Rb. Den Haag, 25-07-2023, nr. C/09/632615 / FA RK 22-4727
ECLI:NL:RBDHA:2024:18017
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
25-07-2023
- Zaaknummer
C/09/632615 / FA RK 22-4727
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2024:18017, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 12‑09‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig, Beschikking)
ECLI:NL:RBDHA:2024:18016, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 26‑04‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig, Beschikking)
ECLI:NL:RBDHA:2023:12249, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 25‑07‑2023; (Tussenbeschikking)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2025:281
Uitspraak 12‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Vaststelling van de waarde van de aandelen en toedeling daarvan aan de man onder de verplichting de helft van die waarde aan de vrouw te vergoeden.
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 22-4727
Zaaknummer: C/09/632615
Datum beschikking: 12 september 2024
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 14 juli 2022 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende in [woonplaats] , Frankrijk,
advocaat: mr. S. Smeets te Venlo.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende in Groot-Brittannië,
advocaat: voorheen mr. L. Berghuis-Knijff, vervolgens mr. S.C.A. Thijssen te Utrecht en nu mr. C.G.A. van Stratum.
Procedure
Bij beschikking van 26 april 2024 van deze rechtbank is – kort gezegd – :
- een onderzoek door een deskundige bevolen;
- J.B.M. van Hoeven van Farijs Management & Advies, kantoorhoudende te Rumpt als deskundige benoemd;
- bepaald dat de deskundige partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen;
- bepaald dat de advocaat van de man 3 Ieder der partijen of één partij? Uit overleg rechter & secretaris. binnen drie weken na de beschikking4 Is door de rechtbank gesteld termijn. aan genoemde deskundige een afschrift van alle in deze beschikking genoemde jaarstukken zal toesturen 5 Beleid.;
- bepaald dat de deskundige zijn werkzaamheden pas behoeft aan te vangen nadat de man6 182 lid 2 Rv. In. beginsel verzoekende partij, maar rechter kan anders bepalen. een voorschot ter grootte van € 15.600,-7 Bij behandeling ter terechtzitting: -aan partijen voorleggen dat deskundige het onderzoek pas aanvangt na storting door (een/ieder der) partijen -in de beschikking aan te wijzen- van een voorschot –met partijen het maximum voorscht bespreken. Na de zitting neemt de gerechtsecretaris telefonisch contact op met de deskundige om te vragen of de deskundige bereid id het onderzoek te verrichten en wat de begrote kosten zijn. Indien het kosten met partijen besproken maximum overschrijden moet nader (telefonisch) overleg met partijen plaatsvinden., te vermeerderen met het geldende BTW-tarief aan omzetbelasting van 21%, heeft gedeponeerd – zulks als voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek – en de griffier de deskundige van de ontvangst daarvan op de hoogte heeft gesteld;
- bepaald dat de man ter voldoening van het genoemde voorschot een factuur zal ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) en dat de man het factuurbedrag binnen drie weken na ontvangst van deze factuur dient te voldoen;
- bepaald dat indien het voorschot niet tijdig wordt voldaan, de wederpartij van degene die het voorschot niet betaalt na sommatie van de niet betalende partij de rechtbank kan verzoeken een beschikking te geven;
- en is iedere verdere beslissing – ook ten aanzien van de kosten van het deskundigenonderzoek – aangehouden.
De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken waaronder nu:
- -
de brief van 16 juli 2024 van de zijde van de man;
- -
het F9-formulier van 19 juli 2024 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
- -
het F9-formulier van 15 augustus 2024 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
- -
het F9-formulier van 30 augustus 2024 van de zijde van de man.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
De rechtbank merkt allereerst op dat de man tot 22 augustus 2024 de gelegenheid had om te reageren op de inhoud van de brief van de vrouw d.d. 19 juli 2024. Hij heeft pas op 30 augustus 2024 – en daarmee te laat – een schriftelijke reactie ingediend. De rechtbank heeft desondanks kennis genomen van de inhoud van zijn laatste reactie.
De rechtbank merkt verder op dat zij geen kennis zal nemen van de nieuwe producties van de vrouw d.d. 15 augustus 2024 en van de man d.d. 30 augustus 2024. Beide partijen waren (enkel) in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de inhoud van de brieven van 16 juli 2024 (van de zijde van de man) respectievelijk 19 juli 2024 (van de zijde van de vrouw). De indiening van nieuwe stukken in dit late stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde.
In de tussenbeschikking d.d. 26 april 2024 heeft de rechtbank vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de vennootschappen [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. zelfstandige entiteiten zijn en dat de aandelen van deze vennootschappen daarom apart moeten worden gewaardeerd. In deze beschikking heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen, waarbij een oordeel gevraagd wordt over de reële waarde in het economisch verkeer van de aandelen van de man in [bedrijfsnaam 3] . (hierna te noemen: [bedrijfsnaam 3] Holding), [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V., inclusief de eventueel daarvan deel uitmakende deelneming(en) per 1 april 2024. Daartoe heeft zij als deskundige benoemd de heer J.B.M. van Hoeven van Farijs Management & Advies en bepaald dat de man het voorschot van€ 15.600,-, te vermeerderen met het geldende BTW-tarief aan omzetbelasting van 21% dient te voldoen. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat indien het voorschot niet tijdig wordt voldaan, de wederpartij van degene die het voorschot niet betaalt na sommatie van de niet betalende partij de rechtbank kan verzoeken een beschikking te geven.
In juni 2024 is gebleken dat de man dit voorschot nog niet had voldaan. De rechtbank heeft daarom navraag gedaan en beide partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten. De man heeft hierop in zijn brief d.d. 16 juli 2024 – en in zijn brief d.d. 30 augustus 2024 herhaald– dat hij niet de financiële middelen heeft om dit voorschot te storten. Verder stelt hij dat de uitkomst van het deskundigenonderzoek bij voorbaat duidelijk is; volgens hem zal blijken dat de waarde van de ondernemingen per 1 april 2024 nihil is. Dit volgt volgens de man enerzijds uit het feit dat op 18 maart 2024 het faillissement van [bedrijfsnaam 3] Holding is uitgesproken, en anderzijds uit de jaarstukken van de ondernemingen.
Namens de vrouw is verzocht om een beschikking af te geven. Zij heeft – kort samengevat – betwist dat de man financieel niet in staat is om het voorschot van de deskundige te betalen. Volgens haar is er bij de man geen sprake van betalingsonmacht maar van betalingsonwil. Daarnaast is namens de vrouw gesteld dat het faillissement van [bedrijfsnaam 3] Holding geen reden kan zijn om niet over te gaan tot waardering van de aandelen. De vrouw wijst er in dit verband op dat het faillissement enkel te maken had met een belastingschuld die de man had kunnen betalen. Zij verwijst in dit verband naar e-mailcorrespondentie tussen de advocaat van de man en de advocaat van de vrouw waaruit blijkt dat partijen op 1 maart 2024 hebben afgesproken dat de vrouw € 60.000 aan de man zou overmaken zodat de man daarmee het faillissement van [bedrijfsnaam 3] Holding zou kunnen afwenden. De vrouw heeft dit bedrag op 3 maart 2024 aan de man overgeboekt. Verder wijst de vrouw erop dat de overige vennootschappen – [bedrijfsnaam 1] BV en [bedrijfsnaam 2] BV – niet in staat van faillissement zijn verklaard.
De man geeft in zijn reactie d.d. 30 augustus 2024 – kort samengevat – aan dat hij met het bedrag van € 60.000 het faillissement van [bedrijfsnaam 3] Holding niet had kunnen afwenden, dat hij geen liquide middelen had om de schulden van deze vennootschap te voldoen, dat er drie entiteiten, waaronder de Holding, failliet zijn verklaard en dat [bedrijfsnaam 1] BV een losse, zelfstandige onderneming is waarin geen activiteiten worden verricht. Tot slot wijst de man erop dat de passiva in de vennootschappen vele malen hoger waren dan de activa in de ondernemingen van de man en dat alle ondernemingen op dit moment onder beheer van de curator in Luxemburg staan.
Beide partijen hebben nog gewezen op de verwikkelingen rond het verkoopproces van het Château de Vouzeron, en de afwikkeling van de verdeling van overige bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap. Nu de rechtbank daarover al eindbeslissingen heeft genomen in de beschikking d.d. 25 juli 2023 en dit onderwerp is van debat in hoger beroep zal zij hier in deze beschikking niet nader op ingaan.
De rechtbank overweegt verder als volgt.De proceshouding van de man kan worden omschreven als een patroon van vertragen en onvoldoende, dan wel te laat informeren van de wederpartij en de rechtbank. Zo blijkt uit de tussenbeschikking van 28 november 2023 dat de man weliswaar in zijn brief aan de rechtbank van 29 september 2023 heeft vermeld dat hij daarbij de jaarstukken als producties 21 tot en met 25 indiende, maar dat de rechtbank deze producties op genoemde beschikkingsdatum niet had ontvangen. Uit de beschikking d.d. 26 april 2024 blijkt dat de man andere stukken aan de vrouw had gestuurd dan aan de rechtbank, en dat hij concept-jaarstukken had opgestuurd die hij aanvankelijk presenteerde als definitieve jaarstukken en heeft hij daar maar deels een plausibele verklaring voor gegeven. Desondanks heeft de rechtbank de stukken van de man geaccepteerd en is – met veel vertraging – overgegaan tot het benoemen van een deskundige. Uit de stukken die de man op 16 juli 2024 in het geding heeft gebracht blijkt dat reeds op 18 maart 2024 – dus ruim een maand vóór de beschikking d.d. 26 april 2024 en op grond van een dagvaarding die reeds op 5 januari 2024 was uitgebracht – het faillissement van [bedrijfsnaam 3] Holding is uitgesproken. Het had op de weg van de man gelegen om de rechtbank in de aanloop naar de deskundigenbenoeming op de hoogte te stellen, doch in ieder geval direct nadat dit bekend was geworden. De man wist immers dat de rechtbank op dat moment voornemens was een beschikking te wijzen waarin een deskundigenonderzoek zou worden gelast naar de waarde van – onder andere – die onderneming. Ook heeft de man na het wijzen van de beschikking d.d. 26 april 2024 waarin aan hem is opgedragen om het voorschot te betalen, niets van zich laten horen. Pas nadat de rechtbank aan partijen had gevraagd om een toelichting waarom het voorschot niet werd betaald, kwam de man met deze mededelingen. Mede in het licht van deze proceshouding zal de rechtbank de (nieuwe) stellingen van de man beoordelen.
Allereerst is de rechtbank van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij privé niet in staat zou zijn om het voorschot van € 15.600 plus BTW te voldoen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is gebleken dat partijen samen, en dus ook de man, over vele kostbare bezittingen beschikken welke te gelde gemaakt zouden kunnen worden. Daarnaast stelt de man zelf dat hij het Château de Vouzeron via Airbnb verhuurt, doch voor een relatief laag bedrag van € 1.000,- per week. Nu de man desondanks weigert om het voorschot voor de deskundige te voldoen zal de rechtbank een eindbeschikking met een inhoudelijk eindoordeel vellen zonder deskundigenonderzoek. Zij overweegt in dit kader als volgt.
