De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.3.4.1:11.3.4.1 Inleiding
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.3.4.1
11.3.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS367603:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De tweede categorie vermoedens uit de acting in concert-definitie van art. 1:1 Wft betreft natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen en de door hen gecontroleerde ondernemingen. Als een gecontroleerde onderneming in de zin van art. 1:1 Wft wordt in de eerste plaats aangemerkt:
“a dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek; […];”
In deze paragraaf werk ik eerst de criteria van het begrip dochtermaatschappij uit (§ 11.3.4.2). Vervolgens komen verschillende toepassingsvragen aan bod (§ 11.3.4.3), waaronder of de verwijzing naar art. 2:24a BW tevens omvat daarin gehanteerde toerekeningsnormen van art. 2:24a lid 3 en 4 BW.