Rov. 4.1 van de bestreden beschikking.
HR, 23-03-2012, nr. 11/01839
ECLI:NL:HR:2012:BV0608
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
23-03-2012
- Zaaknummer
11/01839
- Conclusie
Mr. Keus
- LJN
BV0608
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BV0608, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 23‑03‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV0608
ECLI:NL:PHR:2012:BV0608, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑01‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV0608
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑04‑2011
- Vindplaatsen
NJ 2012/628 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
Uitspraak 23‑03‑2012
Inhoudsindicatie
Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). Vernietiging koopovereenkomst ten aanzien van perceel grond waarop voorkeursrecht rustte ook nog mogelijk nadat voorkeursrecht vervallen is verklaard. Strekking art. 26 Wvg.
23 maart 2012
Eerste Kamer
11/01839
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [Verzoeker 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verzoekster 2],
wonende te [woonplaats],
3. BAM VASTGOED B.V.,
gevestigd te Bunnik,
4. [Verzoekster 4],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,
t e g e n
DE GEMEENTE BUNNIK,
zetelende te BUNNIK,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s. en de gemeente.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 237885/HA RK 07-324 van de rechtbank Utrecht van 2 januari 2008;
b. de beschikking in de zaak 200.004.150 van het gerechtshof te Amsterdam van 15 februari 2011.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De gemeente heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping.
De advocaat van [verzoeker] c.s. heeft bij brief van 20 januari 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.6. Deze komen, voor zover in cassatie nog van belang, op het volgende neer.
(i) Op 25 mei 2007 is tussen [verzoeker] c.s. als verkopers en BAM Vastgoed B.V. en [verweerster 4] als kopers een schriftelijke koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) tot stand gekomen met betrekking tot een aantal percelen bouw- en weidegrond te Werkhoven, gemeente Bunnik (hierna: de percelen).
Op 29 mei 2007 is een notariële kadasterverklaring van de koopovereenkomst ingeschreven in de openbare registers.
(ii) Art. 23 van de koopovereenkomst bepaalt dat de overeenkomst van rechtswege eindigt indien zes maanden zijn verstreken nadat de koopakte is ingeschreven in de openbare registers en de leveringsakte niet in de openbare registers is ingeschreven.
(iii) Levering van de percelen heeft niet plaatsgevonden.
(iv) Ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst rustte op de percelen een voorkeursrecht van de gemeente. Dit recht was bij besluit van de raad van de gemeente van 29 september 2005 gevestigd voor de duur van ten hoogste twee jaren ingevolge art. 8 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg), zoals dat artikel destijds luidde.
(v) Naar aanleiding van een verzoek tot vervallenverklaring van het voorkeursrecht en daaruit voortvloeiende procedures heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente (uiteindelijk) bij besluit van 9 februari 2010 de aanwijzing van de percelen als voorkeursgebied per 26 juni 2007 vervallen verklaard.
3.2 Bij een op 8 oktober 2007 ingediend verzoekschrift heeft de gemeente de rechtbank verzocht de rechtshandeling waarbij over de verkoop van de percelen overeenstemming is bereikt ingevolge art. 26 lid 1 Wvg nietig te verklaren, omdat deze rechtshandeling is verricht met de kennelijke strekking aan haar voorkeursrecht afbreuk te doen.
De rechtbank heeft bij beschikking de koopovereenkomst nietig verklaard. Het hof heeft die beschikking bekrachtigd. Het heeft daartoe onder meer geoordeeld dat ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst een rechtsgeldig voorkeursrecht op de percelen was gevestigd en dat het bij de beoordeling op grond van art. 26 Wvg gaat om de toestand op het moment van het verrichten van de bestreden rechtshandeling, niet om de toestand ten tijde van de indiening van het verzoek. Tegen dat laatste oordeel richt zich onderdeel 2 van het middel.
3.3 Het onderdeel faalt. Art. 26 Wvg bepaalt dat een gemeente de nietigheid kan inroepen van rechtshandelingen die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan haar in de Wvg geregelde voorkeurspositie.
Uit de tekst van het artikel volgt dat het bij de beoordeling van de mogelijke nietigheid van de desbetreffende rechtshandeling aankomt op de stand van zaken - waaronder de voorkeurspositie van de desbetreffende gemeente - ten tijde van het verrichten van die rechtshandeling. Deze tekst biedt geen aanknopingspunt voor het stellen van de eis dat die gemeente ook nog ten tijde van het inroepen van de nietigheid in een voorkeurspositie moet verkeren.
Anders dan het onderdeel betoogt, volgt een zodanig aanknopingspunt evenmin uit de strekking van het artikel, zoals die mede blijkt uit de in het onderdeel bedoelde wetsgeschiedenis. De omstandigheid dat het artikel strekt ter bescherming van de voorkeurspositie van de gemeente tegen rechtshandelingen die aan deze positie afbreuk doen, staat er geenszins aan in de weg dat die rechtshandelingen nog kunnen worden aangetast op een moment dat het voorkeursrecht niet meer geldt, reeds omdat de dreiging van een zodanige aantasting kan bijdragen tot de effectieve werking van het voorkeursrecht. Het door het onderdeel bestreden oordeel van het hof is derhalve juist.
3.4 Volgens de toelichting op onderdeel 1 was de inzet van de "additionele grief" in hoger beroep van [verzoeker] c.s. dat het nooit tot een nietigverklaring had moeten komen omdat op de relevante data geen sprake meer was van een gemeentelijk voorkeursrecht. Uit deze toelichting blijkt niet van een zelfstandig belang van [verzoeker] c.s. bij beoordeling van dit onderdeel naast de beoordeling van onderdeel 2. Het kan reeds hierom niet tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verzoeker] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op € 755,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 23 maart 2012.
Conclusie 06‑01‑2012
Mr. Keus
Partij(en)
Conclusie inzake:
- 1.
[Verzoeker 1]
- 2.
[Verzoekster 2]
- 3.
BAM Vastgoed B.V.
- 4.
[Verzoekster 4]
(hierna: [verzoeker] c.s.)
verzoekers tot cassatie
tegen
de gemeente Bunnik
(hierna: de Gemeente)
verweerster in cassatie
Het gaat in deze zaak om de vraag of een koopovereenkomst op grond van art. 26 Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) nietig kon worden verklaard, ook nu (achteraf bezien) ten tijde van het indienen van het daartoe strekkende verzoek van een gemeentelijk voorkeursrecht geen sprake (meer) was. Dezelfde vraag is aan de orde in de zaken met de zaaknummers 11/01843 en 11/01847, waarin ik heden eveneens concludeer.
