2, van dat kaderbesluit dient die termijn evenwel rekening te houden met de noodzaak de in artikel 17 van dat kaderbesluit gestelde termijnen in acht te nemen (arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 97).
52
De uitvaardigende rechterlijke autoriteit is op haar beurt gehouden om de uitvoerende rechterlijke autoriteit de gevraagde aanvullende gegevens te verstrekken, omdat anders het beginsel van loyale samenwerking zou worden geschonden [zie in die zin arresten van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 97, en 25 juli 2018, Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije), C-220/18 PPU, EU:C:2018:589, punt 64].
53
Teneinde met name te verzekeren dat de werking van het Europees aanhoudingsbevel niet wordt verlamd, moet de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU neergelegde verplichting tot loyale samenwerking leidend zijn voor de dialoog tussen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten [arresten van 25 juli 2018, Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije), C-220/18 PPU, EU:C:2018:589, punt 104, en 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 131].
54
Indien de uitvaardigende rechterlijke autoriteit niet op toereikende wijze antwoordt op het verzoek van de uitvoerende rechterlijke autoriteit om aanvullende gegevens, moet deze autoriteit overgaan tot een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt in het kader van elk van de twee in de punten 47 en 48 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte stappen [zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Generalstaatsanwaltschaft Bremen (Detentieomstandigheden in Hongarije), C-220/18 PPU, EU:C:2018:589, punt 114].
55
Alleen wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit in het licht van alle informatie waarover zij beschikt, daaronder begrepen het feit dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit geen waarborgen heeft geboden, van oordeel is dat er in de uitvaardigende lidstaat sprake is van gebreken als bedoeld in punt 45 van het onderhavige arrest en dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat, gelet op hun persoonlijke situatie, de betrokkene en/of haar kinderen een reëel risico lopen dat de door de artikelen 7 en 24, leden 2 en 3, van het Handvest gewaarborgde grondrechten worden geschonden, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit op grond van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 afzien van tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel ten aanzien van deze persoon. Indien dit niet het geval is, moet hij dit laatste overeenkomstig de in artikel 1, lid 2, van dit kaderbesluit neergelegde verplichting ten uitvoer leggen.
56
Ten slotte moet met betrekking tot de door de verwijzende rechter in zijn eerste vraag genoemde mogelijkheid om de overlevering uit te stellen, worden gepreciseerd dat het weliswaar mogelijk is om op grond van artikel 23, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 de overlevering van de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd op te schorten, maar dat dit slechts tijdelijk kan zijn, bij wijze van uitzondering en om ernstige humanitaire redenen. Gelet op de bewoordingen van deze bepaling en op de algemene opzet van artikel 23 van dit kaderbesluit, is een dergelijke opschorting bovendien ondenkbaar voor een langere periode [zie in die zin arrest van 18 april 2023, E. D. L. (Weigeringsgrond op basis van ziekte), C-699/21, EU:C:2023:295, punt 51].
57
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, leden 2 en 3, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit weigert de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, over te leveren op grond dat deze persoon de moeder is van inwonende jonge kinderen, tenzij, ten eerste, die autoriteit beschikt over gegevens waaruit blijkt dat er sprake is van een reëel gevaar van schending van het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde grondrecht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven van die persoon en van het belang van haar kinderen, zoals beschermd door artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest, wegens structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de omstandigheden waarin moeders van jonge kinderen worden gedetineerd en waarin er voor die kinderen wordt gezorgd in de uitvaardigende lidstaat, en, ten tweede, er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokkenen, gelet op hun persoonlijke situatie, dat risico zullen lopen wegens dergelijke omstandigheden.
Tweede vraag
58
Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
59
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 1, leden 2 en 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
het eraan in de weg staat dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit weigert de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, over te leveren op grond dat deze persoon de moeder is van inwonende jonge kinderen, tenzij, ten eerste, die autoriteit beschikt over gegevens waaruit blijkt dat er sprake is van een reëel gevaar van schending van het door artikel 7 van het Handvest van de grondrechten gewaarborgde grondrecht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven van die persoon en van het belang van haar kinderen, zoals beschermd door artikel 24, leden 2 en 3, van dat Handvest, wegens structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de omstandigheden waarin moeders van jonge kinderen worden gedetineerd en waarin er voor die kinderen wordt gezorgd in de uitvaardigende lidstaat, en, ten tweede, er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokkenen, gelet op hun persoonlijke situatie, dat risico zullen lopen wegens dergelijke omstandigheden.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑12‑2023
Conclusie 13‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Europees aanhoudingsbevel — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Overleveringsprocedures tussen lidstaten — Eerbiediging van privé- en gezinsleven — Rechten van het kind — Moeders die samenwonen met minderjarige kinderen — Redenen voor weigering of uitstel van overlevering
T. ćapeta
Partij(en)
Zaak C-261/221.
GN
in tegenwoordigheid van:
Procuratore generale presso la Corte di appello di Bologna
[verzoek van de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Ook moeders komen in de gevangenis terecht.
2.
Een veroordeelde kan inderdaad soms moeder van kleine kinderen zijn. Voor het eerst doet zich voor dit Hof een situatie voor waarin een Europees aanhoudingsbevel (‘EAB’) werd uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf tegen een veroordeelde moeder. Is het belang van het kind relevant voor de tenuitvoerlegging van dit EAB?
3.
De verwijzende rechter, de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), vraagt dus om uitlegging van het EAB-kaderbesluit2.: is het mogelijk om de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren of uit te stellen als de gezochte persoon een moeder is die samenwoont met haar minderjarige kinderen?
II. Feiten, nationale procedure en prejudiciële vragen
4.
Op 26 juni 2020 heeft een Belgische gerechtelijke autoriteit tegen GN een EAB uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een gevangenisstraf van vijf jaar voor de misdrijven mensenhandel en hulp bij illegale immigratie. GN is bij verstek veroordeeld en is overeenkomstig de Belgische wet naar behoren in kennis gesteld van de procedure.
5.
GN is op 2 september 2021 in Bologna (Italië) aangehouden. Op het moment van de aanhouding werd haar minderjarige zoon, die tot dan toe bij haar was, onder de hoede van de sociale dienst geplaatst. Aangezien GN niet instemde met haar overlevering werd zij in voorlopige hechtenis genomen, wat later werd vervangen door huisarrest, waarna zij met haar zoon is herenigd.
6.
Tijdens de terechtzitting van 17 september 2021 heeft de Corte d'appello di Bologna (rechter in tweede aanleg Bologna, Italië) op grond van artikel 15, lid 2, van het EAB-kaderbesluit een verzoek om informatie ingediend bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit en gevraagd naar de procedures voor de tenuitvoerlegging van een straf in België voor moeders met minderjarige kinderen, de gevangenisbehandeling waaraan GN zou worden onderworpen, de maatregelen die zouden worden genomen met betrekking tot haar zoon en de mogelijkheid van een nieuw proces, aangezien het proces dat had geleid tot de veroordeling van GN bij verstek was gevoerd. Het parket van de procureur des Konings te Antwerpen antwoordde dat de gestelde vragen konden worden beantwoord door de Federale Overheidsdienst Justitie in België. Na dit antwoord is er geen verdere communicatie geweest tussen de twee gerechtelijke autoriteiten.
7.
Bij uitspraak van 15 oktober 2021 heeft de Corte d'appello di Bologna de overlevering van GN aan de uitvaardigende gerechtelijke autoriteit geweigerd, aangezien zij moeder is van een kind dat jonger dan drie jaar oud is en dat op het moment van haar aanhouding alleen met haar samenwoonde, en heeft die rechterlijke instantie haar onmiddellijke invrijheidstelling gelast. Volgens deze rechterlijke instantie bestond er, bij gebreke van een antwoord van de uitvaardigende rechterlijke instantie, geen zekerheid dat het Belgische recht een gezagsregeling kende die vergelijkbaar was met die in Italië, die het recht van de moeder beschermt dat haar de band met haar kinderen niet wordt ontnomen en dat ervoor wordt gezorgd dat de kinderen de nodige bijstand van moeder en gezin krijgen, zoals gewaarborgd door de Italiaanse grondwet, artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind3. en artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
8.