De rechtbank dient te beslissen over de wijze van verdeling van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] , [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. Partijen zijn het erover eens dat alle aandelen aan de man worden toegedeeld doch zijn verdeeld over de vraag tegen welke waarde. Uit de beschikking d.d. 25 juli 2023 blijkt dat de man zich reeds bij aanvang van de procedure op het standpunt had gesteld dat de aandelen in [bedrijfsnaam 3] Holding en de aan die holding gelieerde vennootschappen geen waarde vertegenwoordigen omdat daarin geen winst wordt gemaakt, het eigen vermogen ruim negatief is en er (ook) in deze ondernemingen enkel verplichtingen zitten, onder verwijzing naar de jaarrekening 2021. De vrouw heeft betwist dat de aandelen in [bedrijfsnaam 3] Holding geen waarde vertegenwoordigen en wijst erop dat uit de jaarrekening 2021 blijkt dat er op 31 december 2021 een eigen vermogen was van € 4.973.249,62. Zij verzocht daarom om de aandelen in [bedrijfsnaam 3] Holding voor deze waarde aan de man toe te delen, onder betaling van de helft van dit bedrag aan de vrouw. De rechtbank heeft hierop in de beschikking d.d. 25 juli 2023 geoordeeld dat zij over onvoldoende informatie beschikte om de waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] Holding vast te kunnen stellen. De man diende daarom nadere stukken in het geding te brengen en de rechtbank heeft bepaald dat er voor de waardering een deskundige moest worden benoemd. De vrouw heeft daarna haar verzoek ten aanzien van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. gewijzigd, in die zin dat zij thans verzoekt de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. voor een bedrag van € 100.000,- aan de man toe te delen onder betaling van de helft van dit bedrag aan de vrouw.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat alle ondernemingen – inclusief de Holding – geen waarde vertegenwoordigen. De man heeft deze stelling immers aan het begin van deze procedure al ingenomen en de rechtbank is in de beschikkingen d.d. 25 juli 2023 en 26 april 2024 aan deze stellingen voorbij gegaan. Het enkele feit dat de Holding in staat van faillissement verkeert, impliceert nog niet dat deze geen waarde vertegenwoordigt, immers uit het Luxemburgse faillissementsvonnis blijkt alleen dat dit is gebaseerd op de niet-betaling van een aantal aanslagen van de Luxemburgse fiscus tot een totaalbedrag van€ 68.171,40. Uit de door de vrouw getoonde email van de advocaat van de man d.d. 1 maart 2024 om 13.58 uur – waarvan de echtheid door de man niet is betwist – blijkt dat de man aan de vrouw verzoekt om een bedrag van € 60.000 aan hem over te maken zodat hij daarmee het faillissement van [bedrijfsnaam 3] Holding zou kunnen afwenden. De man stelt nu, zonder verdere toelichting of onderbouwing, dat dit bedrag niet voldoende was om het faillissement af te wenden.Daarnaast heeft de man in zijn brief d.d. 30 augustus 2024 weliswaar gesteld er naast [bedrijfsnaam 3] Holding nog twee entiteiten failliet zijn verklaard doch hij heeft niet genoemd om welke entiteiten het gaat. Het had op de weg van de man gelegen om de rechtbank ook hierover in een veel eerder stadium in te lichten, onder indiening van duidelijke bewijsstukken. Voorts blijkt uit de aan de beschikking van 26 april 2024 gehechte e-mail van 6 april 2024 van de deskundige dat [bedrijfsnaam 3] Holding participeert in zestien verschillende ondernemingen die zijn gevestigd in twaalf verschillende landen en dat de waarde van [bedrijfsnaam 3] Holding volgens de deskundige volledig afhankelijk is van de waarde die aan de internationale dochter-maatschappijen kan worden toegekend.Nu de man de stellingen van de vrouw over de waarde van de aandelen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en zonder gegronde redenen niet meewerkt aan een waardering van de aandelen door de door de rechtbank aangestelde deskundige, rest de rechtbank niets anders dan de stellingen van de vrouw omtrent de waarde van de aandelen te volgen.
Uit al het voorgaande volgt dat de rechtbank de aandelen van de man in zowel Holding als in [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. zal toedelen aan de man waarbij voor [bedrijfsnaam 3] Holding heeft te gelden dat de man 90% van de aandelen houdt. De rechtbank zal uitgaan van de door de vrouw gestelde totale waarde van ESPN Holding van € 4.973.249,62 en zij stelt daarom de waarde van deze aandelen van de man op (90% van laatstgenoemd bedrag =) € 4.475.925. Daarnaast gaat de rechtbank, omdat niet anders is gesteld of gebleken, ervan uit dat de man 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. en 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. houdt. De vrouw heeft de waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. gesteld op een bedrag van€ 100.000. De rechtbank zal bij die waarde aansluiten. De vrouw heeft geen expliciet standpunt ingenomen ten aanzien van de waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. Bij gebrek aan een concrete stelling gaat de rechtbank voor die laatste aandelen eveneens uit van een waarde van € 100.000. De man dient deze waarde van de aan hem toegedeelde aandelen te verrekenen en hij zal mitsdien aan de vrouw€ 2.337.963 (zijnde de helft van het bedrag van (€ 4.475.925 + € 100.000 + € 100.000 =€ 4.675.925) aan de vrouw dienen te voldoen.
Tot slot beschouwt de rechtbank de benoeming van de deskundige als beëindigd.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap voor het overige:
aan de man worden toegedeeld:
- de aandelen van de man in [bedrijfsnaam 3] , [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V., ter waarde van€ 4.675.925,- onder de verplichting de helft van deze waarde aan de vrouw te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af al het eventueel meer of anders gevorderde;
beschouwt de benoeming van de deskundige als beëindigd.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, mr. C. de Jong-Kwestro en mr. E.D.A. Geleijns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 12 september 2024. |
Uitspraak 26‑04‑2024
Inhoudsindicatie
De rechtbank benoemt een deskundige om de waarde van de aandelen te bepalen.
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 22-4727 (echtscheiding) en FA RK 23-920 (huwelijksvermogen)
Zaaknummer: C/09/632615 (echtscheiding) en C/09/642443 (huwelijksvermogen)
Datum beschikking: 26 april 2024
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 14 juli 2022 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende in [woonplaats] , Frankrijk,
advocaat: mr. S. Smeets te Venlo.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende in Groot-Brittannië,
advocaat: voorheen mr. L. Berghuis-Knijff, vervolgens mr. S.C.A. Thijssen te Utrecht en nu mr. C.G.A. van Stratum.
Procedure
Bij beschikking van 25 juli 2023 van deze rechtbank is onder meer:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap bepaald dat de man uiterlijk 1 oktober 2023 de jaarstukken van [bedrijfsnaam 1] ., [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. van 2020, 2021 en 2022 in het geding dient te brengen, onderbouwd met stukken waaruit blijkt of [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. apart moeten worden gewaardeerd, en dat de vrouw uiterlijk op 28 oktober 2023 zich zal uitlaten over de door de man in het geding gebrachte stukken. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de aandelen, het indienen van stukken en de kosten van de deskundige aangehouden tot 1 november 2023 pro forma.
De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:
- -
de brief van 29 september 2023 met bijlagen, van de man;
- -
de brief van 29 september 2023 met bijlagen, van de man;
- -
de brief van 26 oktober 2023 van de vrouw.
Bij beschikking van 28 november 2023 van deze rechtbank is bepaald:
- dat de man uiterlijk 15 december 2023 alle stukken als vermeld in de beschikking van 25 juli 2023 in het geding dient te brengen;
- dat de vrouw vóór 15 januari 2024 schriftelijk op de door de man over te leggen stukken mag reageren.
De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken waaronder nu:
- -
de brief van 5 december 2023 met bijlagen, van de man;
- -
de brief van 5 december 2023 met bijlagen, van de man;
- -
de brief van 12 januari 2024 met bijlagen, van de vrouw;
- -
de brief van 25 maart 2024 met bijlagen, van de man.
De vrouw heeft haar verzoek ten aanzien van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. als volgt gewijzigd:
- de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. voor een bedrag van € 100.000,- aan de man toe te delen onder betaling van de helft van dit bedrag aan de vrouw.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Jaarstukken: concept of definitief vastgesteld?
Bij beschikking van 25 juli 2023 van deze rechtbank is in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap met het oog op de waardering van de aandelen bepaald dat de man de jaarstukken van 2020, 2021 en 2022 in het geding dient te brengen van:
- -
[bedrijfsnaam 1] .;
- -
[bedrijfsnaam 2] B.V.;
- -
[bedrijfsnaam 3] B.V.
Uit de tussenbeschikking van 28 november 2023 blijkt dat de man weliswaar in zijn brief aan de rechtbank van 29 september 2023 heeft vermeld dat hij daarbij de jaarstukken als producties 21 tot en met 25 indiende, maar dat de rechtbank deze producties op genoemde beschikkingsdatum niet had ontvangen. De rechtbank heeft deze producties 21 tot en met 25 pas bij één van de twee allebei op 5 december 2023 gedateerde brieven van de man ontvangen. Deze producties betreffen stukken van genoemde vennootschappen. Volgens de vrouw heeft de man uitsluitend van [bedrijfsnaam 3] B.V. de vastgestelde jaarrekening over 2021 overgelegd en zijn alle overige door de man overgelegde stukken van de genoemde vennootschappen niet de definitief vastgestelde jaarstukken, maar concept jaarrekeningen en concept jaarcijfers.
De man stelt dat het de definitieve jaarstukken zijn, maar de vrouw heeft dat gemotiveerd betwist. De vrouw onderbouwt haar standpunt als volgt.
De vrouw heeft de producties van de man behorend bij de brief van 29 september 2023 aan de rechtbank in tegenstelling tot de rechtbank wel ontvangen. De vrouw constateert verschillen tussen de producties die de man bij de brieven van 29 september 2023 en 5 december 2023 heeft gevoegd. De vrouw heeft onderbouwd met stukken laten zien dat in de producties bij de brief van 29 september 2023 duidelijk zichtbaar is dat het om concept jaarrekeningen gaat, omdat het woord “draft” schuin over de pagina’s staat vermeld. In de producties gevoegd bij de ene brief van 5 december 2023 van de man daarentegen is het woord “draft” niet meer goed zichtbaar, maar nog wel voor een klein deel, zodat het lijkt alsof de man het woord “draft” heeft weggelakt om het te doen voorkomen dat dit de definitieve jaarstukken zijn.
De vrouw is van mening dat op basis van de door de man overgelegde conceptstukken geen juiste waardering van de aandelen kan plaatsvinden en dat het lijkt alsof de man iets te verbergen heeft door na te laten de definitieve jaarstukken in te dienen. Nu de man, hoewel hij ruimschoots daartoe in de gelegenheid is gesteld, nagelaten heeft om de definitieve jaarstukken in te dienen, is de vrouw van mening dat de rechtbank daaruit de conclusies moet trekken die zij geraden acht en dat er geen deskundigenonderzoek naar de waarde van de aandelen kan plaatsvinden. De vrouw handhaaft daarom haar verzoek om de aandelen in [bedrijfsnaam 1] . voor een waarde van € 4.973.249,62 aan de man toe te delen onder betaling van de helft van dit bedrag aan de vrouw. De vrouw wijzigt haar verzoek ten aanzien van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. als volgt:
- de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. voor een bedrag van € 100.000,- aan de
man toe te delen onder betaling van de helft van dit bedrag aan de vrouw.