1. Feiten1. en procesverloop
1.1
Op 25 mei 2007 is tussen [verzoeker 1] en [verzoekster 2] (hierna gezamenlijk: [verzoeker] c.s.) als verkopers en BAM Vastgoed B.V. en [verzoekster 4] (hierna gezamenlijk: BAM c.s.) als kopers een schriftelijke koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) tot stand gekomen met betrekking tot een aantal in deze overeenkomst nader aangeduide percelen bouw- en weidegrond gelegen aan en nabij de [b-straat 1] te Werkhoven, gemeente Bunnik (hierna: de percelen). De koopovereenkomst vermeldt dat de overeengekomen koopprijs uit een basiskoopprijs en een aanvullende koopprijs bestaat, dat de basiskoopprijs € 3.291.155,00 bedraagt en dat de aanvullende koopprijs, voor zover van deze percelen of een gedeelte daarvan de bestemming onherroepelijk wordt gewijzigd als bedoeld in art. 4 van de koopovereenkomst, deels € 5,00 en deels € 16,50 per centiare bedraagt. Verder bepaalt art. 23 van de koopovereenkomst dat deze overeenkomst van rechtswege eindigt, zonder dat één der partijen daarop een beroep hoeft te doen, indien zes maanden zijn verstreken nadat de koopakte is ingeschreven in de openbare registers als bedoeld in art. 1 lid 4 van de koopovereenkomst en de notaris de juridische leveringsakte nog niet heeft gepasseerd en heeft ingeschreven in de openbare registers. Bij notariële akte van 29 mei 2007 is op verzoek van [verzoeker] c.s. een kadasterverklaring van de koopovereenkomst opgemaakt. Deze kadasterverklaring is op dezelfde datum in de openbare registers ingeschreven. Een juridische levering van de percelen aan BAM c.s. heeft niet plaatsgevonden.
1.2
Op de percelen rustte ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst een gemeentelijk voorkeursrecht. Ten aanzien van dit voorkeursrecht geldt het volgende.
1.3
Bij besluit van de raad van de Gemeente (hierna: de gemeenteraad) van 29 september 2005 heeft de Gemeente voor de duur van ten hoogste twee jaar een voorkeursrecht op de percelen gevestigd ingevolge art. 8 van de destijds geldende Wvg. Publicatie van dit besluit heeft plaatsgevonden in Staatscourant nr. 190 van 30 september 2005. Nadat burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: B&W) een verzoek van onder meer [verzoeker 1] tot vervallenverklaring van dit voorkeursrecht, voor zover dit verzoek betrekking had op het voorkeursrecht als bedoeld in art. 8 Wvg, bij besluit van 26 juli 2007 hadden afgewezen en het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 6 november 2007 ongegrond hadden verklaard, heeft de rechtbank Utrecht, sector bestuursrecht, voor zover van belang, het beroep tegen het besluit van B&W op bezwaar van 6 november 2007 bij uitspraak van 19 augustus 2008 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de Gemeente met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit dient te nemen2..
1.4
Bij uitspraak van 28 oktober 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank Utrecht bevestigd, daartoe onder andere overwegende dat B&W alsnog op het bezwaar dienen te beslissen, met dien verstande dat B&W zijn gehouden de aanwijzing met ingang van 26 juni 2007 te doen vervallen. Naar aanleiding van deze uitspraak hebben B&W bij besluit van 9 februari 2010 de bezwaren van onder meer [verzoeker 1] alsnog gegrond verklaard, het eerdere besluit tot vervallenverklaring van het voorkeursrecht herroepen en de aanwijzing op 26 juni 2007 vervallen verklaard. Een onder meer door [verzoeker 1] aan de Afdeling gedaan verzoek tot rectificatie van de uitspraak van 28 oktober 2009, in die zin dat de door de Afdeling in haar overwegingen genoemde ingangsdatum 26 juni 2007 in de datum 31 oktober 2005 wordt gewijzigd, is door de Afdeling bij brief van 23 februari 2010 afgewezen. Een onder meer door [verzoeker 1] tegen het besluit van 9 februari 2010 ingesteld beroep is ingetrokken.
1.5
Bij besluit van 20 september 2007 hebben B&W besloten tot verlenging van een opvolgend voorkeursrecht op de voet van art. 6 Wvg. Na door onder meer [verzoeker 1] hiertegen gemaakt bezwaar hebben B&W dit bezwaar bij besluit van 15 juli 2010 gegrond verklaard, en eerdergenoemd besluit van 20 september 2007 herroepen, voor zover dat besluit niet kan worden geacht reeds door de herroeping van het hierna te noemen raadsbesluit van 31 januari 2008 te zijn herroepen.
Bij besluit van 31 januari 2008 heeft de gemeenteraad een voorkeursrecht op de percelen gevestigd ingevolge art. 2 Wvg. Nadat de gemeenteraad de bezwaren van onder meer [verzoeker 1] tegen laatstgenoemd besluit bij besluit van 11 september 2008 ongegrond had verklaard, heeft de rechtbank Utrecht, sector bestuursrecht, bij uitspraak van 20 november 2009 voor zover van belang, het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Gemeente opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. De Gemeente heeft het door haar tegen laatstgenoemde uitspraak ingestelde hoger beroep ingetrokken bij brief van 25 februari 2010. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft de gemeenteraad bij besluit van 15 april 2010 de bezwaren alsnog gegrond verklaard en eerdergenoemd besluit van 31 januari 2008 herroepen.
1.6
Bij een op 8 oktober 2007 ter griffie van de rechtbank Utrecht ingediend verzoekschrift heeft de Gemeente verzocht de rechtshandeling waarbij [verzoeker 1] c.s. en BAM c.s. over de verkoop van de percelen aan BAM c.s. overeenstemming hebben bereikt, nietig te verklaren. Volgens de Gemeente is de bestreden rechtshandeling verricht met de kennelijke strekking aan haar voorkeursrecht afbreuk te doen. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 21 november 2007, bij welke gelegenheid [verzoeker] c.s. gemotiveerd verweer hebben gevoerd.
1.7
Bij beschikking van 2 januari 2008 heeft de rechtbank de koopovereenkomst nietig verklaard en [verzoeker] c.s. in de proceskosten veroordeeld.
1.8
[Verzoeker] c.s. hebben bij het hof Amsterdam hoger beroep van de beschikking van 2 januari 2008 ingesteld. De Gemeente heeft verweer gevoerd. Nadat de zaak ter terechtzitting van 13 oktober 2010 mondeling was behandeld, heeft het hof bij beschikking van 15 februari 2011 de bestreden beschikking bekrachtigd.
1.9
[Verzoeker] c.s. hebben tijdig3. cassatieberoep ingesteld. De Gemeente heeft een verweerschrift ingediend en daarin geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatierekest omvat één middel van cassatie, dat twee onderdelen bevat. Het eerste onderdeel (‘onbegrijpelijkheid’, randnummers 10–20) valt uiteen in drie (of vier4.) motiveringsklachten. Het tweede onderdeel bevat een rechtsklacht (‘rechtsklacht’, randnummers 21–34).
2.2
Ik zie aanleiding het tweede onderdeel — de rechtsklacht — als eerste te behandelen.