Tegen bovengenoemde uitspraak hebben de Procuratore generale presso la Corte di appello di Bologna (procureur-generaal bij de rechter in tweede aanleg Bologna, Italië) en GN afzonderlijk hogere voorzieningen ingesteld. De Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), die deze hogere voorzieningen behandelt, heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende prejudiciële vragen:
- ‘1)
Moeten artikel 1, leden 2 en 3, en de artikelen 3 en 4 van [het EAB-kaderbesluit] aldus worden uitgelegd dat zij de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet toestaan de overlevering van een moeder met inwonende minderjarige kinderen te weigeren of in ieder geval uit te stellen?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, zijn artikel 1, leden 2 en 3, en de artikelen 3 en 4 van [het EAB-kaderbesluit] dan verenigbaar met artikel 7 en artikel 24, lid 3, van het [Handvest], mede gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake artikel 8 [van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)] en de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, voor zover zij voorschrijven dat de moeder wordt overgeleverd waardoor de banden met haar inwonende minderjarige kinderen worden verbroken zonder rekening te houden met het belang van het kind?’
9.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door GN, de Procuratore generale presso la Corte di appello di Bologna, de Hongaarse, de Nederlandse en de Italiaanse regering, alsmede de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie. Ter terechtzitting van 28 maart 2023 hebben GN, de Nederlandse en de Italiaanse regering, de Raad alsmede de Europese Commissie pleidooi gehouden.
III. Analyse
10.
Teneinde het Hof een nuttig antwoord te geven, stel ik voor om de door de verwijzende rechter gestelde vragen te herformuleren. Deze rechter wenst in de eerste plaats te vernemen of hij de tenuitvoerlegging van een EAB mag weigeren indien hij door een dergelijke overlevering de grondrechten van de moeder, om wier overlevering wordt verzocht, alsmede de grondrechten van de minderjarige kinderen die bij haar wonen, dreigt te schenden. Subsidiair vraagt de verwijzende rechter of hij die overlevering kan uitstellen. Het gaat hier om het recht op gezinsleven, dat wordt gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest, en het belang van het kind, dat wordt gewaarborgd door artikel 24 van het Handvest.
11.
Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het EAB-kaderbesluit verenigbaar is met de twee betrokken grondrechten, indien het aldus zou worden uitgelegd dat het in de omstandigheden van het hoofdgeding belet dat de tenuitvoerlegging van een EAB wordt geweigerd of uitgesteld. Deze vraag wordt dus alleen relevant indien het Hof ontkent dat de tenuitvoerlegging van het EAB kan worden geweigerd. Gelet op het antwoord op de eerste vraag dat ik het Hof in overweging zal geven, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
12.
Het door de verwijzende rechter opgeworpen probleem is zowel klassiek als nieuw. Het is klassiek omdat het de zoveelste in de rij van prejudiciële verwijzingen is waarin wordt gevraagd of het risico op schending van een grondrecht een reden kan zijn om de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren buiten de uitdrukkelijk genoemde verplichte of facultatieve gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging in de artikelen 3, 4 en 4 bis van het EAB-kaderbesluit.4.
13.
Het is echter ook geheel nieuw, omdat voor het eerst niet-tenuitvoerlegging zou kunnen worden gebaseerd op de mogelijke schending van grondrechten, niet (alleen) van de gezochte persoon, maar (ook) van een derde persoon: het minderjarige kind van de moeder van wie de overlevering wordt gevraagd.
14.
Naar mijn mening moeten deze twee kwesties worden onderscheiden. Daarom zal ik eerst ingaan op de omstandigheden waaronder het recht van de moeder op een gezinsleven, zoals gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest, kan rechtvaardigen dat wordt geweigerd om haar over te leveren. Het antwoord op die vraag kan worden gegeven op basis van de reeds goed ontwikkelde rechtspraak waarin artikel 1, lid 3, van het EAB-kaderbesluit is uitgelegd. Vervolgens zal ik de gevolgen analyseren die voor de uitvoerende autoriteit voortvloeien uit de verplichting om te handelen in het belang van het kind, zoals vereist is op grond van artikel 24 van het Handvest. Ik zal betogen dat de rechten van het kind de weigering van overlevering kunnen rechtvaardigen. Ten slotte zal ik afzonderlijk ingaan op de mogelijkheid om de overlevering uit te stellen.
A. Risico van schending van het recht op gezinsleven van de moeder en de ‘tweestappentoets’
15.
Pas in het arrest Aranyosi en Căldăraru uit2016 heeft het Hof de mogelijkheid erkend om de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren om een reden die niet uitdrukkelijk is opgenomen in het EAB-kaderbesluit zelf.5.
16.
In die zaak heeft het Hof geoordeeld dat een ernstig risico op schending van het verbod op onmenselijke en vernederende behandelingen, een absoluut grondrecht dat wordt gewaarborgd door artikel 4 van het Handvest, een reden kan zijn om overlevering te weigeren. Het Hof heeft zich op artikel 1, lid 3, van het EAB-kaderbesluit gebaseerd en geoordeeld dat de weigering afhankelijk is van de voorwaarde dat de uitvoerende autoriteit bevestigt, ten eerste, dat er in de uitvaardigende lidstaat sprake is van structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de eerbiediging van artikel 4 van het Handvest en, ten tweede, dat het recht van de betrokken persoon dreigt te worden geschonden.6.
17.
Dat is de zogenoemde ‘tweestappentoets’.7. In de verschillende arresten die daarop volgden, waarin het Hof meestal werd gevraagd de reikwijdte van het onderzoek van de uitvoerende rechterlijke autoriteit bij de toepassing van die toets toe te lichten, heeft het Hof zijn in het arrest Aranyosi en Căldăraru ingenomen standpunt bevestigd.8.
18.
In een andere reeks zaken, die op dezelfde argumentatie berustten als die in het arrest Aranyosi en Căldăraru, heeft het Hof geoordeeld dat de weigering van overlevering onder de voorwaarden van de ‘tweestappentoets’ ook gerechtvaardigd is wanneer het gaat om mogelijke schending van het recht op een eerlijk proces van de gezochte persoon, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest. Dat werd beslist in het arrest LM9., en is bevestigd in een aantal latere zaken10..
19.
In al die gevallen was het aan de orde zijnde grondrecht steeds het grondrecht van de gezochte persoon. In het onderhavige geval zou een soortgelijke vraag rijzen als in de in de vorige punten genoemde zaken, indien het Hof wordt gevraagd of GN zich op haar recht op gezinsleven, zoals verankerd in artikel 7 van het Handvest, zou kunnen beroepen om zich tegen overlevering te verzetten.
20.
De mogelijkheid om af te wijken van de verplichting om een EAB ten uitvoer te leggen is tot dusver alleen bevestigd met betrekking tot twee grondrechten, namelijk die welke worden gewaarborgd door de artikelen 4 en 47 van het Handvest.11. Ik zie echter geen enkele principiële reden waarom hetzelfde niet zou gelden indien het vermoeden zou ontstaan van het bestaan van structurele of fundamentele gebreken in de bescherming van een ander grondrecht12., zoals, in het onderhavige geval, het recht op gezinsleven.
21.
Het uitgangspunt voor dit onderzoek is dat het opleggen van een gevangenisstraf, zoals de Commissie tijdens de hoorzitting terecht opmerkte, noodzakelijkerwijs ingrijpt in het recht van GN op een gezinsleven. Die beperking wordt echter in beginsel noodzakelijk geacht voor de bescherming van een ander maatschappelijk belang, namelijk het voorkomen van straffeloosheid van daders van misdrijven.13. Niettemin moeten de lidstaten bij het gebruik van hun dwangmiddelen ten aanzien van personen het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen. Daarom zijn zij verplicht om het recht op gezinsleven van moeders in de gevangenis zo min mogelijk te beperken. Zij hebben echter wel beoordelingsvrijheid bij het kiezen van de manier waarop zij dat recht zullen inperken.14.
