Blijkens de “Akte partiële intrekking cassatie” van 10 januari 2019 is het beroep in cassatie partieel ingetrokken wat betreft de partiële vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde zoals weergegeven in genoemd arrest onder het kopje “Partiële vrijspraak feit 4“ (pagina 4).
HR, 17-03-2020, nr. 18/02102
ECLI:NL:HR:2020:441
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-03-2020
- Zaaknummer
18/02102
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:441, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑03‑2020; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1225
ECLI:NL:PHR:2019:1225, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑12‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:441
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑03‑2020
Inhoudsindicatie
Mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd, art. 273f Sr. 1. Strafmotivering: verzuim op te geven welke straf was opgelegd als redelijke termijn in appel niet was overschreden? 2. Denaturering getuigenverklaring. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 18/02101 en 18/04377.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/02102
Datum 17 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 mei 2018, nummer 20/000565-13, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2020.
Conclusie 03‑12‑2019
Inhoudsindicatie
Conclusie AG over mensenhandel (art. 273f Sr). Geen expliciete vermelding in het arrest van de mate waarin de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn heeft geleid tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. Denaturering van verklaring van een slachtoffer? De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep op de voet van art. 81 RO te verwerpen.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/02102
Zitting 3 december 2019
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 9 mei 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van het voorarrest zoals bedoeld in art. 27 (a) Sr. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen over het in beslaggenomen goed zoals omschreven in het arrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 18/02101 en 18/04377. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur en aanvullende schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.1.
4. Het eerste middel klaagt dat de strafoplegging onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof heeft verzuimd aan te geven welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden in de appelfase.
5. Het hof heeft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twee jaren, voor zover hier van belang, als volgt gemotiveerd:
“Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden volstaan met een andere of dichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij ook gelet op de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 maart 2018, niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Tevens heeft het hof acht geslagen op de rol van verdachte in het geheel. Uit het dossier volgt immers dat zijn rol in de uitbuiting van de vier vrouwen kleiner was dan die van de twee medeverdachten.
Het hof houdt voorts rekening met de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, welke bij de strafvervolging van verdachte in hoger beroep fors is geschonden. Ondanks dat door de verdediging in hoger beroep is verzocht om het horen van zich in het buitenland bevindende getuigen en die onderzoekswens aan de termijnoverschrijding heeft bijgedragen, kan die overschrijding niet geheel op het conto van de verdediging worden geschoven. Gelet hierop, zal het hof thans volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.”
6. Uitgangspunt is dat het oordeel van de feitenrechter omtrent de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Onderzocht kan alleen worden of dat oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal niet heel snel sprake zijn, nu de beoordeling hiervan sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Zie voor dit een en ander HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.
7. In dit arrest wordt evenwel ook benadrukt dat, met het oog op de door de Hoge Raad uit te oefenen controle, in geval van vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn de rechter in zijn uitspraak behoort aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd. Dit betekent dat in de uitspraak vermeld dient te worden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
8. Het hof heeft (terecht) vastgesteld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en dat de overschrijding van de redelijke termijn fors is. Daartoe heeft het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen in het buitenland bijgedragen, maar niet geheel, aldus het hof. Niet heeft het hof expliciet tot uitdrukking gebracht welke gevangenisstraf het zou hebben opgelegd ware de redelijke termijn niet overschreden en evenmin tot welke vermindering de overschrijding van de redelijke termijn heeft geleid. Het is mij niet duidelijk waarom het hof dat niet even in zoveel woorden heeft aangegeven. Maar tot cassatie leidt de klacht mijns inziens niet, nu die vermindering wel (impliciet) in de strafmotivering van het hof besloten ligt. Ik wijs daarvoor op het volgende.
9. De rechtbank achtte, evenals het hof, enkel het tenlastegelegde feit 4 bewezen en veroordeelde de verdachte voor dat feit tot een gevangenisstraf van 40 maanden (met aftrek van voorarrest). Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 april 2018 heeft de advocaat-generaal in zijn requisitoir gewezen op deze strafoplegging van de rechtbank en heeft hij met betrekking daartoe opgemerkt dat hoewel het tijdsverloop verklaarbaar is vanwege de onderzoekwensen van de verdediging, daarmee wel rekening moet worden gehouden in de strafoplegging door een strafkorting van 10 maanden toe te passen; hij vorderde dan ook een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden (met aftrek van voorarrest).
10. De overweging van het hof dat het gelet op de overschrijding van de redelijke termijn “thans (cursivering van mij, A-G) [zal] volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest”, kan mijns inziens niet anders worden begrepen dan in relatie tot die door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 40 maanden en het requisitoir van de advocaat-generaal zoals zojuist door mij weergegeven.2.Mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting heeft het hof kennelijk een gevangenisstraf van 40 maanden tot uitgangspunt genomen, maar daarvan afgezien en een lagere straf opgelegd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Aldus begrepen heeft het hof impliciet tot uitdrukking gebracht in welke mate de straf is verminderd. Dit maakt dat de motivering van het hof ter zake niet onbegrijpelijk is.
11. Ik heb mij overigens afgevraagd welk belang de steller van het middel bij deze klacht precies voor ogen staat. Het hof heeft in vergelijking met de rechtbank een veel lagere straf opgelegd, en in dat opzicht is de verdachte er genadig van afgekomen. ‘Vernietiging en terugwijzing’ op dit onderdeel zou ook kunnen meebrengen dat het hof, uitgaande van een gevangenisstraf van 40 maanden, bij nader inzien het percentage en het maximum van de vermindering toepast die worden genoemd in het hierboven aangehaalde arrest van HR 17 juni 2008 (rov. 3.6.2 A. en B.); dan leidt een eenvoudig rekensommetje tot een uitkomst die ver boven de twee jaar ligt.
12. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
13. Het tweede middel klaagt dat het hof de verklaring van getuige [betrokkene 2] heeft gedenatureerd.
14. Ten laste van de verdachte is door het hof bewezenverklaard dat:
“4.
hij in de periode van 21 april 2010 tot en met 9 juni 2011 in de gemeente Roermond en de gemeente Maasgouw en de gemeente Kerkrade en de gemeente Heerlen en te Sint Truiden, in België, en te Herzogenrath, in Duitsland,
tezamen en in vereniging met anderen,
N. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , door dwang en feitelijkheden en door misbruik van een kwetsbare positie heeft gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , en
die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] door dwang en feitelijkheden hebben gedwongen hen te bevoordelen uit de opbrengst van dier seksuele handelingen met een derde, en
die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben medegenomen naar België en/of Duitsland met het oogmerk die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in België en/of Duitsland ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, en
opzettelijk voordeel hebben getrokken uit de uitbuiting van die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ,
bestaande die dwang en die feitelijkheden hieruit dat verdachte en/of zijn mededaders
- -
die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als prostituee hebben laten werken en
- -
die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] opdracht hebben gegeven om een aantal dagen per week en/of een aantal uren per dag als prostituee te werken en
- -
ruimtes in Roermond en in Linne (gemeente Maasgouw) en in één of meer andere plaats(en) in Nederland en België en Duitsland hebben geregeld, alwaar die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hun prostitutiewerkzaamheden konden/moesten verrichten en
- -
die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] naar/van de plek waar zij zich prostitueerden hebben gebracht en
- -
het die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] meermalen niet hebben toegestaan dat zij zonder toezicht buiten kwamen en
- -
woonruimte voor die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben geregeld en
- -
hebben zorggedragen voor controle en/of toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en/of verdiensten daaruit van die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en
- -
die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hun verdiensten, althans een aanzienlijk deel daarvan, hebben laten afgeven aan verdachte en/of zijn mededaders en
- -
hebben verhinderd dat die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] uit eigen vrije wil hun prostitutiewerkzaamheden zouden kunnen beëindigen en
- -
die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in een door verdachte en/of zijn mededaders gecontroleerde situatie hebben gehouden.”
15. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering (met weglating van de voet-noten):
“Bewijsoverwegingen
[…]
Mensenhandel
Uit de aangifte van [slachtoffer] volgt dat hij, vanwege zijn relatie met prostituee [betrokkene 1] , werd gedwongen tot betaling van € 5.000 aan [medeverdachte] en dat hij, bij het uitblijven van die betaling, van zijn vrijheid is beroofd en is mishandeld. Niet alleen [slachtoffer] spreekt over het betalen van geld voor [betrokkene 1] , maar ook [betrokkene 1] zelf heeft verklaard dat [medeverdachte] tegen haar heeft gezegd dat [slachtoffer] “losgeld” voor haar moest betalen. Volgens [betrokkene 1] ging het daarbij om een bedrag van € 5.000. Verder heeft [betrokkene 1] verklaard dat [medeverdachte] tegen haar heeft gezegd dat, als [slachtoffer] niet zou betalen, hij ervoor zou zorgen dat [betrokkene 1] weg zou zijn, zou verdwijnen of dat hij [betrokkene 1] misschien wel zou doorverkopen. Naar het oordeel van het hof was [medeverdachte] derhalve doende om [betrokkene 1] letterlijk - goedschiks of kwaadschiks - aan [slachtoffer] te verkopen.
Dat [betrokkene 1] niet de enige vrouw was waarin [medeverdachte] handelde volgt onder meer uit de navolgende getapte gesprekken van 8 en 9 juni 2011 tussen [medeverdachte] en een persoon genaamd ‘ [betrokkene 5] ’.
■ Gesprek d.d. 8 juni 2011 te 23:37:44 uur:
[medeverdachte] had een afspraak met hem dat ‘zij ’ om 7 uur ‘er ’ zal zijn. [medeverdachte] vraagt wanneer zij hier zal zijn. [betrokkene 5] zegt dat ‘zij ’ er maandag zal zijn. [betrokkene 5] gaat morgen een ticket voor haar kopen. ‘Zij ’ komt in Amsterdam aan. [medeverdachte] vraagt of zij niet naar Düsseldorf kan vliegen. [medeverdachte] zegt dat het te ver is om voor haar alleen naar Amsterdam te gaan. [betrokkene 5] moet er voor zorgen dat ‘zij ’ maandag zeker ‘hier ’ zal zijn.
■ Gesprek d.d. 9 juni 2011 te 14:08:14 uur:
[betrokkene 5] heeft gisteren geen tijd gehad om een ticket te kopen. [betrokkene 5] heeft nu een ticket gekocht voor de 14de. [betrokkene 5] zal [medeverdachte] mailen hoe ‘zij ’ er nu uitziet, zodat [medeverdachte] haar zal herkennen. [medeverdachte] vraagt of ’zij ’ niet lelijk is. [betrokkene 5] zeg [t AG] nee. [medeverdachte] heeft haar immers gezien. ‘Zij ’ was degene die achter de koelkast zat. [medeverdachte] vraagt of [betrokkene 5] al foto ’s heeft gestuurd van de ‘tweede’. Dat heeft [betrokkene 5] nog niet gedaan, omdat de foto ’s vandaag gemaakt zullen worden. [betrokkene 5] zegt dat het zo goed is, een foto in een badpak. [medeverdachte] is het met hem eens. Want als er een met een “kapotte”’ buik komt, wat moet hij dan met haar? [medeverdachte] zegt als de zaken normaal zullen lopen, zal ik minimaal 3 stuks bij jou kopen. Ik heb er nu 5 stuks. Je moet niet naar ‘rechts of links springen. ’ Zolang ik ze bij jou afneem, moet je ze aan mij geven. Daarna, wanneer ik stop, mag je ze aan iedereen geven, aan Turken, aan wie je wilt. [betrokkene 5] zegt: Als je er 3 af neemt, zal ik 1500 euro per hoofd vragen.
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het volstrekt helder is dat deze twee gesprekken betrekking hebben op de aankoop van vrouwen. Op 9 juni 2011 is [medeverdachte] bovendien ook nog bezig met de verkoop van [betrokkene 1] aan [slachtoffer] , nu hij - zoals blijkt uit het navolgende gesprek telefonisch met [slachtoffer] heeft onderhandeld over de betaling van € 1.500.
■ Gesprek d.d. 9 juni 2011 te 16:53 uur:
■ [medeverdachte] wordt gebeld door [slachtoffer] . [slachtoffer] zegt dat hij niet weet hoe hij het op dit moment moet regelen, maar hij denkt niet dat dat gaat lukken. [medeverdachte] vraagt of hij het deze week niet kan regelen. [slachtoffer] zegt dat het niet gaat lukken. [medeverdachte] zegt oke en vraagt tot wanneer hij dan tijd nodig heeft. [slachtoffer] zegt dat hij dat niet weet. [slachtoffer] zegt dat hij vanavond misschien 1500 euro voor hem kan regelen en meer kan hij niet gaan regelen voor hem. Dat gaat echt niet lukken. [medeverdachte] zegt: als jij normaal doet doen wij ook normaal. Hoe lang heb je tijd nodig. Als je vandaag wat kan regelen dan is het ook goed, dan hebben wij ook een beetje. (...) [medeverdachte] zegt: ik geef je tijd genoeg tot jij hebt. (...) [slachtoffer] zegt dat hij ook geen zin heeft nog klappen te krijgen. [medeverdachte] zegt dat hij de vorige keer gewoon heel kwaad was. [medeverdachte] zegt: maar als je normaal doet waarom zou ik je slaan. (...) [slachtoffer] zegt dat als hij vanavond die 1500 euro bij elkaar heeft hij gewoon weer bij Hornbach af wil spreken (...) [medeverdachte] zegt dat het goed is. [slachtoffer] zegt dat hij ook niet alleen gaat komen, dat weet hij 100% zeker. Hij gaat echt niet meer alleen. Hij laat zich niet nog een keer op zijn gezicht vegen. (...) [medeverdachte] zegt ik geef je wel een advies, je moet die hoer beter weggooien anders krijg je nog meer problemen. [slachtoffer] heeft geen zin in problemen heeft gezegd dat dat meisje gewoon bij hem blijft en voor de rest niets (...)