De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank stelt op basis van het aanvullend productieoverzicht van de man van 5 december 2023 vast dat de man zich ervan bewust was dat hij de concept jaarrekeningen en niet de definitieve jaarrekeningen over 2022 heeft overgelegd van [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. De rechtbank heeft de man bij brief van 14 maart 2024 in de gelegenheid gesteld om te reageren op de stelling van de vrouw dat de man uitsluitend van [bedrijfsnaam 3] B.V. de vastgestelde jaarrekening over 2021 heeft overgelegd en alle overige door de man overgelegde stukken van de genoemde vennootschappen niet de definitief vastgestelde jaarstukken, maar concept jaarrekeningen en concept jaarcijfers zijn. De man heeft genoemde stelling van de vrouw bij brief van 25 maart 2024 erkend en als reden opgegeven dat hij van accountant is gewisseld. De man heeft bij diezelfde brief alsnog de volgende stukken in het geding gebracht:
- -
[bedrijfsnaam 1] .: definitieve jaarstukken 2020, 2021 en 2022;
- -
[bedrijfsnaam 2] B.V.: jaarrekening 2021 slechts bestaande uit de balans en
jaarstukken 2022 bestaande uit het accountantsverslag en de jaarrekening;
- [bedrijfsnaam 3] B.V.: definitieve jaarstukken 2021 en 2022,
elk jaar bestaande uit het accountantsverslag en de jaarrekening;
Jaar 2020
De rechtbank stelt vast dat de man heeft nagelaten om de volgende stukken in te dienen:
- -
[bedrijfsnaam 2] B.V.: definitieve jaarstukken 2020;
- -
[bedrijfsnaam 3] B.V.: definitieve jaarstukken 2020.
De man heeft geen verklaring gegeven waarom hij van beide laatstgenoemde vennootschappen geen definitieve jaarstukken over 2020 in het geding brengt. De man vermeldt alleen dat van beide laatstgenoemde vennootschappen geen volledige jaarcijfers over 2020 zijn opgemaakt, dat uitsluitend de eerder bij de rechtbank ingediende balans en de winst- en verliesrekening over 2020 bij de Kamer van Koophandel zijn gedeponeerd en dat er over 2020 geen jaarstukken zullen volgen.
De rechtbank constateert dat de cijfers over 2020 van [bedrijfsnaam 3] B.V. afgeleid kunnen worden uit de definitieve jaarrekening 2021 van deze vennootschap, omdat daarin ook de cijfers over 2020 staan vermeld.
Jaar 2021
De rechtbank constateert dat de jaarrekening 2021 [bedrijfsnaam 2] B.V. slechts bestaat uit de balans, maar dat de cijfers over 2021 van [bedrijfsnaam 2] B.V. afgeleid kunnen worden uit de definitieve jaarrekening 2022 van deze vennootschap omdat daarin ook de cijfers over 2021 staan vermeld.
De rechtbank concludeert dat de man bijna alle jaarstukken zoals bepaald in beschikking van 25 juli 2023 heeft ingediend. De rechtbank gaat ervan uit dat de te benoemen deskundige de voor de waardering van de aandelen eventueel aanvullend noodzakelijke geachte stukken en informatie bij partijen zal opvragen.
Peildatum waardering aandelen
Als peildatum voor de waardering van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen geldt in beginsel de datum van verdeling. Omdat dit een onbekende datum in de toekomst is, bepaalt de rechtbank om praktische redenen dat de aandelen gewaardeerd moeten worden tegen de peildatum 1 april 2024.
Persoon van de te benoemen deskundige
De rechtbank stelt vast dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de persoon van de door de rechtbank te benoemen deskundige die de waarde van de aandelen zal vaststellen, te weten J.B.M. van Hoeven van Farijs Management & Advies te Rumpt (hierna Van Hoeven). Van Hoeven heeft op verzoek van de rechtbank een kostenbegroting opgesteld. Uit de aan deze beschikking gehechte e-mail van 6 april 2024 van Van Hoeven volgt dat het honorarium voor zijn werkzaamheden € 195,- per uur exclusief 21% omzetbelasting en inclusief zijn kantoorkosten bedraagt. De omvang van het door hem in rekening te brengen voorschot heeft Van Hoeven op basis van tachtig te besteden uren vastgesteld op € 19.000,- inclusief omzetbelasting (€ 15.6600,- exclusief omzetbelasting). De rechtbank zal Van Hoeven als deskundige benoemen. Partijen zijn gehouden te voldoen aan de verzoeken van de deskundige waaronder zijn verzoek aan partijen om voor aanvang van zijn werkzaamheden aan hem te bevestigen dat zij instemmen met het als bijlage bij de mail van 6 april 2024 gevoegde artikel 9 van zijn algemene leveringsvoorwaarden waarin de beperking van zijn aansprakelijkheid is beschreven.
Vragen aan de deskundige
De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens dat de vennootschappen [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V zelfstandige entiteiten zijn en dat de aandelen van deze vennootschappen daarom apart moeten worden gewaardeerd. Daarom zal de te benoemde deskundige opdracht worden gegeven om de waarde van de aandelen in de volgende vennootschappen vast te stellen:
- -
[bedrijfsnaam 1] .;
- -
[bedrijfsnaam 2] B.V.;
- -
[bedrijfsnaam 3] B.V.
De man en de vrouw hebben de gelegenheid gekregen om te reageren op de door de rechtbank voorgestelde aan de deskundige te stellen vragen. Zowel de man als de vrouw hebben suggesties gedaan tot aanvullingen op deze vragen. De rechtbank zal hierna ingaan op de suggestie die niet zal worden overgenomen. De overige suggesties zullen wel worden overgenomen.
De vraag die de man aan de deskundige wil stellen in welke mate de vennootschappen verhaal bieden voor de vorderingen die de heer [naam] heeft op een of meerdere vennootschappen, valt buiten het bestek van deze procedure en zal daarom niet worden voorgelegd aan de deskundige.
De rechtbank zal de te benoemen deskundige opdracht geven de vragen zoals hierna vermeld, te beantwoorden.
1. Wat is per peildatum 1 april 2024 de reële waarde in het economisch verkeer van de aandelen in de volgende vennootschappen, (inclusief eventueel daarvan deel uitmakende deelneming(en)):
- -
[bedrijfsnaam 1] .;
- -
[bedrijfsnaam 2] B.V.;
- -
[bedrijfsnaam 3] B.V.
2. Zijn de deskundige tijdens het onderzoek nog andere zaken gebleken die van belang kunnen zijn voor de beoordeling?
Voorschot deskundige
De rechtbank heeft de man en de vrouw verzocht zich uit te laten over de betaling van het voorschot van de deskundige. De man stelt zich op het standpunt dat het ieder de helft van het voorschot van de deskundige moet betalen, omdat partijen in identieke financiële situaties verkeren en er daarom geen reden is om onderscheid tussen partijen te maken. De vrouw is van mening dat de man de kosten van de deskundige voor zijn rekening moet nemen althans dat hij deze kosten moet voorschieten en dat de vrouw op een later moment de helft van deze kosten aan de man zal vergoeden. De man werkt volgens de vrouw niet mee aan de uitvoering van de echtscheidingsbeschikking als gevolg waarvan het vermogen niet door verkoop aan een derde liquide kan worden gemaakt. Daardoor beschikt de vrouw niet over vermogen. Omdat de vrouw geen inkomen heeft en geen geld kan lenen, verkeert zij in de onmogelijkheid om mee te betalen aan de kosten van de deskundige. De man is volgens de vrouw wel financieel in staat de kosten van de deskundige te betalen althans voor te schieten, omdat hij tegen betaling werkzaamheden verricht, in staat is om gelden vrij te maken uit zijn vennootschappen en dit bovendien in redelijkheid van de man kan worden verlangd, zeker omdat de man bewust niet wil meewerken aan de uitvoering van de wijze van verdeling zoals in de echtscheidingsbeschikking is vastgesteld.
De rechtbank is van oordeel dat de man de meest gerede partij is om gelden vrij te maken ten behoeve van de betaling van het voorschot van de deskundige. Hij is immers degene die tijdens het samenzijn van partijen verantwoordelijk was voor de financiën en het inkomen. Ook is hij nog zakelijk actief zodat in het kader van zijn vennootschappen. De vrouw heeft weinig tot geen actieve bronnen van inkomen. Daarom bepaalt de rechtbank dat de man het voorschot van Van Hoeven moet betalen. De rechtbank zal in de eindbeschikking een definitieve beslissing zal nemen over de betaling van de kosten van de deskundige.
Beslissing
De rechtbank:
*
beveelt een onderzoek door na te noemen deskundige, waarbij een oordeel gevraagd wordt over het volgende:
1. Wat is per peildatum 1 april 2024 de reële waarde in het economisch verkeer van de aandelen in de volgende vennootschappen, (inclusief eventueel daarvan deel uitmakende deelneming(en)):
- -
[bedrijfsnaam 1] .;
- -
[bedrijfsnaam 2] B.V.;
- -
[bedrijfsnaam 3] B.V.
2. Zijn de deskundige tijdens het onderzoek nog andere zaken gebleken die van belang kunnen zijn voor de beoordeling?
* 1 121 Rv Behalve m.b.t. het bloedonderzoek –daarover staat al een en ander vast- worden ter terechtzitting aan partijen 3 vragen gesteld: Voorstellen te doen over aantal en persoon van de te benoemen deskundige [n], en opmerkingen te maken cq voorstellen te doen over de te formuleren vragen.
benoemt als deskundige J.B.M. van Hoeven van Farijs Management & Advies, kantoorhoudende te Rumpt;
bepaalt dat de deskundige partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen. De deskundige zal hiervan, alsmede van de inhoud van die opmerkingen en verzoeken en van zijn eventuele reactie daarop, in zijn schriftelijk bericht doen blijken. Indien een partij schriftelijke opmerkingen aan de deskundige doet toekomen, zal deze partij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij verstrekken; 2 223 lid 5 Rv
bepaalt dat de advocaat van de man 3 Ieder der partijen of één partij? Uit overleg rechter & secretaris. binnen drie weken na deze beschikking4 Is door de rechtbank gesteld termijn. aan genoemde deskundige een afschrift van alle in deze beschikking genoemde jaarstukken zal toesturen 5 Beleid.;
*
bepaalt dat de deskundige zijn werkzaamheden pas behoeft aan te vangen nadat de man6 182 lid 2 Rv. In. beginsel verzoekende partij, maar rechter kan anders bepalen. een voorschot ter grootte van € 15.600,-7 Bij behandeling ter terechtzitting: -aan partijen voorleggen dat deskundige het onderzoek pas aanvangt na storting door (een/ieder der) partijen -in de beschikking aan te wijzen- van een voorschot –met partijen het maximum voorscht bespreken. Na de zitting neemt de gerechtsecretaris telefonisch contact op met de deskundige om te vragen of de deskundige bereid id het onderzoek te verrichten en wat de begrote kosten zijn. Indien het kosten met partijen besproken maximum overschrijden moet nader (telefonisch) overleg met partijen plaatsvinden., te vermeerderen met het geldende BTW-tarief aan omzetbelasting van 21%, heeft gedeponeerd – zulks als voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek – en de griffier de deskundige van de ontvangst daarvan op de hoogte heeft gesteld;
ter voldoening van het genoemde voorschot zal de man een factuur ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR). De man dient het factuurbedrag binnen drie weken na ontvangst van deze factuur te voldoen;
bepaalt dat de deskundige de rechtbank zal verzoeken om vaststelling van een nader voorschot indien en zodra hem in de loop van het onderzoek blijkt dat dit meer gaat kosten dan het hiervoor bepaalde voorschot. Beide partijen dienen zich uit te laten over de hoogte van het door de deskundige verzochte nadere voorschot, waarna ter zake een beschikking zal volgen;
bepaalt dat indien het voorschot niet tijdig wordt voldaan, de wederpartij van degene die het voorschot niet betaalt na sommatie van de niet betalende partij de rechtbank kan verzoeken een beschikking te geven;
bepaalt dat de deskundige zijn schriftelijk, gemotiveerd10 224 lid 1 Rv. en ondertekend11 223 lid 3 RV. rapport, vergezeld van zijn declaratie, zal zenden naar de griffier van deze rechtbank, team Familie,
Postbus 20302, 2500 EH Den Haag, uiterlijk vier maanden na ontvangst van het voorschot; 12 223 lid 3 Rv.
