Hof Arnhem-Leeuwarden, 19-10-2017, nr. 16/00273
16/00273
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
19-10-2017
- Magistraten
Mrs. A.J. Kromhout, T.A. Gladpootjes, K.M.J. van der Vorst
- Zaaknummer
16/00273
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 19‑10‑2017
ECLI:NL:GHARL:2016:9379, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 15‑11‑2016; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
Belastingblad 2017/13 met annotatie van L.J. Boone
NLF 2016/0667
FutD 2016-2915
Viditax (FutD) 2016112514
Uitspraak 19‑10‑2017
Mrs. A.J. Kromhout, T.A. Gladpootjes, K.M.J. van der Vorst
Partij(en)
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de Inspecteur
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 2 maart 2016, nummer BRE 14/3514 in het geding tussen
[X],
[wonende te Z]
hierna: belanghebbende,
en
de Inspecteur,
betreffende de hierna genoemde beschikking.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft op 30 januari 2014 aangifte gedaan van de door hem over het tijdvak vierde kwartaal 2013 verschuldigde omzetbelasting. Het desbetreffende aangiftebiljet vermeldt als zodanig een verzoek om teruggaaf tot een bedrag van € 5.420, welke teruggaaf bij beschikking van 28 februari 2014 is verleend. Tegen deze beschikking heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, en daarin een aanvullende teruggaaf van € 1.221 gevraagd. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 9 mei 2014 besloten van dit bedrag geen teruggaaf te verlenen.
1.2.
Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 165.
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de teruggaaf van omzetbelasting vastgesteld op € 6.970 en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 367,25. Voorts heeft de Rechtbank gelast dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoedt.
1.3.
Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De zitting heeft plaatsgehad op 9 juni 2017 te 's‑Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de […] gemachtigde van belanghebbende, […] alsmede, […] de Inspecteur, […].
Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan aan het Hof en de Inspecteur overgelegd.
Te dezer zitting zijn gezamenlijk behandeld de hoger beroepzaken met de kenmerken 16/00272, 16/00273, 16/00274, 16/00275, 16/00276 en 16/00277.
1.5.
Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.6.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.
2. Feiten
Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.
2.1.
Belanghebbende exploiteert een melkveehouderij. Hij houdt zich onder meer bezig met het opfokken van kalveren (jongvee) tot melk producerende vaarzen. Het (binnen het eigen bedrijf voortgebrachte) vrouwelijk jongvee wordt vanaf de geboorte opgefokt tot koeien die melk produceren. Een vaars wordt een melkkoe nadat zij voor het eerst gekalfd heeft. Het duurt ongeveer 24 maanden om een kalf op te fokken tot melkkoe. In die 24 maanden worden in dit kader kosten gemaakt, bestaande uit (met name) voer en overige kosten, zoals huisvesting, dierenartskosten, strooisel, water en elektriciteit (hierna: opfokkosten).
2.2.
Belanghebbende heeft met ingang van 1 februari 2013 (hierna: de optiedatum) geopteerd voor het niet meer toepassen van de landbouwregeling van artikel 27 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Bij beschikking van 6 mei 2013 heeft de inspecteur belanghebbende, overeenkomstig zijn verzoek, ontheven van de toepassing van de landbouwregeling en belanghebbende bericht dat hij met ingang van 1 februari 2013 aangifte omzetbelasting moet doen.
2.3.
Belanghebbende heeft verzocht om een aanvullende teruggaaf van omzetbelasting in verband met herziening van omzetbelasting voor wat betreft de binnen het eigen bedrijf voortgebrachte kalveren (hierna: het jongvee) en de in eigen bedrijf gefokte melkkoeien. Het betreft hier een herziening op ingekochte leveringen en diensten die onderdeel uitmaken van de opfokkosten, als beschreven onder 2.1.
2.4.
Het Besluit Landbouw van 15 juni 2006, nr CPP 2005/3096M, Stcrt. 23 juni 2006. nr. 120, pag.14, bevat de volgende passages:
‘4. Optie voor belastingheffing
(…)
4.2.2. Aftrek van voorbelasting (…)
De landbouwer die op de normale wijze in de heffing wordt betrokken, kan vanaf de optiedatum op de voet van artikel 15 van de wet belasting in aftrek brengen, mits uiteraard aan de terzake gestelde voorwaarden wordt voldaan. Dit betekent onder andere dat de belasting die betrekking heeft op goederen en diensten die vóór de optiedatum aan de landbouwer zijn geleverd c.q. jegens hem zijn verricht — behoudens het hierna gestelde — niet voor aftrek in aanmerking komt, ook al wordt die belasting aan de landbouwer in rekening gebracht nadat hij op de normale wijze in de heffing is betrokken.
