Rb. Amsterdam, 28-04-2021, nr. C/13/645597 / HA ZA 18-319
ECLI:NL:RBAMS:2021:2540
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
28-04-2021
- Zaaknummer
C/13/645597 / HA ZA 18-319
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2021:2540, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 28‑04‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2019:1882, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 20‑03‑2019; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2019-0672
JA 2019/78 met annotatie van Keizer, J.G.
GJ 2019/81
Uitspraak 28‑04‑2021
Inhoudsindicatie
Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2019:1882 (na benoeming verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige).Bepaling mate van arbeidsongeschiktheid. Taakverschuivingsclausule. Uitleg. Fysiotherapeut. Solopraktijk.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer C/13/645597 / HA ZA 18-319
Vonnis van 28 april 2021
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. A. Koert te Rotterdam,
tegen
de naamloze vennootschap
DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. E.J. Wervelman te Utrecht.
Partijen zullen hierna [eiser] en Delta Lloyd genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 15 april 2020 (hierna: het tussenvonnis)
- -
het arbeidsdeskundig rapport (hierna: het rapport) van P.L. van der Ham (hierna: de deskundige) van 12 november 2020
- -
de conclusie na deskundigenbericht van [eiser]
- -
de conclusie van antwoord na deskundigenbericht van Delta Lloyd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
In de overwegingen 4.1. en 4.2. van het tussenvonnis van 20 maart 2019 is uitgegaan van Delta Lloyd als risicodrager krachtens de verzekeringspolis per datum dagvaarding en van Movir N.V. als haar rechtsopvolger per 31 december 2018. In de recente processtukken van mr. Wervelman wordt inmiddels Nationale-Nederlanden schadeverzekering maatschappij N.V. (NN) aangeduid als de rechtsopvolger van Movir N.V. De rechtbank neemt aan dat, uitgaande van deze opgetreden rechtsopvolging, NN als de huidige risicodrager krachtens de verzekeringspolis) dit vonnis zal naleven.
2.2.
Ter beoordeling staat de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: AOV). De verzekeringspolis maakt onderscheid tussen ‘het eerste jaarsrisico’ (artikel 3 AOV) en ‘het na eerste jaarsrisico’ (artikel 4 AOV).
het eerste jaar
2.3.
De polisvoorwaarden terzake van ‘het eerste jaarsrisico’ luiden als volgt:
ARTIKEL 3 OMSCHRIJVING VAN DE DEKKING VOOR HET EERSTEJAARSRISICO (RUBRIEK A)
ARTIKEL 3.1 BEGRIP ARBEIDSONGESCHIKTHEID
Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien verzekerde als gevolg van ziekte of een ongeval medisch vast te stellen stoornissen heeft. En verzekerde daardoor beperkt is in zijn handelen en werken. Arbeidsongeschiktheid wordt voor deze verzekering aanwezig geacht indien verzekerde als gevolg van de stoornissen tenminste 25% ongeschikt is tot het verrichten van de werkzaamheden die horen bij zijn verzekerde beroep. Zoals dat verrichten van werkzaamheden voor de beroepsbezigheden in de regel en redelijkerwijs kan worden verlangd.
2.4.
De deskundige heeft ten aanzien van het eerste jaar, voor zover van belang, als volgt gerapporteerd:
(Pag. 55): 10. BEANTWOORDING VAN DE VRAAGSTELLING
Bent u van oordeel dat betrokkene als gevolg van de bevindingen van de verzekeringsarts ongeschikt is tot het verrichten van de werkzaamheden die horen bij zijn verzekerde beroep zoals dat verrichten van werkzaamheden voor de beroepsbezigheden in de regel en redelijkerwijs kan worden verlangd? Zo ja, kunt u het percentage van de uitval vaststellen?
Antwoord: In overleg met partijen is bij de beoordeling onderscheid gemaakt tussen de arbeidsongeschiktheid voor de eigen werkzaamheden in het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid en de arbeidsongeschiktheid in jaren erna, waarbij rekening mag worden gehouden met aanpassing van werkzaamheden en werkomstandigheden alsmede taakverschuivingen binnen het eigen bedrijf. In het eerste jaar is de arbeidsongeschiktheid 80-100%. Betrokkene is slechts in zeer geringe mate in staat om de eigen werkzaamheden te verrichten. Mede omdat hij toen een solo werkende fysiotherapeut was is geen min of meer normale beroepsuitoefening mogelijk.
Zie verder 8.1. (…)
(Pagina 35-36) 8. BEOORDELING EN ARGUMENTATIE
8.1
Mate van arbeidsongeschiktheid voor de eigen werkzaamheden (rubriek A, eerste jaar)
(…)
Beoordeling
Betrokkene was een solo werkende fysiotherapeut. In zijn praktijk lag de nadruk op de hands-on werkzaamheden, dat wil zeggen behandeling van patiënten zonder gebruik te maken van fysiotechniek. Vooral op de behandeltafel en in mindere mate in de oefenzaal. Bij vergelijking van de belasting in het eigen werk en de belastbaarheid van betrokkene zijn er meerdere knelpunten. Belangrijkste knelpunt is het staan. Dat kan 10-15 minuten aaneen en (slechts) één uur per werkdag. Het merendeel van de werkzaamheden wordt staand verricht. Zittend werk komt wel voor, bijvoorbeeld bij de intake of bij behandeling van voeten of handen, maar dat is totaal bezien veel minder voorkomend dan staan. Uitgaande van één uur per dag staan zou betrokkene maximaal twee patiënten per dag kunnen behandelen. Waarbij hij, gelet op de reguliere behandelingsduur van 20-25 minuten ook nog de behandeling moet onderbreken om even te pauzeren (na 10-15 minuten staan). Daar komt nog bij dat de belastbaarheid van de beide handen voldoende is voor het dagelijks leven, maar onvoldoende om de massages, fricties etc. te doen, omdat daarbij een meer dan normale kracht vereist is. Tevens geldt er een beperking voor het maken van schroefbewegingen wanneer het zware weerstanden betreft, zoals bijvoorbeeld bij sommige massages en frictiebehandelingen het geval zal zijn. Daarnaast is nog van belang dat er een beperking is voor langer aaneen gebogen werken. Gerealiseerd moet worden dat betrokkene een solo werkende fysiotherapeut was en dat het kunnen verrichten van de eigen werkzaamheden, in casu vooral de hands-on werkzaamheden, essentieel zijn voor zijn beroepsuitoefening, zoals hij die voorafgaande aan zijn uitval uitvoerde. Puur theoretisch zouden de taken intake, begeleiden oefentherapie en de ondernemerstaken geduid kunnen worden, omdat in deze taken de belastbaarheid van betrokkene niet wordt overschreden. Het gaat dan echter om zo’n gering aantal uren dat je niet meer kunt spreken van een min of meer normale beroepsuitoefening. Derhalve moet betrokkene voor de eigen werkzaamheden (rubriek A) 80-100% arbeidsongeschikt beschouwd worden.
2.5.
Gelet op deze bevindingen van de deskundige komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiser] in het eerste jaar 80-100% arbeidsongeschikt moet worden geacht op grond van artikel 3 AOV. [eiser] heeft zich aan deze conclusie gerefereerd en Delta Lloyd heeft tegen deze conclusie geen specifieke bezwaren geuit. De twee kanttekeningen die Delta Lloyd heeft gezet bij het deskundigenbericht worden hierna besproken en doen niet af aan dit oordeel.
de jaren volgend op het eerste jaar
2.6.
De polisvoorwaarden met betrekking tot ‘het na eerste jaarsrisico’ luiden als volgt:
ARTIKEL 4 OMSCHRIJVING VAN DE DEKKING VOOR HET NA-EERSTEJAARSRISICO (RUBRIEK B)
ARTIKEL 4.1 BEGRIP ARBEIDSONGESCHIKTHEID
Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien verzekerde als gevolg van ziekte of een ongeval medisch vast te stellen stoornissen heeft. En verzekerde daardoor beperkt is in zijn handelen en werken. Arbeidsongeschiktheid wordt voor deze verzekering aanwezig geacht indien verzekerde als gevolg van de stoornissen tenminste 25% ongeschikt is tot het verrichten van de werkzaamheden die horen bij zijn verzekerde beroep. Zoals dat verrichten van werkzaamheden voor de beroepsbezigheden in de regel en redelijkerwijs kan worden verlangd. Aanpassing van werkzaamheden en werkomstandigheden alsmede taakverschuivingen binnen het eigen bedrijf worden daarbij betrokken.
2.7.
De deskundige heeft inzake de jaren volgend op het eerste jaar uitvoerig gerapporteerd. Samengevat en voor zover van belang luiden zijn bevindingen als volgt:
-Op basis voor de belastbaarheid voor staan en zitten is [eiser] theoretisch en praktisch voor zes uur per dag inzetbaar, bestaande uit vijf uur zittend werk (mits met tussendoor vertreden) en één uur staand werk. Dat komt neer op maximaal 30 uur per week.
-Tot op heden heeft [eiser] zijn eigen praktijk Orthomedic (eenmanszaak, opgericht in 2004) voortgezet, waarbij vanaf 1 juni 2015 (datum volledige arbeidsongeschiktheids-melding) het uitvoerende werk volledig door een per die datum aangenomen fysiotherapeut in loondienst wordt verricht. Bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid dient [eiser] vanaf 1 juni 2015 niet meer te worden beoordeeld als een solo werkzame fysiotherapeut omdat hij vanaf dat moment samenwerkt met een collega. Om die reden wordt toegekomen aan het in kaart brengen van een bepaalde taakverdeling die kan leiden tot meer inzetbaarheid van [eiser] dan in zijn eigen (voorheen solo) praktijk, gelet op zijn beperkingen, mogelijk was.