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt; 13 221 Rv.
*
houdt iedere verdere beslissing - ook ten aanzien van de kosten van het deskundigenonderzoek - aan tot 1 september 2024 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, mr. C. de Jong-Kwestro en mr. E.D.A. Geleijns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 april 2024. |
Uitspraak 25‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verdeling van de huwelijksgemeenschap, waaronder chateau met bijbehorend industriepand in Frankrijk. Voor wat betreft de verdeling van de aandelen wordt de zaak aangehouden, omdat de waarde van de aandelen nog niet kan worden vastgesteld. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de deskundige en de te stellen vragen. Verzoek tot partneralimentatie afgewezen op grond van het Engelse recht, vanwege de te verwachten verkoopopbrengst van het chateau.
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 22-4727 (echtscheiding) en FA RK 23-920 (huwelijksvermogen)
Zaaknummer: C/09/632615 (echtscheiding) en C/09/642443 (huwelijksvermogen)
Datum beschikking: 25 juli 2023
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 14 juli 2022 ingekomen verzoek van:
[naam 1] ,
de man,
wonende in [woonplaats] , Frankrijk,
advocaat: mr. S. Smeets te Venlo.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[naam 2] ,
de vrouw,
wonende in Groot-Brittannië,
advocaat: mr. L. Berghuis-Knijff en mr. S.C.A. Thijssen te Utrecht.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- -
het verzoekschrift;
- -
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek tevens houdende wijziging verzoeken alsmede zelfstandige verzoeken;
- het verweer op de zelfstandige verzoeken tevens gewijzigde c.q. vermeerderde verzoeken;
- het F9-formulier van 9 juni 2023 met bijlagen, van de man;
- het F9-formulier van 12 juni 2023 houdende wijziging verzoeken, met bijlagen, van de vrouw;
- de brief 16 juni 2023 van de man;
- de brief van 19 juni 2023 van de vrouw;
- het F9-formulier van 19 juni 2023 van de man met aanvullend verzoek en bijlagen.
Op 20 juni 2023 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- -
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- -
de vrouw, bijgestaan door haar advocaten.
Door de advocaten van de man en de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum huwelijk] 2017 te [huwelijksplaats] , gemeente [gemeente] .
- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man zoals dat na wijziging c.q. aanvulling luidt, strekt – naar de rechtbank begrijpt – tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
Primair
A. Te verklaren voor recht en/of te bepalen dat het Franse recht van toepassing is op het
huwelijksgoederenregime;
B. Te verklaren voor recht en/of te bepalen dat de goederen als genoemd onder de randnummers 33 a tot en met e van het verweerschrift op zelfstandig verzoek tevens houdende wijziging verzoeken alsmede zelfstandige verzoeken niet in enige gemeenschap van goederen vallen en aan te man toebehoren;
C. Te bepalen dat de goederen genoemd onder 34 g, j en k dienen te worden verkocht aan een derde, waarna de opbrengst wordt aangewend voor de voldoening van eventuele schulden van partijen en/of een der partijen, en/of waarna de opbrengst bij helfte gedeeld wordt.
Subsidiair
A. Te bepalen dat de goederen genoemd onder 34 f, g, h, j en k verkocht en geleverd dienen te worden aan een derde, waarna de opbrengst wordt aangewend ter aflossing van de schulden van partijen dan wel een der partijen en/of de (resterende) opbrengst bij helfte wordt gedeeld;
B. Te bepalen dat de onder randnummer 40 genoemde schulden bij helfte worden gedeeld;
C. Te bepalen dat aan de man worden toebedeeld de aandelen in de holding;
D. Te bepalen dat de saldi van de bankrekeningen van alle bankrekeningen van partijen op de peildatum, bij helfte gedeeld worden;
Te bepalen dat de vrouw is gehouden de eigenaarslasten van het onroerend goed vanaf het moment van indiening verzoek echtscheiding bij helfte te voldoen, waaronder de hypothecaire lasten, kosten tuinonderhoud, kosten huishouding en belastingen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw na wijziging c.q. aanvulling, zelfstandig verzocht om:
A. tussen partijen, op [datum huwelijk] 2017 in [huwelijksplaats] in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, de echtscheiding uit te spreken;
B. bij tussenbeschikking te bepalen dat de man in het geding dient te brengen:
- een organogram per de datum van indiening van dit verzoekschrift met onderliggende bewijsstukken waaruit blijkt in welke vennootschappen hij (middellijk) de aandelen houdt;
- de jaarstukken van de bedrijven waar de man (middellijk) aandelen in houdt over de jaren 2019, 2020, 2021 en 2022 en voor zover deze nog niet gereed zijn de voorlopige cijfers van die jaren;
- een gedocumenteerd vermogensoverzicht inhoudende alle activa en passiva van de gemeenschap van goederen per de datum van indiening van dit verzoekschrift;
- fiscale aangiftes en aanslagen over 2019, 2020 en 2021;
- de leveringsakten van het tijdens het huwelijk verkocht en tot de gemeenschap behorend onroerend goed met nota's van afrekening;
- een overzicht van alle vorderingen op bedrijven verband houdend met investeringen door de man/partijen in deze bedrijven met onderliggende stukken per datum indiening;
- overig deugdelijk bewijs waaronder jaaropgaves, bewijs van de dividendinkomsten of daarmee vergelijkbare inkomsten betrekking hebbend op de jaren 2019 tot en met 2022;
C. te bepalen dat de man een bedrag van € 12.508,- per maand met ingang van de datum van indiening van dit verzoek dient bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw;
D. te bepalen dat de waarde(n) in het economisch verkeer van de aandelen in de [bedrijf 1] . en de overige B.V.'s waarvan de man aandeelhouder is, worden bepaald door een door de rechtbank te benoemen deskundige;
E. de wijze van verdeling van het chateau, [adres] in [plaats] te gelasten
op de wijze zoals opgenomen in sub 5 van de brief van de vrouw van 12 juni 2023 althans op zodanige wijze als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren,
en de wijze van verdeling van het Industriepand en bijbehorende garages (genaamd [naam industriepand]
) [adres] in [plaats] te gelasten op de wijze zoals opgenomen
in sub 34 van het verweerschrift op zelfstandige verzoeken van 30 januari 2023 althans
op een zodanige wijze als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
F. ten aanzien van de navolgende vermogensbestanddelen van de huwelijksgoederen-gemeenschap de verdeling als volgt vast te stellen:
- de inboedelgoederen die staan vermeld op de als productie 17 overgelegde lijst toe te delen aan de vrouw, onder betaling van de helft van de waarde aan de man en de overige inboedelgoederen te verkopen aan een derde, waarbij ieder der partijen de helft van de
opbrengst toekomt;
- de saldi van de bankrekeningen van de man toe te delen aan de man, onder betaling van de helft van de saldi per peildatum aan de vrouw;
- het saldo van de bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] van de vrouw toe te delen aan de vrouw, onder betaling van de helft van het saldo per peildatum aan de man;
- de juwelen met een waarde van € 158.824,- aan de vrouw toe te delen, onder betaling van de helft van deze waarde aan de man;
- de horloges van de man te verkopen aan een derde waarbij de verkoopopbrengst bij helfte tussen partijen wordt gedeeld;
- de Mini Cooper aan de vrouw toe te delen, onderbetaling van de helft van de waarde van€ 13.044, te weten € 6.522,- aan de man;
- de Range Rover, Chevrolet Captiva ( [kenteken 1] ), Toyota Landcruiser ( [kenteken 2] ), aanhanger ( [kenteken 3] ), aanhanger ( [kenteken 4] ) en de tractoren en (houtwerkplaats)machines die staan vermeld op de als productie 7 overgelegde lijst te verkopen aan een derde waarbij de verkoopopbrengst bij helfte tussen partijen wordt gedeeld;
- primair de aandelen in [bedrijf 2] voor een bedrag van € 4.973.249,62 aan de man toe te delen onder betaling van de helft van deze waarde van deze aandelen, aan de vrouw
en te bepalen dat aandelen in [bedrijf 1] en overige B.V.'s van de man aan de man worden toegedeeld tegen de door de rechtbank te benoemen deskundige vastgestelde waarde, onder betaling van de helft van deze waarden aan de vrouw;
- de vorderingen die verband houden met de door de man afgesloten leningen met de heer [naam 3] welke zijn geïnvesteerd in B.V.’s ter hoogte van een nader te bepalen (na verstrekking van de verzochte gegevens door de man) bedrag van € 952.326,55 + PM aan de man toe te delen tegen een vergoeding van de helft van de hoogte van deze vorderingen aan de vrouw;
- de overige vorderingen van de man op B.V. 's en de crediteuren in Thailand aan de man toe te delen tegen een vergoeding van de helft van de hoogte van deze vorderingen aan de vrouw;
G. de verdeling van de overige nog onbekende vermogensbestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen op basis van een nader door de vrouw in te dienen verzoek;
H. te verklaren voor recht dat tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoren die gedeelten van de navolgende schulden uit hoofde van de geldleningen met de heer [naam 3] die de man in de onderlinge verhouding tot [bedrijf 3] aangaan (dus 50% van de totale schulden):
- Geldlening van 27 september 2021 van € 250.000,-- tussen de heer [naam 3] en [bedrijf 3] en de man;
- Geldlening van 3 december 2021 van € 195.000,-- tussen de heer [naam 3] en [bedrijf 3] en de man;
- Geldlening van 15 december 2021 van € 50.000,-- tussen de heer [naam 3] en [bedrijf 3] en de man;
- Geldlening van 10 januari 2022 van € 1.189.898,-- tussen de heer [naam 3] en [bedrijf 3] en de man;
- Geldlening van 26 januari 2022 van € 165.000,-- tussen de heer [naam 3] en [bedrijf 3] en de man;
- Geldlening van 28 februari 2022 van € 155.000,-- tussen de heer [naam 3] en [bedrijf 3] en de man,
vermeerderd met de hierover verschuldigde en niet voldane rente tot de peildatum en minus de aflossingen gedaan voor de peildatum, en
primair
te verklaren voor recht dat de man op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid ex art. 1:100 BW, geheel draagplichtig is voor bovenstaande schulden en te bepalen dat de vorderingen zoals vermeld onder sub F een na laatste streepje van dit petitum te weten de vorderingen die verband houden met de door de man afgesloten leningen met de heer [naam 3] welke zijn geïnvesteerd in B.V. 's ter hoogte van een nader te bepalen (na
verstrekking van de verzochte gegevens door de man) bedrag van € 952.326,55 + PM, zonder nadere verrekening met de vrouw aan de man worden toegedeeld, dan wel
subsidiair
te verklaren voor recht dat de man bovenstaande schulden dient te voldoen als eigen schulden en een regresvordering heeft op de vrouw voor zover deze schulden door hem worden voldaan welke regresvorderingen verrekend worden met de aan de man toe te delen vorderingen zoals vermeld onder sub F een na laatste streepje van dit petitum te weten de vorderingen die verband houden met de door de man afgesloten leningen met de heer [naam 3] welke zijn geïnvesteerd in B.V. 's ter hoogte van een nader te bepalen (na verstrekking van de verzochte gegevens door de man) bedrag van € 952.326,55 + PM, zodat er ten aanzien van deze schulden en vorderingen per saldo niets meer te verrekenen is.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.