22.
Daarom ben ik van mening dat GN haar recht op gezinsleven alleen kan aanvoeren als rechtvaardiging voor de weigering om het EAB ten uitvoer te leggen als de uitvoerende autoriteit redenen heeft om te vermoeden dat de uitvaardigende staat haar recht op gezinsleven niet zal eerbiedigen.
23.
Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, berust het EAB-mechanisme op de veronderstelling dat de lidstaten de grondrechten eerbiedigen.15.
24.
Het uitgangspunt, in overeenstemming met artikel 1, lid 3, van het EAB-kaderbesluit, is dus dat de uitvaardigende lidstaat binnen zijn rechtsstelsel en zijn praktijk maatregelen heeft genomen die het recht van de gedetineerde om zijn familiebanden te onderhouden niet onevenredig beperken. Dit vermoeden kan alleen ter discussie worden gesteld als de uitvoerende autoriteit op de hoogte is16. van structurele of fundamentele gebreken bij de waarborging van het recht op gezinsleven van personen die in de uitvaardigende lidstaat gedetineerd zijn.
25.
Cruciaal is dat die conclusie niet kan worden gebaseerd op de wetenschap dat de uitvaardigende lidstaat op het gebied van de bescherming van het gezinsleven van gedetineerden een andere wetgevingskeuze heeft gemaakt dan de uitvoerende lidstaat.
26.
Zonder uitzondering was in alle zaken waarin artikel 1, lid 3, van het EAB-kaderbesluit zodanig werd uitgelegd dat overlevering kon worden geweigerd, de aanleiding voor de ‘tweestappentoets’ de kennis van de uitvoerende autoriteit van mogelijke structurele of fundamentele gebreken in de bescherming van het betrokken grondrecht in de uitvaardigende lidstaat. Alleen in een dergelijk scenario mocht de uitvoerende autoriteit afwijken van het beginsel van wederzijds vertrouwen en de bescherming van de grondrechten in de uitvaardigende lidstaat ter discussie stellen via de toepassing van de ‘tweestappentoets’.
27.
In casu is er geen enkele reden om de ‘tweestappentoets’ toe te passen. De noodzakelijke aanleiding — het vermoeden dat België stelselmatig het recht op gezinsleven van moeders die een gevangenisstraf uitzitten schendt — is niet aanwezig.
28.
In dergelijke omstandigheden kan de uitvoerende autoriteit de tenuitvoerlegging van het EAB niet weigeren op grond van een mogelijke inbreuk op het recht op gezinsleven van GN.
29.
Men kan zich wel nog steeds terecht afvragen of de rechten van GN uiteindelijk niet te zeer worden ingeperkt (bijvoorbeeld in een hypothetisch scenario waarin de regels van de gevangenis waar zij haar straf uitzit slechts één keer per week familiebezoek toestaan). Het is natuurlijk onmogelijk om een individuele inbreuk in een bepaalde situatie uit te sluiten.
30.
Het systeem van wederzijdse erkenning waarop het EAB en andere soortgelijke instrumenten van het Unierecht17. zijn gebaseerd, berust echter niet op de (onwaarschijnlijke) verwachting dat grondrechten nooit worden geschonden. Het is veeleer gebaseerd op de veronderstelling dat een individuele schending van grondrechten zal worden aangepakt. Dat is echter de verantwoordelijkheid van de uitvaardigende lidstaat.18. Individuele gevallen van schending van grondrechten moeten worden opgelost door de uitvaardigende lidstaat, en niet door de uitvoerende lidstaat, onder meer door toegang tot de rechter te waarborgen.19.
31.
Ook al kunnen individuele schendingen niet worden uitgesloten, het zou voor de uitvoerende autoriteit bovendien onmogelijk zijn om dergelijke schendingen te voorspellen, tenzij er een aanwijzing is dat zij systematisch voorkomen in de uitvaardigende lidstaat.
32.
In casu ben ik, bij het ontbreken van aanwijzingen over het bestaan van structurele of fundamentele gebreken in de waarborgen voor het gezinsleven van gedetineerden in België, van mening dat de uitvoerende autoriteit een overlevering niet op deze grond kan weigeren.20.
33.
Anders zou het beginsel van wederzijds vertrouwen, waarop de wederzijdse erkenning is gebaseerd, inhoudsloos worden.
B. Belang van het kind
34.
De andere persoon of personen (aangezien is gemeld dat GN na de uitvaardiging van het EAB is bevallen van een tweede kind) van wie de grondrechten in de onderhavige zaak in het geding zijn, zijn de kinderen van GN.
35.
De kinderen van GN hebben ook recht op een gezinsleven. Bovendien moet het recht van kinderen op een gezinsleven altijd worden geïnterpreteerd in het licht van een andere bepaling van het Handvest, meer bepaald artikel 24 ervan.21.
36.
Artikel 24 van het Handvest beschermt de rechten van het kind. Lid 2 daarvan is voor deze zaak van bijzonder belang. Het luidt als volgt ‘Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging’. Bovendien bepaalt lid 3: ‘Ieder kind heeft het recht, regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.’22.
37.
De mogelijke schending van de grondrechten van GN's kinderen houdt slechts indirect verband met het EAB: zij zijn potentiële bijkomende slachtoffers van de tenuitvoerlegging van het EAB op grond waarvan hun moeder zal worden overgeleverd.
38.
Artikel 24 van het Handvest is echter van toepassing op alle activiteiten die voortvloeien uit de toepassing van het Unierecht, zelfs wanneer zij niet rechtstreeks betrekking hebben op het kind, maar aanzienlijke gevolgen voor dat kind hebben.23.
39.
Daarom kan de beslissing om al dan niet een EAB ten uitvoer te leggen worden beïnvloed door het streven om het belang van het kind te beschermen.
40.
Niettemin, aangezien kinderen slechts indirect betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van het EAB24., is de kwestie van de bescherming van hun rechten van een andere orde dan die welke centraal stond in eerdere zaken waarin artikel 1, lid 3, van het EAB-kaderbesluit aan de orde was.
41.
Een mogelijke niet-tenuitvoerlegging van een EAB ter bescherming van het belang van het kind is geen kwestie van wederzijds vertrouwen. Het belang van het kind vereist aandacht, zelfs wanneer de uitvaardigende lidstaat een hoog niveau van bescherming biedt aan kinderen van wie de moeder in de gevangenis zit.
42.
De bescherming van dat belang vereist inherent een andere beoordeling: het uitgangspunt van elke analyse is de concrete situatie van het kind in kwestie, in plaats van de omstandigheden in de uitvaardigende lidstaat. De vraag hoe de uitvaardigende lidstaat gevangenen met kleine kinderen behandelt, speelt een rol in de beslissing van de uitvoerende autoriteit, niet vanwege het wantrouwen ten aanzien van de uitvaardigende lidstaat, maar eerder als een factor bij de beoordeling wat de beste beslissing voor een specifiek kind is.
43.
In dat opzicht is de ‘tweestappentoets’, als hoeder van het beginsel van wederzijds vertrouwen, irrelevant voor het beantwoorden van de vraag of de tenuitvoerlegging van een EAB kan worden geweigerd om het belang van het kind te beschermen.25.
44.
Alvorens in te gaan op de vraag of het belang van het kind kan rechtvaardigen dat overlevering wordt geweigerd en welke stappen de uitvoerende en uitvaardigende autoriteiten in dat verband moeten nemen, zal ik eerst kort stilstaan bij de wijze waarop dat grondrecht in de rechtspraak van het Hof is behandeld.
1. Belang van het kind in de rechtspraak van het Hof
45.
Het belang van het kind is in de literatuur beschreven als ‘één van de meest amorfe en minst begrepen juridische concepten’.26. In dezelfde geest hebben andere rechtsgeleerden getracht uit te zoeken wat de precieze aard is van de verplichtingen op grond van artikel 24 van het Handvest27. en de noodzaak benadrukt om nader te specificeren hoe het in het Unierecht moet worden gebruikt.28. Wat weten we over het belang van het kind op basis van de rechtspraak van het Hof?