[medeverdachte] heeft blijkens het reeds weergegeven tapgesprek van 9 juni 2011 te 14:08 uur vijf vrouwen en is van plan dat aantal uit te breiden. Het uiterlijk van de vrouwen is kennelijk van commercieel van belang voor hem: als de buik van de vrouw kapot is, weet [medeverdachte] niet wat hij met haar moet. Er is dan ook letterlijk sprake van mensenhandel en een vorm van uitbuiting van vrouwen. Nergens blijkt immers uit dat de desbetreffende vrouwen akkoord gingen met de transacties en/of deelden in de opbrengsten van deze handel. Uit het dossier volgt voorts dat het gaat om de aankoop van vrouwen met het oog op prostitutie. Zo is er de verklaring van [betrokkene 1] . Zij heeft tijdens haar verhoor bij de politie onder meer verklaard dat zij door haar vriendin [betrokkene 6] is gevraagd vanuit Letland mee te gaan naar Nederland om te werken. Met een ander meisje genaamd [betrokkene 7] is zij op 21 april 2010 in Nederland aangekomen en opgevangen in een woning in Roermond. In deze woning waren ook drie Russen aanwezig, te weten [medeverdachte] , [verdachte] en [betrokkene 8] (het hof begrijpt telkens: medeverdachte [medeverdachte] , verdachte [verdachte] en medeverdachte [betrokkene 8]). Na twee of drie dagen werd zij naar club [A] in Linne (gemeente Maasgouw) gebracht, alwaar werd uitgelegd dat [betrokkene 1] werkzaamheden als prostituee moest verrichten. Als [betrokkene 1] uit de club wegwilde, kwamen de drie Russen haar en de andere vrouwen ophalen. Het werk ging altijd door, ook als zij ongesteld was. De benodigde condooms, gel en sponsjes bekostigden de vrouwen zelf bij een seksshop. De drie Russen brachten de vrouwen daar naartoe. [betrokkene 1] werkte ook in sauna- en seksclubs in Roermond, Sint Truiden in België en in Herzogenrath in Duitsland voor de drie Russen. [betrokkene 1] verdiende met haar werkzaamheden € 200 à € 300 per dag. Dat geld moest zij - tegen haar wil - delen, aanvankelijk met vijf jongens, later met [medeverdachte] , [verdachte] en [betrokkene 8] , die de helft kregen. De andere vrouwen waren [betrokkene 2] en [betrokkene 4] . Ook zij deelden hun verdiensten met de jongens, volgens [betrokkene 1] .
Bij de raadsheer-commissaris heeft [betrokkene 1] deze verklaring in grote lijnen herhaald. Voorts heeft zij daar nog verklaard dat de drie mannen haar bang hadden gemaakt en dat er door alle drie de verdachten werd gedreigd. In de nacht verdiende zij met haar werkzaamheden geld. Dat geld werd door de clubeigenaar in de ochtend aan de jongens gegeven en dan kreeg zij daarvan de helft. Dat waren de voorwaarden van de drie jongens en dat werd als een feit aan haar en de andere vrouwen verteld. [betrokkene 1] is niet naar huis gegaan, omdat zij strenge controles had en te weinig geld. De jongens hebben haar en de andere vrouwen verteld dat zij nergens naartoe mochten. Er ging altijd iemand met hen mee als ze weggingen. Tevens heeft zij verklaard dat zij ook aan [verdachte] geld heeft gegeven en dat [medeverdachte] daarbij was. [betrokkene 8] was er ook een aantal maal bij aanwezig, maar soms was [verdachte] ook alleen. De andere vrouwen gaven hun geld ook aan [verdachte] . [betrokkene 1] heeft ten slotte nog verklaard dat zij geen ruzie wilde zoeken met [verdachte] , aangezien hij zich bezig hield met boksen. Zij is vooral bedreigd door [medeverdachte] en [betrokkene 8] . Hij kon goed schreeuwen als hij boos was. Bij [betrokkene 8] moest er wel iets aan de hand zijn voordat hij schreeuwde, maar [medeverdachte] kon vanuit het niets schreeuwen.
[betrokkene 1] heeft bij de politie aangegeven dat haar eigenaren drie Russische jongens waren, te weten [medeverdachte] , [betrokkene 8] en [verdachte] . Bij haar intakegesprek met de politie op 18 mei 2011 heeft [betrokkene 1] foto’s van die drie Russen aan de politie ter beschikking gesteld. Op die foto’s zijn de verdachte en de medeverdachten [betrokkene 8] en [medeverdachte] te zien.
De verklaring van [betrokkene 1] dat zij de helft van haar verdiensten moest afstaan aan de eigenaar van de club waar zij werkte en dat zij de andere helft, zijnde € 200 tot € 300 per dag, nog moest delen met de drie verdachten wordt ondersteund door het navolgende. In de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] werd op 9 juni 2011 een USB-stick aangetroffen. Deze USB-stick werd onderzocht en daarop werden onder meer foto- en tekstbestanden aangetroffen, waaronder een tekstbestand met de naam en adresgegevens van [medeverdachte] en een tweetal spreadsheets betreffende “Septembris 2010 en Oktobris 2010”. [betrokkene 1] heeft over deze spreadsheets verklaard dat het een door haar opgesteld overzicht van haar inkomsten uit de prostitutie betrof over de maanden september en oktober 2010, waarbij de eerste kolom haar inkomsten betroffen (zijnde 50% van de totale inkomsten, derhalve na aftrek van de 50% voor de club eigenaar). In de tweede kolom was het gedeelte opgenomen van dit bedrag dat zij had moeten afstaan aan derden.
In het dossier bevindt zich voorts het navolgende telefoongesprek dat werd gevoerd kort voor de aanhouding van [medeverdachte] en voor de doorzoeking in de woning [a-straat 1] te [plaats] .
■ Gesprek d.d. 9 juni 2011 te 17:13:
[medeverdachte] belt uit met NN-vrouw 1104. [medeverdachte] vraagt of daar nog iets is. NN-vrouw zegt: haar werkdagboek, zij hield dagelijks de kas bij. Het is over 2010. Verder is er nog een plaatje met alle gegevens van [medeverdachte] . [medeverdachte] scheldt en vraagt zich af hoe “zij ” er aan komt. (...) [medeverdachte] zegt dat het slecht met hem gaat.
Voorts is [medeverdachte] door de politie geobserveerd en tijdens die observatie werd waargenomen dat hij op 9 juni 2011 om 16.50 uur met twee vrouwen de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] binnen is gegaan. [medeverdachte] is vervolgens, elders in [plaats] , om 17.45 uur aangehouden. Diezelfde dag om 18.00 uur werden in voornoemde woning aan de [a-straat] [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in een van de binnenzijde afgesloten badkamer aangetroffen. In de woning werden voorts visitekaartjes van seksclubs en sauna’s in beslag genomen. Verder zijn in de woning foto’s gemaakt van aangetroffen vrouwenlingerie en een grote hoeveelheid condooms. [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben bij hun intakegesprek bij de politie verklaard dat zij in de prostitutie werkzaam waren.
Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat naast [betrokkene 1] , ook [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] aan [medeverdachte] “toebehoorden” en dat deze vrouwen voor hem werkten in de prostitutie.
Op zichzelf volgt uit het voorgaande nog niet onomstotelijk dat [medeverdachte] - samen met [betrokkene 8] en verdachte - ook financieel heeft geprofiteerd van de werkzaamheden van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Uit de verklaring van [betrokkene 1] kan weliswaar worden geconcludeerd dat [medeverdachte] , [betrokkene 8] en verdachte deze vrouwen financieel uitbuitten op dezelfde manier als bij haar het geval was, maar alleen op basis van deze enkele verklaring kan dit niet worden bewezen verklaard. Er is echter meer bewijs voorhanden. Uit de telefoongegevens van de GSM van [medeverdachte] blijkt namelijk dat er geregeld contact is met de vrouwen ‘ [betrokkene 9] ’, ‘ [betrokkene 4] ’ en ‘ [betrokkene 3] ’. Het hof gaat er daarbij vanuit dat [betrokkene 4] ‘ [betrokkene 4] ’ is en dat met ‘ [betrokkene 3] ’ [betrokkene 3] wordt bedoeld.