Echtscheiding
Rechtsmacht
Nu beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.
Toepasselijk recht
De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De man en de vrouw hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat het over en weer gedane verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond zal worden toegewezen.
Huwelijkse vermogen
Rechtsmacht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Toepasselijk recht
De man en de vrouw stellen zich beiden op het standpunt dat Nederlands recht van toepassing is.
De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat de man en de vrouw vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. Op grond van artikel 4 lid 2 onder 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Nederlandse recht, als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten, nu Nederland de in artikel 5 van genoemd verdrag bedoelde verklaring heeft afgelegd en de werking daarvan niet door het tweede lid van dat artikel is uitgesloten.
Inhoudelijke beoordeling
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (zoals deze golden tot 1 januari 2018) moet worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:100 BW bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 14 juli 2022, zijnde de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen opgevoerd die (eventueel) in de verdeling dienen te worden betrokken:
Chateau te [plaats] , Frankrijk;
Industriepand [naam industriepand] in Frankrijk;
Inboedel in Frankrijk;
Bank- en spaarrekeningen;
Horloges en sieraden;
Auto’s, aanhangers, tractoren en (hout)werkmachines;
Aandelen;
Vorderingen;
Schulden.
a. a) Chateau te [plaats] , Frankrijk
De vrouw verzoekt te bepalen dat het chateau te [plaats] , Frankrijk (hierna: het chateau) wordt verkocht en verdeeld op de wijze zoals door haar omschreven. De man kan deels akkoord gaan met de door de vrouw voorgestelde wijze van verdeling. Hij is het er mee eens dat het chateau wordt verkocht. Hij stelt echter voor dat niet de verkopend makelaar, maar een onafhankelijke taxateur bepaalt wat de vraag- en laatprijs zal zijn. De man verzoekt daarnaast om te bepalen dat met de opbrengst van de verkoop van het chateau eerst alle schulden gemeenschappelijke schulden worden afgelost en dat daarna het restant van de opbrengst bij helfte wordt gedeeld.
Partijen hebben op de zitting een aantal afspraken gemaakt over de verkoop van het chateau. Zij hebben afgesproken dat het chateau zal worden verkocht door makelaarskantoor [makelaarskantoor 1] ( [makelaarskantoor 1] ), in eerste instantie voor een vraagprijs van€ 25 miljoen en een laatprijs van € 20 miljoen. Indien het chateau na zes maanden in de verkoop te hebben gestaan bij [makelaarskantoor 1] nog niet is verkocht, mag de vrouw bepalen of en tot welk bedrag de vraag- en/of laatprijs moet(en) worden aangepast mits de vraag- en de laatprijs niet lager zijn dan € 11 miljoen. De rechtbank zal gelet op de stellingen en voorstellen van partijen over en weer bepalen dat het chateau wordt verkocht op de wijze als vermeld in het dictum.
Daarnaast zal de rechtbank het verzoek van de man om te bepalen dat met de verkoopopbrengst van het chateau eerst de schulden van partijen moeten worden afgelost toewijzen voor zover het de (hierna te bepalen) schulden betreft die tot de huwelijksgemeenschap behoren. De vrouw wordt hierdoor immers niet in haar belangen geschaad.
b) Industriepand [naam industriepand] in Frankrijk
Partijen hebben beiden verzocht om het industriepand [naam industriepand] in Frankrijk (hierna: [naam industriepand] ) te verkopen aan een derde. De man heeft ingestemd met de door de vrouw voorgestelde wijze van verkoop. De rechtbank zal beslissen dat [naam industriepand] zal worden verkocht op de wijze als vermeld in het dictum.
De rechtbank zal het verzoek van de man om te bepalen dat met de verkoopopbrengst van van [naam industriepand] eerst de schulden van partijen moeten worden afgelost en dat daarna het eventuele restant van de opbrengst bij helfte wordt gedeeld toewijzen voor zover het de (hierna te bepalen) schulden betreft die tot de gemeenschap behoren. De vrouw wordt hierdoor niet in haar belangen geschaad.
c) Inboedel chateau
Op de zitting hebben partijen deels overeenstemming bereikt over de inboedel. Partijen zijn het erover eens dat de goederen die de vrouw blijkens haar productie 17 wenst toegedeeld te krijgen, aan haar kunnen worden toegedeeld, onder verrekening van de helft van de waarde met de man. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. De rechtbank zal daarbij bepalen dat een taxateur de waarde van deze goederen inclusief de goederen die de vrouw al naar Engeland heeft meegenomen zal moeten taxeren. De vrouw zal daartoe drie veilinghuizen in Frankrijk voorstellen, waaruit de man er één mag kiezen. Deze zal de waarde van alle goederen die de vrouw toegedeeld wenst te krijgen bindend vaststellen.
Met betrekking tot de overige inboedel zal de rechtbank bepalen dat de vrouw 25 goederen mag kiezen die per direct verkocht mogen worden en dat de verkoopopbrengst daarvan bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld, zodat er liquide middelen vrijkomen waarmee de man en de vrouw in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Deze goederen dienen door hetzelfde veilinghuis te worden getaxeerd. De inboedel die daarna nog in het chateau aanwezig is dient eveneens te worden verkocht, al dan niet tezamen met het chateau. De inboedel die niet tezamen met het chateau wordt verkocht dient getaxeerd te worden door hetzelfde Franse veilinghuis dat de voormelde 25 inboedelgoederen heeft verkocht. Partijen dienen de opbrengst bij helfte te delen. Alle taxatiekosten worden bij helfte gedeeld.
Het verzoek van de man om te bepalen dat met de opbrengst van de verkoop van de inboedel eerst alle gemeenschappelijke schulden moeten worden afgelost, zal de rechtbank – voor zover het gaat om de onderlinge verhoudingen van partijen – afwijzen. De man heeft immers ter zitting gesteld dat er geen inkomensbronnen meer zijn voor het levensonderhoud van partijen. Ter zitting is door de vrouw voorgesteld dat partijen in de komende periode met de verkoopopbrengst ieder in hun eigen levensonderhoud zullen voorzien. De rechtbank ziet hierin een gewichtige reden als bedoeld in artikel 1:179 lid 1 BW.
Uit de akten van geldlening blijkt dat de man en [bedrijf 3] geld hebben geleend van de heer [naam 3] ( [naam 3] ). De man heeft tot zekerheid voor de nakoming door de man en [bedrijf 3] van hun verplichtingen voortvloeiend uit de akten van geldlening ten genoegen van [naam 3] een recht van hypotheek (met de daarbij behorende pandrechten) gevestigd op het chateau. Alle (hierna te bepalen) schulden die tot de gemeenschap behoren, hebben de heer [naam 3] als schuldeiser. De verkoopopbrengst van het chateau is ruimschoots toereikend voor zowel de aflossing van de schulden die naar het oordeel van de rechtbank tot de gemeenschap behoren als de schulden die niet tot de gemeenschap behoren. Daarom is er geen sprake van een dringende noodzaak om de gemeenschapsschulden (deels) al eerder af te lossen vanuit de verkoopopbrengst van overige gemeenschapsgoederen zoals de inboedel. Daarnaast weegt het gezamenlijk belang van partijen om in de periode tot aan de verkoop van het chateau elk met de helft van de verkoopopbrengst van de inboedel in het eigen levensonderhoud te voorzien zwaarder dan het door de man gestelde en door de vrouw gemotiveerd betwiste belang bij eerdere (gedeeltelijke) aflossing van de gemeenschapsschulden uit de verkoopopbrengst van de inboedel.
d) Bank- en spaarrekeningen;
Partijen zijn het er over eens dat de bank- en spaarrekeningen moeten worden toegedeeld aan degene op wiens naam deze staan, onder de verplichting om de helft van de saldi per peildatum (14 juli 2022) aan de ander te voldoen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Het gaat daarbij in ieder geval om de volgende rekeningen:
- een bankrekening bij [bank 1] met IBAN nr. [ibannr. 1] op naam van de man;
- een bankrekening bij [bank 2] met IBAN nr. [ibannr. 2] op naam van de man;
- een bankrekening met nummer [ibannr. 3] op naam van de vrouw.
De rechtbank kan gelet op overgelegde de stukken en de stellingen over en weer niet met zekerheid vaststellen of er nog meer rekeningen zijn. Voor zover er nog meer rekeningen op naam van een van partijen zijn, dienen de saldi daarvan eveneens bij helfte tussen partijen te worden verdeeld.
Voor zover er nog sprake is van een gezamenlijke rekening dient deze te worden opgeheven, onder verdeling bij helfte van het saldo op de peildatum.
De man voert nog aan dat bij een verdeling van de saldi op de peildatum de vrouw ook de helft van de eigenaarslasten van het chateau van € 30.000,- per maand moet voldoen vanaf het moment van indienen van het verzoekschrift. De man heeft hiertoe ook een aanvullend verzoek ingediend. Dit verzoek zal hieronder worden besproken.
e) Horloges en sieraden
De vrouw wenst dat haar sieraden voor een getaxeerde waarde van € 158.824,- aan haar worden toegedeeld, omdat deze voor haar een emotionele waarde hebben, onder betaling van de helft van deze waarde aan de man. De horloges van de man moeten volgens haar worden verkocht. De opbrengst moet bij helfte worden gedeeld.
De man stelt zich op het standpunt dat de sieraden en de horloges verkocht moeten worden. Met de opbrengst van de sieraden kan een gedeelte van de schulden worden afgelost. Wanneer dat niet nodig blijkt omdat de schulden al kunnen worden afgelost met de opbrengst van het chateau, kan een toedeling plaatsvinden, zoals verzocht door de vrouw. De man betwist de getaxeerde waarde.
De rechtbank zal de sieraden van de vrouw in beginsel aan haar toedelen, omdat deze voor haar een emotionele waarde hebben. Deze moeten wel opnieuw worden getaxeerd, omdat het een eenzijdige taxatie betreft in opdracht van de vrouw en de man de getaxeerde waarde voldoende gemotiveerd heeft betwist. De vrouw zal hiertoe drie taxateurs voorstellen, waaruit de man er één zal kiezen. De rechtbank zal de sieraden daarom in beginsel toedelen aan de vrouw, onder de verplichting tot betaling van de helft van de waarde aan de man.
De rechtbank zal bepalen dat de horloges van de man in beginsel dienen te worden verkocht. De man dient de horloges te laten taxeren. De man moet hiertoe drie taxateurs voorstellen, waaruit de vrouw er één zal kiezen. Op de zitting heeft de man gesteld dat een deel van de horloges al is verkocht. Gebleken is dat de man nog ten minste één horloge in bezit heeft. Voor het deel van de horloges dat is verkocht, dient de man de helft van de opbrengst aan de vrouw te voldoen.