-Verder moet rekening worden gehouden met de werkzaamheden die [eiser] per 1 januari 2019 verricht voor Ayo Care (VOF), het per die datum opgerichte nieuwe bedrijf van [eiser] met twee andere vennoten (een meewerkend fysiotherapeut en een eveneens meewerkende ontwikkelaar van een ‘dynamische neuromodulator’ [DNM]) met per 16 maart 2020 één fysiotherapeute voor 16 uur in loondienst. Dit bedrijf presenteert zich als fysiotherapiepraktijk en is gespecialiseerd in DNM-techniek ter behandeling van patiënten met chronische pijnklachten. [eiser] verricht daar circa 15 uur per week werkzaamheden gericht op intake/evaluaties (5 uur) en ondernemerstaken (10 uur). Ook binnen dit bedrijf, dat gezien dient te worden als “eigen bedrijf” volgens artikel 4 AOV, zijn de mogelijkheden tot ruimere inzetbaarheid in kaart gebracht.
-De hierboven genoemde inzetbaarheid van maximaal zes uur per dag kan door middel van passende werkzaamheden binnen Orthomedic en Ayo Care volledig worden ingevuld. Dan kunnen de werkzaamheden van [eiser] bestaan uit intakes, oefentherapie in de oefenzaal, fysiotechniekbehandelingen, DNM-behandelingen (Ayo Care) en de ondernemerstaken voor beide bedrijven. De hands-on werkzaamheden die gepaard gaan met de ‘normale’ fysiotherapeutische behandelingen, kan hij dan aan anderen overlaten. Daartoe is [eiser] immers door zijn beperkingen niet in staat.
-De uitval bedraagt dan 28,75 uur per week (58,75 uur voorheen, 30 uur nu maximaal), hetgeen 49% arbeidsongeschiktheid betekent.
2.8.
De conclusie van de deskundige is dus dat [eiser] in de jaren volgend op het eerste jaar 49% arbeidsongeschikt moet worden geacht. De deskundige komt tot dit arbeidsongeschiktheidspercentage rekening houdend met de in artikel 4 (slot) AOV vermelde clausule “Aanpassing van werkzaamheden en werkomstandigheden alsmede taakverschuivingen binnen het eigen bedrijf worden daarbij betrokken.” (hierna: de taakverschuivingsclausule).
2.9.
[eiser] verzet zich op diverse gronden tegen deze conclusie. Meest verstrekkend maakt [eiser] het bezwaar dat de deskundige de taakverschuivingsclausule onjuist heeft toegepast door niet uit te gaan van “zijn eigen bedrijf” vóór 1 juni 2015 (datum melding arbeidsongeschiktheidsuitkering), zijnde een solo werkend fysiotherapeut (dus zonder collega’s), terwijl hij dat op het moment van intreden van arbeidsongeschiktheid wel was. Voor zover de veranderingen ná 1 juni 2015 wel moeten worden meegenomen geldt dat [eiser] ook na 1 juni 2015 geen fysiotherapiepraktijk heeft gehad met meewerkende collega’s, zodat ook om die reden de taakverschuivingsclausule niet kan worden toegepast zoals de deskundige heeft gedaan, aldus [eiser] .
2.10.
Delta Lloyd betwist deze stelling als volgt. Het uitgangspunt dat alleen rekening mag worden gehouden met de situatie óp 1 juni 2015 is onjuist. [eiser] kon immers gelet op de tekst van de taakverschuivingsclausule verwachten dat de genoemde aanpassingen en taakverschuivingen van hem verwacht konden worden. Onder “zijn eigen bedrijf” valt tevens het bedrijf Ayo Care waarin [eiser] sinds 2019 deelneemt en dat eveneens een fysiotherapiepraktijk is. Het gaat niet om het tijdstip waarop [eiser] werkzaamheden is gaan verrichten maar om de beoordeling of en zo ja in hoeverre aanpassing van werkzaamheden en werkomstandigheden alsmede taakverschuivingen binnen het eigen bedrijf bestaan. Aldus Delta Lloyd, met verwijzing naar het arbeidsdeskundig rapport.
2.11.
Het partijdebat is gericht op de wijze waarop de deskundige de taakverschuivingsclausule heeft toegepast bij de bepaling van de arbeidsongeschiktheid.
Dit brengt mee dat de taakverschuivingsclausule in artikel 4 AOV dient te worden uitgelegd.
uitleg taakverschuivingsclausule
2.12.
Bij de uitleg van de desbetreffende polisvoorwaarde komt het aan op de zin die partijen over en weer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten. Nu over dergelijke voorwaarden niet tussen partijen onderhandeld is, is de uitleg daarvan in het bijzonder afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel. In dat verband is van belang dat bedoelde bepalingen bestemd zijn om de rechtsverhouding te regelen van Delta Lloyd met particuliere verzekerden die doorgaans leek zijn op medisch gebied. Delta Lloyd dient daarom haar bedoeling in haar polisvoorwaarden tot uitdrukking te brengen op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is (vgl. het tussenvonnis van 20 maart 2019, ovw. 4.5).
“het verzekerd beroep”
2.13.
De eerste alinea van artikel 4 AOV ziet op “het verzekerd beroep”. De tekst daarvan is identiek aan artikel 3 AOV dat eveneens ziet op “het verzekerd beroep”. Overeenkomstig de rapportage van de deskundige over het eerste jaar (2.3.) is [eiser] op grond van artikel 3 AOV 80-100% arbeidsongeschikt voor de werkzaamheden die behoren bij “het verzekerd beroep”. Bij de bepaling van de arbeidsongeschiktheid over het eerste jaar op grond van artikel 3 AOV (ovw. 2.4.) is de deskundige terecht uitgegaan van de werkzaamheden die behoorden tot dat beroep ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Op basis daarvan is de deskundige terecht uitgegaan van “een solo werkende fysiotherapeut”. Vaststaat dat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden op 1 juni 2015. Dit toetsingsmoment en de uitkomst daarvan gelden dus ook voor “het verzekerd beroep” in artikel 4.
“het eigen bedrijf”
2.14.
Artikel 4 AOV verschilt vervolgens van artikel 3 AOV in die zin dat bij de toetsing van de arbeidsongeschiktheid voor “het verzekerd beroep”, de taakverschuivingsclausule moet worden betrokken. De toepassing van de taakverschuivingsclausule, zoals die in de onderhavige polisvoorwaarde is geformuleerd, vindt haar begrenzing in het afzonderlijk geformuleerde criterium “binnen het eigen bedrijf”.
2.15.
Uit de onderlinge samenhang tussen de beide begrippen in de formulering volgt dat [eiser] redelijkerwijs mag verwachten dat “het eigen bedrijf” een concretisering is van “het verzekerd beroep”. Dit leidt ertoe dat voor de bepaling wat “het eigen bedrijf” als zodanig inhoudt hetzelfde toetsmoment als voor “het verzekerd beroep” moet worden gehanteerd en aldus met eenzelfde uitkomst, te weten “een solo werkende fysiotherapeut” per 1 juni 2015. Reeds hierom behoeft [eiser] redelijkerwijs niet te verwachten dat, zoals de deskundige voorstaat, in de sleutel van “het eigen bedrijf” [eiser] niet meer dient te worden beoordeeld als een solo werkzame fysiotherapeut omdat hij vanaf 1 juni 2015 samenwerkt met een collega op de door de arbeidsdeskundige uiteengezette wijze (2.7).
2.16.
Bovendien wordt het volgende overwogen. [eiser] verrichtte zijn fysiotherapiepraktijk op solo basis vanuit een in 2004 opgerichte eenmanszaak Orthomedic. Zoals overwogen in 2.3. en 2.7. van het tussenvonnis van 20 maart 2019, heeft [eiser] op basis van het onderhavige klachtenpatroon zich op 30 september 2014 gedeeltelijk arbeidsongeschikt gemeld bij Delta Lloyd, waarna Delta Lloyd in eerste instantie tot uitkering onder de verzekeringspolis is overgegaan en zij op 1 februari 2017 aan [eiser] heeft meegedeeld dat de uitkering (stapsgewijs) per 1 mei 2017 zou worden stopgezet. [eiser] achtte zich echter nog steeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Vervolgens heeft [eiser] zich per 1 juni 2015 volledig arbeidsongeschikt gemeld bij Delta Lloyd. Per diezelfde datum heeft hij zijn uitvoerende werkzaamheden als solo werkend fysiotherapeut volledig neergelegd en heeft hij ter volledige vervanging van zijn uitvoerende werkzaamheden een andere fysiotherapeut in loondienst aangenomen binnen Orthomedic, de eenmanszaak. Blijkens de bevindingen van de deskundige (pag. 11 slot, pag. 12 slot, rapport) verricht [eiser] sindsdien binnen de eenmanszaak nog slechts op bescheiden schaal werkzaamheden die alleen nog gericht zijn op ondernemerstaken.
