Einde inhoudsopgave
Vergoedingen in het Nederlandse huwelijksvermogensrecht (R&P nr. PFR9) 2025/
Inleiding
Datum 04-10-2023
- Datum
04-10-2023
- JCDI
JCDI:BSD9343:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In onderdeel 2.7 ga ik nader in op de termen die ik gebruik. Deze begrippen zijn vergelijkbaar met de begrippen ‘schuld’ (de passieve zijde van een verbintenis), ‘vorderingsrecht’ (de actieve zijde van een verbintenis) en ‘verbintenis’ (zowel de actieve als de passieve zijde). Daar bespreek ik ook de veel gebruikte termen ‘reprise’ en ‘récompense’.
Het gebruik van het woord ‘voorhuwelijks’ is hier niet geheel correct. Ontstaat de huwelijksgemeenschap pas tijdens het huwelijk, dan is het ‘voorhuwelijkse’ vermogen het vermogen dat een echtgenoot had vóór het ontstaan van die gemeenschap. Ik gebruik hierna het woord ‘voorhuwelijks’ ook steeds in de betekenis van voor het ontstaan van de gemeenschap (voorgemeenschappelijk vermogen).
HR 12 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC2558, NJ 1988/150, m.nt. E.A.A. Luijten.
Zie over ‘nominaal’ onderdeel 5.2.3.
Van Duijvendijk-Brand betitelt de regeling van vergoedingsrechten en zaaksvervanging treffend als het hart van iedere beperkte gemeenschap. Zie Van Duijvendijk (2005b).
Verstappen (2023) onderstreept het belang van verbintenisrechtelijke correctiemechanismen in het huwelijksvermogensrecht.
Böhtlingk was notaris in Arnhem. Hij verzette zich tegen de Duitse bezetting en is op 23 april 1943 gearresteerd en naar Vught gedeporteerd. Hij is op 8 februari 1945 in Dachau overleden. Zie Raymund Schütz, Kille mist. Het Nederlandse notariaat en de erfenis van de oorlog, Amsterdam 2016, p. 111.
Zie uitgebreid over deze methode en de alternatieven daarvoor Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014.
Zie Schols & Hoens (2012) en Schols & Hoens (2014).
Voor een uitgebreide behandeling van artikel 1:96a BW verwijs ik graag naar Breederveld (2008), voor die van artikel 1:95a BW naar Lieber (2016a).
Daarvoor verwijs ik graag naar de zeer lezenswaardige bijdrage van F.R. Salomons in het preadvies KNB 2011 getiteld ‘Insolventie en huwelijksvermogensrecht’. Zie Salomons (2011).
Zie vooral Schrama (2004) en Schrama (2014). Zie voor een recent rechtspraakonderzoek Huijzer & Schrama (2022).
Zie daarover vooral Brinkman (2014).
Zie over beginselen Asser/Vranken Algemeen deel** 1995/131-140. Zie ook Ars Aequi 1991/10 (themanummer beginselen).
Zie Asser-Scholten (Algemeen deel), p. 62.
Zie Leijten (1991).
1. Echtgenoten plegen lang niet altijd het eigen vermogen strikt te scheiden van het vermogen van de ander en hun gemeenschappelijke vermogen. Zo kan het gebeuren dat een echtgenoot gemeenschappelijk vermogen gebruikt voor de betaling van eigen schulden of met geld van de andere echtgenoot een auto aanschaft, de koopsom van een woning geheel of voor een deel voldoet of een verbouwing van die woning betaalt. In deze en in andere gevallen kunnen tussen echtgenoten over en weer vermogensverschuivingen plaatsvinden. Voor zover die vermogensverschuiving gegrond is, is er geen reden deze te herstellen. Dat kan anders zijn als een grond voor de vermogensverschuiving ontbreekt. Het algemeen vermogensrecht kent een goederenrechtelijke en een verbintenisrechtelijke oplossing voor het tegengaan of herstellen van ongegronde vermogensverschuivingen. Dat zijn de figuur van de zaaksvervanging en de actie wegens ongerechtvaardigde verrijking. Dat is in het huwelijksvermogensrecht net iets anders. Indien tussen de echtgenoten een grond voor een vermogensverschuiving ontbreekt, ontstaan verplichtingen tot vergoeding.
