Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.4.6.2
4.6.2 Opvolgende verdeling bij de declaratieve werking van de verdeling
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948026:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 16 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2781, BNB 2005/368, waarover ook in de hoofdtekst hierna. Uit deze uitspraak zou afgeleid kunnen worden dat een nalatenschap maar één keer verdeeld kan worden. De literatuur is hier echter verdeeld over. Zie hierover B.M.E.M. Schols, ‘Verdeel en beheers de schenk-, erf- en overdrachtsbelasting’, in: Verdeling in de notariële praktijk (Preadvies KNB) 2012, p. 87-93, met een weergave van de verschillende standpunten na de uitspraak van de Hoge Raad van 16 september 2005. Zie tevens Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/7 en T.H. Sikkema, ‘Transformatieproblematiek bij een nalatenschap’, JBN 2020/1.
Vgl. paragraaf 4.4.1 hiervóór.
Zie voor de concrete uitwerking hiervan paragraaf 4.6.3 hierna. In die paragraaf wordt, mede aan de hand van een voorbeeld, de toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW bij opvolgende verdelingen uitgewerkt, maar dan voor het geval dat men uitgaat van de translatieve werking van de verdeling. Voor de feitelijke toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW maakt het echter geen verschil of men van de translatieve of declaratieve werking van de verdeling uitgaat (waar dit voor het toepassingsbereik van artikel 1:95 lid 1 BW wél verschil uitmaakt, vgl. paragraaf 4.4.1 hiervóór). Zo moet artikel 1:95 lid 1 BW, indien van toepassing, in beide gevallen bij iedere afzonderlijke verdeling worden toegepast, en zullen de door verdeling verkregen goederen eerder buiten de huwelijksgemeenschap vallen wanneer zij bij de voorgaande verdeling óók buiten de huwelijksgemeenschap zijn gebleven. In dat geval kwalificeert de gerechtigdheid tot de waarde van de goederen vóór de verdeling immers als ‘eigen vermogen’ in de zin van artikel 1:95 lid 1 BW. Zijn er in het kader van een eerdere verdeling op grond van artikel 1:95 lid 1, tweede zin, BW of artikel 1:95 lid 2 BW vergoedingsrechten ontstaan, dan blijven deze bij een daaropvolgende verkrijging krachtens verdeling onverminderd intact. Zij spelen dus ook géén rol bij de vraag of bij een daaropvolgende verdeling aan de vereisten van artikel 1:95 lid 1 BW is voldaan Ook dit zal in paragraaf 4.6.3 nader uitgewerkt worden.
Zie paragraaf 4.5.1 hiervóór.
Zie anders Hof ’s-Hertogenbosch 14 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1720. Daar was aan de orde of de door erflater gemaakte uitsluitingsclausule ook van toepassing was op het aandeel in de onroerende zaak dat in een opvolgende verdeling was verkregen. Het hof oordeelde dat, gelet op de bewoordingen van de eerste akte van verdeling, waarbij de onroerende zaak aan twee van de drie erfgenamen was toegedeeld, de verdeling van de nalatenschap nog niet was voltooid en dat daarvan pas sprake was door de daaropvolgende akte van verdeling waarbij de onroerende zaak aan één erfgenaam werd toegedeeld. Die erfgenaam was in een bij akte van huwelijkse voorwaarden gecreëerde beperkte huwelijksgemeenschap gehuwd. Omdat de nalatenschap pas bij de tweede verdeling volledig was verdeeld, verkreeg de betreffende erfgenaam de onroerende zaak onder uitsluitingsclausule, zodat deze niet in de beperkte huwelijksgemeenschap viel waarin hij was gehuwd. Daarmee vernietigde het hof de uitspraak Rb. Limburg 19 december 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:12049, die nu juist had geoordeeld dat de tweede verdeling niet als een (verdere) verdeling van de oorspronkelijke nalatenschap kon worden beschouwd. Beide instanties achtten voor de werking van de uitsluitingsclausule dus van doorslaggevend belang of de nalatenschap na de eerste verdeling nu wel of niet verdeeld was. Naar mijn mening is dat dus niet relevant. Zie over deze uitspraak ook T.H. Sikkema, ‘Transformatieproblematiek bij een nalatenschap’, JBN 2020/1.