Anders dan de deskundige kennelijk veronderstelt (pag. 36 rapport), is per 1 juni 2015 wat betreft de uitvoerende werkzaamheden van [eiser] als fysiotherapeut dus geen sprake van een samenwerking met een collega maar van een fysiotherapeut in loondienst die volledig in zijn plaats werkt. Volgens de deskundige (pag. 10 slot, rapport) had [eiser] ten tijde van de uitval geen personeel. Niets wijst er dus op dat [eiser] voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid heeft samengewerkt dan wel de intentie had om te gaan samenwerken met een collega fysiotherapeut ten aanzien van – een deel van – zijn uitvoerende werkzaamheden vanuit zijn eenmanszaak. Uit de feitelijke gang van zaken, waarbij [eiser] per 1 juni 2015 volledig uitviel voor zijn uitvoerende werkzaamheden terwijl hij geen uitkering onder de verzekeringspolis (meer) ontving, moet worden afgeleid dat de bedoeling van [eiser] slechts gericht was op voortzetting van het solo karakter van zijn fysiotherapiepraktijk middels het fulltime inzetten van een andere fysiotherapeut in zijn plaats. Van een samenwerkingsverband met een collega fysiotherapeut per 1 juni 2015 als bedoeld door de deskundige kan dus geen sprake zijn. De kwalificatie van “een solo werkende fysiotherapeut” is dan ook ongewijzigd gebleven op en na 1 juni 2015.
Ook hieruit volgt dat [eiser] redelijkerwijs mag verwachten dat bij de bepaling van “het eigen bedrijf” per 1 juni 2015 wordt uitgegaan van een solo werkende fysiotherapeut.
2.17.
Vervolgens moet op basis van de taakverschuivingsclausule beoordeeld worden of aanpassing van werkzaamheden en werkomstandigheden alsmede taakverschuivingen in theorie mogelijk zijn binnen “het eigen bedrijf”. Daartoe dient dus te worden uitgegaan van een solo werkende fysiotherapeut, zoals hiervoor is overwogen.
Dat dit mogelijk is, wordt in het arbeidsdeskundig rapport niet geconcludeerd en volgt daaruit evenmin. Het volgende is daartoe van belang.
Orthomedic
2.18.
Het uitgangspunt van de deskundige is dat [eiser] per 1 juni 2015 niet meer dient te worden beoordeeld als een solo werkzame fysiotherapeut omdat hij vanaf dat moment samenwerkt met een collega. Dit uitgangspunt wordt gezien het voorgaande niet gevolgd. Daarmee ontvalt de reden voor het door de deskundige voorgestane in kaart brengen van een bepaalde taakverdeling die kan leiden tot meer inzetbaarheid van [eiser] dan in zijn eigen solo praktijk, gelet op zijn beperkingen, mogelijk was.
2.19.
De deskundige heeft in het kader van het “verzekerd beroep” vastgesteld (2.4.): “Puur theoretisch zouden de taken intake, begeleiden oefentherapie en de ondernemerstaken geduid kunnen worden, omdat in deze taken de belastbaarheid van betrokkene niet wordt overschreden. Het gaat dan echter om zo’n gering aantal uren dat je niet meer kunt spreken van een min of meer normale beroepsuitoefening.”
Deze vaststelling veronderstelt een solo werkend fysiotherapeut en een min of meer zelfstandige bedrijfsuitoefening. Uit het voorgaande volgt dat in het onderhavige geval ook voor de theoretische duiding van de werkzaamheden behorend bij “het verzekerd bedrijf” van deze vaststelling moet worden uitgegaan.
Uit de bevindingen van de arbeidsdeskundige volgt dat [eiser] , rekening houdend met zijn beperkingen, in de gegeven omstandigheden de door de deskundige benoemde werkzaamheden niet (gedeeltelijk) kan voortzetten in die zin dat sprake blijft van een zelfstandige beroepsuitoefening.
Het solo karakter betekent dat van een voor een zelfstandige beroepsuitoefening noodzakelijke onderverdeling van werkzaamheden over verschillende personen in dit geval geen sprake kan zijn.
2.20.
De taakverschuivingsclausule gaat niet zover dat van een solo werkende fysiotherapeut in theorie verwacht mag worden dat hij met personeel gaat werken, zoals de deskundige overigens als zodanig ook erkent (pag. 43 rapport).
2.21.
De omstandigheid dat in dit geval [eiser] feitelijk ervoor heeft gekozen zijn eenmanszaak en daarmee zijn fysiotherapiepraktijk te continueren door inzet van een full time uitvoerend fysiotherapeut in plaats van hemzelf wat betreft de uitvoerende werkzaamheden, kan daaraan niet afdoen.
Immers, indien tussen solo werkende verzekerden van wie op grond van de taakverschuivingsclausule in theorie niet verwacht wordt om met personeel te gaan werken, verschil wordt gemaakt tussen een verzekerde die dit niet doet en een verzekerde die dit feitelijk wel doet, zou dit leiden tot een ongelijke behandeling die voor de verzekerde en dus ook [eiser] – zonder nadere duiding van die clausule in de polisvoorwaarde – niet kenbaar is en die hij redelijkerwijs niet hoeft te verwachten.
2.22.
Een dergelijke toepassing van de taakverschuivingsclausule zou ook niet stroken met de ratio van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze verzekering is immers een verzekering naar beroepsarbeidsongeschiktheid en bovendien een sommenverzekering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid niet wordt vastgesteld op basis van een verlies aan inkomen. De onderhavige taakverschuivingsclausule ziet niet op ‘passende arbeid’. Inkomen dat na arbeidsongeschiktheid wordt verdiend wordt ook niet in mindering gebracht op de uitkering. Daarom spelen (ook volgens de deskundige) de werkzaamheden van [eiser] , die als begeleider in een instelling voor uit huis geplaatste kinderen sinds 1 juni 2018 en per 1 april 2020 basis van een vast contract voor 24 uur per week, geen rol bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid.
2.23.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de deskundige niet volgt in deze grondslag voor zijn conclusie dat [eiser] in de jaren volgend op het eerste jaar nog slechts 49% arbeidsongeschikt is.
Ayo Care
2.24.
De deskundige neemt ter onderbouwing van zijn conclusie ook tot uitgangspunt dat [eiser] vanaf 1 januari 2019 samen met twee andere vennoten een ander bedrijf (Ayo Care) heeft opgericht dat zich presenteert als fysiotherapiepraktijk, waarin [eiser] ook zelf feitelijk werkzaamheden verricht, welke werkzaamheden volgens de deskundige kunnen worden uitgebreid. De deskundige rapporteert: “Naar mijn mening moet, nu het bij Ayo Care wederom om een fysiotherapiepraktijk gaat, het criterium “binnen het eigen bedrijf” niet te eng worden uitgelegd. Het gaat bij Ayo Care ook om werkzaamheden als fysiotherapeut, waar een nieuwe rechtsvorm bij gekozen is.”
2.25.
Zoals hiervoor is overwogen, dient in dit geval evenwel te worden uitgegaan van het “eigen bedrijf” per 1 juni 2015, zijnde “een solo werkende fysiotherapeut”. Anders dan de deskundige aanneemt, hoeft reeds daarom [eiser] redelijkerwijs niet te verwachten dat ook Ayo Care, een bedrijf dat mede door [eiser] nadien is gestart, wordt beschouwd als “het eigen bedrijf”.
2.26.
De taakverschuivingsclausule gaat immers niet zover dat van een solo werkende fysiotherapeut in theorie verwacht mag worden dat hij nieuwe bedrijfsactiviteiten gaat organiseren, zoals de deskundige als zodanig ook erkent (pag. 43 rapport).
2.27.
De omstandigheid dat [eiser] feitelijk wél nieuwe bedrijfsactiviteiten is gaan organiseren, kan, anders dan de deskundige meent (pag. 43 rapport), niet leiden tot een redelijke verwachting van [eiser] dat de door de deskundige bedoelde aanpassingen in zijn geval wel van hem gevergd kunnen worden.
Indien tussen solo werkende verzekerden van wie op grond van de taakverschuivingsclausule in theorie niet verwacht wordt dat zij nieuwe bedrijfsactiviteiten gaan organiseren, verschil wordt gemaakt tussen een verzekerde die dit niet doet en een verzekerde die dit feitelijk wel doet, zou dit leiden tot een ongelijke behandeling die voor de verzekerde en dus ook [eiser] – zonder nadere duiding van die clausule in de polisvoorwaarde – niet kenbaar is en die hij redelijkerwijs niet hoeft te verwachten.
Een dergelijke toepassing zou ook niet stroken met de ratio van de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals hiervoor is toegelicht (2.22).
2.28.
De deskundige meent dat nu het bij Ayo Care wederom om een fysiotherapiepraktijk gaat, het criterium “binnen het eigen bedrijf” hier niet “te eng” moet worden uitgelegd.
Dit standpunt kan niet worden gevolgd. Ayo Care is geen eenmanszaak zoals Orthomedic, maar een VOF van drie meewerkende vennoten, te weten [eiser] , een product(DNM)specialist en (nog) een fysiotherapeut. Ayo Care presenteert zich als fysiotherapiepraktijk, maar, anders dan Orthomedic, met een niet strikt fysiotherapeutische maar interdisciplinaire aanpak, gecentreerd rond de toepassing van de DNM techniek (blijkens pag. 19-20 rapport) en gericht op een speciale doelgroep van patiënten met chronische pijnklachten. Dit bedrijf kan dus niet gelden als een soortgelijk bedrijf als “het eigen bedrijf” van [eiser] zoals hiervoor is geconcretiseerd.
2.29.
De deskundige merkt verder op (pag. 38 rapport): “Het is de keuze van betrokken (en zijn vennoten) geweest om een nieuw bedrijf op te richten. In principe zouden de nieuwe activiteiten ook vanuit de bestaande eenmanszaak gedaan kunnen worden. Of de bestaande eenmanszaak zou kunnen worden omgezet naar een VOF.” Dit standpunt wordt in het kielzog van al het hiervoor overwogene niet gevolgd. Ook in dit kader geldt immers dat hier voor “het eigen bedrijf” moet worden uitgegaan van een solo werkende fysiotherapeut, met als gevolg dat er in dit geval van een voor een zelfstandige beroepsuitoefening noodzakelijke onderverdeling van werkzaamheden over verschillende personen geen sprake kan zijn.