Daarbij overweegt de rechtbank dat partijen binnen een maand na de taxatie mogen aangeven of en zo ja, welke sieraden dan wel welk€ horloge(s) zij willen houden, onder verrekening van de helft van de getaxeerde waarde met de ander. Indien zij niet binnen een maand na de taxatie een keuze maken, zullen de sieraden en de horloges worden verkocht onder verdeling van de opbrengst bij helfte.
Het verzoek van de man om te bepalen dat met de opbrengst van de verkoop van de sieraden eerst alle schulden van de gemeenschap moeten worden afgelost, zal de rechtbank afwijzen. Zij verwijst hiertoe naar hetgeen hiervoor op dit punt onder ‘inboedel’ is overwogen.
f) Auto’s, aanhangers, tractoren en (houtwerk)machines
Partijen zijn het erover eens dat de Mini Cooper zal worden toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 13.044,-, onder betaling van € 6.522,- aan de man. Ook zijn partijen het erover eens dat de Range Rover, de Chevrolet, de Toyota Landcruiser, de twee aanhangers, de tractoren en de (houtwerkplaats)machines zullen worden verkocht, onder verdeling van de opbrengst bij helfte. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Het verzoek van de man om te bepalen dat met de opbrengst van de verkoop van de auto’s eerst alle schulden van de gemeenschap moeten worden afgelost, zal de rechtbank afwijzen. Zij verwijst hiertoe naar hetgeen hiervoor op dit punt onder ‘inboedel’ is overwogen.
g) Aandelen
De man verzoekt om de aandelen in [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) toe te delen aan de man, zonder verrekening, omdat deze aandelen geen waarde vertegenwoordigen. De man voert daartoe het volgende aan. De man is tien jaar geleden enorm in diskrediet gebracht door [bank 3] . Dit heeft enorme gevolgen gehad voor de goede naam van de man, waardoor hij sinds 2014 geen winst meer maakt. Uit de jaarrekening 2021 blijkt ook dat in de aan de holding gelieerde ondernemingen geen winst wordt gemaakt en dat het eigen vermogen ruim negatief is. Dit blijkt ook uit het feit dat er nu leningen worden afgesloten bij de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) om de lasten van het chateau te kunnen blijven voldoen. De man heeft ook aandelen in [bedrijf 1] Deze vertegenwoordigen ook geen waarde, omdat in deze B.V. enkel verplichtingen zitten. De man verzoekt om deze aandelen ook aan de man toe te delen, zonder verrekening.
De vrouw betwist dat de aandelen in [bedrijf 2] geen waarde vertegenwoordigen. Uit de jaarrekening 2021 blijkt dat er op 31 december 2021 een eigen vermogen was van€ 4.973.249,62. Zij verzoekt daarom om de aandelen in [bedrijf 2] voor deze waarde aan de man toe te delen, onder betaling van de helft van dit bedrag aan de vrouw. Daarnaast heeft de man nog aandelen in [bedrijf 4] en [bedrijf 5] Deze aandelen en aandelen in mogelijke andere B’V.'s dienen eveneens aan de man te worden toegedeeld onder betaling van de helft van de waarde van de aandelen aan de vrouw. Om de waarde te bepalen dient de rechtbank een deskundige te benoemen. De man heeft echter al voldoende mogelijkheid gehad om financiële stukken in het geding te brengen.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de man 90% van de aandelen in [bedrijf 2] houdt, en dat [bedrijf 2] aandelen houdt in onder andere [bedrijf 3] De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om
de waarde van de aandelen in [bedrijf 2] vast te stellen. De stelling van de man dat zijn aandelen in [bedrijf 2] geen waardevertegenwoordigen heeft hij onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan echter ook de vrouw niet volgen dat de aandelen moeten gewaardeerd op het bedrag van € 4.973.249,62. De rechtbank is daarom voornemens om een deskundige te benoemen om de waarde van die aandelen vast te stellen en om die deskundige in ieder geval de volgende vragen voor te leggen:
Wat is de reële waarde in het economisch verkeer van de aandelen in [bedrijf 2] ? (inclusief evt daarvan deel uitmakende deelneming(en)) per peildatum?
Maken [bedrijf 4] en [bedrijf 5] deel uit van [bedrijf 2] of moeten de aandelen hiervan apart gewaardeerd worden? Indien dit laatste het geval is: wat is de reële waarde in het economisch verkeer van deze aandelen?
Zijn de deskundige tijdens het onderzoek nog andere zaken gebleken die van belang kunnen zijn voor de beoordeling?
Bij de waardebepaling van de aandelen dient de deskundige zich enerzijds te baseren op de beschikbare jaarrekeningen van de afgelopen jaren (2020 tot en met 2022) en de voornaamste documenten en gegevens waarop deze jaarrekeningen zijn gebaseerd. Anderzijds wordt de deskundige verzocht bij zijn waardebepaling rekening te houden met eventueel andere gegevens of documenten die van substantiële invloed zouden kunnen zijn op de werkelijke waarde van de aandelen per de peildatum doch waarmee in de jaarrekeningen mogelijk niet, onvoldoende of slechts ten dele rekening is gehouden.
De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om te reageren op de aan de deskundige voor te leggen vragen en eventueel zelf vragen te formuleren die zij de deskundige willen voorleggen. Partijen wordt daarnaast verzocht zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige. Zij mogen daarbij ieder twee deskundigen noemen. Indien zij niet dezelfde deskundige(n) noemen zal de rechtbank een keuze maken. De kosten van de deskundige zullen in beginsel bij helfte door partijen moeten worden gedragen. Aan de deskundige zal vooraf een voorschot betaald dienen te worden. Partijen worden ook in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over wie het voorschot zal moeten betalen. In de eindbeschikking zal de rechtbank een definitieve beslissing nemen over de verdeling van deze kosten.
De man dient uiterlijk 1 oktober 2023 de jaarstukken van [bedrijf 2] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] van 2020, 2021 en 2022 in het geding te brengen, onderbouwd met stukken waaruit blijkt of [bedrijf 4] en [bedrijf 5] al dan niet apart moeten worden gewaardeerd. De man mag zich daarbij ook uitlaten over de hiervoor genoemde punten. De vrouw krijgt vervolgens vier weken de tijd om te reageren op de door de man overgelegde stukken en om zich uit te laten over de in de vorige alinea genoemde punten.
Hoewel de rechtbank met de vrouw van oordeel is dat de man de financiële stukken al eerder in het geding had moeten brengen, dan wel een verklaring van de accountant had moeten overleggen waarom de stukken nog niet beschikbaar waren, zal de rechtbank de man alsnog de gelegenheid geven om deze stukken in het geding te brengen. De rechtbank overweegt hiertoe dat ook indien de man de stukken eerder in het geding had gebracht, er voor de waardering van de aandelen een deskundige ingeschakeld had moeten worden. De procedure loopt daarom niet (onevenredig) veel vertraging op en vrouw niet is gebleken dat de vrouw hierdoor (onevenredig) in haar belangen is geschaad.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de afwikkeling van dit deel van het huwelijksvermogen aanhouden tot 1 november 2023.
h) Vorderingen
De man stelt zich op het standpunt dat de vorderingen die er zijn op de B.V.’s in de gemeenschap vallen en daarom moeten worden verdeeld. Het risico dat deze vorderingen niet inbaar zijn dient niet alleen voor rekening van de man te komen. Omdat het nog onduidelijk is in hoeverre de vorderingen inbaar zijn, verzoekt de man om de vorderingen onverdeeld te laten totdat het chateau is verkocht.
De vorderingen die de man heeft op debiteuren in Thailand zijn pas inbaar als de shopping mall waar de man in heeft geïnvesteerd, wordt verkocht. Deze dienen aan partijen, ieder voor de helft, te worden toegedeeld.
De vrouw voert aan dat de man samen met [bedrijf 3] geld heeft geleend van de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) tot een bedrag van € 952.326,55. De man heeft dit bedrag vervolgens geïnvesteerd in zijn ondernemingen. De gemeenschap heeft daarom vorderingen op die ondernemingen van ten minste € 952.326,55. De exacte omvang van de vorderingen is de vrouw niet bekend. De vrouw verzoekt de vorderingen op debiteuren in Thailand aan de man toe te delen, onder vergoeding van de helft van de waarde van de vorderingen aan de vrouw.
De rechtbank overweegt als volgt. Niet is komen vast te staan of en zo ja, in hoeverre, de leningen bij [naam 3] zijn aangewend voor investeringen in de ondernemingen van de man. Evenmin is komen vast te staan dat de man (hiermee) vorderingen heeft op die ondernemingen. Voor zover zou komen vast te staan dat de man vorderingen heeft op (één of meerdere van) zijn ondernemingen, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze, zoals de vrouw voorstelt, toe te delen aan de man met vergoeding van de helft van de hoogte van de vordering aan de vrouw. Daardoor zou immers incassorisico volledig bij de man liggen.
Voor de vorderingen op debiteuren in Thailand geldt eveneens dat niet is komen vast te staan of en in hoeverre deze vorderingen inbaar zijn. De rechtbank vindt het ook voor deze vorderingen niet redelijk wanneer het incassorisico alleen bij de man zou komen liggen.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te bepalen dat de vorderingen nog onverdeeld moeten blijven tot de verkoop van het chateau. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden hoe bij de verkoop van het chateau kan blijken in hoeverre de vorderingen al dan niet inbaar zijn en waarom dit van invloed moet zijn op de verdeling van de vorderingen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vorderingen op de ondernemingen van de man bij helfte verdelen in die zin dat aan ieder der partijen de helft van de vorderingen wordt toegedeeld. Voor de man in privé nog andere vorderingen op andere entiteiten of rechtspersonen heeft vallen deze in de gemeenschap, zodat ook deze aan ieder van partijen voor de helft toekomen.
i. i) Schulden
De man voert het volgende aan. Partijen hebben schulden ten bedrage van € 6.651.049,69, omdat zij (hoofdelijk, samen met een medeschuldenaar) leningen zijn aangegaan bij [naam 3] . Verder zijn er nog leningen bij één van de (al dan niet aan [bedrijf 2] gelieerde) ondernemingen van de man ter hoogte van € 5.105.000,00, die eveneens zijn aan te merken als gemeenschapsschuld. Deze schulden dienen door partijen gezamenlijk te worden afgelost. Voor de door de vrouw onder H van haar verzoek genoemde leningen is de man hoofdelijk aansprakelijk, zodat deze leningen voor 100% in de gemeenschap vallen. Als de man de leningen in zijn geheel zou aflossen, ontstaat mogelijk wel een vordering op de medeschuldenaar. De vrouw maakt wel aanspraak op de helft van de activa van de gemeenschap, maar wil niet draagplichtig zijn voor de gemeenschapsschulden. De vrouw weet dat de leningen ook zijn aangegaan om in het levensonderhoud van partijen te voorzien. De man is bezig met het verzamelen van de originele overeenkomsten bij [naam 3] , maar deze zijn nog niet allemaal ontvangen. De door de vrouw ten onrechte niet meegenomen lening van 1 september 2020 is ondergebracht in de akte van geldlening van 10 januari 2022 waarvoor de man hoofdelijk aansprakelijk is. De leningen van 6 februari 2020, 24 februari 2020 en 10 januari 2022 zijn aangegaan door B.V.’s van de man. Ter garantstelling van deze leningen is een recht van hypotheek gevestigd op het chateau. Alle leningen moeten worden afgelost bij verkoop van het chateau.