2. Die vergoedingen in het huwelijksvermogensrecht zijn het onderwerp van dit onderzoek. Naast vergoedingen komen ook de termen ‘vergoedingsrecht’ en ‘vergoedingsplicht’ voor. Ik gebruik in het vervolg:
‘vergoedingsplicht’ als alleen de passieve zijde van de vergoeding is bedoeld (de zijde van de schuldenaar);
‘vergoedingsrecht’ of ‘vergoedingsvordering’ als alleen de actieve zijde van de vergoeding is bedoeld (de zijde van de schuldeiser);
‘vergoeding’ als niet alleen de passieve of actieve zijde is bedoeld, maar het vergoeden (het betalen van de vergoeding) of de omvang van de vergoeding.1
3. Vergoedingen bestaan alleen voor zover geen sprake is van zaaksvervanging (in de zin van artikel 1:95 BW). Vergoedingen komen voor ongeacht het huwelijksvermogensregime. Zij ontstaan niet alleen als echtgenoten met uitsluiting van iedere gemeenschap (‘koude uitsluiting’) zijn gehuwd, maar ook als tussen hen enigerlei gemeenschap van goederen bestaat en zij daarnaast eigen vermogens hebben. Dat eigen vermogen bestaat dan uit goederen en schulden die niet in die gemeenschap vallen (voorhuwelijks,2 geërfd, geschonken, uitgesloten en verknocht vermogen en bij huwelijkse voorwaarden uitgesloten vermogen).
4. Huwelijksvermogensrechtelijke vergoedingen kennen een lange geschiedenis en dateren al van ver vóór de codificatie van ons burgerlijk recht in 1838. Het Burgerlijk Wetboek van 1838 bevatte anders dan de Franse Code Civil geen uitdrukkelijke bepalingen over vergoedingen; het bestaan ervan werd in rechtspraak en literatuur wel algemeen aanvaard. De invoering van Boek 1 BW op 1 januari 1970 bracht daarin verandering. Artikel 1:95 en 1:96 BW (oud) codificeerden vergoedingen die in navolging van het Franse recht als reprises en récompenses bekend stonden. Deze bepalingen boden tot 1 januari 2012 slechts een regeling voor schulden van de gemeenschap waarvoor goederen van het eigen vermogen van een echtgenoot werden uitgewonnen en andersom. De wet onderscheidde niet in schulden die wel en schulden die niet bij een bepaald goed hoorden en regelde niets over de omvang van de vergoeding daarvan. Wel hield (en houdt) de wet vanaf 1 januari 1992 in artikel 1:92 lid 3 BW uitdrukkelijk rekening met de mogelijkheid van vorderingen tot vergoeding die tijdens het huwelijk zijn ontstaan wegens vermogensverschuiving tussen de echtgenoten onderling of tussen een van hen en een tussen hen bestaande gemeenschap. Boek 1 BW bracht op 1 januari 1970 ook een nieuwe regeling voor de beperkte gemeenschap van vruchten en inkomsten en zonderde in artikel 1:126 lid 1 BW (oud) beroeps- en bedrijfsvermogen uit van die gemeenschap. In het kielzog van deze bepaling creëerde de wetgever ook hier vergoedingen en wel ten bate of ten laste van de gemeenschap en ten bedrage van de winsten en verliezen van het bedrijf of beroep, vast te stellen naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd (artikel 1:126 lid 2 en 3 BW (oud)).