2.30.
Bovendien moet daarbij het volgende in aanmerking worden genomen. Volgens de deskundige (pag. 40-41 rapport) kunnen de zes inzetbaar geachte uur per dag door [eiser] worden ingevuld met intakes, oefentherapie in de oefenzaal, fysiotechniek behandelingen, DNM behandelingen en de ondernemerstaken voor beide bedrijven. Hij merkt daarbij op dat hiervan uitgaande de BIG-herregistratie geen probleem is; dit naar aanleiding van de opmerking van [eiser] dat het onmogelijk is zijn BIG te verlengen, zodat hij sowieso zijn vak als fysiotherapeut niet meer kan en mag uitoefenen.
Zoals hiervoor is overwogen dient bij de bepaling van “het eigen bedrijf” in dit geval te worden uitgegaan van een solo werkende fysiotherapeut. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] de door de deskundige benoemde werkzaamheden binnen dat kader, rekening houdend met zijn beperkingen, (gedeeltelijk) kan voortzetten in die zin dat sprake blijft van een zelfstandige beroepsuitoefening.
2.31.
Hieruit volgt dat de op deze grondslagen rustende conclusie van de deskundige dat [eiser] nog slechts 49% arbeidsongeschiktheid is in de jaren volgend op het eerste jaar niet wordt gevolgd.
de kanttekeningen van Delta Lloyd
2.32.
Delta Lloyd maakt de kanttekening dat de opvatting van de deskundige dat strikt moet worden uitgegaan van een solowerkend fysiotherapeut te kort door de bocht is aangezien de praktijk van [eiser] onderdeel is van een samenwerkingsverband van vier praktijken die gezamenlijk declareren bij de zorgverzekeraars, inkopen en netwerken. Deze kanttekening doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de vaststelling door de deskundige van het bestaan van een solo praktijk in voornoemde rechtens relevante zin.
2.33.
Verder wijst Delta Lloyd erop dat de deskundige uitgaat van een werkweek van 58 uur, terwijl [eiser] zelf op het door hem zelf op 30 september 2014 ondertekende schadeformulier een werkweek van 50 uur heeft gemeld en heeft verklaard dat hij de vragen en opgave naar beste weten, juist en overeenkomstig de waarheid heeft beantwoord. Volgens Delta Lloyd geldt dit ondertekende formulier als een onderhandse akte met dwingende bewijskracht en moet de opgave door [eiser] dus leidend zijn.
2.34.
De rechtbank stelt vast dat de deskundige, specifiek gemotiveerd op basis van zijn taak- en functie analyse, uitgaat van een werkweek van 58,75 uur (zie pag. 26 van het rapport). Blijkens het rapport heeft Delta Lloyd in het concept rapport per mail van 30 september 2020 (onder meer) de hiervan afwijkende opgave door [eiser] op het schadeformulier voorgelegd aan de deskundige.
In het rapport heeft de deskundige hierop als volgt gereageerd: “De methode van vaststelling van de arbeidsongeschiktheid in de AOV is in de jurisprudentie vast komen te staan (…). De deskundige wordt geacht een taak- en functie analyse maken hetgeen ook gedaan is. Het kan zijn dat de taak- en functie analyse afwijkt van de opgave van uren op het schademeldingsformulier. Dat is echter geen reden om de vermelde uren op het schademeldingsformulier als leidend te beschouwen (en in feite de taak- en functie analyse verder buiten beschouwing te laten).”
Deze toelichting door de deskundige op zijn bevindingen komt de rechtbank overtuigend voor. Met deze informatie in het deskundigenrapport is dan ook afdoende tegenbewijs geleverd tegen de opgave in het schadeformulier. Daaruit volgt dat de vaststelling door de deskundige van het aantal uren per werkweek op 58,75 uur leidend is.
2.35.
Hetgeen overigens over en weer is aangevoerd door partijen, leidt niet tot een ander oordeel en behoeft dus geen bespreking.
slotsom
2.36.
De slotsom is dat, in afwijking van de zienswijze van de deskundige, [eiser] uit de taakverschuivingsclausule redelijkerwijs niet kon opmaken en redelijkerwijs niet kon verwachten dat Delta Lloyd de door de deskundige genoemde aanpassingen van werkzaamheden en werkomstandigheden alsmede taakverschuivingen binnen het eigen bedrijf van hem kon vergen.
2.37.
Hieruit volgt dat [eiser] (ook) in de jaren volgend op het eerste jaar als 80-100% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Dit betekent dat Delta Lloyd gehouden is tot uitkering onder de verzekeringspolis met terugwerkende kracht op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% en een werkweek van 58,75 uur.
2.38.
Concluderend zijn de vorderingen I (verklaring voor recht) en III (veroordeling tot uitkering) toewijsbaar zoals hierna is verwoord in de beslissing.
Vordering II ziet op een uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid bij wijze van voorschot lopende het traject tot het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid. Gegeven de uitkomst van deze procedure en de uitvoerbaarheid bij voorraad (zie hierna) heeft [eiser] geen belang meer bij deze vordering, zodat deze wordt afgewezen.
de kosten
2.39.
Vordering IV van [eiser] is gericht op vergoeding van buitengerechtelijke kosten, door de rechtbank te begroten conform de toepasselijke staffel. Hij voert daartoe aan dat hij als gevolg van de weigering van Delta Lloyd om uit te gaan tot uitkering onder de verzekering, aanzienlijke kosten heeft moeten maken aan (juridische) bijstand om de aansprakelijkheid (gehoudenheid tot uitkering) van Delta Lloyd vast te stellen. Teneinde buiten rechte tot een oplossing te komen is uitgebreid aan Delta Lloyd toegelicht waarom [eiser] recht heeft op uitkering onder de verzekering. Deze kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets volgens artikel 6:96 lid 2 BW, aldus [eiser] .
Delta Lloyd betwist deze vordering.
2.40.
De rechtbank stelt vast dat de bij dagvaarding overgelegde brieven van de raadsvrouw van [eiser] zien op het verkrijgen van voldoening buiten rechte, als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder c. Anders dan Delta Lloyd aanvoert, blijkt hieruit dat [eiser] buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt.
[eiser] vraagt om toepassing van “de toepasselijke staffel”. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (Stb. 2012/141) is van toepassing op een uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom, en dus op de onderhavige verzekeringsovereenkomst. Dat geldt dan ook voor de bijbehorende staffel. De onderhavige vordering is van onbepaalde waarde. Het dossier biedt duidelijke aanwijzingen dat de financiële waarde van de vordering in ieder geval een waarde van € 100.000 vertegenwoordigt. Daarvan uitgaande in dit verband, leidt toepassing van de staffel tot een corresponderend bedrag van € 1.775. Dit bedrag voldoet aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW.
Uit de overgelegde voornoemde brieven en de telkens afwerende reactie daarop van Delta Lloyd wordt afgeleid dat Delta Lloyd in ieder geval per de datum van de dagvaarding in verzuim is komen te verkeren. Delta Lloyd kan zich er dus niet op beroepen dat zij niet in verzuim is gesteld.
Ook het beroep van Delta Lloyd op het ontbreken van de zogenoemde ‘veertien dagen brief’ faalt. Deze voorwaarde is neergelegd in artikel 6:96 lid 6 BW en geldt indien de schuldenaar een natuurlijke persoon is, die niet handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. [eiser] is niet een zodanige schuldenaar, zodat die voorwaarde hier niet aan de orde is.
2.41.
Concluderend is een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 1.775 toewijsbaar, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente per datum dagvaarding, zijnde 22 maart 2018.
2.42.
Delta Lloyd zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] . Deze proceskosten worden als volgt begroot:
- dagvaarding € 81,00
- griffierecht 895,00
- salaris advocaat 6.195,00 (3,5 punten × € 1.770 (tarief V)
Totaal € 7.171,00
Ter toelichting: In navolging van het overwogene in 2.40. wordt ook in dit kader uitgegaan van een vordering met een financiële waarde van in ieder geval € 100.000. Daarop is tarief V van toepassing.
Ook de gevorderde nakosten zijn toewijsbaar als in de beslissing vermeld.
uitvoerbaarheid bij voorraad
2.43.
