Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/3.3.2
3.3.2 Ontwikkelingsgeschiedenis
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS350977:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel het fiscale strafrecht reeds voor de inwerkingtreding van het Wetboek van Strafrecht het daderschap van rechtspersonen erkende, werd de bestraffing van feiten die in feite door corporaties werden gepleegd, aanvankelijk langs de band van de strafbaarstelling van de bestuurders (en feitelijke leidinggevenden) gereguleerd. Illustratief zijn de Arbeidswet 1919, De Veiligheidswet 1934 en de Wet gevaarlijke stoffen waarin de bestuurders en andere hoofden aansprakelijk werden gesteld voor de niet naleving van de daarin vervatte voorschriften door de ondernemingen en inrichtingen die zij dreven. Vanaf het begin van de jaren ’20 van de vorige eeuw werd in bijzondere wetten erkend dat ook de rechtspersoon strafbare feiten kan plegen, hoewel deze nog niet als zodanig strafbaar werd gesteld. Er ontstond echter steeds meer behoefte om uit oogpunt van effectieve wetshandhaving de rechtspersoon zelf te straffen; bepaalde straffen en maatregelen zoals de geldboete en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel konden alleen op die manier tot hun recht komen. In 1950 werd in de Wet op de economische delicten dan ook erkend dat de rechtspersoon strafrechtelijk aansprakelijk kan zijn voor het plegen van economische delicten. Kamerstukken II 1975/76, 13 655, nr. 3, p. 9-12.
Smidt I, p. 420.
Zo hebben Torringa, Mulder en Fokkens hierop kritiek geuit. Volgens Torringa betrof art. 51 Sr wel degelijk een ingrijpende wetswijziging en zijn hier ten onrechte geen theoretische beschouwingen aan gewijd. Mulder en Fokkens wijzen voor dezelfde kritiek op het verschil in aard tussen de bijzondere wetten en het gewone strafrecht. De bijzondere wetten hebben volgens hen betrekking op ordeningsrecht dat een instrumenteel karakter heeft en gedragsbeïnvloeding centraal stelt, terwijl het in het gewone strafrecht met name om vergelding en conflictoplossing gaat. Zie Torringa 1984, p. 66 en 67; Mulder en Fokkens 1976, p. 497 en 498.
Zie bijvoorbeeld Knigge 1992, p. 128-154 die pleitte voor het hanteren van een criterium waarin de toerekening in het maatschappelijk verkeer centraal staat. Voor de toerekening van gedragingen aan rechtspersonen in het onrechtmatigedaadsrecht had de Hoge Raad reeds in 1979 (HR 6 april 1979,NJ 1980/34) overwogen dat als criterium daarvoor geldt of de gedraging van de handelende persoon in het maatschappelijk verkeer kan worden aangemerkt als een gedraging van de rechtspersoon. Ook Fokkens 1980, p. 403 stond welwillend tegenover een maatschappelijk verkeer- criterium voor de vaststelling van daderschap bij rechtspersonen.
Bijvoorbeeld het baatcriterium dat reeds voor de invoering van art. 51 Sr in een arrest uit 1947 werd toegepast (HR 27 januari 1948, NJ 1948/197 m.nt. W.P.J. Pompe) en het criterium normale bedrijfsuitvoering dat de Hoge Raad in het zogenoemde Rode vloeistof-arrest uit 1993 gebruikte (HR 23 februari 1993, NJ 1993/605 m.nt. A.C. ’t Hart).
HR 21 oktober 2003, NJ 2006/328, m.nt. P.A.M. Mevis (Drijfmest).
De strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen heeft eerst in 1976 een plaats gekregen in het algemene strafrecht. Voor die tijd konden rechtspersonen alleen strafbare feiten uit bijzondere wetten plegen. Die bijzondere wetten lagen op het gebied van het sociaal-economisch ordeningsrecht en waren groot in aantal.1 Waar de wetgever van 1881 proclameerde dat ‘een strafbaar feit () alleen gepleegd (kan) worden door den natuurlijke persoon’ en ‘de fictie der rechtspersoonlijkheid () niet (geldt) op het gebied van het strafrecht’2, ontstond na de inwerkingtreding van het Wetboek van Strafrecht geleidelijk een lappendeken van bijzondere strafbepalingen waarin het daderschap van rechtspersonen werd voorondersteld. De hieruit voortvloeiende geleidelijke erkenning van de rechtspersoon als rechtssubject in het strafrecht en de uiteenlopende wijze waarop dit onderwerp in de verschillende wetten was geregeld, deed bij de wetgever de wens ontstaan om een algemene regeling in te voeren in het Wetboek van Strafrecht.3 Enerzijds bestond er dus praktische noodzaak tot een algemene regeling en anderzijds achtte de wetgever de tijd rijp voor een regeling met algemene gelding. Er volgden geen diepgaande dogmatische overwegingen over het daderschap van rechtspersonen. Door de ruime ervaring die in de bijzondere wetten was opgedaan met de aansprakelijkheid van rechtspersonen, ontbrak, zo werd gesteld door de wetgever, de noodzaak tot een ‘diepgravende rechtstheoretische beschouwing’ daarover.4 Hoewel niet alle schrijvers zich daarin konden vinden,5 kwam met art. 51 Sr vast te staan dat de rechtspersoon in beginsel pleger kan zijn van alle strafbare feiten.
Met de strafbaarstelling van rechtspersonen was echter niet de vraag beantwoord hoe de vaststelling van het daderschap diende plaats te vinden. Verschillende auteurs waagden zich aan het formuleren van algemene theorieën en gezichtspunten waarmee het daderschap kon worden vastgesteld.6 En de rechtspraak paste verschillende criteria toe om de vraag te beoordelen of de verdachte rechtspersoon dader van een strafbaar feit was.7 In 2003 liet de Hoge Raad zich voor het eerst in algemene bewoordingen uit over de wijze waarop het daderschap van rechtspersonen kan worden vastgesteld.8 De vraag of een rechtspersoon dader is van het ten laste gelegde feit wordt sindsdien beantwoord aan de hand van de in het Drijfmest-arrest geformuleerde uitgangspunten.