5. Ook de rechtspraak heeft sedert 1970 nadere invulling gegeven aan de vergoedingen. Een mijlpaal daarin is het arrest van de Hoge Raad inzake Kriek/Smit.3 Daarin is aanvaard dat ook tussen echtgenoten die bij hun huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap hebben uitgesloten, net als in de gevallen van artikel 1:95 lid 2, artikel 1:96 lid 2 en artikel 1:127 BW, vergoedingsrechten kunnen ontstaan, indien de een tijdens huwelijk goederen verkrijgt, die geheel of ten dele met geld van de ander zijn gefinancierd. Uitgangspunt in de rechtspraak is dat de vergoeding gelijk is aan het bedrag van de verstrekte gelden (de ‘nominale’4 vergoeding).
6. De recente moderniseringsgolven van het huwelijksvermogensrecht zijn voor vergoedingen van grote betekenis. Op 1 januari 2012 doet artikel 1:87 BW zijn intrede. Deze bepaling introduceert de zogeheten beleggingsleer die ook wel als evenredigheidsleer of economische deelgerechtigdheid te boek staat. Zij is van regelend recht, gaat in het bijzonder over ontstaan en omvang van vergoedingen en is uitgewerkt in een vijftal bepalingen, te weten:
artikel 1:87 BW (titel 6 ongeacht huwelijksvermogensregime);
artikel 1:95 BW (titel 7: voor zaaksvervanging bij wettelijke gemeenschap);
artikel 1:96 BW (titel 7: reprises en récompenses bij de wettelijke gemeenschap);
artikel 1:96a BW (titel 7: vergoeding premies bij in begunstiging bij levensverzekering gelegen gift);
artikel 1:96b BW (titel 7: overeenkomst over vergoedingen).
Er wordt anders dan in de oude artikelen 1:95 lid 2 en artikel 96 lid 2 BW wel onderscheid gemaakt tussen schulden die niet behoren bij een bepaald goed (de zogeheten ‘nominale’ vergoedingsvordering) en schulden die wel bij een bepaald goed horen (vergoedingsvordering naar evenredigheid op voet van artikel 87 lid 2 en 3 BW).
7. De jongste modernisering is van 1 januari 2018. Zij beperkt de omvang van de wettelijke gemeenschap voor gemeenschappen die ontstaan op of na 1 januari 2018. Verkrijgingen krachtens erfrecht en gift en niet gezamenlijk voorhuwelijks vermogen vallen niet langer in de wettelijke gemeenschap (artikel 1:94 BW). Zo bestaat in veel meer gevallen dan voorheen naast de gemeenschap eigen vermogen van de echtgenoten en is de kans op verschuivingen tussen de drie vermogens met vergoedingen als gevolg aanzienlijk vergroot.5 Nieuw is ook de vergoeding die ontstaat indien een van de echtgenoten een onderneming heeft en het ondernemingsvermogen buiten de gemeenschap valt. Artikel 1:95a BW schept ten bate van de gemeenschap een redelijke vergoeding voor de kennis, vaardigheden en arbeid die een echtgenoot ten behoeve van die onderneming heeft aangewend.
8. Vergoedingen spelen niet alleen in de wetgeving, maar ook in de praktijk van het huwelijksvermogensrecht een steeds belangrijker rol.6 Vooral bij echtscheiding, maar ook bij overlijden van een echtgenoot komt de vraag naar het bestaan, de omvang en de wijze van afrekening van die vergoedingen aan de orde. Het antwoord op die vraag kan ook voor de heffing van erfbelasting van belang zijn; tot de nalatenschap kunnen immers vergoedingsvorderingen of -plichten behoren. De praktijkjurist weet dat het vaststellen van bestaan en omvang van de vermogensverschuiving vanwege het ontbreken van een deugdelijke administratie van de echtgenoten in praktische zin kan neerkomen op het doorhakken van een onontwarbare knoop.
9. Vergoedingen roepen allerlei vragen op:
Welke vermogensverschuivingen leiden tot vergoedingen?
Wat is het rechtskarakter van vergoedingen?