46.
Het arrest van het Hof Piotrowskiis de enige zaak die specifiek betrekking had op het EAB-systeem.29. Die zaak ging over de mogelijkheid om een EAB ten uitvoer te leggen wanneer de gezochte persoon minderjarig was. Het Hof benadrukte dat richtlijn 2016/80030. is vastgesteld om de rechten van het kind in dergelijke situaties te beschermen. Die richtlijn bevat minimumvoorschriften die specifiek betrekking hebben op de procedurele rechten van kinderen tegen wie een EAB is uitgevaardigd.31. Er is immers geen automatische weigering om een EAB ten uitvoer te leggen wanneer de gezochte persoon een minderjarige is, tenzij die minderjarige jonger is dan de leeftijd waarop hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld.32.
47.
Naar mijn mening is die beslissing echter van weinig nut in situaties als de onderhavige, waarin het kind wiens rechten in het geding zijn, niet zelf de gezochte persoon is.
48.
Niettemin klinkt in dat arrest de nadruk door die het Hof legt op de noodzaak om de situatie van het specifieke kind concreet te beoordelen. Hetzelfde is benadrukt op andere gebieden van het Unierecht. In de context van de terugkeer van een niet-begeleide minderjarige op asielgebied heeft het Hof bijvoorbeeld geoordeeld dat ‘alleen een algemene en grondige beoordeling van de situatie van de niet-begeleide minderjarige het mogelijk [maakt] te bepalen wat het ‘belang van het kind’ is’.33.
49.
Verder heeft het Hof in de context van een jegens de vader van een minderjarige dochter vastgesteld terugkeerbesluit zeer specifieke omstandigheden opgesomd waarmee rekening moet worden gehouden bij het nemen van het terugkeerbesluit. Dit zijn onder andere de leeftijd van het kind, de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van het kind, de mate van zijn affectieve relatie met zijn beide ouders en het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van de ouder zou worden gescheiden.34.
50.
Het Hof heeft ook geoordeeld, in de context van gezinshereniging van derdelanders, dat bij elke beoordeling van een individuele beslissing die gevolgen kan hebben voor een kind, er rekening mee moet worden gehouden dat het kind regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn beide ouders moet kunnen onderhouden.35. De autoriteit die een beslissing neemt die gevolgen heeft voor een kind, moet ook rekening houden met de hechtheid van de affectieve band die het kind heeft ontwikkeld met zijn voogden en de mate waarin het kind afhankelijk is van zijn voogden, voor zover zij de ouderlijke verantwoordelijkheid en de juridische en financiële aansprakelijkheid voor het kind in kwestie op zich nemen.36.
51.
Een andere belangrijke overweging is de vraag of de ouder in staat is om de volledige verantwoordelijkheid voor de zorg voor het kind op zich te nemen37. en hoe afhankelijk het kind is van de ouder.38.
52.
Wat deze uitspraken gemeen hebben is dat, bij de beoordeling van het belang van het kind, het bepalen van zijn situatie altijd de eerste stap is in elke besluitvorming. En dat wat moet worden bepaald, is de concrete situatie van het kind.39.
53.
Dit zegt iets over het vereiste van artikel 24, lid 2, van het Handvest, volgens hetwelk de belangen van het kind een essentiële overweging vormen: wanneer er kinderen bij betrokken zijn, moet hun belang als eerste worden beoordeeld en altijd met inachtneming van de concrete situatie van het kind.40.
54.
Pas nadat een dergelijke beoordeling is verricht heeft de bevoegde autoriteit voldoende informatie om de relevante beslissing te nemen — te weten, in het onderhavige geval, of een EAB ten uitvoer moet worden gelegd.
55.
Betekent het belang van het kind als essentiële overweging ook dat elke beslissing van een overheidsinstantie die daarmee in strijd is, zonder meer verboden is? Of is op grond van het belang van het kind vereist dat dit belang wordt afgewogen tegen andere publieke belangen die in een bepaald geval op het spel staan?41.
56.
Zoals ik in de volgende afdeling zal aantonen, ben ik van mening dat het belang van het kind niet a priori een absolute belemmering is voor de tenuitvoerlegging van een EAB. Toch is het een vrij hoge drempel: zoals ik zal suggereren, is het een te hoge drempel voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit die in dit geval over het EAB beslist.
2. Waarmee moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit rekening houden wanneer zij beslist over het belang van het kind?
57.
Om te beginnen is artikel 1, lid 3, van het EAB-kaderbesluit niet alleen van toepassing op gezochte personen, maar ook op alle andere personen die mogelijk worden getroffen door een EAB.42. Niets wijst erop dat die bepaling alleen gezochte personen beschermt tegen een schending van hun grondrechten. Bovendien, zelfs als artikel 1, lid 3, niet zou bestaan in het EAB-kaderbesluit, zodra het Unierecht van toepassing is, gelden ook de grondrechten zoals verankerd in het Handvest.43.
58.
Er bestaat dus ongetwijfeld een verplichting voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit om een beslissing te nemen die de belangen van GN's kinderen beschermt.
59.
De eerste stap in elke zaak die betrekking heeft op de rechten van het kind, moet een concrete en gedetailleerde beoordeling zijn van de individuele situatie van het betrokken kind.44. De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet bij die beoordeling alle relevante informatie in aanmerking nemen.
60.
Voor de werking van het EAB is cruciaal dat het vergaren van die informatie45. de communicatie met de uitvaardigende rechterlijke autoriteit als bedoeld in artikel 15, lid 2, van het EAB-kaderbesluit omvat.46.
61.
In het onderhavige geval heeft de uitvoerende rechterlijke autoriteit inderdaad bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een verzoek om aanvullende informatie ingediend krachtens artikel 15, lid 2, van het EAB-kaderbesluit. Zij heeft gevraagd naar de gevangenisomstandigheden in België voor moeders met kleine kinderen. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit heeft deze vraag niet beantwoord, maar heeft de uitvoerende rechterlijke autoriteit verwezen naar de Belgische Federale Overheidsdienst Justitie, die verantwoordelijk is voor deze aangelegenheden. De uitvoerende rechterlijke autoriteit heeft geen vervolgvragen gesteld.
62.
Is dit een voldoende gebruik van het communicatiemechanisme uit artikel 15, lid 2, van het EAB-kaderbesluit?
63.
Zeker niet.
64.
Het Hof heeft herhaaldelijk gewezen op het belang van het communicatiemechanisme tussen de twee justitiële autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van het EAB. Het heeft vastgesteld dat het een uitdrukking is van de plicht tot loyale samenwerking, op grond waarvan ‘de lidstaten elkaar [respecteren en steunen] bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien’47..
65.
Dit heeft het Hof tot de conclusie gebracht dat de twee gerechtelijke autoriteiten ten volle gebruik moeten maken van de instrumenten waarin het EAB-kaderbesluit voorziet48., zoals het communicatiemechanisme van artikel 15, lid 2, van het EAB-kaderbesluit.
66.
In casu betekent dit dat de betrokken gerechtelijke autoriteiten gebruik moeten maken van artikel 15, lid 2, van het EAB-kaderbesluit, opdat de uitvoerende rechterlijke autoriteit voldoende wordt ingelicht over de situatie die GN en haar kinderen in België te wachten zou staan.
67.
Tijdens een dergelijk communicatieproces is het denkbaar dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit informatie verstrekt over de omstandigheden in de gevangenis voor moeders met kleine kinderen, of de alternatieven die er zijn. Het is echter ook mogelijk dat zij weigert om GN's kinderen te ontvangen. Opties zijn eindeloos. Al deze informatie is van belang om te bepalen of de tenuitvoerlegging van een EAB ten aanzien van GN in het belang van haar kinderen is.
68.
De belangrijke vraag vanuit het perspectief van de uitvoerende rechterlijke autoriteit, vooral in een zaak als de onderhavige, is wat het gevolg is als de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een verzoek om informatie negeert. Moet dat ertoe leiden dat het EAB automatisch niet ten uitvoer wordt gelegd?
69.