Delta Lloyd heeft zich verzet tegen de vordering tot uitvoerbaarheid bij voorraad en zich daartoe beroepen op een restitutierisico. Op grond van artikel 234 Rv dient bij de beoordeling van deze vordering een afweging te worden gemaakt tussen de belangen van partijen in het licht van de omstandigheden van het geval. Delta Lloyd voert aan dat zij hoger beroep zal instellen tegen dit eindvonnis. Dit is op zichzelf geen rechtens relevant af te wegen belang in dit verband. Delta Lloyd beroept zich ook op het bestaan van een zeer fors restitutierisico. Zij verwijst hiertoe naar de stelling van [eiser] in de dagvaarding dat hij financieel zeer kwetsbaar is en moeite heeft zijn gezin financieel te onderhouden. Nu de dagvaarding dateert van 22 maart 2018 en vaststaat dat [eiser] vervolgens alternatieve inkomensbronnen heeft gevonden, biedt genoemde stelling van Delta Lloyd onvoldoende fundament voor het bestaan van enig restitutierisico. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het belang van [eiser] bij toewijzing van uitvoerbaarheid bij voorraad zwaarder moet wegen dan dat van Delta Lloyd bij behoud van de bestaande toestand totdat op het rechtsmiddel van hoger beroep is beslist. De vordering tot uitvoerbaarheid bij voorraad wordt dus toegewezen.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat de klachten en beperkingen van [eiser] ten gevolge van metabole myopathie, overeenkomstig de uitleg daarvan in overweging 4.19. van het tussenvonnis van 20 maart 2019, onder de dekking van de verzekering vallen en dat Delta Lloyd gehouden is dekking te verlenen voor de arbeidsongeschiktheid die voortvloeit uit deze klachten en beperkingen;
3.2.
veroordeelt Delta Lloyd om met terugwerkende kracht tot uitkering over te gaan onder de verzekering en premievrijstelling te verlenen voor de klachten van [eiser] ten gevolge waarvan hij arbeidsongeschikt is, te vermeerderen met de wettelijke rente volgens artikel 6:119 BW vanaf 22 maart 2018 tot en met de dag der algehele voldoening, met inachtneming van het overwogene in 2.37.;
3.3.
veroordeelt Delta Lloyd in de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.775, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2018 tot en met de dag der algehele voldoening;
3.4.
veroordeelt Delta Lloyd in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 7.171;
3.5.
veroordeelt Delta Lloyd in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Delta Lloyd niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
3.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2021.
Uitspraak 20‑03‑2019
Inhoudsindicatie
Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Gezondheidsrecht. Uitleg polisvoorwaarde "medisch vast te stellen stoornis". Haviltex. "Herkenbaar en benoembaar ziektebeeld", Neurologische diagnose. Metabole myopathie.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/645597 / HA ZA 18-319
Vonnis van 20 maart 2019
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. A. Koert te Rotterdam,
tegen
naamloze vennootschap
DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. E.J. Wervelman te Utrecht.
Partijen zullen hierna [eiser] en Delta Lloyd genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 17 oktober 2018
- -
het proces-verbaal van comparitie van 14 januari 2019
- -
de brief van mr. Wervelman van 24 januari 2019 naar aanleiding van het proces-verbaal.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiser] (geboortedatum: [datum] ) heeft jarenlang als zelfstandig fysiotherapeut gewerkt.
2.2.
Tussen partijen is sinds 6 juni 2012 een arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de verzekeringspolis) van kracht. In de daarop van toepassing zijnde polisvoorwaarden staat, voor zover van belang, opgenomen (hierna: de polisvoorwaarde):
“BEGRIP ARBEIDSONGESCHIKTHEID
Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien verzekerde als gevolg van ziekte of een ongeval medisch vast te stellen stoornissen heeft. En verzekerde daardoor beperkt is in zijn handelen en werken. Arbeidsongeschiktheid wordt voor deze verzekering aanwezig geacht indien verzekerde als gevolg van de stoornissen tenminste 25% arbeidsongeschikt is tot het verrichten van de werkzaamheden die horen bij zijn verzekerde beroep. Zoals dat verrichten van werkzaamheden voor de beroepsbezigheden in de regel redelijkerwijs kan worden verlangd. (…)”
2.3.
[eiser] heeft zich op 30 september 2014 gedeeltelijk en per 1 juni 2015 volledig arbeidsongeschikt gemeld bij Delta Lloyd. De reden voor deze meldingen was dat [eiser] - in toenemende mate - spierpijnklachten, vermoeidheid in armen en benen, en minder kracht ervaarde. Delta Lloyd is in eerste instantie tot uitkering onder de verzekeringspolis overgegaan.
2.4.
[eiser] werd door zijn huisarts doorverwezen naar een neuroloog [naam 1] van het Lievensberg Ziekenhuis te Bergen op Zoom. Die verwees [eiser] op 3 juli 2014 door naar prof. dr. [naam 2] , verbonden aan het Erasmus MC te Rotterdam. Blijkens diens medisch verslag van 23 september 2014 werd als werkdiagnose “Myopathie, verdenking McArdle” gesteld. [naam 2] verwees [eiser] door naar UMC St. Radboud, poli neuromusculaire ziekten te Nijmegen. De ziekten van Pompe en McArdle werden uitgesloten. Een diagnose kon niet worden gesteld.
2.5.
[eiser] heeft daarop op eigen initiatief een second opinion gevraagd aan het Universitair Ziekenhuis te Leuven, polikliniek voor neuromusculaire ziekten. Hij heeft neurologen van deze polikliniek geconsulteerd op 9 en 15 februari, 31 maart, 5 april, 3 juni, 19 juli en 28 september 2016.
In een verslag van het consult van 9 februari 2016 staat:
“Anamnese
Sinds een 3-tal jaren zijn er klachten van spierpijnen. Hij heeft altijd gevoetbald, frequent gesport. Van kinds af aan merkt hij dat er minder uithoudingsvermogen was: hij moest na inspanningen stoppen na 10 minuten. Laatste jaren dat hij voetbalde op korte tijd verschillende spierscheuren. Een 3-tal jaren geleden is dit sneller achteruit gegaan: voetballen ging niet meer, heel veel spierpijnen en krampen. Hij had dan 2-3 dagen herstel nodig. Tijdens werken merkte hij dan sneller vermoeidheid in de armen. Er is dan geen verminderde kracht. Hij merkt dat de spieren sneller verzuren. Er was op een aantal maanden snel achteruit, nu blijft het op een slecht niveau. Er is spierpijn die continu aanwezig is. Onmiddellijk bij begin van de inspanning (minuten) moeilijk. (…) Bij koude heeft hij sneller last dan bij warmte. (…) Wel soms spierpijn wanneer hij in bed ligt.
Soms wat tintelingen gehad in de vingertoppen. De urine is donker (bruine kleur) het laatste jaar, bij inspanning neemt dit toe. Geen andere urinaire klachten. Geen obstipatie. De klachten zijn erg invaliderend.”
In een verslag van het consult van 5 april 2016 staat:
“Bespreking en besluit”
(…) Verder bepaalden we (…) opnieuw CK’s (normaal). De man heeft af en toe donkere urine, we adviseerden hem om tijdens dergelijke episodes CK’s te laten controleren bij u.”
In een verslag van het consult van 19 juli 2016 staat:
“Bespreking en besluit
(…) We stellen voor om CK waarde te laten bepalen als hij veel spierpijn heeft en/of er donkere urine is. Indien deze CK waarden fors verhoogd zijn, zullen we verder genetische diagnostiek uitvoeren voor metabole myopathieën.”
In een verslag van het consult van 28 september 2016 staat:
“Intervalanamnese:
De klinische toestand bij patiënt is stabiel. Er werd een serum-CX-waarde bij huisarts gecontroleerd, zonder voorafgaandelijke inspanningen, die tot 341 U/l verhoogd was. De patiënt heeft regelmatig donkere urine.
‘s Ochtends bij het wakker worden ervaart de patiënt het slechtste moment. De klachten waren reeds als kind aanwezig. Zo moest hij tijdens het voetballen wegens optreden van krampen stoppen. Daarn aging het terug beter, maar elke paar minuten moest hij de inspanning onderbreken. De delay tussen inspanningen werd in de loop der jaren steeds korter. Onder een behandeling met Tegretol 200 mg 2x/dag had de patiënt duidelijk minder pijn, maar hij ontwikkelde een allergische huidreactie. Tegretol werd daaropvolgend gestopt. (…)”
Bespreking en besluit
(…) Wij volgen uw patiënt (…) omwille van inspanningsafhankelijke krampen en myalgiën, evenals myoglobinurieën.
We vermoeden een metabole myopathie. (…) Wij vragen een Whole-Exome Sequencing (WES) onderzoek naar metabole myopathieën aan. (…) Wij legden de patiënt uit dat WES op dit ogenblik het meest gesofisticeerde genetisch onderzoek is dat we in diagnostische setting kunnen aanbieden, echter zonder garantie dat een resultaat bekomen wordt.”
2.6.
In opdracht van Delta Lloyd is vervolgens op 14 december 2016 een neurologische expertise verricht door dr. [naam 3] , neuroloog te Veldhoven. In diens rapport van 16 december 2016 (hierna: het rapport [naam 3] ) staat, voor zover van belang:
“3.6.1. Samenvatting ziektegeschiedenis uit het medisch dossier (pagina 10)
(..) De behandelend neuroloog heeft wel het vermoeden op het bestaan van een myopathie maar kan dit nog niet objectiveren. Gezien dit vermoeden dien ik redelijkerwijs uit te gaan van het bestaan van een myopathie, hoewel er geen afwijkingen zijn vastgesteld.”
“3.7.2 Differentiaaldiagnostische overwegingen
Het medisch dossier geeft voldoende aanwijzingen dat er door deskundigen wordt gedacht aan een metabole myopathie. Zeer uitvoerig onderzoek in drie academische ziekenhuizen kan echter geen oorzaak aantonen, noch een diagnose stellen. Een dergelijke aandoening met zekerheid uitsluiten is echter onmogelijk. Derhalve is het ten aanzien van een bepaling van de AO essentieel te bepalen of er consistentie bestaat ten aanzien van anamnese en de onderzoeksbevindingen. In deze casus is dit moeilijk te bepalen. Onderzochte maakt een betrouwbare indruk. Anderzijds is er enige relativering op zijn plaats ten aanzien van de klachten en de prestaties die onderzochte kan leveren, zeker in relatie tot zijn arbeid als fysiotherapeut. Mijn onderzoek was geheel zonder afwijkingen ten aanzien van een relevante neuromusculaire aandoening.”