Zijn er bij vergoedingen tussen eigen vermogen en het vermogen van een huwelijksgemeenschap schuldeiser en schuldenaar te onderscheiden en wie zijn dat?
Wat is de grondslag voor vergoedingen?
Wat is de betekenis van het ‘nieuwe’ artikel 1:87 BW en de doorwerking van die bepaling in titel 7?
In hoeverre is het algemene vermogens- en verbintenissenrecht van toepassing op vergoedingen?
Wat is de rol van het bewijsrecht bij vergoedingen?
Welke gevolgen hebben voorwaardelijke uitsluitingsclausules en uitsluitingsclausules met delegatie voor het ontstaan van vergoedingen?
Spelen vergoedingen ook een rol bij verknochte goederen en schulden?
Wat is de relatie tussen de zaaksvervanging van artikel 1:95 BW en vergoedingen?
Welke gevolgen heeft de verhaalsregel van artikel 1:96 lid 3 BW op het ontstaan van vergoedingen?
Op welk tijdstip moeten vergoedingen worden voldaan?
10. De beantwoording van die vragen is verre van eenvoudig. De wet en de wetsgeschiedenis bieden lang niet voor elk concreet geval een heldere leidraad en bevatten soms tegenstrijdigheden. De rechtspraak laat zien dat de regels over vergoedingen op zeer uiteenlopende wijze toepassing vinden met ongelijke uitkomsten in gevallen die op elkaar lijken. De handboeken op het gebied van het huwelijksvermogensrecht besteden uiteraard aandacht aan de vergoedingen, maar behandelen het onderwerp zeker niet uitputtend en beperken zich veelal tot een aantal van de genoemde vragen.
11. In de wetenschap is in het verleden aandacht geweest voor vergoedingen. Als eerste wil ik hier C.M. Böhtlingk noemen die in 1917 in Leiden is gepromoveerd op een proefschrift met de titel ‘Vergoedingsrechten’. Böhtlingk is de naamgever van die term. Zijn onderzoek beslaat twee perioden die hij aanduidt als ‘Oud-Vaderlandsch Recht’ en ‘Hedendaagsch Recht’. Uit zijn werk heb ik vooral geput voor de geschiedenis van vergoedingen, de motieven daarvoor en het rechtskarakter.7 In 1939 schrijven C.H.C.M. Martens, notaris in ’s-Gravenhage, en P.H. Smits, rechter in Amsterdam, preadviezen over ‘Vergoedingsrechten en -plichten bij beperkte gemeenschappen van goederen’ voor de vergadering van de Broederschap van Candidaat-Notarissen in Nederland en zijn Koloniën. Van recenter datum zijn de proefschriften van J. van Duijvendijk-Brand uit 1990 (‘Afrekenen bij (echt)scheiding’) en B. Breederveld uit 2008 (‘De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding’). Hun beschouwingen over vergoedingen hebben mij tot inspiratie gediend, maar ook volgens de regels van het permanente juridische discours tot tegenspraak verleid. In de wetenschappelijke juridische tijdschriften is een stroom van artikelen gepubliceerd die van belang zijn voor de vergoedingen in het huwelijksvermogensrecht. De aanleiding voor de verschijning daarvan is meestal een uitspraak van de Hoge Raad, zoals die in de zaak Kriek/Smit, of wetsvoorstellen, zoals wetsvoorstel 28 867 en de daarin opgenomen regeling van artikel 1:87 BW.