De Commissie heeft tijdens de hoorzitting aangevoerd dat dit inderdaad de consequentie zou moeten zijn als er niet binnen een redelijke termijn wordt gereageerd.49.
70.
Ik ben het er niet mee eens dat het EAB-kaderbesluit automatisch tot gevolg heeft dat de tenuitvoerlegging wordt geweigerd wanneer de uitvaardigende rechterlijke autoriteit niet reageert.
71.
Toch krijgt het belang van het kind als essentiële overweging hier concreet gestalte. Als de uitvoerende autoriteit niet voldoende informatie ontvangt om er absoluut zeker van te zijn dat de tenuitvoerlegging van het EAB niet in strijd is met het belang van het kind, moet zij de overlevering weigeren.
72.
In een dergelijk scenario zou het belang van het kind inderdaad een te hoge drempel vormen voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit.
3. In het EAB-kaderbesluit opgenomen instrumenten ter voorkoming van straffeloosheid
73.
Een groot deel van de rechtspraak waarin de betekenis en de gevolgen van het belang van het kind zijn verduidelijkt, is ontwikkeld op het gebied van asiel en migratie. Hoewel het nuttig is om de criteria te bepalen die betrekking hebben op het belang van het kind, doet het gevaar van straffeloosheid zich niet voor in dat rechtsgebied.
74.
De onderhavige zaak biedt het Hof dus de gelegenheid om de doelstelling om het belang van het kind te waarborgen, wat een essentiële overweging dient te zijn, en de doelstelling om straffeloosheid te voorkomen, een van de hoofddoelstellingen van het EAB-systeem, op elkaar af te stemmen.50.
75.
De deelnemers in deze zaak hebben in hun schriftelijke opmerkingen en tijdens de hoorzitting andere mogelijkheden om met het belang van het kind om te gaan besproken. Het doel van deze discussies was om een alternatief te vinden voor de weigering om het EAB ten uitvoer te leggen (en daarmee de straffeloosheid van GN te voorkomen), en tegelijkertijd te waarborgen dat het belang van het kind wordt beschermd.
76.
Hoewel de invoering van een nieuwe oplossing een zaak is voor de Uniewetgever en niet voor het Hof, ben ik van mening dat het EAB-kaderbesluit voorziet in een aantal instrumenten die nuttig zijn voor het omgaan met situaties zoals de onderhavige. Naar mijn mening kunnen zij het gevaar van straffeloosheid bij de bescherming van het belang van het kind verminderen. Tot deze bepalingen behoort met name artikel 23, lid 4, van het EAB-kaderbesluit alsmede artikel 4, punt 6, en artikel 5, punt 3, ervan.
a) Uitstel van overlevering: Artikel 23, lid 4, van het EAB-kaderbesluit
77.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter niet alleen te vernemen of de tenuitvoerlegging van het EAB kan worden geweigerd, maar ook of deze, als alternatief daarvoor, kan worden uitgesteld.
78.
De deelnemers aan de procedure bij het Hof hebben de mogelijkheid besproken om artikel 23, lid 4, van het EAB-kaderbesluit op deze zaak toe te passen. Deze bepaling luidt als volgt: ‘De overlevering kan bij wijze van uitzondering tijdelijk worden opgeschort om ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat die overlevering het leven of de gezondheid van de gezochte persoon ernstig in gevaar zou brengen. De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vindt plaats zodra deze gronden niet langer bestaan. De uitvoerende rechterlijke autoriteit stelt de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en in onderlinge overeenstemming wordt een nieuwe datum voor overlevering vastgesteld. In dat geval vindt de overlevering plaats binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum.’
79.
De Procuratore generale presso la Corte di appello di Bologna is van mening, en dit is ook door de Italiaanse regering tijdens de hoorzitting betoogd, dat de tenuitvoerlegging in ieder geval niet mag worden geweigerd, maar eenvoudigweg moet worden uitgesteld op grond van artikel 23, lid 4, van het EAB-kaderbesluit, totdat het kind een hoger niveau van rijpheid heeft bereikt. De Raad suggereerde dat het ernstige risico voor het kind in sommige gevallen zou kunnen worden uitgelegd als een ernstige humanitaire reden die de toepassing van artikel 23, lid 4, van het EAB-kaderbesluit zou rechtvaardigen.
80.
Tijdens de hoorzitting was de Commissie het hier niet mee eens en voegde eraan toe dat deze bepaling alleen kan worden gebruikt wanneer het besluit over de tenuitvoerlegging daadwerkelijk is genomen.
81.
Afgezien van het feit dat artikel 23, lid 4, van het EAB-kaderbesluit specifiek verwijst naar de gezochte persoon, is het naar mijn mening niet mogelijk om het te gebruiken in een geval als het onderhavige. De tekst zelf noemt ernstige humanitaire redenen en geeft het voorbeeld van een ernstig gevaar voor de gezondheid van de gezochte persoon (niet van een derde).
82.
In het arrest E.D.L. heeft het Hof geoordeeld dat artikel 23, lid 4, van het EAB-kaderbesluit kan worden gebruikt wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit zwaarwegende en op feiten gebaseerde gronden heeft om aan te nemen dat de ‘overlevering van de gezochte persoon, die ernstig ziek is, hem zou blootstellen aan een reëel risico van een aanzienlijke vermindering van zijn levensverwachting of een snelle, significante en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand’.51.
83.
Naar mijn mening is deze benadering inderdaad geschikt om te worden toegepast op de gezochte persoon: hoewel er geen reden zou zijn om de tenuitvoerlegging van het EAB te weigeren, is uitstel noodzakelijk vanwege de toestand van de gezochte persoon.
84.
In het scenario van de onderhavige zaak is het belang van het kind een noodzakelijke overweging voor de andere persoon dan de gezochte persoon zelf — dat wil zeggen haar kinderen. Als het gevaar bestaat dat de overbrenging van hun moeder een ernstig gevaar voor de kinderen zou vormen (bijvoorbeeld voor hun gezondheid of emotionele ontwikkeling), had dat naar mijn mening al een belangrijke overweging moeten zijn voordat over de overlevering werd beslist.
85.
Zelfs als er verder wordt gekeken dan de tekst van artikel 23, lid 4, van het EAB-kaderbesluit en wordt aangenomen dat het mogelijk zou kunnen zijn om die bepaling toe te passen op de kinderen van de gezochte persoon, zou het feit dat wordt gewacht tot het kind een rijpere leeftijd heeft bereikt, zoals de Italiaanse regering voorstelde, niet voldoen aan de norm van humanitaire redenen zoals uitgelegd door het Hof in het arrest E.D.L.
86.
Dit zou naar mijn mening indruisen tegen het doel van artikel 23, lid 4, van het EAB-kaderbesluit.
87.
In dit geval biedt het gebruik van artikel 23, lid 4, van het EAB-kaderbesluit dus geen soelaas.
b) Artikel 4, punt 6, van het EAB-kaderbesluit
88.
Artikel 4, punt 6, van het EAB-kaderbesluit is een andere mogelijkheid die de uitvoerende rechterlijke autoriteiten kunnen gebruiken wanneer zij vaststellen dat het in het belang van het kind is om zowel de moeder als het kind in de uitvoerende lidstaat te houden.
89.
Het biedt de uitvoerende rechterlijke autoriteit de mogelijkheid om een EAB dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, niet ten uitvoer te leggen indien de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat, die zich ertoe verbindt de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel ten uitvoer te leggen.
90.
Het belangrijkste doel van deze bepaling is de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen bijzonder belang te hechten aan de mogelijkheid om de kansen van de gezochte persoon op re-integratie in de samenleving na het verstrijken van de opgelegde straf te vergroten.52.
91.
Er is echter geen reden waarom deze bepaling niet ook zou kunnen worden gebruikt om het belang van het kind te beschermen en tegelijkertijd straffeloosheid te voorkomen. Het gebruik van artikel 4, punt 6, van het EAB-kaderbesluit kan de beste optie zijn indien het, om welke reden dan ook die verband houdt met het kind in kwestie, in zijn belang zou zijn om de uitvoerende lidstaat niet te verlaten, maar het tegelijkertijd belangrijk zou zijn dat het kind frequent contact en een nauwe band met zijn moeder behoudt (bijvoorbeeld in een situatie waarin de andere ouder of de ruimere familie in de uitvoerende lidstaat woont).