2.3
Onderdeel 2 keert zich tegen het slot van rov. 4.8, waarin het hof heeft overwogen als volgt:
‘Mede in verband van het voorgaande moet worden aangenomen dat het bij de beoordeling op grond van artikel 26 Wvg gaat om de toestand op het moment van het verrichten van de bestreden rechtshandeling, niet om de toestand ten tijde van de indiening van het verzoek.’
2.4
Volgens het onderdeel moet op het moment van het beslissen op een verzoek op grond van art. 26 Wvg, althans ten minste bij het indienen van een dergelijk verzoek, van een (rechtsgeldige) gemeentelijke voorkeurspositie sprake zijn.
Het onderdeel betoogt dat volgens de wettekst sprake dient te zijn van een (bestaande) voorkeurspositie, omdat slechts aan een dergelijke voorkeurspositie door enige (alsdan verboden) rechtshandeling afbreuk kan worden gedaan. Ook in de parlementaire geschiedenis valt volgens het onderdeel bij herhaling te lezen dat art. 26 Wvg dient ter bescherming van de gemeentelijke voorkeurspositie die een basis vindt in een rechtsgeldig (gevestigd) voorkeursrecht. Als het voorkeursrecht niet (meer) bestaat, kan, nog steeds volgens het onderdeel, van de bescherming van art. 26 Wvg evenmin sprake zijn.
Het onderdeel releveert dat de vraag welk moment bepalend is voor de vraag of een op art. 26 Wvg gegrond verzoek kan worden gehonoreerd, in de (gepubliceerde) rechtspraak nog niet is beantwoord. Wel kunnen volgens het onderdeel in de strekking van de wet en in de interne rechtsvergelijking (de analogie) nadere argumenten voor de door het onderdeel verdedigde rechtsopvatting worden gevonden.
Wat de strekking van de wet betreft, wijst het onderdeel erop dat uit de formulering van art. 26 Wvg blijkt dat deze bepaling tot bescherming van de doelmatigheid van het gemeentelijke voorkeursrecht strekt. Een voorkeursrecht dat geen werking meer heeft, verdient die bescherming volgens het onderdeel niet.
Wat de interne rechtsvergelijking betreft, wijst het onderdeel op art. 3:45 BW (de actio Pauliana) en HR 22 september 1995, LJN: ZC1814, NJ 1996, 706, m.nt. HJS, rov. 5.2. In dat laatste arrest besliste de Hoge Raad dat de door art. 1377 (oud) BW bedoelde benadeling aanwezig moet zijn op het tijdstip waarop de benadeelde schuldeiser zijn rechten doet gelden, waartoe, in het geval dat in rechte wordt gestreden over de vraag of de schuldeiser terecht op die bepaling een beroep doet, nodig maar ook voldoende is dat de benadeling aanwezig is ten tijde dat omtrent dat beroep wordt beslist. Volgens het onderdeel heeft, mede blijkens de conclusie van A-G Hartkamp, in deze beslissing naast de strekking van het betrokken voorschrift een rol gespeeld dat een gerechtelijke procedure nodig was om tot verhaalsuitoefening te komen. Waar ook de nietigheid van art. 26 Wvg slechts door de rechter kan worden uitgesproken, brengt de verdedigde analogie, nog steeds volgens het onderdeel, met zich, dat het betrokken voorkeursrecht in elk geval nog moet gelden op het moment dat de rechter op het verzoek op grond van art. 26 Wvg beslist.
2.5
Art. 26 lid 1 Wvg luidt als volgt:
‘Een gemeente kan de nietigheid inroepen van rechtshandelingen die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan haar in deze wet geregelde voorkeurspositie.’
Blijkens de tekst van de bepaling komt het erop aan of een rechtshandeling al dan niet is verricht met de kennelijk strekking afbreuk te doen aan de in de Wvg geregelde voorkeurspositie van de betrokken gemeente. Met welke strekking een bepaalde rechtshandeling is verricht, dient uiteraard naar het tijdstip van totstandbrenging van die rechtshandeling te worden beoordeeld. Dat het, zoals het hof heeft overwogen, bij de beoordeling op grond van art. 26 Wvg gaat om de toestand op het moment van het verrichten van de bestreden rechtshandeling, geeft naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk.
2.6
Een strekking zoals in art. 26 lid 1 Wvg bedoeld, vooronderstelt een ten tijde van het verrichten van de bestreden rechtshandeling geldend gemeentelijk voorkeursrecht. Daarvan was, naar kennelijk ook het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, in deze zaak onmiskenbaar sprake, óók als de vervallenverklaring van het gemeentelijke voorkeursrecht met ingang van 26 juni 2007, waartoe B&W op 9 februari 2010 met terugwerkende kracht hebben besloten, in aanmerking wordt genomen. De op 25 mei 2007 gesloten overeenkomst interfereerde met het toen nog geldende voorkeursrecht, dat reeds bij (op 30 september 2005 in de Staatscourant gepubliceerd) besluit van de gemeenteraad van 29 september 2005 was gevestigd.
2.7
Ik zie niet in waarom de op bescherming van de gemeentelijke voorkeurspositie gerichte strekking van art. 26 Wvg met zich zou brengen dat het voorkeursrecht nog moet gelden op het moment waarop nietigverklaring van de betrokken rechtshandeling wordt verzocht (voor welk verzoek art. 26 lid 2 Wvg overigens een termijn stelt van acht weken, te rekenen vanaf het moment waarop de gemeente een afschrift heeft ontvangen van de akte waarin de desbetreffende rechtshandeling is vervat) of zelfs op het moment waarop de rechter op dat verzoek beslist. De door de wet beoogde bescherming vangt immers niet eerst met de rechterlijke uitspraak aan, maar werkt ‘ex tunc’, in die zin, dat de door de rechter uit te spreken nietigheid alle met de litigieuze rechtshandeling beoogde rechtsgevolgen treft, vanaf het moment waarop die rechtshandeling werd verricht (vergelijk art. 3:53 lid 1 BW). In het systeem van de Wvg is het niet zonder betekenis dat óók in het geval dat het wettelijke voorkeursrecht niet meer geldt, de door art. 26 Wvg geboden bescherming alsnog kan worden gerealiseerd over de periode waarover het voorkeursrecht heeft gegolden. Het zou immers afdoen aan de effectiviteit van het voorkeursrecht, indien tijdens de gelding daarvan het perspectief zou bestaan dat rechtshandelingen met de strekking daaraan afbreuk te doen, aan nietigverklaring op grond van art. 26 Wvg zouden kunnen ontsnappen, als zij maar lang genoeg verborgen blijven en/of daarover maar lang genoeg (tot na een eventueel verval van het voorkeursrecht) wordt geprocedeerd. Dat rechtshandelingen met de strekking aan het voorkeursrecht afbreuk te doen, aldus aan de sanctie van art. 26 Wvg zouden kunnen ontsnappen, zou bovendien niet aanvaardbaar zijn jegens justitiabelen die zich naar het voorkeursrecht hebben gedragen en zich, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever van art. 26 Wvg, van dergelijke rechtshandelingen hebben onthouden.
