Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/8.2.1
8.2.1 Afstand van recht / Schikking / Door haling op de rol / Schuldwijziging / lnbetalinggeving / Bekrachtiging van een betaling aan een inningsonbevoegde / Uitstel van betaling / Betaling in gedeelten / Schuldoverneming
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS588332:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervóór nr. 412 en 413.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11* 2009, nr. 312-319. Het doen van afstand van recht is een meerzijdige rechtshandeling, omdat de schuldenaar niet tegen zijn wil een voordeel kan worden opgedrongen. Een door de schuldeiser tot de schuldenaar gericht aanbod tot afstand om niet geldt evenwel als aanvaard, wanneer de schuldenaar van het aanbod heeft kennisgenomen en het niet onverwijld heeft afgewezen (art. 6:160 lid 2 BW).
Dit is een meerzijdige rechtshandeling met de pandgever of de hypotheekgever. Zie art. 3:258 lid 2 BW (pand) en art. 3:84 lid 1 jo 3:98 jo 3:260 BW en art. 3:274 BW (hypotheek).
Heeft de schuldeiser voorrang uit rechten van pand of hypotheek, voorrechten of uit andere in de wet aangegeven gronden, dan kan het achterstellen van de vordering het doen van afstand van de voorrang impliceren. Vgl. HR 18 oktober 2002, NJ 2003, 503 (Buter q.q./Besix e.a.), m.nt. C. E. du Perron, waarin de Hoge Raad bepaalde dat ook bij de uitleg van een overeenkomst het Haviltex-criterium (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635) toepasselijk is. Zie over achterstelling A. van Hees 1989; Wessels 1997; en Spinath 2005.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 292.
Vgl. o.a. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 672.
Zie over de vaststellingsovereenkomst o.a. Asser/Van Schaick 5-IV 2004; en Santing-Wubs 2009, p. 123 e.v.
De partijen kunnen de rechtsgevolgen van de doorhaling op de rol bij overeenkomst bepalen (art. 246 lid 2 Rv).
Vgl. art. 339 lid 4 Rv: afstand van instantie laat de mogelijkheid onverlet om incidenteel beroep in te stellen.
De bevoegdheid hiertoe vloeit voort uit de contractsvrijheid van de bij de verbintenis betrokken partijen (art. 6:217 e. v. BW). Het is ook mogelijk dat alleen de gevolgen van een verbintenis worden gewijzigd (zie bijvoorbeeld art. 6:229, 6:230, 6:248 en 6:258 BW) of dat partijen overeenkomen dat een van hun eenzijdig een beding mag wijzigen, zoals het rentepercentage in een rentebeding (vgl. Verdaas 2008a, nr. 369).
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 482.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 482-483.
Een koper en verkoper kunnen krachtens beding overeenkomen dat de verkoper bevoegd is om na het sluiten van de koop eenzijdig de koopprijs te verhogen (art. 7:35 lid 1 BW). Hiermee wordt gelijk gesteld het geval waarin de verkoper een voorlopige koopprijs heeft opgegeven en zich een prijswijziging heeft voorbehouden (art. 7:35 lid 2 BW). Zie voor de algemene voorwaarden art. 6:236 sub i BW.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 325-327, die schrijven: 'Vervanging van een verbintenis heeft plaats, indien de verplichting van de schuldenaar tot een bepaalde prestatie wordt vervangen door een andere.'
Zie art. 3:83 lid 2 BW. Anders: Wiarda 1937, p. 370. Het beding kan op een later moment worden overeengekomen of ongedaan worden gemaakt. Zie Wiarda 1937, p. 370-371. Ook door dit beding wordt nader de inhoud van de vordering bepaald. Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 314.