92.
Volgens de verwijzende rechter heeft Italië artikel 4, punt 6, van het EAB-kaderbesluit in zijn recht omgezet door als voorwaarde te stellen dat de gezochte persoon ten minste vijf jaar in Italië heeft verbleven om voor deze bepaling in aanmerking te komen.
93.
Het Hof heeft geoordeeld dat de begrippen ‘verblijvend in’ en ‘ingezeten’ in artikel 4, punt6, van het EAB-kaderbesluit autonome begrippen van Unierecht zijn die niet door de lidstaten kunnen worden gedefinieerd.53. Volgens het Hof zijn deze begrippen ‘van toepassing op situaties waarin de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, ofwel zijn werkelijke verblijfplaats in de uitvoerende lidstaat heeft gevestigd, ofwel, op grond van een duurzaam verblijf in deze staat gedurende een bepaalde periode, een band met deze staat heeft opgebouwd die vergelijkbaar is met die van een ingezetene’.54.
94.
Dit legt de verwijzende rechter de verplichting op om zijn nationale recht uit te leggen in overeenstemming met de autonome uitlegging van deze termen door het Hof, waarin niet wordt vereist dat de betrokkene vijf jaar in de staat heeft verbleven.
95.
Artikel 4, punt 6, van het EAB-kaderbesluit geeft de uitvoerende rechterlijke autoriteit een keuzemogelijkheid en schept geen verplichting om de vrijheidsstraf in de uitvoerende lidstaat ten uitvoer te leggen. Als het gaat om de bescherming van het belang van het kind, kan deze optie echter wel een verplichting worden indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit van oordeel is dat het in het belang van het kind is om de uitvoerende lidstaat niet te verlaten.55.
96.
Daarom biedt deze bepaling naar mijn mening nog een procedureel instrument waarmee de uitvoerende rechterlijke autoriteit het gevaar van straffeloosheid kan beperken alsmede dat gevaar en het belang van het kind op elkaar kan afstemmen.
c) Artikel 5, punt 3, van het EAB-kaderbesluit
97.
Artikel 5, punt 3, van het EAB-kaderbesluit bepaalt dat wanneer een EAB wordt uitgevaardigd ter fine van strafvervolging van een persoon die onderdaan of ingezetene56. is van de uitvoerende lidstaat, de overlevering afhankelijk kan worden gesteld van de garantie dat de persoon, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat.
98.
Deze bepaling is de keerzijde van artikel 4, punt 6, van het EAB-kaderbesluit: of het EAB nu wordt uitgevaardigd ter vervolging [zoals in het geval van artikel 5, punt 3)] of ter uitvoering van een straf (artikel 4, punt 6), ingezetenen van de uitvoerende staat kunnen er baat bij hebben een straf uit te zitten in de lidstaat van hun verblijfplaats.
99.
Artikel 5, punt 3, heeft betrekking op situaties waarin een EAB wordt uitgevaardigd met het oog op vervolging, wat hier aantoonbaar niet het geval is. GN werd in België veroordeeld en het EAB werd uitdrukkelijk uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.
100.
Ter zitting hebben GN en de Commissie echter toegelicht dat, omdat GN bij verstek is veroordeeld, de mogelijkheid van een nieuw proces in België bestaat, waardoor dit EAB volgens hen ook een EAB met het oog op vervolging is.
101.
In een dergelijk scenario zou de uitvoerende rechterlijke autoriteit op grond van artikel 5, punt 3, van het EAB-kaderbesluit de overlevering van personen die onderdaan of ingezetene zijn van de uitvoerende lidstaat, afhankelijk kunnen stellen van de voorwaarde dat de betrokkene later wordt teruggezonden om de vrijheidsstraf of het tot vrijheidsbeneming strekkende bevel in die lidstaat te ondergaan.
102.
Ten eerste valt op grond van de feiten van de onderhavige zaak te betwijfelen of GN ingezetene van Italië is. Niettemin staat het aan de verwijzende rechter om dit te beoordelen.
103.
Ten tweede bepaalt de eerste zin van artikel 5 van het EAB-kaderbesluit dat de uitvoerende autoriteit van deze mogelijkheid gebruik kan maken. Artikel 5, punt 3, van het EAB-kaderbesluit is dus een andere mogelijkheid die de uitvoerende rechterlijke autoriteiten kunnen gebruiken om vast te stellen dat het in het belang van het kind is om zowel de moeder als het kind in de uitvoerende lidstaat te houden.
104.
Aangezien het EAB tegen GN uitdrukkelijk is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, ben ik evenwel van mening dat in de onderhavige zaak geen gebruik kan worden gemaakt van die bepaling.
IV. Conclusie
105.
In het licht van de voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Corte suprema di cassazione als volgt te beantwoorden:
- ‘1)
Artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten verzet zich er in beginsel niet tegen dat de tenuitvoerlegging van een tegen een moeder van jonge kinderen uitgevaardigd EAB wordt geweigerd wanneer dat in het belang van het kind is.
- 2)
Een dergelijke weigering is enkel mogelijk indien de uitvoerende autoriteit, na vaststelling van de concrete situatie van het kind en na gebruikmaking van het communicatiemechanisme als bedoeld in artikel 15, lid 2, van kaderbesluit 2002/584/JBZ, niet over voldoende informatie beschikt om er absoluut zeker van te zijn dat de tenuitvoerlegging van het EAB niet indruist tegen het belang van het kind.
- 3)
Tijdelijk uitstel van de overlevering op grond van artikel 23, lid 4, van kaderbesluit 2002/584/JBZ is niet mogelijk voor een andere persoon dan de gezochte persoon noch buiten ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld wanneer het leven of de gezondheid van de gezochte persoon ernstig in gevaar wordt gebracht.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑07‑2023
Originele taal: Engels.
Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 tot wijziging van kaderbesluit 2002/584/JBZ, kaderbesluit 2005/214/JBZ, kaderbesluit 2006/783/JBZ, kaderbesluit 2008/909/JBZ en kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘EAB-kaderbesluit’).
Vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 november 1989 (United Nations Treaty Series, deel 1577, blz. 3).
In het arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru (C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198), heeft het Hof de mogelijkheid geïntroduceerd om de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren buiten de situaties die zijn bedoeld in de artikelen 3, 4 en 4 bis van het EAB-kaderbesluit.
Zelfs vóór het arrest Aranyosi en Căldăraru waren nationale rechters bezorgd dat zij door de tenuitvoerlegging van EAB's het risico liepen de grondrechten, zoals beschermd door het EVRM, van de gezochte persoon te schenden, en hebben zij het Hof derhalve herhaaldelijk prejudiciële vragen gesteld. In die eerdere zaken achtte het Hof het echter niet nodig om aanvullende mogelijkheden vast te stellen om overlevering te weigeren. Zie bijvoorbeeld arresten van 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld (C-303/05, EU:C:2007:261); 26 februari 2013, Melloni (C-399/11, EU:C:2013:107), en 30 mei 2013, F. (C-168/13 PPU, EU:C:2013:358).
Arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru (C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punten 93 en 94).
