Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/10.2.4.2
10.2.4.2 Eis in reconventie
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS503498:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor de overeenkomst tot arbitrage die zich uitstrekt tot een eis in reconventie gelden natuurlijk alle eisen die gewoonlijk uit art. 1020 lid 1 Rv voortvloeien; zo moet het gaan om geschillen uit een bepaalde rechtsbetrekking en kunnen partijen niet overeenkomen dat 'de verweerder onbeperkt een vordering in reconventie kan instellen.' (SANDERS (diss.), blz. 71) (zie 4.3.4).
Ingevolge art. 1020 lid 6 Rv wordt een arbitragereglement, waarnaar in de overeenkomst tot arbitrage wordt verwezen, geacht deel van die overeenkomst uit te maken.
NOLEN, blz. 69; als op de eis in conventie en de eis in reconventie wel dezelfde overeenkomst tot arbitrage van toepassing is, doch de overeenkomst tussen partijen de eis in reconventie niet toelaat, zal de verweerder in reconventie zich erop kunnen beroepen dat, voorzover het de eis in reconventie betreft, het scheidsgerecht in strijd met de daartoe geldende regelen is samengesteld of dat het scheidsgerecht met toelating van de eis in reconventie zijn opdracht schendt (art. 1052 lid 3 Rv respectievelijk art. 1036 Rv); de desbetreffende partij zal zich daarop wel (tijdig) moeten beroepen (art. 1052 lid 3 Rv respectievelijk art. 1065 lid 4 Rv); eventueel kan een vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis worden ingesteld (art. 1065 lid 1 (b) Rv respectievelijk art. 1065 lid 1 (c) Rv); verdedigd kan worden dat partiële vernietiging mogelijk is (zie 11.6.4).
Vgl. ook HEEMSKERK (diss.), blz. 74-75.
Zie ook HEEMSKERK (diss.), blz. 75; aldus bestaat (achteraf) alsnog één overeenkomst tot arbitrage voor de vordering in conventie en de vordering in reconventie (zie 9.2.2.5 voor de eis dat in één en hetzelfde geding in beginsel slechts geschillen aan de orde kunnen zijn die uit één en dezelfde overeenkomst tot arbitrage voortvloeien).
Vgl. ook SANDERS (diss.), blz. 72, die meent dat dit uitzondering lijdt indien de keuze van de arbiters een integrerend bestanddeel vormt van de overeenkomst tot arbitrage (hetgeen, zoals hij stelt, vrijwel nooit het geval is).
HR 21 januari 1977 (Van Dop/Staats), NJ 1977, 287, m.nt. PZ; zulks laat onverlet dat, zoals wij zagen, het scheidsgerecht de overeenkomst tussen partijen betreffende het arbitraal geding zó uitlegt dat een eis in reconventie slechts is toegelaten als enige samenhang bestaat met de eis in conventie en/of als het arbitragereglement ziet op het type vordering dat bij wege van reconventie wordt ingesteld.
Het scheidsgerecht is slechts bevoegd tot kennisneming van een eis in reconventie indien de overeenkomst tot arbitrage (betreffende de vordering in conventie) zich daartoe uitstrekt en uit de overeenkomst tot arbitrage of een vervolgovereenkomst tussen partijen voortvloeit dat een vordering in reconventie is toegelaten.1Art. 25 lid 2 NAI Reglement vormt zo'n overeenkomst waarin partijen bepalen dat een eis in reconventie kan worden toegelaten:
’2. (...), indien daarop dezelfde arbitrageovereenkomst als die waarop de arbitrage-aanvrage is gebaseerd, van toepassing is dan wel door partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend van toepassing is verklaard."2
Indien de overeenkomst tot arbitrage, waarop de eis in conventie is gegrond, zich mede uitstrekt tot de eis in reconventie, vloeien beide uit dezelfde arbitrageovereenkomst voort en voldoen wij aan de voorwaarde dat in één arbitraal geding slechts vorderingen aan de orde kunnen komen die uit dezelfde overeenkomst tot arbitrage voortvloeien (zie 9.2.2.5).