De omzetting heeft verschillende gevolgen, o.a. bij de overgang van de vordering (art. 6:142 e.v. BW) en de overdracht daarvan (art. 3:93-94 BW). Vgl. art. 36 lid6 Wge, dat bepaalt dat het centraal instituut, dat op grond van art. 36 lid 1 Wge, belast is met het beheer van het girodepot, bevoegd is tot een girodepot behorende effecten die aan toonder luiden, op naam te doen stellen.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 183. Vgl. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 459. Van inbetalinggeving is ook sprake als de schuldeiser instemt met de aflevering van zaken die beneden de goede gemiddelde kwaliteit, in het geval van dat de schuldenaar de levering van zaken verschuldigd is die slechts zijn bepaald naar de soort en binnen de aangeduide soort verschil in kwaliteit bestaat en hetgeen de schuldenaar aflevert, niet beneden goede gemiddelde kwaliteit mag liggen (art. 6:28 BW). Zie voor de algemene voorwaarden ook art. 6:237 sub b en c BW.
Een duidelijke grens tussen het doen van afstand van een vordering om baat en een inbetalinggeving is blijkens de parlementaire geschiedenis niet altijd te trekken.
In het Ontwerp Meijers luidde de bepaling (art. 6.1.6.6) nog als volgt: 'Betaling aan iemand die niet tot aanneming bevoegd is, bevrijdt de schuldenaar indien de schuldeiser de aanneming heeft bekrachtigd of door de betaling is gebaat.' Zie O.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 161. In de huidige redactie is niet de schuldeiser, maar degene aan wie moet worden betaald, tot bekrachtiging bevoegd. De toelichting bij de wijziging is uiterst summier en een onderbouwing voor de wijziging ontbreekt. Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 161. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 218 spreekt alleen over de schuldeiser die tot bekrachtiging bevoegd is.
Zie ook art. 6:237 sub e BW. Uitstel van betaling of van executie bij wijze van gunst door de schuldeiser verleend, staat aan verrekening niet in de weg (art. 6:131 lid 2 BW).
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 129.
Het is echter mogelijk dat de schuldeiser handelt in strijd met de goede trouw bij een weigering. Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 156-157.
Vgl. over contractsovememing, hierna nr. 549 e.v.
462. De schuldeiser kan door een beschikkingshandeling te verrichten jegens de schuldenaar zijn rechtspositie benadelen. Hij kan dat doen door afstand van zijn recht te doen, te schikken, de schuld te wijzigen, toestemming te verlenen aan inbetalinggeving, toestemming te verlenen aan een schuldoverneming, uitstel van betaling te verlenen en een betaling aan een inningsonbevoegde te bekrachtigen. De bevoegdheden hebben gemeenschappelijk dat door hun uitoefening de vordering teniet kan gaan of in waarde kan verminderen, waardoor de schuldeiser in een slechtere positie kan komen te verkeren. De bevoegdheden zijn naar hun aard tegenovergesteld aan de bevoegdheden beschreven in hoofdstukken 3 t/m 5, die juist gericht zijn op het 'realiseren' van de vordering. De hiervoor genoemde beschikkingshandelingen verschillen van de in hoofdstuk 7 behandelde beschikkingshandelingen, omdat zij niet jegens een derde, maar jegens de schuldenaar worden uitgeoefend: de schuldeiser beschikt over zijn vordering door met de schuldenaar een overeenkomst aan te gaan (vgl. afstand van recht en schuldwijziging) of door aan een rechtshandeling van de schuldenaar toestemming te verlenen of deze te bekrachtigen (vgl. inbetalinggeving, schuldoverneming, betaling aan een onbevoegde).1 Het is de vraag wie tot de uitoefening van deze bevoegdheden bevoegd is dan wei zou moeten zijn. Hieronder worden de rechtshandelingen kort toegelicht.
