Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.3.4:3.3.4 287a-akkoord
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.3.4
3.3.4 287a-akkoord
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192694:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze voorziening uitgebreid Engberts 2015, hoofdstuk 5.
HR 14 december 2012, NJ 2013/43; JOR 2013/123 m.nt. Nethe.
Kamerstukken II 2005/06, 29 942, nr. 7, p. 39 en 41.
Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 17-19, waarin verwezen wordt naar Rb. Almelo 4 februari 1998, JOR 1998/66 m.nt. Soedira en Rb. Zwolle 2 februari 2001, KG 2001/136.
Engberts 2015, p. 234-235.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
60. Art. 287a Fw is op 1 januari 2008 in de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (‘WSNP’) opgenomen. De WSNP is van toepassing op alle natuurlijke personen, ook op natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen.1 Deze bepaling bevat een procedure waarmee een dwarsliggende schuldeiser kan worden veroordeeld in te stemmen met een akkoordvoorstel, zodat wordt voorkomen dat ten aanzien van een schuldenaar een schuldsaneringstraject wordt gestart.2 De bepaling vormt daarmee in wezen de grondslag voor een pre-insolventieakkoord voor natuurlijke personen.
De toewijsbaarheid van het 287a-verzoek is niet afhankelijk van de toewijsbaarheid van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.3 De rechter dient op grond van art. 287a lid 5 Fw te toetsen of de tegenstemmende schuldeiser “in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.” Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer werd het Payroll-arrest gewezen. De minister van Justitie leek in de Nota naar aanleiding van het Verslag te suggereren dat deze Payroll-norm niet van belang is voor 287a-verzoeken.4 De tekst van art. 287a lid 5 Fw sluit echter nauw aan bij de bewoordingen van art. 3:13 BW. In de Memorie van Toelichting bij lid 5 is gerefereerd aan twee uitspraken van kantonrechters die beiden de hiervoor besproken criteria voor dwangdeelname toepassen. De door Van der Heiden geformuleerde criteria zijn op die manier in de wetsgeschiedenis beland.5 Hoewel de tekst van art. 287a Fw enerzijds en de Payroll-norm anderzijds niet sterk uiteenlopen concludeert Engberts in zijn proefschrift dat regelmatig 287a-verzoeken worden toegewezen, terwijl deze met toepassing van de Payroll-norm afgewezen zouden worden.6