Immers, [betrokkene 1] heeft met betrekking tot de kleine [betrokkene 4] verklaard dat haar volledige naam [betrokkene 4] is, afgekort [betrokkene 4] , en dat haar bijnaam [betrokkene 4] is. Iets verderop in diezelfde verklaring heeft [betrokkene 1] de vraag wie het meisje is dat in de club in Duitsland zit en de hulp van de politie kan gebruiken, beantwoord met: “De kleine [betrokkene 4] , [betrokkene 4] , dus oftewel [betrokkene 4] .” Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , dat volgens [betrokkene 1] het nummer van [betrokkene 4] is, is het nummer waarvan de hierna vermelde sms-berichten van ‘ [betrokkene 4] ’ afkomstig zijn.
[betrokkene 1] heeft [betrokkene 3] (net als [betrokkene 4] en [betrokkene 2] ) herkend van een aan haar getoonde pasfoto, maar zij kent haar achternaam niet. In haar verklaring noemt [betrokkene 1] ook een grote [betrokkene 3] , afgekort [betrokkene 3] , geen bijnaam, met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Van dit nummer zijn de hierna vermelde sms-berichten van ‘ [betrokkene 3] ’ afkomstig.
[medeverdachte] heeft van deze drie vrouwen - ‘ [betrokkene 9] ’, ‘ [betrokkene 4] ’ en ‘ [betrokkene 3] ’ - bij herhaling sms- berichten ontvangen:
■ 23 mei 2011 (sms 6 van [telefoonnummer 1] [betrokkene 4] ) te 00.10 uur:
[medeverdachte] als ik vandaag een goede dag heb op het werk. Zal het mogelijk zijn om het geld morgen naar huis op te sturen?
■ 28 mei 2011 (sms 6 van [telefoonnummer 3] [betrokkene 9] ) te 20.04 uur:
(...) Hoe gaat het? Bij ons zijn gangetje, [betrokkene 3] 200, ik 150
■ 28 mei 2011 (sms 2 van [telefoonnummer 3] [betrokkene 9] ) te 20:09 uur:
We doen elke dag ons best
■ 29 mei 2011 (sms 3 van [telefoonnummer 1] [betrokkene 4] ) te 12.06 uur:
Normaal. Alleen gisteren was er niemand
■ 29 mei 2011 (sms 4 van [telefoonnummer 3] [betrokkene 9] ) te 22.34 uur:
[betrokkene 3] is naar de kamer, ik 110, zij heeft 3 kamer
■ 30 mei 2011 (sms 3 van [telefoonnummer 1] [betrokkene 4] ) te 16:44 uur:
(...) [medeverdachte] er is een probleem in de bar. Er is geen licht. En [betrokkene 10] zegt dat zij hem dicht gooit. En dat hier blijven niet kan!
■ 31 mei 2011 (sms 2 van [telefoonnummer 2] [betrokkene 3] ) te 10.09 uur:
Goedemorgen! Mogen we ALSJEBLIEFT vandaag vrij nemen. Het is toch slecht weer ik denk dat er geen mens komt
■ 1 juni 2011 (sms 3 van 06-26891250 [betrokkene 9] ) te 13:00 uur:
Goedemorgen! Gaan we vandaag naar het werk? Hoe laat kom je?
■ 2juni 2011 (sms 2 van [telefoonnummer 1] [betrokkene 4] ) te 17.11 uur:
Voorlopig 50 de rest bij [betrokkene 11] ! ...
■ 2 juni 2011 (sms 4 van [telefoonnummer 1] [betrokkene 4] ) te 17.27 uur:
[medeverdachte] ik heb slechts 50;
■ 2 juni 2011 (sms 4 van [telefoonnummer 1] [betrokkene 4] ) te 17.41 uur:
Nee, gewoon, [betrokkene 8] zei gisteren tegen de meisjes dat wat zij bij [betrokkene 11] verdienen, ze zelf houden! Ik informeer of het bij jou ook zo is of niet!
■ 3 juni 2011 (sms 5 van [telefoonnummer 3] [betrokkene 9] ) te 17:42 uur:
(...) Ik heb 3 kamers, [betrokkene 3] 2. Hoe gaat het met je?
■ 3 juni 2011 (sms 6 van [telefoonnummer 3] [betrokkene 9] ) te 17:47 uur:
Kom je ons vanavond ophalen?
■ 3 juni 2011 (sms 3 van [telefoonnummer 3] [betrokkene 9] ) te 22.07 uur:
Ok, alles is normaal. Ik heb 350, [betrokkene 3] 220;
■ 3 juni 2011 (sms 6 van [telefoonnummer 3] [betrokkene 9] ) te 23.29 uur:
Ik heb 350, [betrokkene 3] 270
■ 4 juni 2011 (sms 2 van [telefoonnummer 3] [betrokkene 9] ) te 21.35 uur:
Bij ons zijn gangetje. Ik heb 250 [betrokkene 3] 200. Het is druk maar je moet 40 minuten 1 uur op een kamer wachten. Schrijf straks hoe alles is gegaan, ok?
■ 4 juni 2011 (sms 4 van [telefoonnummer 2] [betrokkene 3] ) 23.12 uur:
Ik heb 300. [betrokkene 9] heb ik lang niet gezien.
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de inhoud van deze sms-berichten, in het licht bezien van hetgeen in de [a-straat] in [plaats] is aangetroffen, voor zichzelf spreekt: in deze berichten worden verdiensten in euro’s uit de prostitutie vermeld. Het gaat over door de vrouwen verdiend geld, over kamers en over klanten. Kennelijk worden de verdiensten tot in de late avonduren vergaard en het mag als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat dit uren zijn waarop seksclubs open zijn. Verder wordt in deze berichten aan [medeverdachte] gevraagd of de vrouwen vrij mogen nemen, verdiensten zelf mogen behouden of mogen besteden. De bedragen die in de sms-berichten worden vermeld, zijn vergelijkbaar met de bedragen die [betrokkene 1] zegt te hebben verdiend per dag: haar verklaring, bezien in samenhang met deze berichtjes, de uitlatingen van [medeverdachte] in de tapgesprekken met ‘ [betrokkene 5] ’ en de wijze van aantreffen van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in de woning aan de [a-straat] in [plaats] , brengen ook het hof tot de conclusie dat [medeverdachte] de vier vrouwen - [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] - heeft gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting door misbruik van hun kwetsbare positie en dat hij van deze vier vrouwen een deel kreeg van het geld dat zij als prostituee verdienden.
Dit valt ook rechtstreeks op te maken uit de vraag van ‘ [betrokkene 4] ’ op 2 juni 2011 : zij heeft het in haar sms over de meisjes die, volgens [betrokkene 8] (het hof begrijpt: [betrokkene 8]), bij [betrokkene 11] hun-verdiensten zelf mogen houden en zij wil kennelijk van [medeverdachte] weten of de meisjes ook bij hem hun verdiensten zelf mogen houden of juist niet.