Een opmerking over de terminologie is hier op zijn plaats: de term ‘tweestappentoets’ is gebruikt in de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Gavanozov (C-852/19, EU:C:2021:346, voetnoot 42). Het is ook het ‘onderzoek in twee fasen’ genoemd door het Hof in het arrest van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de verwijzende rechterlijke autoriteit) (C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punt 53), maar opnieuw ‘tweestappentoets’ in de arresten van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Rechtbank ingesteld bij de wet van de uitvaardigende lidstaat) (C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punten 52, 54, 55, 62 en 66), en 31 januari 2023, Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2023:57, punten 98 en 101). Dezelfde term werd ook gebruikt in de conclusie van advocaat-generaal Rantos in de gevoegde zaken Openbaar Ministerie (Rechtbank ingesteld bij de wet van de uitvaardigende lidstaat) (C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2021:1019, punten 37, 38, 42 en voetnoot 41), in de conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2022:573, punten 7, 88, 90, 92, 93, 97, 106, 108 en voetnoot 57) en in de conclusie van advocaat-generaal Emiliou in de zaak M.D. (C-819/21, EU:C:2023:386, punten 3, 23, 26, 32, 33, 51, 67, 70 en 88, en de conclusie van de conclusie). Het werd ten slotte weer een ‘onderzoek in twee fasen’ genoemd in de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak E. D. L. (Weigeringsgrond op basis van ziekte) (C-699/21, EU:C:2022:955, punten 35 en 39).
Zie in dat verband arresten van 25 juli 2018, Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije) (C-220/18 PPU, EU:C:2018:589, punt 62); 19 september 2018, RO (C-327/18 PPU, EU:C:2018:733, punt 42), en 15 oktober 2019, Dorobantu (C-128/18, EU:C:2019:857, punten 52 en 55).
Arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C-216/18 PPU, EU:C:2018:586, punten 61 en 68).
Arresten van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de verwijzende rechterlijke autoriteit) (C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punt 52); 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Rechtbank ingesteld bij de wet van de uitvaardigende lidstaat) (C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punten 50–53), en 31 januari 2023, Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2023:57, punten 97–98).
In een recente zaak werd het Hof gevraagd of overlevering kan worden geweigerd wegens een mogelijke schending van de integriteit van de persoon en het recht op gezondheid (artikelen 3 en 35 van het Handvest). In die zaak ging het echter om een andere situatie, waarin dat recht niet in gevaar werd gebracht door structurele of fundamentele gebreken in de uitvaardigende lidstaat met betrekking tot het recht op gezondheid van personen in hechtenis, maar veeleer door de mogelijkheid dat de overlevering zelf de gezondheid van de gezochte persoon ernstig kan schaden. In een dergelijke context achtte het Hof het niet nodig om artikel 1, lid 3, van het EAB-kaderbesluit uit te leggen in het licht van de artikelen 3 en 35 van het Handvest. Zie arrest van 18 april 2023, E. D. L. (Weigeringsgrond op basis van ziekte) (C-699/21, EU:C:2023:295, punt 54).
Dezelfde conclusie kan ook worden getrokken wanneer de benadering van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona wordt gevolgd, die meende dat hoewel artikel 3 van het Handvest (recht op menselijke integriteit) in het geding kan zijn geweest met betrekking tot de gezochte persoon, de weigering van overlevering volgens hem alleen gerechtvaardigd is op grond van de ‘tweestappentoets’. Zie de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak E. D. L. (Weigeringsgrond op basis van ziekte) (C-699/21, EU:C:2022:955, punten 58 en 59).
Voor een bevestiging van dit beginsel, zie de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak O. G. (Europees aanhoudingsbevel voor een onderdaan van een derde land) (C-700/21, EU:C:2022:995, punten 55 en 56) waarin hij concludeert dat het recht op gezinsleven niet prevaleert boven de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Het voorkomen van ordeverstoring of strafbare feiten wordt bovendien genoemd als één van de mogelijke openbare belangen die een inmenging in het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8, lid 2, EVRM kunnen rechtvaardigen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft bijvoorbeeld in het arrest van 23 oktober 2014, Vintman tegen Oekraïne (CE:ECHR:2014:1023JUD002840305, punt 78) geoordeeld dat de scheiding van een gedetineerde van zijn familie een onvermijdelijk gevolg is van zijn gevangenschap. Anderzijds werd artikel 8 EVRM geacht te zijn geschonden in een situatie waarin gevangenen naar een strafkolonie werden gestuurd op duizenden kilometers afstand van hun familie. Zie EHRM, 25 juli 2013, Khodorkovskiy en Lebedev tegen Rusland (CE:ECHR:2013:0725JUD001108206, § 850).
Zie artikel 52, lid 1, van het Handvest. Zie bijvoorbeeld ook EHRM, 27 september 2022, Otite tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2022:0927JUD001833919, punt 39), waarin het heeft geoordeeld dat de verdragsluitende staten een zekere beoordelingsmarge genieten bij de beoordeling of een inmenging in een door artikel 8 beschermd recht noodzakelijk was in een democratische samenleving en evenredig is aan het nagestreefde legitieme doel.
De standaardformule die het Hof gebruikt in al zijn arresten waarin het het EAB-mechanisme uitlegt, luidt: ‘Meer bepaald vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen’. Zie bijvoorbeeld arresten van 25 juli 2018, Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije) (C-220/18 PPU, EU:C:2018:589, punt 49); 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C-216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 36); 15 oktober 2019, Dorobantu (C-128/18, EU:C:2019:857, punt 46); 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Rechtbank ingesteld bij de wet van de uitvaardigende lidstaat) (C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 40); 31 januari 2023, Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2023:57, punt 93), en 18 april 2023, E. D. L. (Weigeringsgrond op basis van ziekte) (C-699/21, EU:C:2023:295, punt 30).
Die informatie kan onder de aandacht van de rechter worden gebracht door de persoon die zich verzet tegen de overlevering, of het kan gaan om informatie waarover de rechter reeds beschikt, zoals bijvoorbeeld vastgesteld door andere instanties. In de zaak Aranyosi en Căldăraru had de uitvoerende autoriteit bijvoorbeeld vermoedens over de gevangenisomstandigheden in Hongarije en Roemenië op basis van eerdere bevindingen van het EHRM en een rapport van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Zie arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru (C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punten 43, 44 en 59–61).
Zie bijvoorbeeld kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PB 2008, L 337, blz. 102); richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB 2014, L 130, blz. 1).
Arrest van 13 januari 2021, MM (C 414/20 PPU, EU:C:2021:4, punt 61).
Zie bijvoorbeeld arrest van 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Hamburg (C-416/20 PPU, EU:C:2020:1042, punt 55), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de betrokkene zich na de overlevering voor de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat kan beroepen op mogelijke schendingen van het Unierecht, in die zaak de procedurele rechten van de betrokkene in de strafprocedure. Ik heb hetzelfde punt eerder gemaakt in mijn conclusie in de gevoegde zaken Minister for Justice and Equality (Opheffen van uitstel) (C-514/21 en C-515/21, EU:C:2022:848, punten 117 en 135).
Het is interessant om op te merken, zoals ter terechtzitting door de Raad aan het Hof in herinnering is gebracht, dat Aranyosi ook vader van een minderjarig kind was. Zijn overlevering is echter nooit ter discussie gesteld op basis van een mogelijke schending van zijn recht op gezinsleven, maar enkel op basis van een mogelijke schending van het verbod op onmenselijke en vernederende behandelingen.
Arrest van 26 maart 2019, SM (Onder Algerijnse kafala geplaatst kind) (C-129/18, EU:C:2019:248, punt 67).
Volgens de Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) is artikel 24 van het Handvest gebaseerd op het Verdrag van New York inzake de rechten van het kind, dat op 20 november 1989 is ondertekend en door alle lidstaten is geratificeerd, en met name op de artikelen 3, 9, 12 en 13 ervan. Dit Verdrag is derhalve relevant voor de uitlegging van artikel 24 van het Handvest. Zie in dat verband het arrest van 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon ‘Pancharevo’ (C-490/20, EU:C:2021:1008, punt 63). De rechten van het kind worden ook in artikel 3, lid 3, VEU genoemd als een van de doelen die de Europese Unie nastreeft.
Arrest van 11 maart 2021, Belgische Staat (Terugzending van de ouder van een minderjarige) (C-112/20, EU:C:2021:197, punten 36 en 38).
Behalve wanneer zij zelf onderworpen zijn aan overlevering, wat mogelijk is zodra zij de leeftijd bereiken waarop zij strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld. Dat was de situatie in het arrest van 23 januari 2018, Piotrowski (C-367/16, EU:C:2018:27).