12. Ook buiten het huwelijksvermogensrecht is er bij de schrijvers over zaaksvervanging en ongerechtvaardigde verrijking wetenschappelijke belangstelling voor vergoedingen. Te noemen zijn hier allereerst de proefschriften van M.H. Bregstein (‘Ongegronde vermogensvermeerdering’) en G.E. Langemeijer (‘Zaaksvervanging’) uit 1927. Over zaaksvervanging gaan ook de proefschriften van A. Hammerstein uit 1977 (‘Eigenlijke en oneigenlijke zaaksvervanging’), van V. Sagaert uit 2003 (‘Zakelijke subrogatie’) en van B. Spath uit 2010 (‘Zaaksvervanging’) en de monografie van S. Perrick uit 2016 (‘Zaaksvervanging’). De ongerechtvaardigde verrijking komt aan de orde in de proefschriften van M.H.A.M. Biegman-Hartogh uit 1971 (‘Ongegronde verrijking’), van S.R. Damminga uit 2014 (‘Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen’), van G.A. Linssen uit 2001 (‘Voordeelsafgifte en ongerechtvaardigde verrijking’) en van T. van der Linden uit 2019 (‘Aanvullend verrijkingsrecht’).
13. Toch ontbreekt nog een diepergaand en recent onderzoek naar vergoedingen. Het is dan ook zinvol de figuur van de vergoedingen in het huwelijksvermogensrecht te onderzoeken en te bezien hoe deze in haar verschijningsvormen kan worden ingepast in het bredere kader van het huwelijksvermogensrecht en in het vermogensrecht in het algemeen. De hiervoor onder 9 geformuleerde vragen staan daarbij centraal. Zij vormen de onderzoeksvragen.
14. Voor dit onderzoek is gekozen voor de juridisch-dogmatische methode. Dat betekent dat het onderzoek is gebaseerd op de bestudering van de wet, de systematiek en de geschiedenis van de wet daarbij inbegrepen, de rechtspraak en de literatuur. Deze onderzoeksmethode is naar mijn smaak het best geëigend een antwoord te krijgen op de onderzoeksvragen.8 Andere invalshoeken komen slechts incidenteel aan bod. Zo bespreek ik in hoofdstuk 1 in een notendop de rechtsgeschiedenis van vergoedingen. Zo besteed ik ook incidenteel aandacht aan rechtsvergelijkende aspecten. Vergoedingen lenen zich overigens goed voor rechtsvergelijking, omdat ze in veel huwelijksvermogensstelsels voorkomen. Een breder opgezette rechtsvergelijking zou het bestek van dit onderzoek echter ver te buiten gaan. Dat is meer iets voor een vervolgonderzoek. Dat geldt ook voor een empirisch op te zetten vervolgonderzoek naar vergoedingen in de (notariële) praktijk, in het bijzonder in huwelijkse voorwaarden. Een dergelijk onderzoek zou prima in te passen zijn in het Huwelijksvoorwaardenonderzoek dat periodiek wordt uitgevoerd door het Centrum voor Notarieel Recht dat is verbonden aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.9
15. Elk onderzoek kent grenzen; de omvang is niet onbeperkt. Dat betekent dat niet alle aspecten van vergoedingen (uitputtend) kunnen worden besproken en onderzocht. Zo komen de vergoedingen van artikel 1:95a en 1:96a BW slechts indirect en zijdelings aan bod.10 Ook het onderwerp vergoedingen en de insolventie van (een van de) echtgenoten blijft onbesproken.11 De toepassing van vergoedingen buiten het huwelijksvermogensrecht valt tevens buiten het bestek van dit onderzoek. Het gaat dan vooral om vergoedingen tussen ongehuwde samenwoners12 en in het erfrecht (bijvoorbeeld tussen bezwaarde erfgenamen en verwachters).13
16. Het onderzoek is neergelegd in tien hoofdstukken.
In hoofdstuk 1 geef ik een bondige geschiedenis van vergoedingen en de totstandkoming van de huidige regeling met aandacht voor het Europese perspectief.
Hoofdstuk 2 bevat een beschouwing over het begrip ‘vergoeding’. Ik onderzoek of vergoedingen verbintenissen zijn en hoe deze zijn in te passen in vergoedingen tussen het eigen vermogen van een echtgenoot en het vermogen van de huwelijksgemeenschap.
In hoofdstuk 3 bespreek ik het verschijnsel van vermogensverschuivingen en de correcties daarvan in het algemene vermogensrecht.