De vrouw voert aan dat de man voldoende heeft aangetoond dat er gemeenschapsschulden zijn tot een bedrag van € 952.326,55. Het gaat om leningen die de man met toestemming van de vrouw is aangegaan bij [naam 3] ten behoeve van zijn ondernemingen. Volgens de vrouw is er in dit geval aanleiding tot afwijking van het uitgangspunt dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor deze schuld. De vrouw heeft op geen enkele wijze meegeprofiteerd van de bestedingen die linea recta in [bedrijf 3] zijn geïnvesteerd. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat zij draagplichtig is voor de helft van deze schulden, mede gelet op de vorderingen die de man op de B’V.'s heeft en die aan hem kunnen worden toegedeeld. Subsidiair – voor het geval de vrouw wel voor de helft draagplichtig is voor deze schulden – verzoekt de vrouw om te bepalen dat de man deze schulden moet voldoen als eigen schuld, waarna hij een regresvordering heeft op de vrouw. Deze regresvordering moet dan worden verrekend met de aan de man toe te delen vorderingen op de ondernemingen. Er is dan ten aanzien van deze schulden en vorderingen per saldo niets meer te verrekenen.
De door de man gestelde geldlening van € 5.105.000,- dient buiten beschouwing te blijven, omdat het voor de vrouw niet bekend is wat dit is en de man dit ook onvoldoende heeft onderbouwd.
De rechtbank overweegt als volgt. Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.
In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.
De man en de vrouw zijn het erover eens dat de door de man op 29 juli 2022 en 30 augustus 2022 aangegane leningen van elk € 140.000,- geen gemeenschapsschulden zijn , omdat de man deze is aangegaan na de peildatum. De rechtbank zal deze dan ook buiten beschouwing laten.
De schulden/leningen die de man voor de peildatum is aangegaan en waar een akte van geldlening aan ten grondslag ligt en waar de vrouw ook voor heeft getekend zijn wel aan te merken als gemeenschapsschuld, te vermeerderen met de daarover verschuldigde rente en minus de daarop gedane aflossingen. Het gaat daarbij om de volgende schulden:
- de geldlening van 24 september 2021 van € 250.000,- tussen [naam 3] en [bedrijf 3] en de man;
- de geldlening van 3 december 2021 van € 195.000,- tussen [naam 3] en [bedrijf 3] en de man;
- de geldlening van 15 december 2021 van € 50.000,- tussen [naam 3] en [bedrijf 3] en de man;
- de geldlening van 10 januari 2022 van € 1.189.898,- tussen [naam 3] en [bedrijf 3] en de man;
- de geldlening van 26 januari 2022 van € 165.000,- tussen [naam 3] en [bedrijf 3] en de man;
- de geldlening van 28 februari 2022 van € 155.000,- tussen [naam 3] en [bedrijf 3] en de man,
ten bedrage van in totaal € 2.004.898,-.
Verminderd met de door de vrouw berekende en door de man niet betwiste aflossing van€ 100.244,90 bedraagt de totale schuld € 1.904.653,10. Zowel [bedrijf 3] als de man is hiervoor hoofdelijk aansprakelijk, zodat de man in beginsel draagplichtig is voor de helft van dit bedrag, te weten € 952.326,55. In de akten van geldlening staan geen afspraken vermeld in hoeverre het van [naam 3] geleende geld aan de man dan wel aan [bedrijf 3] ten goede zal komen. Het is de rechtbank niet bekend aan wie van deze medeschuldenaren en in welke mate de tegenwaarde van hun hoofdelijke schulden ten goede is gekomen. De rechtbank kan de onderlinge verhouding tussen de hoofdelijk verbonden medeschuldenaren niet kan worden vastgesteld. Daarom neemt de rechtbank aan dat de financiering beide medeschuldenaren aanging en wel in gelijke mate. Dit betekent dat in de interne verhouding tussen de man en [bedrijf 3] zowel de man als deze B.V. een bijdrageplicht heeft van 50% van € 1.904.653,10 ofwel
€ 952.326,55. Het voor rekening van de man komende bedrag van € 952.326,55 valt in de gemeenschap. De andere voor rekening van [bedrijf 3] komende 50% kan een rol spelen bij de waardering door de te benoemen deskundige van de aandelen in het kader van de verdeling van de aandelen van de onderneming [bedrijf 2] die aandelen houdt in [bedrijf 3]
De rechtbank zal geen rekening houden met de door de man gestelde leningen waar geen overeenkomst van geldlening aan ten grondslag ligt, althans welke overeenkomsten de man niet in het geding heeft gebracht of welke niet zijn ondertekend. De man heeft het bestaan van deze leningen onvoldoende onderbouwd. Dit geldt ook voor de lening van 10 januari 2022 ten bedrage van € 369.552,00. De man heeft geen ondertekende overeenkomst in het geding gebracht, althans het deel van de overeenkomst waaruit de ondertekening zou blijken ontbreekt, zodat de rechtbank deze lening niet mee zal nemen.
Ook de geldleningen van 29 april 2022 (ten bedrage van € 125.000,-) en van 30 juni 2022 (ten bedrage van € 140.000,-) zal de rechtbank buiten beschouwing laten. De man heeft weliswaar de dag voor de zitting de onderliggende aktes van geldlening overgelegd, maar de vrouw heeft hiertegen gemotiveerd bezwaar gemaakt. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat de man deze producties te laat in het geding heeft gebracht. Deze stukken waren immers al lang aanwezig, zodat de man deze al eerder in het geding had moeten brengen om ook de vrouw voldoende gelegenheid te geven om daarop te reageren. De man heeft dit – ondanks zijn eerdere aankondiging – nagelaten. Dit dient voor zijn rekening en risico te blijven. De rechtbank ziet daarom ook geen reden om de man in de gelegenheid te stellen om alsnog nadere stukken ten bewijze van deze (en andere) leningen in te dienen.
Ook zal de rechtbank geen rekening houden met de leningen die enkel zijn aangegaan door de ondernemingen van de man, omdat niet de man maar de onderneming de schuldenaar is Voor zover de man ter zake in privé een zekerheidsrecht heeft gevestigd, maakt hem dit niet tot (mede)schuldenaar.
De waarde van de goederen van de gemeenschap zijn toereikend om de schulden van de gemeenschap te voldoen. In deze situatie kan alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken van de regel dat de schulden van de gemeenschap door de (ex) echtgenoten ieder voor een gelijk deel moeten worden gedragen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet althans onvoldoende heeft gesteld dat sprake is van dergelijke zeer bijzondere omstandigheden. De vrouw was bekend met de hiervoor genoemde leningen met een totaalbedrag van € 1.904.653,10 die de man samen met [bedrijf 3] is aangegaan bij [naam 3] . Uit de akten van geldlening blijkt dat de vrouw toestemming aan de man heeft verleend om zich als hoofdelijk schuldenaar te verbinden en de vrouw van meet af aan op de hoogte is geweest van het bestaan van de bewuste lening.
Omdat de man in de interne verhouding met [bedrijf 3] draagplichtig is voor 50% van het totaalbedrag van € 1.904.653,10, oftewel € 952.326,55 is, zijn de man en de vrouw op hun beurt in hun onderlinge verhouding ieder draagplichtig voor de helft van laatstgenoemd bedrag, dus ieder voor € 476.163,28. De rechtbank zal bepalen dat ieder der partijen – voor wat betreft de schulden bij [naam 3] ten bedrage van € 1.904.653,10 – voor een bedrag van € 476.163,28 draagplichtig is.
Zoals de rechtbank hiervoor in het kader van de vorderingen reeds heeft overwogen kan de rechtbank niet vaststellen in hoeverre de door de man aangegane leningen bij [naam 3] zijn aangewend om te investeren in bedrijven en of er daardoor vervolgens één op één vorderingen zijn ontstaan van de man op die ondernemingen. Omdat de vorderingen voor de helft aan de vrouw worden toegedeeld, kan de rechtbank niet bepalen dat er per saldo niets meer te verrekenen valt. De rechtbank zal daarom ook het subsidiaire verzoek van de vrouw afwijzen.
De door de man gestelde lening van € 5.105.000,00 is door de vrouw gemotiveerd betwist. Gelet op deze betwisting had het op de weg van de man gelegen om het bestaan en de omvang van deze schuld nader te onderbouwen. Nu de man dit heeft nagelaten, zal de rechtbank met deze schuld geen rekening houden en het verzoek van de man in zoverre afwijzen.
Zoals de rechtbank hierboven al heeft overwogen dienen de schulden in eerste instantie te worden afgelost met de opbrengst van de verkoop van het chateau en van [naam industriepand] , zodat het daartoe strekkende verzoek van de man wordt toegewezen.
Aanvullend verzoek van de man met betrekking tot de eigenaarslasten
De man verzoekt de vrouw te veroordelen om de helft van de eigenaarslasten van het onroerend goed te voldoen vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift. De vrouw voert aan dat dit verzoek te laat is gedaan, zodat zij niet in staat is om daar adequaat op te reageren.
De rechtbank overweegt dat de man dit aanvullende verzoek op 19 juni 2023, te weten één dag voor de zitting heeft gedaan. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat dit verzoek daarom tardief is en dat de vrouw onvoldoende mogelijkheid heeft gehad om daar adequaat op te reageren. Ook heeft de man zijn verzoek in het geheel niet onderbouwd of gespecificeerd om welke specifieke bedragen het zou gaan. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom afwijzen.
Verzoek ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:
De vrouw verzoekt om te bepalen dat de man nog een groot aantal stukken in het geding moet brengen. Zij heeft erkend dat de man inmiddels een organogram heeft overgelegd. De man verzoekt de vordering van de vrouw deels toe te wijzen voor zover het betreft de jaarstukken van de verschillende ondernemingen en de fiscale aangiftes, en voor het overige af te wijzen.
De rechtbank overweegt dat hiervoor reeds is overwogen dat de man de jaarstukken van [bedrijf 2] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] van 2020, 2021 en 2022 in het geding moet brengen. De vordering zal in zoverre dus worden toegewezen. Voor zover het verzoek ziet op het overleggen van een organogram, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen, omdat de man dit reeds heeft overgelegd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw voor het overige aanhouden, waarbij de deskundige in het vervolg van de procedure dient te beoordelen welke stukken nog van belang zijn voor de waardering van de aandelen in de ondernemingen van de man.
Partneralimentatie
Rechtsmacht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het alimentatieverzoek.
Toepasselijk recht
De man en de vrouw hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat Engels recht van toepassing is op het verzoek tot partneralimentatie. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Engels recht toepassen, nu niet in geschil is dat de vrouw haar gewone verblijfplaats in Engeland heeft.
Inhoudelijke beoordeling
Naar Engels recht worden alimentatie, verdeling van het huwelijksvermogen en verdeling van pensioenen als totaalpakket aangemerkt. In geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding gaat de Engelse rechter over tot verdeling van inkomen en/of vermogen op grond van de Matrimonial Causes Act 1973 (hierna: MCA 1973). Iedere financiële rechtsbetrekking tussen de echtgenoten komt daarbij aan de orde. Een breed scala aan voorzieningen staat de rechter daarbij tot zijn beschikking. De rechter dient daarbij rekening te houden met een aantal wettelijke factoren, zoals neergelegd in artikel 25 MCA 1973. Geconfronteerd met de keuze welke beslissing dient te worden genomen, zal de rechter rekening moeten houden met artikel 25A(1) MCA 1973, de zogenaamde “clean break” bepaling. Aan de hand van deze bepaling probeert de rechter – voor zover mogelijk – een regeling te treffen waarbij partijen na de echtscheiding niet meer financieel afhankelijk zijn van elkaar. De beginselen “equality of division” en “fairness” spelen een grote rol evenals de beginselen “needs” en “sharing”. In zogenaamde “big money cases” zullen de aanwezige vermogensbestanddelen de behoefte van echtgenoten veelal overstijgen. De focus ligt dan op “sharing”. In dergelijke zaken is een “clean break” vaak mogelijk en ligt het op basis van de rechtspraak minder voor de hand om daarnaast een periodieke uitkering op te leggen. Voor zover dat wel het geval is, zal de rechter moeten beoordelen hoe vlot deze naar redelijkheid en billijkheid kan worden beëindigd.