2.8
Evenmin kan ik het onderdeel volgen, waar het een analogie tussen art. 3:45 BW en art. 26 Wvg bepleit. Terwijl het bij art. 26 Wvg gaat om de naar het tijdstip van het verrichten van de betrokken rechtshandeling te bepalen strekking daarvan, stelt art. 3:45 BW als criterium de als gevolg van een onverplichte rechtshandeling in te treden (en bij het verrichten van die rechtshandeling voor de schuldenaar voorzienbare) benadeling van de schuldeiser in diens verhaalsmogelijkheden. De analogie gaat niet op, reeds omdat de onderscheiden criteria juist in temporeel opzicht verschillende aanknopingspunten bieden (het verrichten van de rechtshandeling respectievelijk het intreden van benadeling als gevolg van de rechtshandeling). Overigens ligt aan art. 26 Wvg niet de gedachte ten grondslag dat de betrokken gemeente door de litigieuze rechtshandeling moet zijn benadeeld, althans niet meer sedert de op 1 september 2002 in werking getreden wijziging van de Wvg bij de wet van 14 juni 2002, Stb. 326. Tot die wijziging luidde art. 26 lid 1 Wvg als volgt:
‘Een gemeente kan de nietigheid inroepen van rechtshandelingen die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan het belang van de gemeente bij haar in deze wet geregelde voorkeurspositie.’
Bij de genoemde wijziging heeft de wetgever de woorden ‘het belang van de gemeente bij’ geschrapt, als reactie op de kennelijk naar zijn oordeel te sterke relativering van de mogelijkheden van art. 26 Wvg die de Hoge Raad in zijn rechtspraak uit die woorden had afgeleid. In de memorie van toelichting bij het desbetreffende initiatief-wetsontwerp5. wordt het volgende opgemerkt:
‘De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat voor de vernietiging van rechtshandelingen naast de eis dat, deze rechtshandeling de kennelijke strekking heeft afbreuk te doen aan de gemeentelijke voorkeurspositie, ook het belang van de gemeente daarbij geschaad moet zijn. (…)
Deze wetsinterpretatie heeft enkele nadelige gevolgen. Probleem is allereerst dat de rechtspositie van alle betrokken partijen (gemeente en private partijen) geruime tijd in de lucht kan hangen. Tussen de indiening van het verzoek tot vernietiging van een rechtshandeling van een grondeigenaar door de gemeente en de onherroepelijke beslissing daarop door de rechter kunnen vele jaren verstrijken. (…)
Hierbij komt dat de uitspraken van de Hoge Raad nieuwe wezenlijke rechtsvragen oproepen. Onduidelijk is wat ‘de gerechtvaardigde belangen’ zijn waarop de gemeente zich kan beroepen in haar onderhandelingen met de private partij die een grondpositie heeft verworven. (…)
De conclusie is dat er voldoende aanleiding is om artikel 26, eerste lid met voorrang te repareren. De wetgever kan en moet duidelijker zijn. Dit wetsvoorstel beoogt deze duidelijkheid te geven en houdt rekening met het advies van de Raad van State van 1 maart 20001 over een door de regering opgestelde wet tot wijziging van artikel 26, eerste lid WVG. Naar aanleiding van dit kritische advies en de eenduidige jurisprudentie van de Gerechtshoven heeft de regering op 23 mei 2000 besloten haar voorstel terug te nemen. De recente uitspraken van de Hoge Raad doen echter de noodzaak tot wetsreparatie herleven. Het onderhavige wetsvoorstel gaat uit van een andere opzet dan die van bovenbedoeld regeringsvoorstel en beoogt met name een bijdrage te leveren aan de voorspelbaarheid van toekomstige gerechtelijke uitspraken, zoals de Raad van State in zijn bovenbedoeld advies heeft bepleit.
Door het schrappen in artikel 26, eerste lid van de woorden ‘het belang van de gemeente’ wordt de rechterlijke toets conform de diverse uitspraken van de gerechtshoven en het advies van het evaluatierapport van de TU Delft toegespitst op datgene waar het in feite om gaat: Het voorkeursrecht verschaft de gemeente een voorkeurspositie bij vervreemdingsplannen van rechthebbenden en private rechtshandelingen die afbreuk doen aan deze voorkeurspositie staan bloot aan vernietiging. Het gaat daarbij om rechtshandelingen die zodanig zijn opgezet dat geen vervreemding zal plaatsvinden gedurende het bestaan van het voorkeursrecht, doch wel de beschikkingsmacht over en het economisch belang bij de grond in enigerlei mate worden overgedragen aan een of meer andere (rechts)personen.’
2.9
In verband met het voorgaande kan nog wel de vraag rijzen of en in hoeverre art. 26 lid 1 Wvg ruimte laat voor toepassing van art. 3:303 BW, volgens welke bepaling zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. Die vraag is in cassatie echter niet aan de orde, nu [verzoeker] c.s. aan de klachten van het middel niet (mede) ten grondslag hebben gelegd dat zij hebben aangevoerd dat, alhoewel een verzoek als bedoeld in art. 26 lid 2 Wvg in beginsel óók kan worden gedaan (en de rechter de nietigheid van een rechtshandeling als bedoeld in art. 26 lid 1 Wvg in beginsel óók kan uitspreken) op een tijdstip waarop het wettelijke voorkeursrecht niet meer geldt, gemeenten in een zodanig geval in het algemeen (c.q. de Gemeente in de onderhavige zaak in het bijzonder) een voldoende belang bij een dergelijk verzoek zullen missen (c.q. mist). Veeleer het tegendeel is het geval. Met het eerste onderdeel lijken [verzoeker] c.s. juist afstand te nemen van de gedachte dat zij met hun additionele grief het belang van partijen (dus met inbegrip van het belang van de Gemeente) ter discussie hebben willen stellen (zie cassatierekest onder 14: ‘(…) Zij achten volstrekt onbegrijpelijk dat het Hof hun additionele grief (…) aldus heeft geïnterpreteerd dat zij daarin betogen dat het belang van partijen bij een uitspraak in hoger beroep is komen te ontbreken. Integendeel. Inzet van die grief is nu juist dat het Hof beslist dat de rechtbank ten onrechte de koopovereenkomst nietig heeft verklaard.’; en onder 16: ‘(…) Inzet van hun additionele grief is een andere, namelijk de omstandigheid dat het in deze zaak nooit tot een nietigverklaring had mogen komen omdat op de relevante data (indiening verzoek ex artikel 26 Wvg, althans datum van beschikking van de rechtbank) geen sprake meer was van een gemeentelijke voorkeursrecht (en dus van een gemeentelijke voorkeurspositie). Op dát — toch alleszins heldere betoog- heeft het Hof evenwel niet (begrijpelijk) gerespondeerd.’ .’; en onder 19: ‘(…) De enkele aanwezigheid van (proces)belang doet (…) immers niet ter zake bij de beantwoording van de vraag welk moment beslissend is voor de toepassing van artikel 26 Wvg.’).