Nog niet daadwerkelijk aangewende goederen en/of diensten
De belasting die aan de landbouwer in rekening is of wordt gebracht en die betrekking heeft op goederen en/of diensten die vóór de optiedatum aan hem zijn geleverd maar op die datum nog niet daadwerkelijk zijn aangewend, komt alsnog op de voet van artikel 15, lid 4, van de Wet voor aftrek in aanmerking.
Op de optiedatum reeds in gebruik zijnde bedrijfsmiddelen
De belasting die drukt op de bedrijfsmiddelen die op de optiedatum als zodanig bij de landbouwer in gebruik zijn, komt in voorkomende gevallen alsnog deels voor aftrek in aanmerking en wel op de voet van de artikelen 11 tot en met 14 van de uitvoeringsbeschikking.
In de productie opgegane, niet meer als zodanig aanwezige, goederen en/of diensten
Een bijzonder geval vormen de goederen en/of diensten die als zodanig op de optiedatum niet meer aanwezig zijn doch welke vóór die datum zijn aangewend ten behoeve van het telen of voortbrengen van landbouwproducten, welke landbouwproducten na de optiedatum zullen worden geleverd. Voorbeelden zijn zaden, meststoffen, dieren bestemd voor de productie van vlees en veevoeder dat aan evenbedoelde dieren is verstrekt. Goedgekeurd wordt dat de belasting die aan de landbouwer terzake van de aanschaf van deze goederen en/of diensten in rekening is gebracht, alsnog voor aftrek in aanmerking komt, omdat deze goederen en/of diensten blijken te worden aangewend ten behoeve van aan belasting onderworpen leveringen van de desbetreffende landbouwproducten (vergelijk artikel 15, eerste lid, van de wet in samenhang met artikel 27, tweede lid, 2e volzin van de wet).’
2.5.
De Rechtbank heeft met betrekking tot het jongvee geoordeeld dat de voor het opfokken van het jongvee ingekochte leveringen en diensten door belanghebbende zijn aangewend ten behoeve van het opgroeien van jongvee tot melkvee, en dat artikel 15, vierde lid, van de Wet toepassing vindt op het moment dat wordt aangevangen met de levering van door dat vee gegeven melk. De terug te geven omzetbelasting voor jongvee is door de Rechtbank als volgt vastgesteld:
13 stuks jongvee jonger dan 1 jaar, ter waarde van € 4.193 | á 6/106 = | € | 237 |
43 stuks jongvee vanaf 1 jaar, ter waarde van € 17.384 | á 6/106 = | € | 984 |
Teruggaaf OB | € | 1.221 |
2.6.
Met betrekking tot het melkvee heeft de Rechtbank geoordeeld dat met betrekking tot de opfokkosten de aftrek van voorbelasting op jaarbasis dient te worden herzien. De Rechtbank stelt het te herziene bedrag voor 2013 vast op € 329.
2.7.
Op jongvee wordt niet afgeschreven. Melkvee dat op optiedatum al melk heeft gegeven zijn goederen waarop wordt afgeschreven.
3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
- I.
Is herziening mogelijk met betrekking tot de omzetbelasting die is begrepen in de opfokkosten van het op de optiedatum aanwezige jongvee, dat nog niet als melkvee in gebruik is genomen?
- II.
Is herziening mogelijk met betrekking tot de omzetbelasting van de op de optiedatum aanwezige zelf voortgebrachte melkkoeien?
Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
3.2.
Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige gedingstukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.
Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Vraag I Jongvee
4.1.