Verdedigd wordt wel dat, indien partijen niet zijn overeengekomen dat een eis in reconventie in het arbitraal geding is toegelaten, een partij niet zomaar een eis in reconventie zal mogen instellen, óók niet als daarop een zelfde overeenkomst tot arbitrage van toepassing is:
’Immers het a.b. geeft aan, op welke wijze de partij, die een vordering door arbitrage wil doen gelden, de benoeming van arbiters moet verkrijgen. De eiser heeft die weg gevolgd en voor zijn vordering zijn dientengevolge de betreffende arbiters benoemd. Hun aldus verkregen opdracht omvat echter niet mede de tegenvordering van gedaagde (...) die, om daarvoor arbiters te verkrijgen, dezelfde weg heeft in te slaan."3
Het is de vraag of vorenstaande opvatting tegenwoordig niet erg beperkt is. Zo kan ik mij voorstellen dat een eis in reconventie ook mogelijk is als het arbitragereglement een tegeneis niet expliciet toelaat. De benoemingswijze voor beide partijen is volgens het reglement immers dezelfde en men kan zich afvragen waarom voor de eis in reconventie opnieuw een scheidsgerecht (mogelijk met dezelfde arbiters) moet worden samengesteld. Ik ben geneigd de "overeenkomst" tussen partijen in beginsel zo uit te leggen dat, als daarop dezelfde overeenkomst tot arbitrage van toepassing is, een eis in reconventie is toegelaten, ook als de overeenkomst dit niet expliciet bepaalt.4
Het is strikt genomen niet eens noodzakelijk dat aanvankelijk voor de vordering in conventie en de vordering in reconventie dezelfde overeenkomst tot arbitrage gold. De vordering in conventie en de vordering in reconventie kunnen uit verschillende rechtsbetrekkingen, elk met een eigen overeenkomst tot arbitrage, voortvloeien. Zolang beide partijen het scheidsgerecht (achteraf) ook bevoegd achten tot kennisneming van de vordering in reconventie bestaat op dit punt geen probleem.5 Zulks blijkt ook uit het zojuist aangehaalde art. 25 lid 2 NAI Reglement op grond waarvan partijen de overeenkomst tot arbitrage op de eis in reconventie alsnog van toepassing kunnen verklaren.
Ik kan mij nog wel voorstellen dat, als op de conventie en reconventie aanvankelijk niet dezelfde overeenkomst tot arbitrage van toepassing was, doch tussen partijen overeenstemming bestaat dat de vordering in reconventie in het arbitraal geding kan worden betrokken, het scheidsgerecht de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot het arbitraal geding op dit punt niettemin zo mag uitleggen dat een eis in reconventie niet kan worden toegelaten als zij geenszins "past" binnen het eenmaal aanhangig gemaakt geding (dit bijvoorbeeld omdat onvoldoende samenhang met de ingestelde vordering in conventie bestaat en/of omdat het arbitragereglement niet ziet op het type vordering dat bij wege van reconventie wordt ingesteld). Voorts merk ik op dat, voorzover een vordering in reconventie wel moet worden toegelaten, arbiters die zich daarmee niet kunnen verenigen (bijvoorbeeld wegens hun expertise), ontheffing van hun opdracht kunnen vragen (art. 1029 lid 2 Rv).
Het is zelfs mogelijk dat partijen (vooraf) overeenkomen dat een bepaald scheidsgerecht zal mogen kennisnemen van een vordering in reconventie, ook als volgens de overeenkomst tot arbitrage die "eigenlijk" op de vordering in reconventie van toepassing is een ander scheidsgerecht bevoegd was geweest.6 Ik zie dit aldus dat tussen partijen alsdan eigenlijk één overeenkomst tot arbitrage bestaat die voor beide vorderingen (conventie en reconventie) één en hetzelfde scheidsgerecht bevoegd verklaart, zij het dat de genoemde overeenkomst tot arbitrage voorwaardelijk is voorzover het de eis in reconventie betreft. Slechts als de vordering (voor het eerst) bij wege van eis in reconventie wordt ingesteld, is het scheidsgerecht bevoegd tot kennisneming daarvan.