496. Gaat men uit van de declaratieve werking van de verdeling, dan zal bij een opvolgende verdeling iedere verkrijging door de oorspronkelijke erfgenamen als een verkrijging krachtens erfrechtelijke titel kwalificeren. Op grond van de declaratieve werking wordt de titel waaronder de overblijvende erfgenamen het goed geacht worden te hebben verkregen immers bepaald door de gemeenschappelijke verkrijgingstitel daarvóór. Als de erfgenamen de nalatenschap voor de eerste keer verdelen worden de door verdeling verkregen goederen geacht krachtens de oorspronkelijke erfrechtelijke titel verkregen te zijn. Op grond van de declaratieve werking van de daaropvolgende verdeling werkt deze titel vervolgens ook weer door bij die daaropvolgende verdeling. Door de declaratieve werking van de voorgaande verdeling hielden de overgebleven erfgenamen de goederen immers krachtens de gemeenschappelijke titel ‘krachtens erfrecht’, welke titel bij de daaropvolgende verdeling ook weer als verkrijgingstitel doorwerkt. Dit gaat zo door totdat de gemeenschap volledig is verdeeld. Zolang de gemeenschappelijke goederen aan de oorspronkelijke erfgenamen worden toegedeeld, blijft iedere verdeling dus als een verkrijging krachtens de oorspronkelijke erfrechtelijke titel kwalificeren. Dat geldt óók wanneer een (opvolgende) verdeling op enig moment niet meer als een verdeling van de (oorspronkelijke) nalatenschap kwalificeert. De declaratieve werking van de verdeling zorgt er nu eenmaal voor dat iedere verdeling tussen de oorspronkelijke erfgenamen als een verkrijging krachtens erfrechtelijke titel kwalificeert, ongeacht of die verdeling nu wel of niet een verdeling van de oorspronkelijke nalatenschap is. Het maakt dus óók niet uit of de erfgenamen bij de voorgaande verdeling hebben verklaard dat de nalatenschap met die verdeling volledig was verdeeld, of dat zij juist hebben verklaard dat die verdeling nog niet was voltooid. De verkrijgingstitel blijft er een krachtens erfrecht. Dat wil niet zeggen dat een dergelijke verklaring niet belangrijk kan zijn. Zo bepaalt artikel 3 lid 1 sub a WBR dat de verdeling van een huwelijksgemeenschap of nalatenschap waarin de verkrijger was gerechtigd als rechtverkrijgende onder algemene titel niet als een belaste verkrijging kwalificeert. Als de opvolgende verdeling niet meer als een verdeling van de oorspronkelijke nalatenschap kwalificeert, is derhalve overdrachtsbelasting verschuldigd.1 In die zin is het dus wel degelijk van belang of een opvolgende verdeling nog als een verdeling van de oorspronkelijke nalatenschap kwalificeert. Voor het antwoord op de vraag krachtens welke titel de goederen bij een opvolgende verdeling door de oorspronkelijke erfgenamen zijn verkregen, speelt dit echter geen enkele rol. Dit kan ook worden afgeleid uit de uitspraak HR 16 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2781, BNB 2005/368. In de zaak die tot deze uitspraak leidde had het hof de eerste akte van verdeling zo uitgelegd dat de door het overlijden van belanghebbendes vader ontstane onverdeeldheid noch geheel, noch gedeeltelijk onverdeeld was gebleven en dat met deze eerste akte van verdeling de verdeling werd voltooid. Volgens de Hoge Raad had het hof daaraan terecht de conclusie verbonden dat de gemeenschap die door die eerste verdeling ontstond niet langer als een gemeenschap van nalatenschap kwalificeerde, maar als een eenvoudige gemeenschap. Vervolgens overwoog de Hoge Raad:
“3.5. Anders dan het middel betoogt heeft het Hof, aldus oordelend, noch artikel 4:1129 BW (oud), noch artikel 3:186, lid 2, BW (dat hier overigens niet van toepassing is) geschonden. Dat belanghebbende en zijn broer krachtens die artikelen worden geacht het woonhuis na de verdeling van 17 september 1986 te houden ten titel van erfopvolging, is zonder betekenis voor de beantwoording van de vraag of na die verdeling nog een (partiële) nalatenschap in civielrechtelijke zin resteerde.”
Uit deze overweging kan worden afgeleid dat ook volgens de Hoge Raad een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de titel krachtens welke goederen bij een opvolgende verdeling worden verkregen, en anderzijds het antwoord op de vraag of die opvolgende verdeling nog als de verdeling van een nalatenschap kwalificeert; ook als van een verdeling van de nalatenschap geen sprake meer is, kan de verkrijging krachtens verdeling nog steeds als een verkrijging krachtens erfrechtelijke titel kwalificeren. Het een staat dus los van het ander.
497. Voor de werking van boedelmenging betekent dit alles dat wanneer een echtgenoot in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd en hij bij een opvolgende verdeling goederen verkrijgt die oorspronkelijk krachtens erfrechtelijke titel of schenking zijn verkregen, deze goederen telkens buiten de beperkte huwelijksgemeenschap zullen vallen, óók als van een verdeling van de oorspronkelijke nalatenschap of gemeenschappelijke schenking geen sprake meer is; in de declaratieve opvatting over de verdeling blijft de oorspronkelijke erfrechtelijke verkrijgings- of schenkingstitel bij iedere (opvolgende) verdeling doorwerken, zodat de aldus verkregen goederen bij iedere verdeling op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW buiten de beperkte huwelijksgemeenschap zullen vallen. Dat geldt óók als bij die verdeling meer dan de helft van de totaal verschuldigde tegenprestatie ten laste van middelen van de beperkte huwelijksgemeenschap is gekomen. Het door verdeling verkregen goed valt reeds op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW buiten de beperkte huwelijksgemeenschap, zodat vanwege het (‘beperkte’) karakter van artikel 1:95 lid 1 BW als uitzondering op de werking van boedelmenging aan toepassing van dat artikel niet meer wordt toegekomen.2 Is sprake van een algehele wettelijke gemeenschap van goederen, dan zullen de door verdeling verkregen goederen alleen buiten de huwelijksgemeenschap vallen als aan de oorspronkelijke verkrijging een uitsluitingsclausule is verbonden of als het goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW alsnog van de werking van boedelmenging is uitgezonderd. Daarbij zal bij iedere afzonderlijke verdeling opnieuw beoordeeld moeten worden of aan de vereisten van artikel 1:95 lid 1 BW is voldaan.3 Is aan de oorspronkelijke verkrijging een uitsluitingsclausule verbonden, dan werkt die uitsluitingsclausule bij iedere opvolgende verdeling door, hetzij omdat deze geacht wordt aan de oorspronkelijke erfrechtelijke titel verbonden te zijn, hetzij omdat deze ‘goederenrechtelijke werking’ heeft.4In beide gevallen is dus het gevolg dat de door de opvolgende verdeling verkregen goederen op grond van de uitsluitingsclausule buiten de algehele wettelijke gemeenschap van goederen vallen, óók als van een verdeling van de oorspronkelijke nalatenschap geen sprake meer is.5