Ten aanzien van het eerste geschilpunt heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de voor de aanfok bestemde goederen en diensten (als bedoeld in 2.1) op het moment dat deze tijdens het aanfokken worden gebezigd feitelijk worden verbruikt. In de visie van de Inspecteur is er dan op of na optiedatum geen herzieningsmoment als bedoeld in de eerste volzin van artikel 15, vierde lid van de Wet De Inspecteur heeft voorts betoogd dat het fiscale neutraliteitsbeginsel niet van toepassing is, omdat belanghebbende die voorheen de landbouwregeling van artikel 27 van de Wet toepaste en een ondernemer die al eerder heeft geopteerd voor artikel 27, zesde lid van de Wet, niet als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt. Ook stelt hij in dat verband dat belanghebbende heeft gekozen voor het organisatiemodel dat hem kennelijk uit economisch oogpunt het beste uitkomt. Tenslotte stelt de Inspecteur dat de wettelijke bepalingen geen mogelijkheid tot herziening van de omzetbelasting op de betreffende kosten bieden en dat het neutraliteitsbeginsel daar geen verandering in kan brengen.
4.2.
Belanghebbende heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de voorbelasting op de opfokkosten (voer, gezondheidszorg en bevruchting) — die nodig zijn om tijdens de vervaardigingsfase van het kalf een volwaardig bedrijfsmiddel (een koe die melk geeft) te maken — voor aftrek in aanmerking komt op of na de optiedatum, nu dit jongvee pas (op of) na optiedatum voor belaste prestaties als bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen. Belanghebbende heeft voorts betoogd dat met toepassing van het neutraliteitsbeginsel aan belanghebbende een recht op herziening toekomt, nu bij weigering van die aftrek een concurrentienadeel ontstaat bij belanghebbende. Bij hem gaat dan de omzetbelasting over de opfokkosten onderdeel uitmaken van de kostprijs van zijn gebruiksvee, terwijl de ondernemer die in de btw-regeling zit de voordruk over alle opfokkosten heeft kunnen terugvragen. Belanghebbende beroept zich hierbij rechtsreeks op de artikelen 184 tot en met 192 van de Europese Btw-richtlijn.
4.3.
Het Hof stelt voorop dat de werkzaamheden die belanghebbende heeft (laten) verricht(en) (zie onder 2.1) teneinde een kalf tot melkkoe op te fokken, niet tot gevolg hebben dat er een nieuw vervaardigde roerende zaak wordt opgeleverd. Dieren kunnen immers, gelet op de bijzondere plaats die zij innemen binnen de categorie lichamelijke zaken, niet worden aangemerkt als ‘materialen’, en het voeren en verzorgen van deze dieren kan ook als dit hen geschikt maakt voor een specifiek gebruik dat in de lijn van een biologisch proces ligt, niet worden beschouwd als de vervaardiging, uit materialen, van een goed dat tevoren niet bestond. Verder is het Hof van oordeel dat volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen de functie van een melkkoe niet wezenlijk verschilt van de functie van een melkkoe in wording. Dat een melkkoe in staat is melk te geven betreft een nieuwe functie van hetzelfde goed, dat niet zozeer verband houdt met de ‘materialen’ die daarvóór aan belanghebbende zijn verstrekt, maar het gevolg is van het biologische proces. (vgl Beschikking van het HvJ 1 juni 2006, C-233/05 (V.O.F. Dressuurstal Jespers), ECLI:EU:C:2006:367).
4.4.
Het Hof ziet zich voor de vraag gesteld op welk tijdstip de opfokkosten door belanghebbende worden gebruikt, of anders gezegd: of artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet ook van toepassing is met betrekking tot de omzetbelasting die aan belanghebbende in rekening is gebracht ter zake van de opfokkosten, die na de geboorte van het kalf door belanghebbende zijn afgenomen.
4.5.
Het Hof stelt voorop dat tot de (in 2.1. beschreven) opfokkosten behorende — door belanghebbende ingekochte — leveringen en diensten prestaties zijn op het gebied van voer en zorg, zonder welke het kalf (uiteindelijk) zou komen te overlijden. Het Hof is derhalve van oordeel dat belanghebbende deze prestaties betrekt teneinde het jongvee in goede staat te houden. Dat het voer behulpzaam is in het biologische proces, waarbij een kalf zich ontwikkelt tot melkkoe, heeft naar het oordeel van het Hof niet tot gevolg dat de opfokkosten als zodanig worden betrokken teneinde wijzigingen aan een bedrijfsmiddel aan te brengen Dientengevolge is het Hof van oordeel dat belanghebbende genoemde prestaties verbruikt voor de toepassing van artikel 15 van de Wet op het moment dat deze aan het jongvee worden toegediend, zodat voor een correctie op de voet van artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Wet geen plaats is. (vgl. HR 4 december 2009, nr. 07/13230, ECLI:NL:HR:2009:BG4109, BNB 2010/64).