463. De schuldeiser kan ten eerste afstand van zijn rechten doen. De schuldeiser kan afstand van zijn vordering doen 'om niet' (kwijtschelding) en 'om baat' (bijvoorbeeld, door actieve of passieve schuldvernieuwing). De schuldeiser en de schuldenaar doen afstand van de vordering door het gaan van een overeenkomst (art. 6:160 lid 1 BW).2 De schuldeiser kan ook afstand doen van de vordering verbonden zekerheidsrechten, zoals pand en hypotheek.3 De schuldeiser en de schuldenaar kunnen voorts overeenkomen dat de vordering van de schuldeiser jegens alle of bepaalde andere schuldeisers een lagere rang neemt dan de wet hem toekent (art. 3:277 lid 2 BW; 'achterstelling')4 of dat ten gunste van een andere hypotheekhouder een rangwisseling plaatsvindt (art. 3:262 lid 1 BW). Bij het prijsgeven van rechten dient voorts te worden gedacht aan het toestaan van verweermiddelen van de schuldenaar, het bemoeilijken van de bewijspositie van de schuldeiser,5 het prijsgeven van opschortingsrechten en retentierechten, het doen van afstand van een eigendomsvoorbehoud, het verwaarlozen van een vuistpand waardoor deze in waarde afneemt, het opzeggen van een borgtocht en het opzeggen van rechten van pand en hypotheek.
De schuldeiser kan met de schuldenaar voorts schikken als tussen hen een geschil over het bestaan, de inhoud of de hoogte van de vordering bestaat. Als met de schikking (of, in het oude recht, een 'dading')6 rechten worden prijsgegeven, doet de schuldeiser (gedeeltelijk) afstand van zijn recht. Een schikking komt tot stand door een vaststellingsovereenkomst (art. 7:900 e.v. BW) met de schuldenaar.7 Een schikking vindt buiten rechte plaats, maar kan gebeuren naar aanleiding van een comparitie (vgl. art. 87 Rv) of met zich meebrengen dat de zaak op verlangen van partijen op de rol wordt doorgehaald (art. 246 lid 1 Rv).8
Zolang de gedaagde niet voor antwoord heeft geconcludeerd, kan de eiser ook afstand van instantie doen. De eiser is verplicht om de proceskosten van de gedaagde te betalen, alsmede het bedrag van de schadeloosstelling en het loon van deskundigen (art. 249 Rv). Afstand van instantie wordt gedaan bij akte ter rolle (art. 250 lid 1 Rv). Door afstand van instantie worden partijen van rechtswege hersteld in de toestand als ware het geding niet in deze instantie aanhangig geweest, onverminderd het bepaalde in art. 3:316 lid 2 BW (art. 250 lid 3 Rv). Na betaling van de kosten kan de eiser de vordering opnieuw instellen.9
De schuldeiser kan met de schuldenaar de inhoud van de vordering wijzigen zonder dat daardoor schuldvernieuwing optreedt.10 Niet iedere wijziging van de inhoud van een verbintenis moet als een objectieve schuldvernieuwing worden beschouwd.11 Van schuldvernieuwing is sprake wanneer partijen ondubbelzinnig uitspreken dat zij zich van de bestaande verbintenis losmaken en hun rechtsverhouding uitsluitend door de nieuwe overeenkomst bepaald willen zien, en voorts wanneer de nieuwe overeenkomst aan de verbintenis een zo afwijkende inhoud of strekking geeft, dat deze naar verkeersopvatting niet meer als 'dezelfde' kan worden beschouwd (bijvoorbeeld, als huur door koop wordt vervangen).12 Een wijziging van de verschuldigde prestatie levert in de regel schuldvernieuwing op. Als de schuldenaar een of meer zaken moet overdragen, bijvoorbeeld tomaten, en de over te dragen tomaten worden veranderd in kwaliteit, is sprake van schuldvernieuwing. Hetzelfde geldt als de valuta wordt gewijzigd waarin een geldschuld moet worden betaald of als een vordering om een goed over te dragen, word t omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding (art. 6:87 BW). Hoeft de schuldenaar minder te verrichten dan was overeengekomen, bijvoorbeeld 10 appels te leveren in plaats van 20 appels, dan is sprake van (gedeeltelijk) afstand van recht. Door een vermeerdering van de prestatie vindt