Bovendien valt niet in te zien, waarom deze vrouwen anders vrijwel dagelijks aan [medeverdachte] meldden wat zij verdiend hadden en die door hen verdiende bedragen kennelijk aan hem verantwoorden. Zo sms’t ‘ [betrokkene 4] ’: “[medeverdachte] , ik heb slechts 50” en legt [betrokkene 9] op 4 juni 2011 uit dat het druk is, maar dat ze lang moeten wachten op een kamer en dat ze straks schrijft “hoe alles is gegaan ”, waarna ze aan [medeverdachte] vraagt of hij dat “ok ” vindt. Hieruit blijkt dat de vrouwen zich verplicht voelden [medeverdachte] te waarschuwen voor tegenvallende inkomsten. Het vragen om toestemming om geld naar huis te mogen sturen, duidt eveneens op het afleggen van verantwoording. [medeverdachte] ontving dus geld van de vrouwen en had een vergaande controle/zeggenschap over de verdiensten.
Het hof is van oordeel dat sprake is geweest van dwang en van feitelijkheden in de vorm van ontoelaatbare controle over de vrouwen, zodanig dat gezegd kan worden dat zij hun verdiensten gedwongen moesten afstaan en gedwongen werkten voor zowel [medeverdachte] als [betrokkene 8] en verdachte.
Niet alleen moesten de vrouwen vergaande verantwoording afleggen over het geld dat zij verdienden, hetgeen het hof als een vorm van dwang aanmerkt, maar [medeverdachte] besliste ook over het gaan en staan van de vrouwen, over hun vrijheid derhalve. ‘ [betrokkene 3] ’ vraagt op 31 mei 2011 of ze “alsjeblieft vandaag vrij mogen nemen”. In het licht van de verklaring van [betrokkene 1] dat het werk altijd, zeven dagen per week, doorging, past het dat de vrouwen aan [medeverdachte] groen licht moesten vragen om een keer niet te hoeven werken. Dit is echter niet het enige voorbeeld van een onaanvaardbare, vergaande greep van [medeverdachte] op de vrijheid van de vrouwen. Dit blijkt tevens uit de navolgende sms-berichten en tapgesprekken:
■ 3 juni 2011 (sms 1 van [telefoonnummer 1] [betrokkene 4] ):
[medeverdachte] we hebben alles opgeruimd. Mogen we snel naar de winkel?
■ 7 juni 2011 (sms 5 van [telefoonnummer 2] [betrokkene 3] ):
Mag ik naar de apotheek een pleister kopen?
■ 9 juni 2011 (sms 2 van [telefoonnummer 2] [betrokkene 3] ):
Mag ik met [betrokkene 12] naar de kapper
■ Gesprek d.d. 9 juni 2011 te 15:09 uur:
[medeverdachte] belt uit naar nn-vrouw 1104. NN-vrouw zegt dat ze bij de apotheek bij Action zijn. Daarna gaan ze naar de kapper en dan naar de winkel. Ze zijn nu met z 'n tweeën, NN-vrouw en [betrokkene 3] . [medeverdachte] vraagt waar [betrokkene 4] is. [betrokkene 4] ligt op de bank, zegt NN-vrouw. [medeverdachte] zal zo komen maar hij kan niets kopen, want hij is nu niet alleen. (...) [medeverdachte] zegt: ‘Jullie mogen niet gezien worden.’
■ Gesprek d.d. 9 juni 2011 te 16:14 uur:
[medeverdachte] wordt gebeld door NN-vrouw 1104. [medeverdachte] vraagt waar ze zijn. Ze zijn om de hoek van het cafeetje waar ze altijd eten. [medeverdachte] wil weten waarom NN-vrouw zo gek als een deur is. [medeverdachte] zou naar de kapper komen. NN-vrouw had hem moeten bellen en zeggen dat ze daar zijn weggegaan. [medeverdachte] had immers geen beltegoed. NN-vrouw zegt dat ze bij een andere kapper zijn. NN-vrouw had het tegen [medeverdachte] - moeten zeggen. NN-vrouw zegt sorry.
Het hof constateert dat de vrouwen in deze berichten en gesprekken voor volkomen dagelijkse en bijna futiele dingen verantwoording afleggen en toestemming vragen aan [medeverdachte] . Hij wil weten waar ze zijn en wordt vervolgens boos, als de vrouw niet bij de kapper blijkt te zijn, maar elders, en [medeverdachte] kennelijk niet weet waar zij en de andere vrouw(en) zijn. Ze krijgen daarbij op 9 juni 2011 te 15:09 uur telefonisch de opdracht ervoor te zorgen dat ze niet gezien worden. Dit telefoongesprek vindt plaats tussen [medeverdachte] en een vrouw met telefoonnummer [telefoonnummer 4] , een nummer dat in gebruik is bij [betrokkene 2] . Dat de vrouwen deze boodschap serieus hebben genomen blijkt reeds uit het feit dat [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] later die dag in de woning aan de [a-straat 1] worden aangetroffen in een van de binnenzijde afgesloten badkamer. Kortom: [medeverdachte] controleert de vrouwen en houdt toezicht op het gaan en staan van de vrouwen. Dit geeft [betrokkene 1] ook aan. Zij heeft verklaard dat [medeverdachte] hoofdzakelijk de beslissingen nam en er altijd was: “ [medeverdachte] sliep bij ons, ging met ons naar de winkel, dus hij was er altijd.”
Ook is er voortdurend toezicht op de vrouwen in de vorm van het halen en brengen naar de clubs. [betrokkene 1] heeft hierover verklaard dat zij en de andere vrouwen altijd door [medeverdachte] , [betrokkene 8] en verdachte van de woning naar de clubs en omgekeerd werden gebracht. Ook hier is voldoende steunbewijs voorhanden. Met [betrokkene 1] is namelijk in haar intakegesprek en haar politieverhoor gesproken over een woning aan de [b-straat 1] in [plaats] . De buurman van die woning, de getuige [betrokkene 13] , heeft verklaard dat hij begin 2010 nieuwe buren kreeg. Twee jonge dames die uit Oost-Europa afkomstig waren en die altijd in het gezelschap waren van drie Oost-Europese jongens. Vrijwel dagelijks gingen de meisjes rond 15.00 uur weg in gezelschap van de drie jongens. De meisjes waren nooit alleen. Tussen 22.00 en 23.00 uur kwamen de meisjes weer thuis, altijd in gezelschap van de drie jongens. Eén van de jongens voerde altijd het woord. De meisjes zelf kwamen niet aan de voordeur en deden geen boodschappen; dat werd door de jongens gedaan. Als de meisjes en de jongens ‘s middags vertrokken, dan werd eerst één van de auto’s gehaald en voorgereden. Daarna kwamen de meisjes onder begeleiding van één van de jongens naar buiten, stapten ze in de auto en reden ze weg. Als men ’s avonds thuiskwam, dan werden de meisjes met de auto voor de deur afgezet en gingen ze onder begeleiding van één van de jongens de woning binnen. In het voorjaar van 2011 heeft [betrokkene 13] deze jongens en meisjes voor het laatst gezien.
Op foto’s heeft [betrokkene 13] verdachte, [medeverdachte] en [betrokkene 8] herkend als de drie jongens over wie hij heeft verklaard. [medeverdachte] is volgens [betrokkene 13] degene die altijd met de meisjes meeliep als de auto werd opgehaald en voor de deur werd geplaatst. [medeverdachte] verliet dan met de meisjes de woning en stapte vervolgens in de auto. [betrokkene 8] is door [betrokkene 13] aangeduid als de bestuurder van de auto’s waarmee de meisjes werden opgehaald. Verdachte werd door [betrokkene 13] “de bokser” genoemd en volgens [betrokkene 13] was hij er ook altijd bij. Uit deze verklaring, in samenhang bezien met de sms-berichten en de tapgesprekken, blijkt derhalve dat de vrouwen vergaand onvrij waren.