2.10
Ten slotte teken ik in verband met het tweede onderdeel nog aan dat de figuur van bekrachtiging (art. 3:58 BW), waarbij een wijziging in de rechtstoestand (in casu het vervallen van het wettelijke voorkeursrecht) het gebrek dat de betrokken rechtshandeling aankleeft, ‘vanzelf’ wegneemt, zich hier niet kan voordoen. Bekrachtiging in die zin betreft slechts nietige rechtshandelingen in het geval dat een voor de geldigheid daarvan gesteld wettelijk vereiste alsnog wordt vervuld. De koopovereenkomst was, totdat de rechter haar nietigheid uitsprak, echter niet nietig, maar vernietigbaar. De evenknie van de bekrachtiging is voor vernietigbare rechtshandelingen de figuur van de bevestiging (art. 3:55 BW), welke figuur echter afhankelijk is van een door de vernietigingsbevoegde partij (in casu de Gemeente) te verrichten rechtshandeling (het bevestigen van de vernietigbare rechtshandeling). Op grond van art. 3:55 lid 2 BW vervalt de vernietigingsbevoegdheid, wanneer de vernietigingsbevoegde partij niet binnen een haar door een onmiddellijk belanghebbende gestelde termijn tussen bevestiging en vernietiging heeft gekozen. De verschillende elementen van art. 3:55 BW (bevestiging, termijnstelling) kunnen worden herkend in de regeling van art. 26 lid 2 Wvg, die de mogelijkheid van een door de betrokken gemeente in te dienen verzoek om nietigverklaring beperkt tot een periode van acht weken nadat de gemeente een afschrift heeft ontvangen van de akte waarin de desbetreffende rechtshandeling is vervat (termijnstelling), en volgens welke de gemeente niet ontvankelijk is in haar verzoek, indien zij schriftelijk met de desbetreffende rechtshandeling heeft ingestemd (bevestiging).
2.11
Onderdeel 1 keert zich met motiveringsklachten tegen hetgeen het hof in rov. 4.8 heeft overwogen naar aanleiding van de additionele grief van [verzoeker] c.s. — verwoord in hun brief van 24 september 2010 — die als inzet heeft dat nietigverklaring van de koopovereenkomst niet kan worden uitgesproken, omdat de Gemeente ten tijde van de beslissing op het daartoe strekkende verzoek op grond van art. 26 Wvg, althans ten tijde van het indienen van dat verzoek, niet meer in een voorkeurspositie verkeerde.
Nu — zoals bij de bespreking van het tweede onderdeel is uiteengezet — de additionele grief op een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 26 Wvg berust, kunnen de klachten die betogen dat het hof een onbegrijpelijke uitleg aan die grief heeft gegeven, bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Ook voor zover het hof op niet geheel begrijpelijke wijze op de additionele grief heeft gerespondeerd, kan zulks, wat daarvan overigens zij, niet afdoen aan de juistheid van de door het hof aan het slot van rov. 4.8 getrokken conclusie ‘dat het bij de beoordeling op grond van artikel 26 Wvg gaat om de toestand op het moment van het verrichten van de bestreden rechtshandeling, niet om de toestand ten tijde van de indiening van het verzoek.’
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑01‑2012
In de bestuursrechtelijke kolom is geprocedeerd door [verzoeker 1] en twee anderen die in de onderhavige procedure geen partij zijn.
De bestreden beschikking dateert van 15 februari 2011. Het cassatierekest is op 14 april 2011 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
Zie cassatierekest onder 12: ‘Het Hof gaat echter aan dit betoog voorbij om een drietal (of viertal?) redenen die alle even onbegrijpelijk zijn.’
Beroepschrift 14‑04‑2011
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geven eerbiedig te kennen:
- 1.
[verzoeker 1], wonende te [woonplaats];
- 2.
[verzoekster 2], wonende te [woonplaats];
- 3.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BAM Vastgoed B.V., gevestigd te Bunnik;
- 4.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster 4] Vastgoed Investering B.V., gevestigd te [vestigingsplaats];
allen te dezer zake domicilie kiezende te Den Haag aan de Javastraat nr. 22 ten kantore van Mr J.A.M.A. Sluysmans, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, die verzoeksters tot cassatie in deze vertegenwoordigt en voor hen dit verzoekschrift indient.
Verweerster in deze is de GEMEENTE BUNNIK, zetelende te Odijk (gemeente Bunnik).
Dit verzoek richt zich tegen de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam (nevenzittingsplaats Arnhem) van 15 februari 2011 onder zaaknummer 200.004.150
[verzoeker 1] c.s. kunnen zich met voormelde beschikking niet verenigen en voeren daartegen hierbij het navolgende middel van cassatie aan:
schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het Hof in zijn ten deze bestreden beschikking op de daarin vermelde gronden heeft recht gedaan als in het dictum van die beschikking is aangegeven, zulks om de navolgende, mede in onderling verband en in onderlinge samenhang te beschouwen redenen.
Feiten en procesverloop
1.
Object van de onderhavige procedure zijn de percelen kadastraal bekend gemeente Werkhoven, sectie [X], nrs. [01], [002] en [003] (hierna ook: de percelen). Op 7 september 2005 heeft de gemeenteraad van Bunnik besloten op deze percelen een gemeentelijk voorkeursrecht uit hoofde van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) te leggen. Dit voorkeursrecht is nadien — op basis van aanvullende grondslagen en besluiten — gecontinueerd tot 15 april 2010.
2.
[verzoeker 1] en [verzoekster 2] waren op 7 september 2005 eigenaar van dit perceel en zijn dat overigens nog steeds.
3.
[verzoeker 1] en [verzoekster 2] hebben op 25 mei 2007 met BAM en [verzoekster 4] een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de voornoemde percelen. Bij notariële akte van 29 mei 2007 is ook bij notariële akte een kadasterverklaring betreffende deze koopovereenkomst opgemaakt. Die verklaring is nog diezelfde dag ingeschreven in de openbare registers.
4.
De Gemeente heeft vervolgens bij verzoekschrift van 8 oktober 2007 aan de rechtbank Utrecht nietigverklaring van de koopovereenkomst verzocht, zulks op de voet van artikel 26 Wvg. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen bij beschikking van 2 januari 2008. [verzoeker 1] c.s. zijn tijdig van deze beschikking in beroep gekomen. Ook het Hof Amsterdam verklaart bij beschikking van 15 februari 2011 de koopovereenkomst nietig.
5.
In de beroepsprocedure is van belang dat lopende die procedure in parallelle bestuursrechtelijke procedures uitspraken zijn gedaan — en (vervolgens) besluiten zijn genomen — die relevant zijn voor de omvang en aard van het tussen partijen bestaande geschil. Kort en goed leiden die uitspraken en besluiten ertoe dat (in beroep, en dus ook in cassatie) als uitgangspunt heeft te gelden dat vanaf 27 juni 2007 geen rechtgeldig voorkeursrecht (heeft ge)rust op de in de koopovereenkomst betrokken percelen.