De vrouw voert aan dat zij al meer dan 15 jaar niet heeft gewerkt. Zij is opgeleid als bibliothecaresse, maar heeft door het verloop van de tijd niet meer de juiste kwalificaties om diezelfde werkzaamheden te verrichten. Eind 2021 heeft de vrouw vier keer een workshop beeldhouwen gegeven. In haar huidige woning in Engeland heeft zij geen mogelijkheid om workshops te geven. De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat zij begrijpt dat zij geen aanspraak meer kan maken op partneralimentatie vanaf het moment dat het chateau wordt verkocht en zij daaruit de helft van de opbrengst zal verkrijgen, omdat zij daarmee voldoende financiële middelen heeft om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.
Ook de man voert aan dat – als het chateau in de gemeenschap van goederen valt – na de verkoop van het chateau en de aflossing van de schulden mogelijk sprake is van een aanzienlijke overwaarde, waarvan aan de vrouw de helft toekomt. Dat vermogen kan zij aanwenden voor investeringen, met welke opbrengst zij in haar levensonderhoud kan voorzien. Daarnaast kan de vrouw, gelet op de huidige krapte op de arbeidsmarkt, op zeer korte termijn zelf aan het werk. De man ontvangt enkel een AOW-uitkering en heeft geen draagkracht om partneralimentatie te betalen.
Zoals bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap is gebleken moet het chateau in Frankrijk worden verkocht en hebben partijen – na aflossing van de schulden en de verkoopkosten – ieder recht op de helft van de overwaarde. Aangezien dit waarschijnlijk om een aanzienlijk bedrag zal gaan, is de rechtbank, net als partijen, van oordeel dat beide partijen hiervan in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, zodat de vrouw dan geen behoefte meer heeft aan een bijdrage door de man.
Voor de periode tot aan de verkoop van het chateau overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw wordt in de gelegenheid gesteld om al voordat het chateau wordt verkocht 25 inboedelgoederen te laten taxeren en te verkopen. Partijen dienen de opbrengst hiervan bij helfte te verdelen. De vrouw heeft op de zitting erkend dat zij met dat geld voorlopig ook voldoende middelen heeft om in haar levensonderhoud te voorzien. Daarnaast is ook de opbrengst van een aantal andere goederen bestemd voor partijen om daarvan voorlopig in hun levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft daarom ook totdat het chateau is verkocht geen behoefte aan een bijdrage door de man.
Gelet op het voorgaande bestaat er naar Engels recht daarom geen grond om een (voorlopige) partneralimentatie vast te stellen. Partijen zullen na de echtscheiding hoe dan ook niet meer financieel afhankelijk zijn van elkaar. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum huwelijk] 2017 te [huwelijksplaats] , gemeente [gemeente] ;
*
beslist in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als volgt:
met betrekking tot het onroerend goed, gelegen aan de [adres] in [plaats] , Frankrijk (het chateau):
*het chateau wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
bepaalt dat partijen binnen twee weken makelaarskantoor [makelaarskantoor 1] ( [makelaarskantoor 1] ) berichten dat gezamenlijk de opdracht wordt gegeven tot verkoop van het chateau;
bepaalt de initiële vraagprijs op € 25 miljoen en de initiële laatprijs op € 20 miljoen;
bepaalt dat de vraagprijs enkel met toestemming van beide partijen kan worden verlaagd;
bepaalt dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene(n) die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van het chateau de beste mogelijke prijs is; in het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit naar beste weten en bindend kunnen bepalen;
bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan verkoop en levering van het chateau;
bepaalt dat – indien het chateau na zes maanden in de verkoop te hebben gestaan bij [makelaarskantoor 1] nog niet is verkocht – de vrouw mag bepalen of de vraag- en/of laatprijs moet(en) worden aangepast zolang de vraag- en de laatprijs maar niet lager zijn dan € 11 miljoen;
bepaalt dat aan partijen – na aflossing van de gemeenschapsschulden – ieder de helft van de verkoopopbrengst minus de helft van verkoopkosten toekomt;
bepaalt dat iedere partij bij de overdracht aan derde(n) gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;
met betrekking tot het industriepand en bijbehorende garages [naam industriepand] :
*het industriepand en bijbehorende garages worden verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
bepaalt dat partijen gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan makelaarskantoor [makelaarskantoor 2] tot verkoop van het industriepand en bijbehorende garages genaamd [naam industriepand] ;
bepaalt de vraagprijs van het industriepand en bijbehorende garages op
€ 371.000,--;
bepaalt dat de vraagprijs enkel met toestemming van beide partijen kan worden verlaagd;
bepaalt dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene(n) die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van het Industriepand de beste mogelijke prijs is; in het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit naar beste weten en bindend kunnen bepalen;
bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn
hun medewerking te verlenen aan verkoop en levering van het Industriepand en bijbehorende garages;
bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst (bestaande uit de verkoopopbrengst minus de verkoopkosten) – na aflossing van de gemeenschapsschulden – gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld;
bepaalt dat iedere partij bij de overdracht aan derde(n) gehouden is de helft van
de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;
met betrekking tot de overige bestanddelen:
*
aan de man worden toegedeeld:
- de (saldi op de) bankrekeningen op naam van de man, waaronder in ieder geval de
bankrekeningen:
- bij [bank 1] met IBAN nr. [ibannr. 1] ;
- bij [bank 2] met IBAN nr. [ibannr. 2] ;
onder de verplichting de helft van de saldi per peildatum (14 juli 2022) aan de
vrouw te voldoen;
- de helft van de vorderingen als bedoeld onder h) in het lichaam van dezebeschikking;
*
aan de vrouw worden toegedeeld:
- de inboedel zoals vermeld op de (in kopie) aan deze beschikking gehechte lijst met
goederen, onder de verplichting dat de vrouw de helft van de waarde aan de man
zal voldoen; de vrouw zal daartoe binnen een termijn van vier weken na de beschikkingsdatum drie veilinghuizen in Frankrijk voorstellen om
deze goederen te laten taxeren, waaruit de man er één mag kiezen;
- de bankrekeningen op naam van de vrouw, waaronder in ieder geval de
bankrekening met nummer [ibannr. 3] ;
onder de verplichting de helft van de saldi per peildatum (14 juli 2022) aan de man
te voldoen;
- -
de sieraden, onder verrekening van de helft van waarde met de man; de vrouwdient de sieraden opnieuw te laten taxeren; zij moet daartoe binnen een termijn vanvier weken na de beschikkingsdatum drie taxateurs voorstellen aan de man waaruitde man er één zal kiezen; indien en voor zover de vrouw na taxatie de sieraden niettoegedeeld wenst te krijgen, dient zij dit binnen een maand na de taxatie aan deman kenbaar te maken; in dat geval moeten de bewuste sieraden worden verkocht,onder verdeling van de opbrengst bij helfte;
- -
de Mini Cooper tegen een waarde van € 13.044,-, onder de verplichting om
€ 6.522,- aan de man te voldoen;
- de helft van de vorderingen als bedoeld onder h) in het lichaam van dezebeschikking;
*
bepaalt dat de vrouw uit de overige inboedel 25 goederen mag kiezen, welke per direct zullen worden verkocht onder verdeling van de opbrengst tussen partijen bij helfte; het veilinghuis dat de hierboven genoemde goederen die aan de vrouw worden toegedeeld zal taxeren, dient deze goederen bindend te taxeren;
*
bepaalt dat de rest van de inboedel moet worden verkocht bij of na verkoop van het chateau; het hiervoor genoemde veilinghuis dient deze goederen te taxeren, tenzij een prijs wordt afgesproken met de koper van het chateau die ook de inboedel wenst over te nemen; in dat geval hoeft geen aparte taxatie plaats te vinden;
*
bepaalt dat de bankrekeningen op naam van beide partijen moeten worden opgeheven en dat het saldo per peildatum bij helfte moet worden gedeeld;
*
bepaalt dat de horloges dienen te worden verkocht, onder verdeling van de opbrengst bij helfte; de man dient de horloges te laten taxeren; de man moet hiertoe binnen een termijn van vier weken na de beschikkingsdatum drie taxateurs voorstellen, waaruit de vrouw er één zal kiezen; voor zover de horloges al zijn verkocht, dient de man de helft van de opbrengst aan de vrouw te voldoen; indien de man na taxatie één of meerdere horloges wenst te houden, dient hij dit binnen een maand na de taxatie aan de vrouw kenbaar te maken; in dat geval dient de man de helft van de getaxeerde waarde van die horloges aan de vrouw te voldoen;
*
bepaalt dat de overige auto’s, te weten:
- Chevrolet Captiva met kenteken [kenteken 1] op naam van de vrouw,
- Range Rover met kenteken [kenteken 5] op naam van de man,
- Toyota Landcruiser met kenteken [kenteken 2] op naam van de man,
en de volgende aanhangers:
- aanhanger met kenteken [kenteken 3] op naam van de man,
- aanhanger met kenteken [kenteken 4] op naam van de man,
en de tractoren en (houtwerk)machines dienen te worden verkocht onder verdeling van de opbrengst bij helfte;
*bepaalt ten aanzien van de schulden die de man tezamen met [bedrijf 3] is aangegaan bij [naam 3] tot een bedrag van € 1.904.653,10, dat partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn, derhalve ieder tot een bedrag van€ 476.163,28; ;
*
wijst alle overige verzoeken met betrekking tot de hiervoor genoemde bestanddelen van de huwelijksgemeenschap af;
*
bepaalt dat de man uiterlijk 1 oktober 2023 de jaarstukken van [bedrijf 2] (Holding) [bedrijf 2] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] van 2020, 2021 en 2022 in het geding dient te brengen, onderbouwd met stukken waaruit blijkt of [bedrijf 4] en [bedrijf 5] apart moeten worden gewaardeerd, en zich daarbij zal uitlaten over:
- de aan de deskundige te stellen vragen en eventueel zelf vragen te formuleren die
hij de deskundige wil voorleggen;
- de persoon van de te benoemen deskundige; hij mag daarbij twee deskundigen
noemen;
- wie het voorschot van de deskundige zal moeten betalen;
bepaalt dat de vrouw uiterlijk op 28 oktober 2023 zich zal uitlaten over:
- -
de door de man in het geding gebrachte stukken;
- -
de aan de deskundige te stellen vragen en eventueel zelf vragen te formuleren die
zij de deskundige wil voorleggen;
- de persoon van de te benoemen deskundige; zij mag daarbij twee deskundigen
noemen;
- wie het voorschot van de deskundige zal moeten betalen;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de aandelen, het indienen van stukken en de kosten van de deskundige aan tot 1 november 2023 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, mr. C. de Jong-Kwestro en mr. E.D.A. Geleijns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 juli 2023. | ||