Alles bijeengenomen is er dan ook sprake geweest van een ernstige beperking van de vrijheid van de vrouwen, zodanig dat voor het hof vast staat dat zij gedwongen hebben gewerkt voor [medeverdachte] , [betrokkene 8] en verdachte en dat zij ook gedwongen werden om hun verdiensten aan hen af te staan en te verantwoorden.
Met de rechtbank hecht het hof geen geloof aan de uitlatingen die [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben gedaan tegenover de politie als zij, na hun ontdekking in het pand aan de [a-straat] , zeggen geen slachtoffer te zijn van mensenhandel. De zojuist weergegeven feiten en omstandigheden zijn met die uitlatingen in een te grote tegenspraak en voorts zijn deze tegenstrijdig met de later door [betrokkene 4] en [betrokkene 2] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen. Het hof hecht wel geloof aan deze latere verklaringen.
Uit de door [betrokkene 4] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring volgt dat zij op 9 juni 2011 door de politie is aangetroffen in de woning waar zij samen met [betrokkene 2] woonde. [betrokkene 3] kwam ook wel eens op bezoek en bleef af en toe in de woning slapen. [betrokkene 4] is in november 2010 naar Nederland gekomen om hier te werken. Zij is vanuit Letland naar het vliegveld in Düsseldorf gevlogen, alwaar [betrokkene 8] (het hof begrijpt, gelet op de haar getoonde foto: [betrokkene 8] ) haar heeft opgehaald en haar naar een appartement in [plaats] heeft gebracht. [medeverdachte] en [verdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] en verdachte [verdachte] ) waren bij aankomst ook in het appartement aanwezig en zij vertelden [betrokkene 4] dat ze verkocht was. Het geld, een bedrag van € 5.000, moest zij terugbetalen. Diezelfde avond is besproken welke werkzaamheden in de prostitutie zij moest doen en [betrokkene 2] gaf haar een training. [betrokkene 4] wilde gelijk naar huis toe, maar haar werd verteld dat ze nergens naartoe zou kunnen totdat zij het geld waarvoor ze verkocht was had terugbetaald. Het geld wat zij en de andere vrouwen op een dag verdiend hadden, moesten ze aan [betrokkene 8] , [verdachte] en [medeverdachte] geven. De mannen kwamen met de auto naar de club en haalden de vrouwen op en zij, de vrouwen, gaven vervolgens het geld aan hen af. Soms kwamen zij met z’n tweeën: [betrokkene 8] en [medeverdachte] of [betrokkene 8] en [verdachte] of [medeverdachte] en [verdachte] . Heel soms kwam [verdachte] alleen. De club waar [betrokkene 4] heeft gewerkt lag in Roermond en heette [B] (het hof begrijpt: [B] ). Zij heeft daar 5 à 6 maanden gewerkt. Zij heeft ook gewerkt in de [C] in Herzogenrath te Duitsland, samen met [betrokkene 1] , die zij bij [B] voor het eerst had ontmoet. [betrokkene 4] heeft ook nog verklaard dat [medeverdachte] haar altijd ‘ [betrokkene 4] ’ noemde. Bij de politie heeft [betrokkene 4] niet geheel naar waarheid verklaard, omdat [betrokkene 8] haar had gezegd te zwijgen.
[betrokkene 2] is ook door de raadsheer-commissaris gehoord en zij heeft toen het volgende verklaard. Zij heeft gedurende ongeveer één jaar gewerkt in [B] , een intieme club in Roermond. Zij had niet eerder in de prostitutie gewerkt en heeft het werk gedwongen gedaan. Zij moest de voor haar betaalde reis terugbetalen. De helft van het door haar verdiende geld moest zij afstaan. Zij werd gedwongen om het geld terug te geven. Als zij dat niet deed, kon ze niet terug naar huis. Zij woonde samen met [betrokkene 4] . De vrouwen werden door [betrokkene 8] naar het werk gebracht en werden ook weer naar huis gebracht. Direct na het werk, gaven ze gelijk de helft van het geld aan [betrokkene 8] . De anderen, [medeverdachte] en [verdachte] , wisten dat ze geld moesten afdragen aan [betrokkene 8] . Iedereen moest de helft afgeven. [betrokkene 8] gaf meestal orders en [medeverdachte] hielp hem.
Medeplegen
Uit het vorenstaande blijkt dat [medeverdachte] een grote rol in het geheel heeft gehad. Naar het oordeel van het hof kan ook worden vastgesteld dat [betrokkene 8] en verdachte nauw betrokken waren bij de activiteiten van [medeverdachte] . Dit volgt niet alleen uit de verklaringen van [betrokkene 1] , maar ook diverse zich in het dossier bevindende tapgesprekken duiden op een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] , [betrokkene 8] en verdachte.
■ Gesprek d.d. 8 juni 2011 te 21:13 uur:
[medeverdachte] belt uit naar [betrokkene 9] . [medeverdachte] zegt dat hij het heeft gevonden, een hotel waar een ober marihuana op een dienblad brengt. [medeverdachte] verwacht van [betrokkene 9] een erotische massage gratis. [medeverdachte] zegt: “wie gaat jullie anders naar het werk brengen? ” [betrokkene 9] zegt dat [betrokkene 8] het dan gaat doen. [medeverdachte] zeg dat [betrokkene 8] en [verdachte] nog duurder zijn.
■ Gesprek d.d. 8 juni 2011 (uitgaand gesprek naar [telefoonnummer 2] ):
[medeverdachte] belt uit met NN-vrouw. [medeverdachte] en [verdachte] komen er zo aan. NN-vrouw moet naar buiten komen en tabletten bij hen ophalen. Zij moet geld meenemen voor [verdachte] . Het zijn twee tabletten die meteen ingenomen moeten worden. Zij krijgt wat gerommel in de buik en zal zich vandaag beroerd voelen. Zij mag geen alcohol vandaag drinken. Het zijn sterke tabletten. Zij kan beter gaan slapen. [verdachte] vertelt op de achtergrond hoe NN-vrouw de tabletten moet innemen. Zij moet ze 2 keer per dag innemen. NN-vrouw moet voorzichtig zijn omdat het heel sterke tabletten zijn. Het is geen grap. Zij moet geld meenemen en aan ‘hem’ geven. Hij zei 50 euro. NN-vrouw vindt dat ze haar belazeren. [medeverdachte] zegt van niet. Het zijn immers 3 tabletten. NN-vrouw vraagt of zij niet eraan doodgaat. [medeverdachte] zegt dat het hem om het even is of zij wel of niet doodgaat. [medeverdachte] lacht. [verdachte] zegt via [medeverdachte] dat als NN-vrouw hem niet gelooft, dat zij dan mee moet gaan naar de apotheek en ze daar moet kopen. Dan krijgt zij ze nu niet. NN-vrouw zegt dat zij ze wel gelooft. [verdachte] zegt via [medeverdachte] dat hij voor de tabletten 50 euro van NN-vrouw krijgt en dat ze hem ook moet pijpen. NN-vrouw vraagt of ze het van de apotheek te horen hebben gekregen. Volgens [medeverdachte] slaan de tabletten dan beter aan. Ze moeten lachen. [medeverdachte] en [verdachte] zijn er over 5 minuten. NN-vrouw moet zich aankleden en naar de Action lopen. [medeverdachte] zegt dat als ‘zij ’ honger hebben, dat ‘ze ’ dan naar het pompstation moeten lopen, ‘ze' hebben geld als het goed is. Of NN-vrouw moet zelf er naartoe gaan.