6.
Mr Mus, advocaat van [verzoeker 1] c.s., heeft zulks duidelijk uiteengezet in zijn brief van 24 september 2010 aan het Hof (volgens p. 2 van het proces-verbaal van 13 oktober 2010 onderdeel van de gedingstukken). Hij vat de situatie als volgt samen (p. 3):
‘Deze zaak ligt daarom niet zo gecompliceerd (meer) als het lijkt. Samengevat: vanaf 27 juni 2007 tot op heden is geen voorkeursrecht op de verkochte gronden van kracht geweest. Dat wil zeggen dat de gemeente vanaf die datum niet over een voorkeurspositie beschikte. Om van artikel 26 Wvg gebruik te kunnen maken, had tot na 8 oktober 2007 (datum indiening verzoeken) een voorkeursrecht moeten gelden. Sterker nog, de voorkeurspositie had ook tijdens de nietigheidsprocedure nog moeten voortduren, dus tot aan het wijzen van de eindbeschikking in eerste aanleg door de rechtbank (2 januari 2008).’
7.
In rov. 4.4 van de bestreden beschikking komt het Hof — terecht — tot het oordeel dat de ‘additionele grief’ die is opgenomen in de brief van 24 september 2010 (en een viertal daaraan voorafgaande brieven van Mr Mus) toelaatbaar moet worden geacht (en dus in de oordeelsvorming van het Hof wordt betrokken). Ook dit oordeel mag in cassatie als uitgangspunt dienen.
8.
Mede in reactie op die additionele grief overweegt het Hof dan in rov. 4.8 als volgt:
‘[verzoeker 1] c.s. hebben in hun brief van 24 september 2010 naar voren gebracht dat, nu de verzoekschriften van de Gemeente tot nietigverklaring in eerste aanleg pas zijn ingediend op 8 oktober 2007, toen de Gemeente al gedurende enige tijd — namelijk sedert 26 juni 2007 — geen voorkeursecht meer op de percelen had, niet is voldaan aan de vereisten van artikel 26 Wvg, zodat de beschikkingen van de rechtbank alleen al daarom niet in stand kunnen blijven. Het hof gaat om de volgend redenen aan dit betoog van [verzoeker 1] c.s. voorbij. Voor zover in dit betoog ligt besloten dat dit meebrengt dat het belang van partijen bij een beslissing in de onderhavige zaak in hoger beroep is komen te ontbreken, ziet het eraan voorbij dat de vraag of de koopovereenkomst bloot staat aan vernietiging op de voet van artikel 26 Wvg, van belang kan zijn in verband met een eventueel door [verzoeker 1] c.s. te entameren procedure tot schadevergoeding jegens de Gemeente. Dit betekent dat alleen al in zoverre nog steeds belang bestaat bij een beslissing in hoger beroep. De omstandigheid dat niet alleen sedert 26 juni 2007 geen voorkeursrecht meer op de percelen rust, maar dat de koopovereenkomst ingevolge artikel 23 van deze overeenkomst bovendien inmiddels van rechtswege is geëindigd, doet aan dit belang van [verzoeker 1] c.s. niet af. Het hof wijst verder nog erop dat [verzoeker 1] c.s. tijdens de mondelinge behandeling heeft toegegeven dat inderdaad ook thans nog belang bestaat bij een beslissing in de onderhavige zaak. Mede in verband van het voorgaande moet worden aangenomen dat het bij de beoordeling op grond van artikel 26 Wvg gaat om de toestand op het moment van het verrichten van de bestreden rechtshandeling, niet om de toestand ten tijde van de indiening van het verzoek.’
9.
Tegen deze overwegingen — alsmede (uiteraard) het hieruit voortvloeiende dictum — richten zich de cassatieklachten van [verzoeker 1] c.s.
Klachten
onbegrijpelijkheid
10.
[verzoeker 1] c.s. menen dat het Hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan, althans een onbegrijpelijke respons heeft gegeven op het hiervoor verkort weergegeven (als ‘additionele grief’ aangemerkte) standpunt van [verzoeker 1] c.s., zoals onder meer — en meest duidelijk — verwoord in hun brief van 24 september 2010.
11.
Die brief — onderdeel van de additionele grief — heeft (net als die grief) als inzet dat nietigverklaring van de koopovereenkomst niet kan worden uitgesproken, omdat de Gemeente ten tijde van de beslissing op het daartoe strekkende verzoek ex artikel 26 Wvg, althans ten tijde van het indienen van dat verzoek niet meer in een ‘voorkeurspositie’ verkeerde. Vanaf 27 juni 2007 rust(te) er immers geen voorkeursrecht meer op de in die koopovereenkomst betrokken percelen.
12.
Het Hof gaat echter aan dit betoog voorbij om een drietal (of viertal?) redenen die alle even onbegrijpelijk zijn.
13.
In de eerste plaats overweegt het Hof dat ‘voor zover in dit betoog ligt besloten dat dit meebrengt dat het belang van een partijen bij een beslissing in de onderhavige zaak in hoger beroep is komen te ontbreken’ dit betoog eraan voorbij ziet dat [verzoeker 1] c.s. — bijvoorbeeld in het kader van een schadevergoedingsprocedure jegens de Gemeente — wel degelijk belang hebben bij een uitspraak van het Hof.
14.
[verzoeker 1] c.s. kunnen het Hof niet volgen, in die zin dat zij het wel met het Hof eens zijn dat zij belang hebben bij een uitspraak in hoger beroep, maar zij hebben ook nooit het tegendeel beweerd (zie ook p. 2 van het proces-verbaal van 13 oktober 2010). Zij achten volstrekt onbegrijpelijk dat het Hof hun additionele grief — zoals mede opgenomen in de hiervoor geciteerde brief van 24 september 2010 — aldus heeft geïnterpreteerd dat zij daarin betogen dat het belang van partijen bij een uitspraak in hoger beroep is komen te ontbreken. Integendeel. Inzet van die grief is nu juist dat het Hof beslist dat de rechtbank ten onrechte de koopovereenkomst nietig heeft verklaard.
15.
In de tweede plaats overweegt het Hof dat het ontbreken van een rechtsgeldig voorkeursrecht sinds 26 juni 2007 aan dit (proces)belang niet afdoet. Ook hier zijn [verzoeker 1] c.s. het inhoudelijk van harte eens met het Hof, maar ook hier geldt weer dat de overweging van het Hof geen respons is op de additionele grief, althans die grief op een voor [verzoeker 1] c.s. onnavolgbare wijze interpreteert.
16.