Ik meen dat een scheidsgerecht in de vorenstaande casusposities sowieso bevoegd moet worden geacht als "de verweerder in reconventie" zich niet (tijdig) erop beroept dat het scheidsgerecht niet bevoegd is tot kennisneming van de eis in reconventie. Zulks is ten slotte ook het geval als voor de eis in reconventie helemaal geen overeenkomst tot arbitrage bestaat en de desbetreffende verweerder niet tijdig protesteert (vgl. art. 1052 lid 2 Rv). Alsdan moet ervan worden uitgegaan dat partijen alsnog (ook voor de eis in reconventie) arbitrage (voor het desbetreffende arbitraal geding) zijn overeengekomen en tussen hen alsnog overeenstemming bestaat dat de eis in reconventie is toegelaten. In de zaak Van Dop/Staats overweegt de Hoge Raad:
’dat thans nog moet worden beantwoord de vraag (...) of de tegenvordering van de gedaagde in de procedure voor de scheidsman werd omvat door de overeenkomst tot arbitrage en door de hem door pp. gegeven opdracht;
dat de HR (...) te dier zake opmerkt, dat in een geval als het onderhavige, waarin voor de overeenkomst tot arbitrage de vorm van een arbitraal beding werd gekozen, niet alleen de inhoud van dat beding van belang is, maar ook die der in het arbitrale geding gewisselde stukken, in welke het geschil door pp. nader kan zijn afgebakend; dat dit met name zo kan zijn als door de gedaagde een tegenvordering wordt ingesteld waarop de eiser zijnerzijds zonder voorbehoud ingaat, in welk geval de scheidsman mag aannemen dat hem ook de behandeling dier tegenvordering door partijen wordt opgedragen;
(…).”7
Wil de verweerder in reconventie zich erop beroepen dat het scheidsgerecht niet bevoegd is van de eis in reconventie kennis te nemen, dan zal hij dit wel tijdig moeten doen. In het algemeen zal een eis in reconventie uiterlijk in het antwoord moeten worden ingesteld (vgl. art. 25 lid 1 NAI Reglement en art. 5 lid 5ICC Rules). In het geding in reconventie moet de verweerder in reconventie als verweerder in de zin van art. 1052 lid 2 Rv worden aangemerkt. Zulks betekent dat hij zich uiterlijk in het eerstvolgende schriftelijk stuk of bij de eerstvolgende mondelinge behandeling volgend op de ingestelde eis in reconventie erop moet beroepen dat het scheidsgerecht tot kennisneming van de eis in reconventie niet bevoegd is (zie 11.4.1). Indien de verweerder betwist dat voor de eis in reconventie een overeenkomst tot arbitrage is totstandgekomen, zal het bewijs daartoe uit een geschrift als bedoeld in art. 1021 Rv moeten blijken (zie 8.2.5). Het scheidsgerecht zal zich ambtshalve onbevoegd moeten verklaren als de zaak niet voor arbitrage vatbaar is (art. 1020 lid 3 Rv jo. art. 1052 lid 2 Rv) (zie voorts 11.2.3.3).
Indien een eisende partij de zaak bij de gewone rechter aanhangig maakt en de verweerder een vordering in reconventie instelt, kan de gedaagde in reconventie (tevens eisende partij in conventie) zich bij conclusie van antwoord in reconventie op de overeenkomst tot arbitrage beroepen. De rechter zal zich onbevoegd moeten verklaren, tenzij de overeenkomst tot arbitrage ongeldig is (bijvoorbeeld als de zaak niet arbitrabel is) (art. 1052 lid 2 Rv jo. art. 1065 lid 1 (a) en lid 2 Rv) (zie voorts 12.4).
Strikte toepassing van de regels inzake onbevoegdverklaring bij een beroep op het ontbreken dan wel bestaan van een geldige arbitrageovereenkomst, kan overigens tot onbevredigende resultaten leiden. Zo is het heel wel mogelijk dat een partij een vordering in conventie aan de gewone rechter voorlegt en de wederpartij vervolgens een vordering in reconventie instelt, terwijl beide vorderingen voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding waarvoor een en dezelfde arbitrageovereenkomst geldt. Het kan dan uiterst onbevredigend zijn als de partij die de vordering in conventie bij de gewone rechter heeft ingesteld (waarvoor de verweerder in conventie zich niet op de overeenkomst tot arbitrage heeft beroepen), zich met betrekking tot de vordering in reconventie (als verweerder in reconventie) erop beroept dat de gewone rechter op grond van de overeenkomst tot arbitrage onbevoegd is van de vordering in reconventie kennis te nemen. Het beroep op de overeenkomst tot arbitrage voor de eis in reconventie kan wel degelijk gerechtvaardigd kan zijn, bijvoorbeeld als voor de beslissing terzake bepaalde expertise nodig is die niet nodig is voor de beslissing van de eis in conventie. Niettemin kan ik mij voorstellen dat, als daartoe geen redenen bestaan, een beroep op de overeenkomst tot arbitrage in reconventie in strijd komt met de eisen van redelijkheid en billijkheid (zie daartoe ook 10.4.5.4). Het vorenstaande kan zich mutatis mutandis voordoen als de vordering in conventie en de vordering in reconventie aan een scheidsgerecht worden voorgelegd.
Ten slotte zal een verstandig verweerder (in conventie) die zich (in conventie) erop beroept dat het scheidsgerecht niet bevoegd is (tot kennisneming van de eis in conventie), zijn eis in reconventie — zo hij die instelt — voorwaardelijk instellen.
Zo vermijdt hij elk risico dat uit zijn ingestelde eis in reconventie wordt afgeleid dat hij tevens aanvaardt dat het scheidsgerecht voor de eis in conventie bevoegd is.8 Overigens zal uit een expliciet beroep van de verweerder (in conventie) dat het scheidsgerecht niet bevoegd is (tot kennisneming van de eis in conventie) soms moeten worden afgeleid dat een desondanks ingestelde eis in reconventie (die op dezelfde overeenkomst is gegrond als de eis in conventie) voorwaardelijk is ingesteld. Hetzelfde mutatis mutandis voor de eis in reconventie in het geding bij de gewone rechter (zie 10.4.5.4).