“3.8. Diagnose
(…) Onderzochte, fysiotherapeut van beroep, vermeldt klachten die duiden op myopathie (spierziekte). (…) De anamnese wijst op een spierziekte, doch vertoont inconsistenties en relativeert de ernst van de beperkingen. Bij onderzoek worden geen objectiveerbare afwijkingen vastgesteld. Ik kan derhalve ten aanzien van de gepresenteerde klachten op dit moment geen neurologische diagnose stellen.”
“4. Zakelijk rapport
Ad vraag 2: Wat zijn uw bevindingen bij het onderzoek en welke objectief medisch vast te stellen stoornissen heeft betrokkene in relatie tot ziekte of ongeval?
“(…) Uitgebreid onderzoek gericht op het aantonen van een myopathie leverde tot op heden geen overtuigende afwijkingen op. Desalniettemin spreekt de behandelend neuroloog van een vermoeden op een myopathie.
Ad vraag 3: Welke diagnose stelt u?
Ten aanzien van de overige [hier relevante, rechtbank] klachten kom ik niet verder dan dat deze duiden op de aanwezigheid van een metabole myopathie, doch dat er tot op heden, ondanks zeer uitgebreid aanvullend onderzoek, geen afwijkingen zijn geobjectiveerd.
Ad vraag 7: Wat is uw differentiaal diagnose?
(..) een metabole myopathie, danwel een myopathie door andere (onbekende) oorzaak, of functionele klachten door een psychogene oorzaak.”
2.7.
Op basis van het rapport [naam 3] heeft Delta Lloyd [eiser] bij brief van
1 februari 2017 meegedeeld dat de uitkering onder de verzekeringspolis (stapsgewijs) per
1 mei 2017 zou worden stopgezet omdat er volgens Delta Lloyd geen sprake is van een gedekt evenement wegens het ontbreken van “een medisch aantoonbare stoornis door ziekte of een ongeval”.
2.8.
Om het stoppen van de uitkering aan te vechten, heeft [eiser] aanvullende informatie ingewonnen bij voornoemde polikliniek in Leuven op 7 april 2017. In een ongedateerde brief terzake van prof. dr. [naam 4] (hierna: [naam 4] ), verantwoordelijk staflid, staat, voor zover van belang:
“Wij volgen deze patiënt omwille van een metabole myopathie met myalgiën, spierkrampen en CT-stijging uitgelokt door spierinspanningen. Een exome sequencing is lopende in de hoop het onderliggend genetisch defect op te sporen. Reeds sinds de eerste visite bij ons (…) was metabole myopathie de werkdiagnose.”
In een verslag van (o.a.) [naam 4] van het consult van 7 april 2017 van 16 april 2017 staat, voor zover van belang:
“Technische onderzoeken
(…) Resultaten inspanningstest Bergen op Zoom: Na minimale inspanning CK verhoging van 341 U/L. (…)”
“Bespreking en besluit:
Wij zagen uw patiënt (…) op de raadpleging neurologie op 07-04-2017. We volgen hem omwille van inspanningsafhankelijke krampen en myalgieën, evenals myoglobinurieën. Clinico-anamnestisch vernemen we een stabiele, slechte toestand. Zelfs bij kleine inspanningen excacerberen de krampen en myalgieën. Daarna kleurt zijn urine ook donkerder. Uitgebreide investigaties (incl. extern twee maal spierbiopsie en MRI whole body spieren) hebben tot op heden bij patiënt geen genetische oorzaak aan het licht gebracht. Een inspanningstest in Bergen op Zoom toonde aan dat zelfs na een minimale inspanning de CE waardes reeds verdubbelen, wat ook pleit voor een metabole myopathie. (…) We stellen op klinische en biochemische basis de diagnose van een metabole myopathie bij deze patiënt. Verdere bepaling van het causatieve gen is aangevraagd onder de vorm van een WES (…)”
2.9.
[eiser] heeft voornoemd verslag aan Delta Lloyd verstrekt, die dit op haar beurt heeft voorgelegd aan [naam 3] . [naam 3] heeft daarop aanvullend gerapporteerd op 19 juli 2017:
“(…)
Beschouwing: De recente informatie van Prof. Dr. [naam 4] wijst op basis van de anamnese en een lichte niet significante stijging van het CK op een verdenking op een metabole myopathie. Tot op heden kon geen objectiveerbare diagnose worden gesteld. Het verschil tussen een objectiveerbaar ziektebeeld en functionele klachten betreft het vaststellen van een gendefect waarbij een dergelijk ziektebeeld beschreven is. Tot heden is dit niet het geval. Er bestaan geen objectiveerbare afwijkingen bij uitvoerig verricht neurologisch en aanvullend onderzoek (…).
Conclusie: Klachten die wijzen op een inspanningsgebonden metabole myopathie die (nog) niet objectief kan worden aangetoond. Vooralsnog kan dus geen diagnose worden gesteld en ontbreken objectiveerbare afwijkingen.”
Delta Lloyd heeft [eiser] daarop op 25 augustus 2017 bericht dat zij haar afwijzende standpunt handhaaft.
2.10.
Vervolgens heeft [naam 4] op verzoek van [eiser] de volgende nadere toelichting op zijn verslag van 16 april 2017 gegeven:
e-mail van 27 september 2017: “De kliniek van patiënt wijst op een metabole myopathie. Een zekerheidsdiagnose kan enkel met gentesting, die ook niet 100% sluitend is. Binnen neuromusculaire ziekten zijn er vele patiënten bij wie nooit een gendefect gevonden wordt en toch een diagnose gesteld wordt op klinische basis.”
e-mail van 24 oktober 2017: “Een klinische diagnose van metabole myopathie, of werkdiagnose van metabole myopathie kan dus gesteld worden. Er is vanuit medisch standpunt geen verschil tussen beide begrippen. Een zekerheidsdiagnose kan enkel met gentesting, die ook niet 100% sluitend is.”
2.11.
Delta Lloyd heeft [eiser] daarop bij e-mail van 17 november 2017 bericht dat zij blijft bij haar afwijzende standpunt.
2.12.
Delta Lloyd heeft [naam 3] vervolgens bij brief van 27 maart 2018 de volgende vraag voorgelegd:
“Bedoelt u nu te stellen dat u redelijkerwijs wel uitgaat van het bestaan van myopathie of niet? Dat schrijft u immers op pagina 10 van uw expertiserapport.”
[naam 3] heeft op 7 april 2018 hierop gereageerd met een tweede aanvullend rapport. Hierin staat, voor zover van belang (pagina 15/16):
“Bovenstaande casus rechtvaardigt de overweging of er sprake is van een myopathie en de klinische verdenking hierop is groot. Uit het ontbreken van geobjectiveerde beperkingen (FIS-tabel) leid ik af dat ik momenteel geen neurologische diagnose kan stellen, omdat deze ook in de behandelende sector niet is gesteld. Het ontbreken van geobjectiveerde beperkingen, betekent dat er geen neurologische diagnose is die deze beperkingen rechtvaardigt. Ik ga hierbij af op de gegevens die aanwezig zijn in het medisch dossier.
Op pagina 10 schrijf ik dat ik redelijkerwijs dien uit te gaan van de diagnose myopathie, omdat de behandelaar hiervan uitgaat. Tot heden is deze diagnose echter niet definitief gesteld ondanks zeer uitgebreid aanvullend onderzoek en kan ik subjectief ervaren beperkingen niet onderbouwen met een neurologische diagnose. Zonder een neurologische diagnose, mag ik geen beperkingen aannemen. De door betrokkene aangegeven klachten kunnen duiden op een myopathie, maar deze klachten worden niet onderbouwd met een neurologische diagnose. In mijn rapport ga ik ervan uit dat er geen diagnose is gesteld die de klachten van betrokkene kan onderbouwen, hoewel er op grond van deze klachten een sterk vermoeden bestaat op de aanwezigheid van een myopathie.”
2.13.
Blijkens een verslag van (o.a.) [naam 4] van 26 april 2018 zijn op 10 april 2018 de resultaten van de genetische screening (WES) met [eiser] besproken, te weten dat er geen gendefect kon worden vastgesteld. In dit verslag staat onder “Bespreking en besluit” ter aanvulling op de weergave van 16 april 2017 (2.8):
“(…) Een mendelioom-screening kon geen pathogene mutaties aantonen. Dit resultaat werd vandaag ook aan patiënt meegedeeld. We stellen op klinische en biochemische basis de diagnose van een metabole myopathie bij deze patiënt. Er zijn geen bijkomende onderzoeken aangewezen op dit moment. (…)”
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert samengevat - bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I) te verklaren voor recht dat de klachten en beperkingen van [eiser] ten gevolge van metabole myopathie, zoals thans genoemd door [naam 4] , onder de dekking van de verzekering vallen en dat Delta Lloyd gehouden is dekking te verlenen voor de arbeidsongeschiktheid die voortvloeit uit deze klachten en beperkingen;
II) Delta Lloyd te veroordelen om vanaf heden, lopende het traject tot het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid, bij wijze van voorschot tot uitkering over te gaan op basis van 100% arbeidsongeschiktheid;
III) Delta Lloyd te veroordelen (met terugwerkende kracht) tot uitkering over te gaan onder de verzekering en premievrijstelling te verlenen voor de klachten van [eiser] ten gevolge waarvan hij arbeidsongeschikt is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2017, althans vanaf 1 mei 2017, althans vanaf de datum van dagvaarding, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot en met de dag der algehele voldoening;
IV) Delta Lloyd te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten plus wettelijke rente;
V) Delta Lloyd te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten.