4.6.
Ten tijde van de optiedatum was het in 2.4 vermelde besluit van toepassing. Dit besluit bevat onder het kopje ‘In de productie opgegane, niet meer als zodanig aanwezige, goederen en/of diensten’ een goedkeuring die aftrek van voorbelasting toestaat op goederen en/of diensten die als zodanig op de optiedatum niet meer aanwezig zijn doch welke vóór die datum zijn aangewend ten behoeve van het telen of voortbrengen van landbouwproducten, welke landbouwproducten na de optiedatum zullen worden geleverd. Goedgekeurd wordt dat de belasting die aan de landbouwer terzake van de aanschaf van deze goederen en/of diensten in rekening is gebracht, alsnog voor aftrek in aanmerking komt, omdat deze goederen en/of diensten blijken te worden aangewend ten behoeve van aan belasting onderworpen leveringen van de desbetreffende landbouwproducten.
4.7.
De Inspecteur heeft met betrekking tot die passage van het besluit betoogd dat het niet van toepassing is op belanghebbende, nu jongvee dat wordt opgefokt tot melkvee niet kwalificeert als verbruiksvee, maar als gebruiksvee, en als zodanig geen landbouwproduct is. maar zelf een ander landbouwproduct voortbrengt. In zijn visie wordt in het besluit bewust niet verwezen naar gebruiksvee, nu dat niet wordt geleverd na optiedatum, maar als bedrijfsmiddel binnen het bedrijf blijft.
4.8.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de strekking van het Besluit Landbouw is dat goederen van een belastingplichtige, die door het opteren overgaat van de landbouwregeling naar de btw-regeling, ‘belastingschoon’ moeten worden gemaakt Hij merkt op dat in genoemd besluit niet wordt gesproken over gebruiksvee, maar dat slechts onderscheid wordt gemaakt tussen dieren waarop de landbouwer voor de inkomsten- of vennootschapsbelasting afschrijft, en dieren waarop hij niet afschrijft. Nu het jongvee op optiedatum nog niet als bedrijfsmiddel in gebruik is, en daarop ook niet kan worden afgeschreven, bepleit belanghebbende toepassing van de goedkeuring die is opgenomen in het in 2.4 vermelde besluit.
4.9.
Het Hof heeft in 4.1 tot en met 4.5. overwogen dat de leveringen en diensten die de opfokkosten vormen goederen en/of diensten betreffen die reeds vóór de optiedatum zijn aangewend. Ook staat vast dat een kalf dat tot het jongvee behoort niet kwalificeert als een in een gebruik zijnd bedrijfsmiddel, maar dat het wel als zodanig zal kwalificeren als het is uitgegroeid tot melkkoe. Voor wat betreft de goedkeuring onder het kopje ‘In de productie opgegane, niet meer als zodanig aanwezige, goederen en/of diensten’ is het Hof van oordeel dat dit onderdeel inderdaad strekt tot het ‘omzetbelasting schoon’ maken van landbouwproducten die na optiedatum worden geleverd. Het kalf dat tot het jongvee behoort groeit echter uit tot bedrijfsmiddel, dat binnen het bedrijf van belanghebbende zal worden gebruikt en waarop herzieningsregels als bedoeld in artikel 15 van de Wet en artikel 11 tot en met artikel 14a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: Uitvoeringsbeschikking OB) van toepassing zullen zijn, en wordt in eerste instantie dus niet door belanghebbende aan een derde geleverd. Derhalve is in dit geval geen sprake van de in de goedkeuring omschreven situatie.
4.10.