Alle partijen in deze procedure, met uitzondering van de Hongaarse regering en de Raad, waren ook van mening dat de eerste vraag van de verwijzende rechter moet worden beantwoord op een manier die enigszins afwijkt van de ‘tweestappentoets’.
Smyth, C., ‘The best interests of the child in the expulsion and first-entry jurisprudence of the European Court of Human Rights: How principled is the Court's use of the principle?’, European Journal of Migration and Law, deel 17(1), 2015, blz. 71.
Goldner-Lang, I., ‘Chapter 31: The child's best interests as a gap filler and expander of EU law in internal situations’ in Ziegler, K.S., Neuvonen, P.J., Moreno-Lax, V., Research Handbook on General Principles in EU Law. Constructing Legal Orders in Europe, Edward Elgar Publishing, Cheltenham, 2022.
Klaassen M., en Rodrigues, P., ‘The best interests of the child in EU family reunification law: A plea for more guidance on the role of Article 24(2) of the Charter’, European Journal of Migration and Law, deel 19(2), 2017, p. 191.
Arrest van 23 januari 2018, Piotrowski (C-367/16, EU:C:2018:27).
Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachten of beklaagden zijn in strafprocedures (PB 2016, L 132, blz. 1).
Meer bepaald schrijft artikel 17 van die richtlijn voor dat de rechten die in nationale strafprocedures zijn toegekend aan kinderen die verdachten of beklaagden zijn, mutatis mutandis ook moeten gelden voor kinderen tegen wie een EAB is uitgevaardigd, vanaf het moment van hun aanhouding in de uitvoerende lidstaat. Arrest van 23 januari 2018, Piotrowski (C-367/16, EU:C:2018:27, punt 36).
Arrest van 23 januari 2018, Piotrowski (C-367/16, EU:C:2018:27, punt 38). Hieraan moet worden toegevoegd dat de drempel van strafrechtelijke aansprakelijkheid in elk geval een dwingende grond is voor de niet-tenuitvoerlegging van een EAB op grond van artikel 3, lid 3, van het EAB-kaderbesluit.
Arrest van 14 januari 2021, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Terugzending van een niet-begeleide minderjarige) (C-441/19, EU:C:2021:9, punt 46).
Arresten van 11 maart 2021, Belgische Staat (Terugzending van de ouder van een minderjarige) (C-112/20, EU:C:2021:197, punt 27), en 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a. (C-133/15, EU:C:2017:354, punten 70 en 71).
Arrest van 16 juli 2020, Belgische Staat (Gezinshereniging — Minderjarig kind) (C-133/19, C-136/19 en C-137/19, EU:C:2020:577, punt 34). Zie ook het arrest van 6 december 2012, O e.a. (C-356/11 en C-357/11, EU:C:2012:776, punt 76).
Arrest van 26 maart 2019, SM (Onder Algerijnse kafala geplaatst kind) (C-129/18, EU:C:2019:248, punt 69).
Conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Chavez-Vilchez e.a. (C-133/15, EU:C:2016:659, punt 101).
Arrest van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a. (C-133/15, EU:C:2017:354, punt 70).
Dit is een extra argument waarom de ‘tweestappentoets’ niet kan worden toegepast. Die is inadequaat omdat de eerste stap ervan de concrete beoordeling van het belang van het kind zou overslaan en in plaats daarvan zou focussen op structurele of fundamentele gebreken in de uitvaardigende lidstaat. Na de vaststelling dat dergelijke gebreken niet bestaan, wat hier duidelijk het geval is, zou de uitvoerende autoriteit helemaal niet in staat zijn om de concrete situatie van het kind te beoordelen. Het is precies die beoordeling die centraal staat bij het bepalen van het belang van het kind.
Zoals Cardona Llorens opmerkt, is het belang van het kind een onbepaald, maar geen discretionair concept: ‘Voor dezelfde beslissing zou de beoordeling en vaststelling van het belang van vijf verschillende kinderen ons ertoe moeten aanzetten vijf verschillende vaststellingen te doen (aangezien geen twee kinderen gelijk zijn in dezelfde omstandigheden en in dezelfde situatie). Maar de beoordeling en vaststelling van de belangen van één kind door vijf volwassenen afzonderlijk zou tot hetzelfde resultaat moeten leiden bij het nemen van een beslissing’. Zie Cardona Llorens, J., ‘Presentation of General Comment No. 14: strengths and limitations, points of consensus and dissent emerging in the drafting’ in The best interests of the child — A dialogue between theory and practice (Raad van Europa, 2016), blz. 12. Beschikbaar op https://rm.coe.int/1680657e56.
Voor een bespreking van deze kwestie, zie Lonardo, L., ‘The best interests of the child in the case-law of the Court of Justice of the European Union’, Maastricht Journal of European and Comparative Law, deel 29(5), 2022, blz. 598. Voor een discussie over het belang van het kind als een ‘vrijwaringsbeginsel’, in het licht waarvan andere instrumenten van het Unierecht moeten worden uitgelegd, zie Frasca, E., en Carlier, J.Y., ‘The best interests of the child in ECJ asylum and migration case-law: Towards a safeguard principle for the genuine enjoyment of the substance of children's rights?’, Common Market Law Review, deel 60, 2023, blz. 345.
De Commissie nam tijdens de hoorzitting ook dit standpunt in.
Arrest van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson (C-617/10, EU:C:2013:105, punt 21). Zie in de context van artikel 24 van het Handvest, arrest van 6 juni 2013, MA e.a. (C-648/11, EU:C:2013:367, punt 59).
Zowel de Italiaanse regering als de Commissie benadrukte tijdens de hoorzitting dat dit, volgens hen, inhoudt dat sociale diensten in de uitvoerende lidstaat erbij worden betrokken of dat er communicatie plaatsvindt met die in de uitvaardigende lidstaat.
De uitvoerende gerechtelijke autoriteit moet alle verdere relevante informatie verzamelen, zoals het bestaan van andere familiebanden van het kind, in het bijzonder de andere ouder, en kan de sociale diensten of andere relevante instellingen inschakelen die in het bezit zijn van de informatie met betrekking tot een specifiek kind.
De feiten van de zaak lijken erop te wijzen dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit op het moment dat zij het EAB uitvaardigde niet eens op de hoogte was van het feit dat GN een kind had.
Bijvoorbeeld in de arresten van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Rechtbank ingesteld bij de wet van de uitvaardigende lidstaat) (C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 48); 31 januari 2023, Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2023:57, punt 131), en 18 april 2023, E. D. L. (Weigeringsgrond op basis van ziekte) (C-699/21, EU:C:2023:295, punt 45).
Arrest van 18 april 2023, E. D. L. (Weigeringsgrond op basis van ziekte) (C-699/21, EU:C:2023:295, punt 46).
Net als de Procuratore generale presso la Corte di appello di Bologna, alsmede de Italiaanse en de Nederlandse regering.
Zie met name artikel 25 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27) (hierna: ‘kaderbesluit 2008/909/JBZ’). Zie ook het arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2023:57, punt 141).
Arrest van 18 april 2023, E. D. L. (Weigeringsgrond op basis van ziekte) (C-699/21, EU:C:2023:295, punt 42).
Arresten van 29 juni 2017, Popławski (C-579/15, EU:C:2017:503, punt 21), en 5 september 2012, Lopes Da Silva Jorge (C-42/11, EU:C:2012:517, punt 32).
Arrest van 17 juli 2008, Kozlowski (C-66/08, EU:C:2008:437, punten 41 en 43). In dat arrest verbood het Hof de lidstaten om aan deze begrippen een ruimere betekenis te geven dan die waarin het Unierecht voorziet.
Arrest van 17 juli 2008, Kozlowski (C-66/08, EU:C:2008:437, punt 46).
Hieraan moet worden toegevoegd dat deze mogelijkheid ook openstaat voor de lidstaten krachtens kaderbesluit 2008/909/JBZ.
Er zij op gewezen dat deze bepaling, in tegenstelling tot artikel 4, punt 6, van het EAB-kaderbesluit, geen betrekking heeft op personen die in de uitvoerende lidstaat verblijven.