3.2.
Delta Lloyd voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
gedaagde partij
4.1.
Ter zitting heeft Delta Lloyd meegedeeld dat Nationale-Nederlanden schadeverzekering maatschappij N.V. (hierna: NN) op 31 december 2018 is gefuseerd met Delta Lloyd, en dat de risicodrager krachtens de verzekeringspolis per die datum NN is. [eiser] heeft daarop aangegeven dat de dagvaarding geacht moet worden te zijn gericht aan NN. Bij brief van 24 januari 2019 heeft mr. Wervelman meegedeeld dat – anders dan vermeld ter zitting – niet NN maar Movir N.V. die risicodrager is.
4.2.
De rechtbank gaat in dit vonnis uit van Delta Lloyd als gedaagde partij. Vaststaat immers dat zij op datum dagvaarding (22 maart 2018) de juist gedagvaarde partij was als zijnde risicodrager krachtens de verzekeringspolis (partij bij de verzekeringsovereenkomst). De rechtbank neemt aan dat, gegeven de vervolgens opgetreden rechtsopvolging, de huidige risicodrager krachtens de verzekeringspolis (Movir N.V.) dit vonnis zal naleven.
uitleg polisvoorwaarde / “medisch vast te stellen stoornis als gevolg van ziekte”
4.3.
[eiser] stelt, onder verwijzing naar [naam 4] , dat zijn klachten het gevolg zijn van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld, te weten “metabole myopathie” (hierna “MM”), en dat dus sprake is van “een medisch vast te stellen stoornis als gevolg van ziekte” in de zin van de polisvoorwaarde.
4.4.
Delta Lloyd erkent dat [naam 4] bij [eiser] de diagnose MM heeft gesteld, maar betwist dat [eiser] hierop een beroep kan doen ter ondersteuning van zijn stelling. Delta Lloyd voert daartoe aan, onder verwijzing naar [naam 3] , dat MM niet medisch objectiveerbaar kan worden gediagnosticeerd bij [eiser] omdat er geen gendefect is vastgesteld.
4.5.
De vraag die daarmee eerst voorligt, is wat tussen partijen mag worden opgevat als “medisch vast te stellen stoornis als gevolg van ziekte” overeenkomstig de polisvoorwaarde.
Voorop staat dat het Delta Lloyd vrij staat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen zij bereid is dekking te verlenen. Bij de beantwoording van de vraag hoe deze polisvoorwaarde moet worden uitgelegd, komt het evenwel aan op de zin die partijen over en weer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten. Nu, zoals onbetwist gesteld door [eiser] , over dergelijke voorwaarden niet tussen partijen onderhandeld is, is de uitleg daarvan in het bijzonder afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel. In dat verband is van belang, zoals eveneens onweersproken is gesteld door [eiser] , dat bedoelde bepalingen bestemd zijn om de rechtsverhouding te regelen van Delta Lloyd met particuliere verzekerden die doorgaans leek zijn op medisch gebied. Delta Lloyd dient daarom haar bedoeling in haar polisvoorwaarden tot uitdrukking te brengen op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is. In de tekst van de onderhavige polisvoorwaarde is wel ondubbelzinnig tot uitdrukking gebracht dat sprake moet zijn van een medisch vast te stellen stoornis, maar die tekst brengt onvoldoende duidelijk kenbaar tot uitdrukking de door Delta Lloyd gestelde bedoeling, namelijk om van vergoeding uit te sluiten iedere arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan geen medisch te objectiveren afwijkingen of symptomen kunnen worden vastgesteld, ook al is volgens medici van de in aanmerking komende specialismen sprake van een herkenbaar en benoembaar klachtenbeeld (en kan de medische stoornis in die zin dus medisch worden vastgesteld). In elk geval heeft Delta Lloyd geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden die haar ten dienste stonden om haar bedoeling duidelijker tot uitdrukking te brengen, namelijk door een uitdrukkelijke uitsluiting op te nemen voor dergelijke gevallen. Concluderend is de rechtbank met [eiser] van oordeel dat hij uit de tekst van de polisvoorwaarden heeft mogen begrijpen dat sprake is van een medisch vast te stellen stoornis voor zover sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld. (Vgl. HR 16 april 1999, NJ 1999, 666, Gerechtshof Amsterdam 11 augustus 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK9363, Gerechtshof Den Bosch 2 juni 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW8401.)
4.6.
Niet valt in te zien dat, zoals Delta Lloyd kennelijk meent, deze uitleg niet zou gelden voor het ziektebeeld van MM omdat dit geen “moeilijk te objectiveren ziektebeeld” zou zijn. Delta Lloyd voert met juistheid aan dat bij het klachtenpatroon van [eiser] ruimschoots medisch onderzoek naar medisch substraat voorhanden is om afwijkingen van MM te kunnen vaststellen. Ook kan tussen partijen worden vastgesteld dat al het voorhanden onderzoek naar MM in het onderhavige geval inmiddels ook daadwerkelijk is verricht, daaronder begrepen het volgens [naam 4] en de andere neurologen van de kliniek in Leuven momenteel meest geavanceerde genetisch onderzoek WES, dat geen genetisch uitsluitsel heeft gegeven.
Daar staat evenwel het volgende tegenover, zoals onbetwist gesteld door [eiser] . MM is een groep van verschillende aandoeningen, die een afwijking aan de stofwisseling van energie in de spieren gemeen hebben. Van sommige van die aandoeningen is inmiddels bekend van welke specifieke genafwijking sprake is en door wetenschappelijk onderzoek wordt wel steeds meer bekend, zodat van steeds meer van deze aandoeningen bekend wordt van welke genafwijking sprake is en de behandeling ook daarop kan worden afgestemd. Nog altijd kan echter niet voor alle gevallen van MM het achterliggend gendefect achterhaald worden en een nadere specificatie worden gegeven. [eiser] verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar de informatie van [naam 4] . [naam 4] rapporteert dat ook gentesting niet 100% sluitend is en dat binnen neuromusculaire ziekten er vele patiënten zijn bij wie nooit een gendefect gevonden wordt en toch een diagnose gesteld wordt op klinische basis (zie 2.10). Ook na kennisneming van de uitslag van het WES-onderzoek, waarbij geen gendefect werd vastgesteld, blijft [naam 4] bij zijn diagnose MM (zie 2.13).
Dat [naam 3] , net als de in België geraadpleegde neurologen, zonder medische objectiveerbaarheid niet tot de neurologische diagnose MM kan komen, is op zich niet een voldoende betwisting van deze stellingname van [eiser] Daarbij is van belang dat [naam 3] ook zelf erkent (zie 3.6.): “Een dergelijke aandoening [MM, rechtbank] met zekerheid uitsluiten is echter onmogelijk.”
Daarmee slaagt als onvoldoende weersproken de stelling van [eiser] dat niet alle gevallen van MM medisch objectiveerbaar zijn.
toepassing uitleg polisvoorwaarde / “herkenbaar en benoembaar ziektebeeld”
4.7.
Vervolgens komt dan de vraag aan de orde of met inachtneming van deze uitleg vastgesteld kan worden dat bij [eiser] een “medisch vast te stellen stoornis als gevolg van ziekte” in de zin van de polisvoorwaarde aanwezig is.
4.8.
Deze uitleg brengt allereerst mee dat voor zover Delta Lloyd zich beroept op het ontbreken van medische objectiveerbaarheid van de klachten, dit verweer haar niet kan baten indien zich een “herkenbaar en benoembaar ziektebeeld” voordoet, zoals [eiser] stelt. Ter beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, wordt als volgt overwogen.
4.9.
Delta Lloyd voert aan dat [naam 4] als behandelaar van [eiser] heeft te gelden en hij dus gericht is op het beter maken van patiënten en niet op het vaststellen van objectief medisch vast te stellen stoornissen, terwijl [naam 3] onafhankelijk is van Delta Lloyd, tuchtrechtelijk toetsbaar, juist daarom is ingeschakeld als deskundige, en ook als zodanig heeft gerapporteerd op de daarvoor gebruikelijke wijze aan de hand van aan hem gestelde vragen.
4.10.
Delta Lloyd wordt niet gevolgd in dit verweer. Partijen zijn vrij in de wijze waarop en middelen waarmee zij hun stellingen/weren willen onderbouwen. Het is juist dat [naam 4] geen onafhankelijk van partijen benoemde deskundige betreft, maar een medisch behandelaar, tot wie [eiser] zich heeft gericht ten behoeve van een second opinion. [naam 3] , die niet op gemeenschappelijk verzoek van partijen maar eenzijdig in opdracht van Delta Lloyd heeft geadviseerd, valt evenmin te kwalificeren als een onafhankelijk van partijen benoemde deskundige. De verslaglegging van (ook) [naam 4] , in zijn hoedanigheid van medisch specialist met als specialisme neuromusculaire ziekten, voldoet aan de toets van zorgvuldigheid en vakkundigheid en zijn bevindingen leiden op inzichtelijke en consistente wijze tot zijn conclusies. In hetgeen Delta Lloyd aanvoert, kan dus op zich geen reden worden gevonden om de verslaglegging van [naam 4] niet te betrekken bij de beoordeling van de (onderbouwing van de) stellingen van [eiser] .
4.11.
Delta Lloyd beroept zich ten verwere op in het rapport van [naam 3] genoemde inconsistenties die bestaan tussen de anamnese en het dossier op basis van zijn gegevens, als samengevat in haar conclusie van antwoord (randnr. 25). Dit verweer kan niet slagen gelet op het volgende.
4.12.