Ten aanzien van het fiscale neutraliteitsbeginsel in samenhang met de al dan niet rechtstreekse werking van de herzieningsregels uit de Btw-richtlijn, overweegt het Hof als volgt. Wanneer wordt overgegaan van de landbouwregeling van artikel 27 van de Wet naar het buiten toepassing laten van die landbouwregeling op basis van artikel 27, lid 6 van de Wet, zijn de herzieningsregels van artikel 15 van de Wet in samenhang met artikel 11 tot en met artikel 14a van de Uitvoeringsbeschikking OB van toepassing. Naar het Hof voorkomt, heeft de wetgever daarmee mede uitdrukking gegeven aan artikel 192 van de Btw-richtlijn. Zoals in de onderdelen 4.3 tot en met 4.5 is overwogen komt de omzetbelasting die drukt op de opfokkosten die zijn gemaakt in de periode dat belanghebbende kwalificeerde voor de landbouwregeling van artikel 27 van de Wet niet voor die herzieningsregels in aanmerking, nu het leveringen en diensten betreft die destijds zijn ingekocht en gebruikt voor de instandhouding van het jongvee. Een rechtstreeks beroep op artikel 184 tot en met 192 van de Btw-richtlijn, voor zover dit al mogelijk zou zijn, doet hier niet aan af.
4.11.
Het beginsel van fiscale neutraliteit houdt volgens vaste rechtspraak in dat soortgelijke prestaties, prestaties die met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de heffing van omzetbelasting niet ongelijk worden behandeld. Het beginsel heeft naar het oordeel van het Hof niet tot gevolg dat, ongeacht de feitelijke situatie, voor de heffing van omzetbelasting in alle gevallen kan worden uitgegaan van een gelijke belastingdruk die is verdisconteerd in de kostprijs van het product. De situatie in het onderhavige geval, waarin de ondernemer die niet had geopteerd voor het buiten toepassing laten van de landbouwregeling reeds goederen en diensten heeft gebruikt voor de instandhouding van zijn jongvee, is niet vergelijkbaar met een ondernemer die wel heeft geopteerd voor het buiten toepassing laten van de landbouwregeling. Herzieningsregels, die op basis van de Wet en het goedkeuringsbeleid niet van toepassing zijn op het onderhavige geval, kunnen niet met een beroep op het fiscale neutraliteitsbeginsel naar de situatie in het onderhavige geval worden uitgebreid. (vergelijk onder meer: rechtsoverweging 45 in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juli 2012, C-44/11 (Deutsche Bank), ECLI:EU:C:2012:484). Er is ook geen sprake van een verschillende behandeling voor de heffing van omzetbelasting nadat belanghebbende heeft geopteerd voor het buiten toepassing laten van de landbouwregeling. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende in deze.
4.12.
De eerste vraag die partijen verdeeld houdt, moet derhalve ontkennend worden beantwoord.
Vraag II: Melkkoeien
4.13.
Ten aanzien van het tweede geschilpunt heeft de Inspecteur zich ook op het standpunt gesteld dat de goederen en diensten die tezamen de opfokkosten vormen feitelijk worden gebezigd wanneer ze daadwerkelijk worden gebruikt. In de visie van de Inspecteur bieden de wettelijke regels geen ruimte voor herziening.
4.14.
Belanghebbende is van mening dat de herzieningsregels uit de artikelen 11 tot en met 14 van de Uitvoeringsbeschikking OB mede van toepassing zijn op de vóór optiedatum gemaakte opfokkosten.
4.15.
Mede op basis van overwegingen in 4.3. tot en met 4.5. is het Hof van oordeel dat de opfokkosten (genoemd in 2.1) geen goederen zijn waarop voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting kan worden afgeschreven. Voorts is op deze prestaties geen plaats voor een correctie op de voet van artikel 15, vierde lid. tweede volzin, van de Wet. De aftrek van voorbelasting op deze prestaties komt derhalve niet voor herziening in aanmerking (vgl. Hof Arnhem 21 september 2005, nr. 05/00062, ECLI:NL:GHARN:2005:AU5053).
Slotsom
4.16.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Het Hof zal het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Rechtbank vernietigen, en de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur bevestigen.
Ten aanzien van het griffierecht
4.17.
Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.
Ten aanzien van de proceskosten
4.18.
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het Hof:
- —
verklaart het hoger beroep gegrond,
- —
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
- —
verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond, en
- —
bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.
Aldus gedaan op [19 OKT 2017]
door M. Harthoorn, voorzitter, A.J. Kromhout en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
Het-aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303. 2500 EH 's‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
- 1.
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- 2.