In de derde plaats wijst het Hof erop dat [verzoeker 1] c.s. bij pleidooi hebben ‘toegegeven’ dat er inderdaad nog belang bestaat bij een uitspraak van het Hof. Opnieuw: [verzoeker 1] c.s. hebben dat belang nooit bestreden. Inzet van hun additionele grief is een andere, namelijk de omstandigheid dat het in deze zaak nooit tot een nietigverklaring had mogen komen omdat op de relevante data (indiening verzoek ex artikel 26 Wvg, althans datum van beschikking van de rechtbank) geen sprake meer was van een gemeentelijke voorkeursrecht (en dus van een gemeentelijke voorkeurspositie). Op dat — toch alleszins heldere betoog — heeft het Hof evenwel niet (begrijpelijk) gerespondeerd.
17.
Aan het slot van rov. 4.8 overweegt het Hof dat ‘mede’ in verband met het voorgaande moet worden aangenomen dat het bij de beoordeling van artikel 26 Wvg gaat om de toestand op het moment van het verrichten van de bestreden rechtshandeling en niet om de toetstand ten tijde van de indiening van het verzoek.
18.
Het woordje ‘mede’ suggereert dat er nog andere dan de drie voornoemde — bestreden — overwegingen ten grondslag liggen aan 's Hofs conclusie. Als dat zo is, dan is 's Hofs oordeel te meer onbegrijpelijk nu die andere overwegingen niet duidelijk in de bestreden beschikking worden geëxpliciteerd.
19.
[verzoeker 1] c.s. kunnen niet anders dan concluderen dat het Hof de additionele grief (en in het bijzonder de brief van 24 september 2010) heeft uitgelegd als een betoog dat ertoe strekt dat partijen geen belang hebben bij een uitspraak in hoger beroep. Afgezien van het feit dat de additionele grief (dus) niet zo uitgelegd dient te worden, is bovendien onbegrijpelijk hoe het Hof vervolgens aan het slot van rov. 4.8 uit de voorgaande (drie) overwegingen gewijd aan dat ‘belang’ bij hoger beroep de conclusie trekt dat een beroep op artikel 26 Wvg moet worden beoordeeld op basis van de toestand die heerste op het moment van het verrichten van de bestreden rechtshandeling. De enkele aanwezigheid van (proces)belang doet is immers niet ter zake bij de beantwoording van de vraag welk moment beslissend is voor de toepassing van artikel 26 Wvg.
20.
Samengevat menen [verzoeker 1] c.s. bij lezing van de bestreden passages uit rov. 4.8 het vermoeden rijst dat het Hof heeft willen responderen op een (overigens niet gevoerd) verweer van de Gemeente dat [verzoeker 1] c.s. geen belang zouden hebben bij hun hoger beroep, maar het begin van die passages — dat duidelijk verwijst naar de brief van 24 september 2010 — alsmede de slotconclusie die ook aanhaakt bij die brief en de additionele grief maken duidelijk dat de tussenliggende overwegingen wel degelijk beogen een reactie te zijn op die additionele grief. Als zodanig — maar ook anderszins — zijn deze overwegingen — en is deze gedachtegang — ontoelaatbaar onduidelijk in het licht van de onmiskenbare inhoud en strekking van de additionele grief van [verzoeker 1] c.s.
rechtsklacht
21.
Niettegenstaande de — evident — onbegrijpelijke motivering die het Hof in rov. 4.8 hanteert in de hiervoor bestreden passages van rov. 4.8 zou het mogelijk zijn dat de conclusie waartoe 's Hofs overwegingen leiden wel de juiste is. Een eindoordeel kan immers rechtens juist zijn ook al is het onjuist (of onbegrijpelijk) onderbouwd. Volgens [verzoeker 1] c.s. is echter ook 's Hofs conclusie — inhoudende dat het bij de beoordeling van artikel 26 Wvg gaat om de toestand op het moment van het verrichten van de bestreden rechtshandeling — onjuist.
22.
De conclusie van het Hof is niet heel scherp geformuleerd, maar meest voor de hand liggende lezing ervan — zeker tegen de achtergrond van de grief van [verzoeker 1] c.s. — is dat het Hof hier het rechtsoordeel uitspreekt dat een verzoek ex artikel 26 Wvg kan worden toegewezen ook al is ten tijde van het doen van uitspraak op of zelfs al bij het indienen van dat verzoek geen sprake (meer) van een rechtsgeldig voorkeursrecht, zolang dat voorkeursrecht maar wel gold op de datum van de in het verzoek bestreden rechtshandeling. Daarmee wordt de relevante rechtsvraag welk moment bepalend is voor de vraag of een verzoek ex artikel 26 Wvg gehonoreerd kan worden.
23.
De tekst van de wet — in het bijzonder die van artikel 26 Wvg — biedt aanknopingspunten voor het standpunt van [verzoeker 1] c.s. (zie de brief van 24 september 2010, zie ook p. 3–4 van het proces-verbaal van 13 oktober 2010) dat op het moment van het beslissen op een verzoek ex artikel 26 Wvg, althans ten minste bij het indienen daarvan sprake moet zijn van een (rechtsgeldige) gemeentelijke voorkeurs(recht)positie. Volgens de wettekst moet immers sprake zijn van een (bestaande) voorkeurspositie. Slechts aan een dergelijke positie kan immers afbreuk worden gedaan door enige (dan verboden) rechtshandeling. Slechts in dat geval kan artikel 26 Wvg in stelling worden gebracht. Ook in de parlementaire geschiedenis valt dat bij herhaling terug te lezen: artikel 26 Wvg dient ter bescherming van de gemeentelijke voorkeurspositie die een basis vindt in een rechtsgeldig (gevestigd) voorkeursrecht. Bestaat het voorkeursrecht niet (meer), dan kan van de bescherming van artikel 26 Wvg evenmin sprake zijn. Deze bescherming is uitdrukkelijk niet bedoeld voor gemeenten die geen voorkeurspositie (meer) hebben.
Zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II 2000/01, 27 750, nr. 7, p. 10–11 en de bekende passage uit de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2000/01, 27 750, nr. 3, p. 5:‘Door het schrappen in artikel 26, eerste lid van de woorden ‘het belang van de gemeente’ wordt de rechterlijke toets conform de diverse uitspraken van de gerechtshoven en het advies van het evaluatierapport van de TU Delft 1 toegespitst op datgene waar het in feite om gaat: Het voorkeursrecht verschaft de gemeente een voorkeurspositie bij vervreemdingsplannen van rechthebbenden en private rechtshandelingen die afbreuk doen aan deze voorkeurspositie staan bloot aan vernietiging.’
24.
In de (gepubliceerde) rechtspraak is de hier relevante rechtsvraag (nog) niet beantwoord. Wel willen [verzoeker 1] c.s. nog wijzen op de strekking van de wet, alsmede de interne rechtsvergelijking (de analogie) die beide wijzen op een beantwoording in de door [verzoeker 1] c.s. voorgestane zin.
25.