in beginsel evenmin schuldvernieuwing plaats.13 Een verandering van plaats van betaling, het opnemen of schrappen van een ontbindende of opschortende voorwaarde of tijdsbepaling kan, maar hoeft niet schuldvernieuwing tot gevolg hebben. Een wijziging van de bedingen en overeenkomsten die nader de inhoud van de vordering bepalen, levert in beginsel geen schuldvernieuwing op, tenzij partijen anders bedoeld hebben.14 Van schuldvernieuwing zal in beginsel bijvoorbeeld geen sprake zijn bij het aangaan, buiten werking stellen of wijzigen van een rentebeding, een boetebeding, een arbitragebeding, een forumclausule, een bewijsovereenkomst, een rechtskeuzebeding, een beding van onoverdraagbaarheid15 en een achterstelling. Bij het doen van afstand van zekerheidsrechten of voorrang, schuldoverneming, nakoming door een derde, inbetalinggeving, uitoefening van het keuzerecht bij een alternatieve verbintenis treedt geen schuldvernieuwing op. Schuldvernieuwing vindt evenmin plaats als een vordering op naam wordt omgezet in een vordering aan toonder of aan order, of omgekeerd.16
Slechts met de toestemming van de schuldeiser kan een schuldenaar zich van zijn verbintenis bevrijden door een andere prestatie dan de verschuldigde, al mocht zij van gelijke of zelfs hogere waarde zijn (art. 6:45 BW, 'inbetalinggeving').17 Door de inbetalinggeving wordt de vordering zelf niet gewijzigd; de inbetalinggeving levert nakoming van de oorspronkelijke verbintenis op.18 Met inbetalinggeving doet de schuldeiser afstand van zijn recht om de oorspronkelijke prestatie te vorderen.19
Betaling aan een ander dan de schuldeiser of dan degene die met hem of in zijn plaats bevoegd is haar te ontvangen, bevrijdt de schuldenaar, voor zover degene aan wie betaald moest worden de betaling heeft bekrachtigd of erdoor is gebaat (art. 6:32 BW).20 Bekrachtigt de schuldeiser niet, dan dient de schuldenaar nogmaals te betalen, aan de schuldeiser, en kan hij het aan de ander betaalde terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v. BW) of ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:33, 6:212 BW).21
Is een vordering opeisbaar (vgl. art. 6:38-6:39 BW), dan kan de schuldeiser de schuldenaar tegemoet komen door uitstel van betaling te verlenen.22 Een aanmaning tot betaling tegen een bepaald tijdstip en uitstel van betaling tot dat tijdstip kunnen blijkens de parlementaire geschiedenis in elkaar overlopen.23
De schuldenaar is zonder toestemming van de schuldeiser niet bevoegd om het verschuldigde in gedeelten te voldoen (art. 6:29 BW). Het is lastig voor de schuldeiser om steeds grotere of kleinere gedeelten in ontvangst te moeten nemen. Door de weigering van de schuldeiser om een betaling in gedeelten aan te nemen, ontstaat geen schuldeisersverzuim.24 Als de schuldeiser uitstel van betaling verleent door een afbetalingsregeling te treffen waarbij de schuldenaar in termijnen betaalt, impliceert dit de toestemming om de schuld tevens in gedeelten te voldoen.
De schuld van de schuldenaar kan overgaan op een derde, indien deze haar van de schuldenaar overneemt. De schuldoverneming heeft pas werking jegens de schuldeiser, indien deze zijn toestemming geeft nadat partijen hem van de overneming kennis hebben gegeven (art. 6:155 BW). Hij kan zijn toestemming bij voorbaat geven (art. 6:156 lid 1 BW). Door de schuldoverneming gaan onder meer een derdenpand en derdenhypotheek, alsmede de rechten uit borgtocht teniet, tenzij de pand- of hypotheekgever of borg tevoren in handhaving heeft ingestemd (art. 6:157 lid 2 BW). Door contractsoverneming kan ook de schuldenaar worden vervangen. De wederpartij bij de overeenkomst (de schuldeiser) dient aan de contractsoverneming zijn medewerking te verlenen (art. 6:159 BW). Op grond van art. 6:159 lid 3 BW zijn art. 6:156 BW en art. 6:157 lid 2 en 3 BW van overeenkomstige toepassing.25