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
- a)
de naam en het adres van de indiener;
- b)
een dagtekening;
- c)
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- d)
de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Uitspraak 15‑11‑2016
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting. Bij aanvang parkeerbelasting voldaan? Redelijke termijn voor inwerkingstelling parkeerapplicatie. Werkinstructie.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
Afdeling belastingrecht
Locatie Arnhem
nummer 16/00273
uitspraakdatum: 15 november 2016
Uitspraak van de twaalfde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Almere (hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 januari 2016, nummer UTR 15/4087, in het geding tussen de heffingsambtenaar en
[X] V.O.F. te [Z] (hierna: belanghebbende)
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende ter zake van het parkeren op 18 april 2015 te Almere een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd ten bedrage van € 61,50, bestaande uit € 2,50 aan belasting en € 59 aan kosten ter zake van het opleggen van die naheffingsaanslag.
1.2
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 25 januari 2016 gegrond verklaard, de naheffingsaanslag herroepen en de heffingsambtenaar gelast een proceskostenvergoeding en het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
1.4
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.
1.6
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] namens belanghebbende, alsmede [B] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [C] .
1.7
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.
2. De vaststaande feiten
2.1
[In] 2015 heeft [A] , vennoot van belanghebbende (hierna: [A] ), de auto met het kenteken [0-YYY-00] geparkeerd aan de Landdrostdreef in Almere.
2.2
De Landdrostdreef is aangewezen als plaats waar tegen betaling mag worden geparkeerd. De parkeercontroleur van de gemeente Almere heeft geconstateerd dat belanghebbende geen parkeerbelasting heeft voldaan. Aan belanghebbende is om 16:06 uur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.
2.3
Belanghebbende heeft gegevens overgelegd waaruit volgt dat voor de in 2.1 genoemde auto op 18 april 2015 via Parkmobile voor de periode van 16:09 uur tot 17:28 uur parkeerbelasting is voldaan.
2.4
In zijn bezwaarschrift van 6 mei 2015 tegen de naheffingsaanslag schrijft belanghebbende:
“Er zitten 3 minuten verschil tussen uw naheffing en mijn parkeeractie. Dat is de normale tijd die noodzakelijk is om parkeerge[ge]vens in te voeren, wat uiteraard IN de auto plaatsvond.”
2.5.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het door de heffingsambtenaar aangevoerde bewijs - de naheffingsaanslag met daarop de enkele verklaring van de parkeercontroleur dat er geen kaartje zichtbaar was -, in het licht van het tegenbewijs van belanghebbende - diens verklaringen omtrent de aanmelding via Parkmobile -, onvoldoende is om de naheffingsaanslag in stand te houden. Daarbij heeft de Rechtbank er gewicht aan toegekend dat de heffingsambtenaar geen foto’s van de auto heeft overgelegd zodat niet kan worden vastgesteld of [A] ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag in de auto zat.
2.6
In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar foto’s overgelegd.
2.7
In het verweerschrift schrijft [A] :
“Ik heb ervan [Hof: bedoeld is: van de onderhavige procedure] geleerd dat wanneer ik parkmobile inschakel met de app, erop te wachten dat hij inderdaad actief is. En het blijkt dat het soms even kan duren voordat dit gebeurd. Voorheen heb ik te goeder trouw de app ingeschakeld en ben uit de auto gestapt.”
3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
3.1
In geschil is of de heffingsambtenaar terecht een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting heeft opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de heffingsambtenaar beantwoordt deze bevestigend.
3.2
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.
3.3
De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot een ongegrond beroep. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4. Beoordeling van het geschil
4.1
Op grond van artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet kan een belasting worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze.
4.2
Ingevolge artikel 234, eerste lid, van de Gemeentewet wordt de parkeerbelasting, bedoeld in artikel 225, eerste lid, onder a, van die wet geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze.
4.3
Ingevolge artikel 234, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet, wordt als het op aangifte voldoen van parkeerbelasting uitsluitend aangemerkt: het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften.
4.4
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van belanghebbende om 16:06 uur op de in 2.1 aangegeven plaats stond geparkeerd en dat ter zake van het parkeren van de auto, gezien het tijdstip en de plaats van het parkeren, parkeerbelasting was verschuldigd. Evenmin is in geschil dat belanghebbende vanaf 16:09 parkeerbelasting heeft voldaan.
4.5
Het Hof dient te beoordelen of de parkeerbelasting bij aanvang is voldaan. Volgens vaste jurisprudentie dient de parkeerder een redelijke termijn te worden gegund die nodig is om de parkeerapparatuur - in dit geval de parkeerapplicatie van Parkmobile - in werking te stellen. De vraag die beantwoord dient te worden is of in dit geval de redelijke termijn is overschreden.