In hoofdstuk 4 bezie ik de betekenis van het huwelijksvermogensrecht voor vermogensverschuivingen tussen echtgenoten en onderzoek ik wat de grondslag voor vergoedingen in het huwelijksvermogensrecht is.
Hoofdstuk 5 is een inventarisatie van de rechtspraak over vergoedingen van de Hoge Raad. Ik zet kanttekeningen bij die rechtspraak en onderzoek of uit de rechtspraak een praktische algemene regel is af te leiden voor het ontstaan en bestaan van vergoedingen.
Hoofdstuk 6 is gewijd aan de wordingsgeschiedenis van artikel 1:87 BW en de bepalingen in titel 7 van Boek 1 BW waarin dat artikel doorwerkt.
In hoofdstuk 7 ga ik nader in op de verschillende onderdelen en aspecten van artikel 1:87 BW en de bepalingen in titel 7 over vergoedingen en de betekenis daarvan voor vergoedingen.
In hoofdstuk 8 bespreek ik vijf rechtsfiguren uit titel 7 van Boek 1 BW die voor vergoedingen bijzondere vragen opwerpen: de voorwaardelijke uitsluitingsclausule en de uitsluitingsclausule met delegatie, de figuur van de verknochtheid, de zaaksvervanging, de verhaalsregel van artikel 1:96 lid 3 BW en de ontbonden huwelijksgemeenschap.
In hoofdstuk 9 ga ik in op het tijdstip van voldoening van vergoedingen en de verschuldigdheid van rente, de opeisbaarheid en de verjaring van rechtsvorderingen tot voldoening van een vergoeding.
In het afrondende hoofdstuk 10 vat ik de antwoorden op de onderzoeksvragen samen.
17. In dit onderzoek duikt regelmatig de term ‘beginsel’ op. Ik noem als voorbeeld het nominaliteitsbeginsel. Ook het begrip ‘leer’ als pendant van het begrip ‘beginsel’ komt voor, zoals in evenredigheidsleer. Zowel ‘beginsel’ als ‘leer’ fungeren hier vooral in de betekenis van uitgangspunt, overkoepelend gezichtspunt, basis of grondslag voor verder uitgewerkte regels. Soms heeft ‘beginsel’ een meer algemene betekenis en is het – op een hoger niveau – gebruikt als een principe dat voor het gehele vermogensrecht geldt. Dan gaat het om beginselen als rechtszekerheid, evenredigheid en (rechts)gelijkheid.14 Een (rechts)beginsel is geen rechtsregel, het is een hulpmiddel om het recht te ordenen; het kan ook een normerende betekenis hebben. Het is de functie van de rechtswetenschap deze beginselen op te sporen.15 Beginselen zijn per definitie algemeen en vanzelfsprekend, maar wel gebonden aan een bepaalde tijd en een bepaalde cultuur. Een beginsel kan een tegenbeginsel oproepen dat conflicteert met dat beginsel en dat naarmate tijd en cultuur veranderen een eigen plek als beginsel verovert. Het huwelijksvermogensrecht biedt daarvan goede illustraties. Denk aan het beginsel van de solidariteit of lotsverbondenheid dat het tegenbeginsel van de autonomie oproept. Denk ook aan het beginsel van de gelijkwaardigheid en gelijkheid van de echtgenoten dat het beginsel van de maritale macht van de man opzij heeft gezet. Het samenspel van beginsel en tegenbeginsel is heilzaam voor de ontwikkeling van het recht. Met instemming citeer ik wat Leijten over beginsel en tegenbeginsel schrijft: “Zij kunnen heilzaam zijn en broodnodig. Zij verwekken spanning en dat heeft het recht nodig.”16
18. Het onderzoek is afgesloten op 1 mei 2023. Rechtspraak en literatuur van na die datum zijn – op een enkele uitzondering na – niet meer verwerkt.