Ten aanzien van dit laatste gesprek overweegt het hof nog dat de omstandigheid dat er tijdens het gesprek een grap wordt gemaakt, althans dat er wordt gelachen, niet wegneemt dat de vrouw in kwestie - gelet op het telefoonnummer: [betrokkene 3] — van hen bepaalde sterke tabletten moet innemen en daarvoor ook geld moet betalen. Het gesprek levert een sterke aanwijzing op dat het hier om een overtijdbehandeling gaat. [betrokkene 3] geeft later op 8 juni 2011 aan dat zij niet werkt, omdat ze een crisis heeft. Het hele gesprek ademt in elk geval uit dat de vrouw zich in een ondergeschikte positie bevindt ten opzichte van [medeverdachte] en verdachte.
Op 25 mei 2011 heeft [betrokkene 8] aan [medeverdachte] een sms gestuurd met de vraag of [medeverdachte] “ze al naar de club heeft gebracht.” Dit halen en brengen komt ook naar voren uit de inhoud van de verklaringen van [betrokkene 1] en de getuige [betrokkene 13] , zoals hiervoor reeds overwogen.
Uit deze verklaringen en telefoongegevens kan dan ook worden opgemaakt dat [betrokkene 8] en verdachte betrokken waren bij het brengen van vrouwen naar de clubs, er kennelijk van op de hoogte waren dat er verdiensten werden afgestaan en dat zij zelf ook geld ontvingen; [betrokkene 8] en verdachte zijn immers duurder dan [medeverdachte] .
Het bestaan van een nauwe relatie tussen [betrokkene 8] en [medeverdachte] blijkt verder uit de inhoud van een gesprek dat door hen is gevoerd op 9 juni 2011, kort nadat [medeverdachte] de woning aan de [a-straat] in [plaats] is binnengegaan:
■ Gesprek d.d. 9 juni 2011, te 16:56 uur:
[medeverdachte] belt uit met [betrokkene 8] . [medeverdachte] vraagt waar hij is. [betrokkene 8] is in [plaats] . [medeverdachte] zegt dat hij zo meteen met die Joegoslaaf gaat praten. [medeverdachte] zegt dat ‘shit ’ is gebeurd. ‘Die klootzak wil ons volgens mij bij de politie verklikken, ’ zegt [medeverdachte] . [medeverdachte] is nu bij ‘villeboedka’ (fonetisch). ‘Hij’ komt zo naar Kruidvat, bij Jan Linders. [medeverdachte] gaat met ‘hem ’praten. [medeverdachte] zegt dat [betrokkene 8] beter thuis kan blijven. Want misschien wordt hij in de gaten gehouden. [medeverdachte] zegt dat er vandaag de politie ‘daar ’ is geweest. Bij het huis van [slachtoffer] . [betrokkene 8] wil ook komen. [betrokkene 8] moet het zelf weten maar ‘hij’ zegt dat het beter is als niet iedereen komt. [medeverdachte] zegt: ‘ [betrokkene 8] , stel dat er shit gebeurt. Jij hebt thuis iets liggen. Daarom kun je er beter blijven. ’ [medeverdachte] zal [betrokkene 8] bellen als hij klaar is. Dan kan [betrokkene 8] komen.
[medeverdachte] spreekt over “ons” verklikken en dat [betrokkene 8] iets thuis heeft liggen. Ook acht hij het raadzaam dat “niet iedereen” komt. Voor [betrokkene 8] is kennelijk meteen duidelijk waar dit gesprek precies betrekking op heeft en hij geeft aan te willen komen. Voor het hof volgt daaruit dat afstemming plaatsvindt en dat beide betrokkenen nauw met elkaar samenwerken.
Ten slotte volgt uit het dossier dat ‘ [betrokkene 4] ’ een mededeling van [betrokkene 8] aangaande de verdiensten aan [medeverdachte] voorhoudt in haar hiervoor reeds genoemde sms van 2 juni 2011.
Met dit alles staat het voor het hof in voldoende mate vast dat er gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] , [betrokkene 8] en verdachte, zodanig dat bewezen kan worden geacht dat [betrokkene 8] en verdachte, overeenkomstig de verklaring van [betrokkene 1] , als medeplegers van de uitbuiting kunnen worden aangemerkt en derhalve ook deelden in de verdiensten van de vrouwen.
Conclusie
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, tezamen en in vereniging met de medeverdachten [medeverdachte] en [betrokkene 8] , schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de mensenhandel van vier vrouwen.”
16. De steller van het middel doelt op de verklaring, die getuige [betrokkene 2] door middel van videoconference heeft afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris op 17 december 2014. Voor zover hier van belang, houdt deze verklaring in:
“Op vragen van de raadsheer-commissaris
[…]
U vraagt of de reis door anderen is betaald. Anderen hebben de reis betaald. De man en de vrouw die de reis hebben geregeld hebben de reis betaald. U vraagt of er afspraken zijn gemaakt voor het terugbetalen van de reis. Er zijn geen afspraken over gemaakt. U vraagt mij of ik de reis moest terugbetalen. Ja, ik moest de reis terugbetalen. Alles wat is voorgeschoten voor de reis moest terugbetaald worden. De eerste dag dat ik [in AG] Nederland ben gekomen ben ik naar een hotel gegaan. Ik ben vanuit het vliegveld opgehaald met een auto en naar het hotel gebracht. Ik heb het niet zelf gekozen. De man en de vrouw die mijn ticket hadden geregeld hebben mij naar het hotel gebracht.
[…]
Ik heb het werk gedwongen gedaan. Ik werd gedwongen om het geld terug te geven. Als ik dat niet deed, dan kon ik niet terug naar huis. Ik werd gedwongen door een jonge man. Die jonge man had ook de reis betaald. U vraagt mij of ik enig idee heb hoe die persoon heet. Ik weet de naam niet. Hij was ongeveer 1.75 meter. Hij had licht bruin haar. Ik denk dat hij rond de 34, 35 jaar was. Hij had een tatoeage. Hij had kort haar. Hij noemde zich [betrokkene 14] .
[…]
U vraagt mij wat ik met het geld deed. Ik stuurde mijn geld naar huis via de Western Union Bank. Van het verdiende geld moest ik de helft aan [betrokkene 14] afstaan. Ik hoefde geen geld af te staan aan andere mensen.
[…]
U vraagt mij hoe ik op mijn werk kwam. Ik ging met de auto. Iemand anders bracht ons. We werden door [betrokkene 8] gebracht. In de ochtend werden we allemaal opgehaald. We werkten tot 20.00 uur in de avond. Toen werden we naar huis gebracht. In de club zijn we bevriend geraakt met [betrokkene 8] , [medeverdachte] en [verdachte] . We betaalden alles contant. We gaven gelijk de helft van het geld aan [betrokkene 8] toen we klaar waren met het werk. We betaalden geld aan dezelfde persoon. [betrokkene 14] was de eerste persoon waarvoor ik werkte en waaraan ik de helft van het geld betaalden. [betrokkene 8] was de derde persoon waar ik mijn geld aan afstond, [betrokkene 5] zat daar nog tussen. Na ongeveer drie maanden is het gewisseld. U vraagt mij of alleen [betrokkene 14] mij gedwongen heeft om te werken of dat [betrokkene 8] mij ook heeft gedwongen. Alleen [betrokkene 14] heeft me gedwongen. Ik moest namelijk het geld teruggeven.
