Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.1.6
14.1.6 Praktische relevantie
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301696:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor afhankelijke genotsrechten zal vaak een vergoeding moeten worden betaald (recht van erfdienstbaarheid, art. 5:70 lid 2 BW; afhankelijk opstalrecht, art. 5:101 lid 3 BW) of worden bijgedragen in onderhoudskosten (aandeel in een mandelige zaak, art. 5:65 BW). Een extra aansprakelijkheidsrisico is vooral gelegen in de aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen waaraan een afhankelijke opstalgerechtigde zich bloot kan stellen (art. 6:174 BW).
Asser/Sieburgh 2017, para. 258, die opmerkt dat afstand vaak tweezijdig dient te geschieden. Ook kan het voorkomen dat er andere beperkingen zijn aan het doen van afstand; zie bijvoorbeeld art. 5:82 lid 2 BW, dat mogelijk maakt bij de vestiging van een recht van erfdienstbaarheid af te spreken dat de eerste twintig jaar geen afstand kan worden gedaan.
567. Het belang van de wettelijke regeling voor afhankelijkheid is vooral gelegen in art. 3:82 BW, dat ervoor zorgt dat afhankelijke rechten hun hoofdrecht volgen wanneer dit overgaat naar een ander vermogen. De reden daarvoor is dat deze automatische overgang het enige aspect van afhankelijkheid is dat partijen niet zelf met werking tegen derden kunnen overeenkomen (zie meer uitgebreid paragraaf 14.2.4). Art. 3:82 BW is dus nodig om de automatische overgang van afhankelijke rechten te bewerkstelligen.
568. Praktisch gezien betekent de regeling van art. 3:82 BW dat bij de overgang van een hoofdrecht het afhankelijke recht automatisch mee over gaat, of partijen dat nu afspreken of niet. Dit kan voordelig zijn voor de partijen die het hoofdrecht overdragen; het in het hoofdrecht en het afhankelijke recht gelegen nut wordt zonder extra handelingen bij elkaar gehouden (zie randnummer 554). Daarentegen kan het automatisch overgaan van afhankelijke rechten ook als vervelend worden ervaren. Voor de verkrijger van het afhankelijke recht houdt het verkrijgen van het afhankelijke recht soms in dat hij een vergoeding dient te betalen, of dat hij met een extra aansprakelijkheidsrisico wordt opgezadeld.1 Deze ongemakken kunnen ten dele worden weggenomen door afstand van het afhankelijke recht te doen.2 Voor de verschaffer van het afhankelijke recht betekent de automatische overgang dat hij opeens een andere wederpartij tegenover zich treft, waardoor zijn feitelijke positie kan worden verzwaard. Indien hij dit problematisch vindt, kan de verschaffer van het afhankelijke recht bij het ontstaan ervan bedingen dat het afhankelijke recht niet aan willekeurig welke wederpartij kan gaan toebehoren (zie meer uitgebreid paragraaf 14.6.2). Voor de oorspronkelijke hoofdgerechtigde is de automatische overgang van afhankelijke rechten vooral van belang indien hij nog belang houdt bij het afhankelijke recht. Een voorbeeld daarvan is het geval waarin een hoofdrecht gedeeltelijk overgaat op een ander; de twee hoofdgerechtigden houden dan het afhankelijke recht in gemeenschap (zie meer uitgebreid paragraaf 14.3.4). De originele hoofdgerechtigde kan de vervelende consequenties hiervan bij het ontstaan van het afhankelijke recht zo veel mogelijk proberen uit te sluiten (zie meer uitgebreid paragraaf 14.6.2). Een ander voorbeeld is het geval waarin de hoofdgerechtigde het afhankelijke recht los van het hoofdrecht zou willen onderbrengen bij een andere partij die het gaat beheren. Het is in de literatuur omstreden of dit mogelijk is en wat de gevolgen van een navolgende overgang van (een gedeelte van) het hoofdrecht zouden zijn (zie meer uitgebreid paragraaf 14.6.3).
569. De betekenis van art. 3:7 BW, dat de definitie geeft van afhankelijke rechten, is beperkter. Ook zonder deze definitiebepaling zouden er rechten zijn die niet zonder een ander recht kunnen bestaan. Daarnaast maakt het artikel niet iets mogelijk dat niet via contractuele weg zou kunnen worden bereikt. Partijen kunnen er namelijk voor zorgen dat een subjectief recht pas ontstaat zodra een ander recht ontstaat, of tenietgaat indien een ander recht tenietgaat, door de rechtshandelingen waarbij het subjectieve recht in het leven worden geroepen te onderwerpen aan een voorwaarde (art. 3:38 BW). Uiteraard heeft het feit an sich dat sommige rechten niet zonder andere rechten kunnen bestaan, wel consequenties. Is er geen recht dat als hoofdrecht van een afhankelijk recht kan dienen, dan kan het afhankelijke recht niet ontstaan of voortbestaan (zie meer uitgebreid paragraaf 14.5). Vooral afhankelijke zekerheidsrechten zouden zonder dat dat beoogd is opeens teniet kunnen gaan, omdat de vorderingen die als hoofdrecht dienen, sterk kunnen fluctueren. Het risico daarop wordt echter in belangrijke mate beperkt door de mogelijkheid om afhankelijke zekerheidsrechten in het leven te roepen voor meerdere, toekomstige vorderingen (zie meer uitgebreid paragraaf 14.3.7). Daardoor is het praktische belang van het gegeven dat afhankelijke zekerheidsrechten zonder hoofdrecht tenietgaan sterk afgenomen.