De door [naam 3] genoemde inconsistenties leveren Delta Lloyd geen voldoende betwisting op van het door [eiser] gestelde herkenbaar en benoembaar ziektebeeld. Van belang daarvoor zijn de woordkeuze en formulering van de context door [naam 3] .
Hij formuleert zijn opmerkingen over de door hem gesignaleerde inconsistenties als “enige relativering” van “de ernst van de beperkingen”, op basis van zijn eigen observaties bij het onderzoek en hetgeen [eiser] , die op hem een “betrouwbare indruk” maakt, aan hem heeft verteld over zijn activiteiten (2.6. en 2.9.).
Deze opmerkingen weerhouden [naam 3] er evenwel niet van om in zijn rapport “redelijkerwijs uit te gaan van het bestaan van een myopathie, hoewel er geen afwijkingen zijn vastgesteld” (2.6.) en in zijn eerste aanvullend rapport te concluderen tot “klachten die wijzen op een inspanningsgebonden metabole myopathie die (nog) niet objectief kan worden aangetoond” (2.9.). In zijn tweede aanvullend rapport (2.12.) staat “Uit het ontbreken van geobjectiveerde beperkingen (FIS-tabel) leid ik af dat ik momenteel geen neurologische diagnose kan stellen, omdat deze ook in de behandelende sector niet is gesteld” en “In mijn rapport ga ik ervan uit dat er geen diagnose is gesteld die de klachten van betrokkene kan onderbouwen”. [naam 3] sluit deze zinsnede niettemin af met de toevoeging “hoewel er op grond van deze klachten een sterk vermoeden bestaat op de aanwezigheid van een myopathie”.
4.13.
Voor zover Delta Lloyd zich beoogt te beroepen op het eventuele bestaan van alternatieve oorzaken voor de klachten, heeft zij dit verweer in het licht van de betwisting daarvan door [eiser] te weinig gestaafd met concrete feiten en omstandigheden.
Delta Lloyd voert hiertoe slechts aan dat [naam 3] in zijn rapport de vraag opwerpt of er ook alternatieve psychogene verklaringen zijn voor de klachten van [eiser] nu het revalidatietraject van [eiser] (fysiotherapie, ergotherapie en psycholoog) geen baat gaf behoudens de psycholoog die hem goed hielp bij zijn gevoelens van teleurstelling, verdriet, boosheid, en de overlast voor zijn gezin. Dit is een onvoldoende onderbouwing, zodat dit verweer faalt.
4.14.
Delta Lloyd heeft op de zitting aangevoerd dat de diagnose van [naam 4] alleen is gebaseerd op (a) klinische gegevens, te weten de anamnese, en (b) biochemisch onderzoek, te weten een volgens de huisarts bestaande CK-waarde van 341 U/l, die niet in het bezit van [naam 4] is. Dit is onvoldoende om vast te stellen dat hier sprake is van MM, aldus Delta Lloyd.
4.15. (
(ad a) Niet (voldoende) is betwist dat, als gesteld door [eiser] , de opeenvolgende (interval)anamneses in Leuven (zie 2.5. en 2.8.) blijk geven van een plausibel klachtenpatroon dat past bij het ziektebeeld van MM. Tussen partijen staat als onweersproken vast dat [eiser] zijn eigen werk als fysiotherapeut heeft stopgezet en niet heeft hervat, dat hij diverse paramedische behandelingen heeft ondergaan, psychologische hulp heeft gehad en een structurele spiegel van diverse pijnstillers voorgeschreven heeft gekregen, dit alles ter verlichting van zijn klachten, die niettemin voortduren, zoals ook ter zitting is toegelicht door [eiser] .
Tussen partijen staat verder vast dat er geen andere medisch objectiveerbare oorzaak is gevonden voor de klachten. Bovendien heeft, zoals overwogen in 4.13., Delta Lloyd onvoldoende aangevoerd dat sprake kan zijn van een alternatieve psychogene oorzaak.
4.16. (
(ad b) De uitslag van de huisarts betreffende een CK-waarde van 341 U/l moet worden bezien in de context als weergeven in 2.5. en 2.8. Uit deze medische verslaglegging blijkt dat – anders dan Delta Lloyd meent – [naam 4] , althans de betrokken neurologen van zijn polikliniek, meerdere malen ook zelf biochemisch onderzoek hebben gedaan bij [eiser] , dat op die momenten de CK-waarde normaal is, maar dat de urine soms wel donker was, dat een verhoogde CK-waarde in geval van spierpijn en/of donkere urine volgens [naam 4] “ook pleit” voor een MM en dat daarom CK-testen op die momenten via de huisarts werden geadviseerd. Voor zover Delta Lloyd met het feit dat [naam 3] de uitslag niet zelf in zijn bezit heeft, beoogt het juistheidsgehalte van de informatie van de huisarts te betwisten, had van haar in dit stadium van de procedure meer concrete onderbouwing van dat standpunt verwacht mogen worden. Dit geldt temeer nu [naam 3] , die blijkens zijn aanvullend rapport van 19 juli 2017 kennis heeft genomen van ook deze informatie, voor een dergelijke veronderstelling geen aanknopingspunt geeft.
4.17.
Dit betekent, met inachtneming van de in 4.5. weergegeven uitleg van de polisvoorwaarde, dat uit het door [naam 4] genoemde klinisch en biochemisch onderzoek kan volgen dat sprake is van MM als herkenbaar en benoembaar ziektebeeld.
Het hierop gerichte verweer faalt.
tussenconclusie
4.18.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de stelling van [eiser] dat sprake is van een “herkenbaar en benoembaar ziektebeeld” onvoldoende is weersproken en dus slaagt. Daarmee staat, met inachtneming van de in 4.5. weergegeven uitleg, tevens vast dat sprake is van een “medisch vast te stellen stoornis als gevolg van ziekte” als bedoeld in de polisvoorwaarde.
Hetgeen overigens over en weer is aangevoerd, kan niet leiden tot een ander oordeel en behoeft dus geen bespreking. Bij deze stand van zaken wordt dus niet toegekomen aan nadere vraagstelling aan (een van) de betrokken neurologen dan wel het gelasten van een nieuw neurologisch deskundigenbericht.
4.19.
In relatie tot vordering 1 betekent dit dat de daarin geformuleerde “klachten van eiser ten gevolge van metabole myopathie, zoals thans genoemd door [naam 4] ”, daaronder begrepen - zo legt de rechtbank als niet nader weersproken uit - de klachten genoemd door de overige betrokken neurologen van de kliniek in Leuven, als weergegeven in 2.5. en 2.8., vallen onder het dekkingsvereiste ‘medisch vast te stellen stoornis als gevolg van ziekte’ in de zin van de polisvoorwaarde van de verzekering.
Dit oordeel heeft op zichzelf evenwel geen vermogensrechtelijk effect, gelet op het volgende.
4.20.
[eiser] stelt ook dat aan de overige dekkingsvereisten in de polisvoorwaarde is voldaan, te weten dat “verzekerde daardoor beperkt is in zijn handelen en werken” en “als gevolg van de stoornissen tenminste 25% arbeidsongeschikt is.
Delta Lloyd betwist deze stelling onder verwijzing naar het rapport [naam 3] , waarin ook zijn verwerkt (o.a. in een FIS-tabel) de bevindingen en conclusies van zijn onderzoek naar – de realiteitszin en mate van – de gestelde uit de klachten voortvloeiende beperkingen.
[eiser] heeft hiertegen ingebracht dat [naam 3] ’s deskundigheidsgebied het specialisme van de neurologie betreft en niet de verzekeringsgeneeskunde. [eiser] acht verzekeringsgeneeskundig en vervolgens arbeidskundig deskundigenonderzoek noodzakelijk ter beantwoording van de vraag of aan genoemde verzekeringsvoorwaarden is voldaan.
4.21.
Hieruit volgt dat op dit moment niet vast staat dat voldaan is aan voornoemde overige dekkingsvereisten. Pas als aan al de dekkingsvereisten van de polisvoorwaarde is voldaan, kan sprake zijn van enige uitkeringsplicht aan de zijde van Delta Lloyd. Ook het gevorderde voorschot veronderstelt zulks. De stelling van [eiser] dat het “zeer aannemelijk” is dat het arbeidsongeschiktheidspercentage 80-100% zal bedragen is, is in het licht van de betwisting thans niet voldoende onderbouwd om deze als vaststaand te kunnen aannemen. Van enige toewijzing van het gevorderde kan op dit moment dus geen sprake zijn.
benoeming verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige
4.22.
Mede gegeven het bewijsaanbod van [eiser] , zal de rechtbank overgaan tot benoeming van een verzekeringsgeneeskundige en - uit oogpunt van efficiency ook reeds, indien en voor zover in het verzekeringsgeneeskundig rapport beperkingen worden vastgesteld - een arbeidsdeskundige.
4.23.
Daartoe zullen eerst partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de persoon van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige, en de aan hen te stellen vragen. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.
4.24.
Delta Lloyd heeft ter zitting verzocht om toelating van hoger beroep indien de rechtbank zou oordelen tot toewijzing van een verklaring voor recht dat sprake is van klachten ten gevolge van welke medische stoornis dan ook. Uit het vooroverwogene, in het bijzonder r.o 4.19., volgt dat aan deze voorwaarde niet is voldaan. Dit verzoek behoeft dan ook geen verdere beoordeling.
4.25.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 april 2019 voor het nemen van een gezamenlijke akte dan wel door beide partijen ieder afzonderlijk met betrekking tot hetgeen is verwoord in 4.23.;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2019.