[…]
U vraagt mij of ik van [betrokkene 8] de achternaam weet. Dat is [betrokkene 8] . De achternaam van [medeverdachte] is [medeverdachte] . U vraagt mij of de naam [verdachte] mij iets zegt. Ja, zijn achternaam is [verdachte] . Hij is bezig met boksen. Ik ken deze drie personen. U vraagt mij of ik contact heb gehad met deze personen tijdens het prostitutiewerk in Nederland. Ja, daar heb ik contact mee gehad. [betrokkene 8] bracht ons en ontving ons geld. U vraagt mij waar het contact uit bestond met [medeverdachte] en [verdachte] . [medeverdachte] en [verdachte] ontvingen geen geld. Ik heb ze ontmoet in de club. [medeverdachte] en [verdachte] waren in de club als cliënt. Ja, ze waren cliënten van [betrokkene 6] en mij.
[…]
We gaven de helft van het geld aan [betrokkene 8] . De anderen, [medeverdachte] en [verdachte] , wisten dat we geld moesten afdragen aan [betrokkene 8] . We waren alleen als we het geld aan [betrokkene 8] gaven. Op een avond heeft [medeverdachte] en [betrokkene 8] ons samen naar huis gebracht. Toen heeft [medeverdachte] gezien dat ik het geld afgaf. U vraagt mij of [betrokkene 6] ook geld af moest dragen. Ja, iedereen gaf geld. Die moest ook de helft afgeven. [verdachte] was er nooit bij. Ik denk dat [verdachte] het weet omdat ze met elkaar omgingen. Ik weet alleen dat [verdachte] ervan op de hoogte was. [verdachte] was nooit echt betrokken. Ik weet niet zeker of [verdachte] op de hoogte was […].”
17. Als uitgangspunt voor de beoordeling van het middel geldt dat de rechter vrij is in de selectie van het bewijsmateriaal waarop hij de bewezenverklaring baseert.3.Gelet op deze vrijheid mag de rechter datgene terzijde stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht en mag hij een gedeelte van de (in een proces-verbaal vervatte) verklaring tot het bewijs bezigen en het andere gedeelte ter zijde stellen.4.De vrijheid van de rechter tot een dergelijke splitsing vindt haar begrenzing in het verbod tot denatureren van de verklaring. Dit laatste doet zich voor wanneer het wél tot het bewijs gebezigde onderdeel van een verklaring een wezenlijk andere betekenis krijgt dan degene die de verklaring aflegde aan dat tot het bewijs gebezigde onderdeel van zijn verklaring (blijkens de onderliggende bron) kennelijk heeft bedoeld te geven.5.
18. Volgens de steller van het middel zou de door het hof weergegeven verklaring van [betrokkene 2] voor zover deze inhoudt “en heeft het werk gedwongen gedaan. Zij moest de voor haar betaalde reis terugbetalen. De helft van het door haar verdiende geld moest zij afstaan. Zij werd gedwongen om het geld terug te geven. Als zij dat niet deed, kon ze niet terug naar huis” zijn gedenatureerd en ten onrechte in voor de verdachte belastende zin zijn gebruikt. De steller van het middel voert daarvoor aan, dat uit de verklaring van [betrokkene 2] bij de raadsheer-commissaris blijkt dat zij in eerste instantie voor een persoon genaamd [betrokkene 14] werkte (en dus niet voor de verdachte of voor de medeverdachte) en door [betrokkene 14] werd gedwongen om in de prostitutie te werken, dat zij de reis aan hem moest terugbetalen, dat zij pas later voor medeverdachte [betrokkene 8] is gaan werken en dat zij, volgens haar verklaring bij de raadsheer-commissaris afgelegd, door hem niet is gedwongen tot het doen van prostitutiewerkzaamheden.
19. De getuigenverklaring van [betrokkene 2] bij de raadsheer-commissaris houdt onder meer in dat zij de reis moest terugbetalen aan een man die zich [betrokkene 14] noemde en dat zij, nadat zij in Nederland was aangekomen, eerst voor hem heeft gewerkt. Van denatureren van de verklaring van [betrokkene 2] is op dit punt geen sprake. Hoewel uit de overweging van het hof zou kunnen worden opgemaakt dat [betrokkene 2] dit bedrag diende terug te betalen aan medeverdachte [betrokkene 8] , maakt dit de bewezenverklaring niet anders. Bewezenverklaard is immers dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde mensenhandel.
20. Dit geldt eveneens voor het gebruik van zowel het gedeelte van de verklaring van [betrokkene 2] dat zij werd gedwongen om prostitutiewerkzaamheden te verrichten, als het gedeelte van haar verklaring dat “de anderen, [medeverdachte] en [verdachte] , wisten dat ze geld moesten afdragen aan [betrokkene 8]”. Hoewel op dit punt de getuigenverklaring van [betrokkene 2] wisselend van inhoud lijkt te zijn, was, mede gelet op hetgeen onder randnummer 17 is vooropgesteld, het hof vrij de verklaring van [betrokkene 2] tot het bewijs te bezigen met weglating van de onderdelen, die door het hof ongeloofwaardig, onaannemelijk of anderszins onbruikbaar worden geacht. Zo heeft het hof ook met betrekking tot een eerder door getuige [betrokkene 2] afgelegde verklaring, onder meer inhoudende dat zij geen slachtoffer van mensenhandel is geweest, overwogen aan die verklaring geen waarde te hechten gelet op de door het hof weergegeven feiten en omstandigheden (zoals de wijze waarop zij op 9 juni 2011 is aangetroffen in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] ) en de inhoud van de verklaringen van [betrokkene 1] .
21. Kennelijk heeft het hof wél geloofwaardig geacht de verklaring van [betrokkene 2] voor zover daarin gezegd wordt dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] wisten dat de vrouwen geld moesten afstaan aan medeverdachte [betrokkene 8] . Deze passage is nagenoeg letterlijk uit de tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 2] overgenomen. Door het hof is aldus geen wezenlijke andere strekking gegeven dan [betrokkene 2] daaraan kennelijk bedoeld heeft te geven.
22. Maar ook als sprake zou zijn van denaturering in de door de steller van het middel bedoelde zin (quod non) en de gewraakte onderdelen uit de bewijsvoering worden geschrapt, blijft te dezen nog voldoende aan bewijsmateriaal over. Ik wijs op de verklaringen van de andere vrouwen (met name [betrokkene 4] ) en de verklaring van de getuige [betrokkene 13] . Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat de bewezenverklaring op dit onderdeel enkel is gebaseerd op de verklaring van [betrokkene 2] , berust zijn betoog op een verkeerde lezing van het arrest.
23. De middelen falen en kunnen, lijkt mij, beide worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑12‑2019
Dat door de advocaat-generaal in de door hem geëiste straf ook (kort gezegd) het gedachtestreepje “heeft gedwongen tot het starten met werkzaamheden in de prostitutie” is betrokken, doet daaraan niet af, gelet op de omvang van de vermindering.
A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 176 (zie ook p. 237).
Zie bijvoorbeeld HR 25 oktober 1949, ECLI:NL:HR:1949:38, NJ 1950/127, m.nt. Röling.
Van Dorst, a.w., p. 176 en 177 en G.J.M. Corstens, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 806 en 807. Zie verder: HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219, m.nt. Schalken; HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4211; HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2073, NJ 2012/698; en HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5377.