Wat de strekking van de wet betreft, wijzen [verzoeker 1] c.s. erop dat de Wvg in het leven is geroepen om te dienen als ‘instrument tot versterking van de positie van de gemeenten bij hun aankoopbeleid’.1. Het doel van een gemeentelijk voorkeursrecht is met andere woorden om gemeenten in staat te stellen een gunstige positie te verwerven ten behoeve van de uitvoering van hun grondbeleid, onder meer om prijsopdrijving te voorkomen.
26.
Het eerste lid van artikel 26 Wvg luidt als volgt:
‘Een gemeente kan de nietigheid inroepen van rechtshandelingen die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan haar in deze wet geregelde voorkeurspositie.’
27.
Uit deze formulering blijkt dat artikel 26 strekt tot bescherming van de doelmatigheid van een gemeentelijk voorkeursrecht. Bij de meest recente wijziging van dit artikel is nog eens helder onder woorden gebracht wat de strekking van artikel 26 Wvg is:
‘Het voorkeursrecht verschaft de gemeente een voorkeurspositie bij vervreemdingsplannen van rechthebbenden en private rechtshandelingen die afbreuk doen aan deze voorkeurspositie staan bloot aan vernietiging.‘2.
28.
Aldus strekt artikel 26 Wvg tot de bescherming van de doelstelling van de Wvg. Op het moment dat een voorkeursrecht zijn werking verliest, kan inzet van artikel 26 Wvg niet de doelstelling van de Wvg meer nastreven of waarborgen. Alleen een werkend voorkeursrecht verdient daarom de bescherming van artikel 26 Wvg. Een voorkeursrecht dat geen werking meer heeft verdient die bescherming niet. Het doel van de Wvg en de strekking van artikel 26 Wvg leiden daarom tot de conclusie dat de momenten van indiening van een verzoek ex artikel 26 Wvg en de beslissing op dat verzoek wel degelijk (mede) bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of aan dat artikel werking toekomt.
29.
Een vergelijkende benadering ondersteunt deze opvatting. Er zijn niet veel situaties in het Nederlands recht die analogie vertonen met de huidige situatie, namelijk een rechtshandeling waarmee op het moment van verrichten van die handeling ‘iets mis is’, maar waarvoor geldt dat nadien optredende ontwikkelingen maken dat met dat ‘misse’ in rechte niets meer kan worden gedaan.
30.
[verzoeker 1] c.s. menen dat de situatie die het meest past in dit stramien is die van artikel 3:45 BW, de zogenaamde actio Pauliana. Indien een benadeelde een vordering ex artikel 3:45 BW instelt dan kan zich namelijk eenzelfde probleem voordoen als in de onderhavige procedure aan de orde is. Is het moment van de rechtshandeling beslissend bij de beoordeling van de vraag of de schuldenaar een rechtshandeling heeft verricht die de schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkneden heeft geschaad, of is moment van het instellen van de actie bepalend voor de beantwoording van die vraag?
31.
De Hoge Raad heeft in het arrest Ravast/Ontvanger voor geen van deze beide oplossingen gekozen. De Hoge Raad gaat een stap verder door te oordelen dat er sprake moet zijn van benadeling op het moment dat de rechter beslist over de vernietiging:
‘Benadeling moet aanwezig zijn op het tijdstip waarop de schuldeiser zijn rechten doet gelden (HR 23 december 1949, NJ 1950, 262). Indien, zoals in het onderhavige geval, in rechte wordt gestreden over de vraag of de schuldeiser terecht een beroep doet op art. 1377 (oud) BW, is het met betrekking tot de door dat artikel vereiste benadeling nodig, doch ook voldoende dat zij aanwezig is ten tijde dat omtrent het beroep op die bepaling wordt beslist.’3.
32.
De Hoge Raad heeft met deze beslissing A-G Hartkamp gevolgd, die in punt 6 van zijn conclusie nader ingaat op de achtergronden voor deze keuze. Hij staat in algemene zin stil bij het belang van de strekking van een nietigheidsvoorschrift:
‘(…) ten betoge (…) dat bij ieder nietigheidsvoorschrift de rechtsgevolgen ook in dit opzicht mede door de strekking van de regeling dienen te worden bepaald. De pauliana nu strekt ertoe de schuldeisers te beschermen in hun — financiële — verhaalsmogelijkheden. Verhaal wordt genomen op het tijdstip van tegeldemaking van het verhaalsobject; alle daaraan voorafgaande maatregelen, zoals beslaglegging, buitengerechtelijke vernietiging of het vorderen van vernietiging in rechte, zijn op dat doel gericht. Dit pleit er voor om wat ik zie als de in het oude recht geldende leer ook onder de vigeur van het nieuwe wetboek te handhaven: steeds als de schuldeiser feitelijk pas tot verhaalsuitoefening kan overgaan na het voeren van een gerechtelijke procedure omtrent de gegrondheid van zijn beroep op de pauliana, dient het ogenblik van de rechterlijke beslissing de peildatum voor de benadeling te zijn.’
33.
Twee aspecten van de beslissing van de Hoge Raad en de conclusie de A-G zijn voor het onderhavige geval van belang. In de eerste plaats de strekking van het nietigheidsvoorschrift. De strekking van artikel 26 Wvg is reeds hiervoor besproken. Ten tweede is van belang de omstandigheid dat een gerechtelijke procedure nodig is om tot verhaalsuitoefening te komen. Nietigheid op grond artikel 26 Wvg kan alleen door de rechter worden uitgesproken. Dat heeft voor de Wvg tot gevolg dat er een voorkeursrecht (in elk geval ook) moet gelden op het moment dat de rechter moet beslissen aangaande een verzoek ex artikel 26 Wvg, omdat alleen dan sprake kan zijn van benadeling. In casu is dat niet het geval.
34.
De (tussen)conclusie moet zijn dat het Hof bij de honorering van een verzoek ex artikel 26 Wvg ten onrechte (enkel) doorslaggevend heeft geacht de vraag of er ten tijde van de bestreden rechtshandeling een rechtsgeldig voorkeursrecht bestond en geen doorslaggevend belang heeft gehecht aan het (niet-)bestaan van dat voorkeursrecht ten tijde van het indienen van het verzoek en/of de beslissing op dat verzoek.
Conclusie
35.
[verzoeker 1] c.s. komen op grand van het voorgaande tot de conclusie dat 's Hofs oordeel op hun additionele grief niet alleen volstrekt onbegrijpelijk is — het Hof miskent volledig de strekking van die grief — maar bovendien ook onjuist. Als een gemeente geen voorkeurspositie meer heeft, dan kan zij niet een succesvol beroep doen op artikel 26 Wvg, althans kan de rechter een op grond van dit artikel gebaseerde verzoek tot nietigverklaring honoreren.
Redenen waarom:
[verzoeker 1] c.s. zich wenden tot de Hoge Raad met het eerbiedig verzoek de bestreden beschikking van het Hof te vernietigen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 14 april 2011
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑04‑2011
Kamerstukken I1 1975/76, 13 713, nrs. 1–3, p. 12.
HR 22 september 1995, NJ 1996, 706, r.o. 5.2, m.nt. HJS.