Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/6.4:6.4 Knelpunten en vormen van bescherming
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/6.4
6.4 Knelpunten en vormen van bescherming
Documentgegevens:
Eric Tjong Tjin Tai & Jaap van Slooten, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Eric Tjong Tjin Tai & Jaap van Slooten1
- JCDI
JCDI:ADS288382:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Jaap van Slooten is als advocaat betrokken bij sommige in dit artikel genoemde platforms en heeft zich om die reden afzijdig gehouden van de passages die op die platforms betrekking hebben.
Bijvoorbeeld de eiser in de zaak Murray v. Uber Technologies, Inc. and Frederick Q. Amfo, <https://judicialcaselaw.com/courts/mad/cases/1_20-cv-11250-NMG/095110145124?page=1>.
Brief van de Minister van SZW d.d. 18 juni 2020 (Kamerstukken I 2019/20, 35074, T, p. 16-17).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Concluderend zijn er vijf punten die aandacht verdienen bij de bescherming van platformwerkers tegenover het platform.
de courtage (in het bijzonder latere verhoging, zie par. 6.2.1) en het volume aan opdrachten (zie par. 6.2.2);
de macht van het platform om de overeenkomst te wijzigen;
de discretionaire bevoegdheid van het platform om de overeenkomst op te zeggen;
de aansprakelijkheid voor ongevallen van platformwerkers;
de controle op de kwaliteit en betrouwbaarheid van de deelnemers. Wegens de grote mate van invloed op het ondernemingsproces lijkt men te verwachten dat platforms mede controle uitoefenen op de deelnemers. In geval van wangedrag van afnemers of werkenden wordt wel betoogd dat het platform hiervoor verantwoordelijk zou zijn.2 De wettelijke regels zijn hier niet eenduidig over. Bij zuivere bemiddeling (platforms van het type a en b) zou dit niet of nauwelijks aan de orde zijn, al kan onderdeel van een bemiddeling zijn dat ook de betrouwbaarheid van contractspartijen wordt geverifieerd. In het verlengde hiervan ligt de onduidelijkheid over wie aansprakelijk is bij schade als gevolg van ongevallen.
Als we de drie typen uit de inleiding hiernaast leggen, lijkt het voor de hand te liggen dat we bij een grotere mate van invloed ook een grotere mate van controle vereisen en een grotere zorg voor de belangen van de platformwerker. Bij een louter faciliterend platform, een prikbordfunctie als type a, lijkt bijvoorbeeld de courtage geen probleem, aangezien partijen bij te hoge courtage vanzelf buiten het platform kunnen treden. Bij typische ‘alomvattende’ dienstverleningsplatforms als Uber is het feitelijk onmogelijk om buiten de app een overeenkomst te sluiten, omdat partijen niet rechtstreeks met elkaar in (contractueel) contact komen. Er is hier geen ruimte voor een uitputtende analyse van al deze aandachtspunten.
De vijf genoemde onderwerpen zouden dus nader geregeld kunnen worden, door beschermende regels te bieden, naar gelang een platform sterker opschuift van type a naar b of zelfs c. Bij type c biedt het geldende recht al enige bescherming: art. 7:406 of 7:658 lid 4 BW zouden bescherming kunnen bieden bij ongevallen van de platformwerker, en de WML zou bescherming kunnen bieden ten aanzien van de hoogte van het loon van de platformwerker. Van belang is hier dat vragen rond beschikbaarheid en werktijden nog niet duidelijk geregeld zijn voor zelfstandigen. Hier zal ook van belang zijn het voornemen om het verbod om van degene die bemiddeld wordt een vergoeding te vragen uit te breiden tot sommige platforms.3 Aanvullende regels zouden met name passend kunnen zijn ten aanzien van:
wijzigingsbevoegdheid en instemmingsrecht (zoals bij franchise). Dit is met name van belang bij wijziging van de courtage. Er zou ook overwogen kunnen worden om art. 7:613 BW van overeenkomstige toepassing te verklaren op platforms. Dit artikel schrijft voor dat een beding waarbij de werkgever gerechtigd is om de overeenkomst eenzijdig te wijzigen alleen afdwingbaar is indien de werkgever een zwaarwichtig belang moet hebben, waarvoor dat van de werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken;
expliciete regeling over draagplicht/aansprakelijkheid voor bedrijfsrisico’s en claims van afnemers
expliciete regeling voor eventuele verplichting om controles uit te voeren ten aanzien van de betrouwbaarheid van afnemers en werkenden.
Veel bescherming is uiteindelijk afhankelijk van de vraag wat een platform nu eigenlijk is: een aanbieder van een dienst of een bemiddelaar? Hier zijn allerlei vervolgvragen te stellen: het lijkt vaak én een dienst én een bemiddelaar te zijn. Hoe stelt men vast wat bepalend is? Maakt de reguleringscontext nog uit of geldt ‘eenmaal een dienst altijd een dienst’? Is de oorspronkelijke intentie van het platform van belang? Dit zijn rechtsvindingsvragen die het bestek van dit artikel te buiten gaan, maar zeker verder aandacht behoeven in het onderzoek naar de juridische aard van het platform.