4.6
De heffingsambtenaar heeft verklaard dat de werkinstructie van parkeercontroleurs voorschrijft dat allereerst wordt gecontroleerd of de parkeerautomaten functioneren, vervolgens of er in de auto een kaartje wordt aangetroffen en zo niet, of van een parkeervergunning of ontheffing sprake is. Is dat evenmin het geval, dan wordt daarna het kenteken ingescand om te controleren of via belparkeren parkeerbelasting is voldaan. Als ook geen parkeerbelasting via belparkeren is voldaan, worden foto’s van de auto genomen en worden de gegevens voor de naheffingsaanslag vastgesteld. In het naheffingsaanslagdocument worden eventuele bijzonderheden vermeld door de parkeercontroleur. Het tijdstip dat is vermeld op de naheffingsaanslag, is het tijdstip waarop het document van de naheffingsaanslag wordt afgesloten.
4.7
Het Hof is van oordeel dat, ook al heeft de heffingsambtenaar bij de parkeercontroleur niet specifiek voor de onderhavige naheffingsaanslag kunnen achterhalen of de gehele procedure conform de in 4.6 genoemde werkinstructie is gevolgd, het aannemelijk is dat de handelingen die zijn verricht ter zake van het vaststellen van de onderhavige naheffingsaanslag, zoals het maken van foto’s en het inkloppen van de gegevens voor de naheffingsaanslag, enkele minuten in beslag hebben genomen. Dan is de conclusie gerechtvaardigd dat de auto minimaal reeds enkele minuten vóór 16:06 stond geparkeerd. Vaststaat dat de registratie door Parkmobile drie minuten later, om 16:09 is gestart. Dit betekent dat tussen het parkeren van de auto en de registratie door Parkmobile minstens vijf minuten moeten zijn verstreken.
4.8
Uit de door de heffingsambtenaar in hoger beroep overgelegde foto’s maakt het Hof op, in weerwil van hetgeen belanghebbende stelt, dat het hier de auto van belanghebbende betreft en tevens dat [A] ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag niet in de auto is waar te nemen. De twijfels die belanghebbende over de authenticiteit van de foto’s heeft, deelt het Hof niet mede vanwege de nummering onderaan de pagina’s van het brondocument waarin de naheffingsaanslag is vastgesteld. Uit die nummering leidt het Hof af dat de foto’s onderdeel uitmaken van het door de parkeercontroleur om 16:06 uur afgesloten naheffingsdocument. Dat [A] op de foto’s niet in de auto is waar te nemen is in overeenstemming met hetgeen [A] in het verweerschrift in hoger beroep heeft geschreven alsmede zijn verklaring ter zitting, dat hij de applicatie in de auto inschakelde en vervolgens de auto uitstapte zonder te controleren of de applicatie is geactiveerd.
4.9
Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende, in de persoon van [A] , de parkeerapplicatie niet binnen een redelijke termijn heeft geactiveerd nu tussen het parkeren van de auto en de start van de registratie minstens vijf minuten zijn verstreken. Voor het geval de applicatie pas een aantal minuten na activering is gestart met de registratie - hetgeen het Hof onwaarschijnlijk acht gelet op de verklaringen van [A] ter zitting dat de registratie normaliter direct aanvang neemt en het internetbereik in Almere geen onregelmatigheden vertoont - , is het Hof van oordeel dat dit voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen. De enkele activering van de applicatie zonder te controleren of de registratie is gestart, kan naar het oordeel van het Hof niet worden aangemerkt als het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of parkeerautomaat zoals bedoeld in artikel 234, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet.
4.10
De omstandigheid dat op een later moment, namelijk vanaf 16:09 uur, ter zake van het parkeren van de auto alsnog parkeerbelasting is voldaan, neemt niet weg dat niet bij aanvang van het parkeren parkeerbelasting is voldaan. Nu de parkeerbelasting niet bij aanvang is voldaan, komt het Hof tot het oordeel dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd.
Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
Het Hof:
- -
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
- -
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. J.A. Monsma, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2016
De griffier, Het lid van de enkelvoudige belastingkamer,
(J.H. Riethorst) (J.A. Monsma)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 16 november 2016
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.