Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.7:13.7 Conclusie
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.7
13.7 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232728:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zowel knelpunten als onvolkomenheden in de wetgeving zijn beschreven in hoofdstuk 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk ben ik ingegaan op de fiscale gevolgen van certificering, met een nadruk op de inkomstenbelastingaspecten. Resumerend is het voor deze gevolgen met name van belang of de certificaathouder economisch eigenaar is van het gecertificeerde vermogen of niet. Indien sprake is van economische eigendom, zou naar mijn mening voor de belastingheffing niet zozeer gekeken moeten worden naar het certificaat, maar daarentegen naar het gecertificeerde vermogen zelf. Dit betekent dat de certificering kan plaatsvinden zonder dat sprake is van een belastbare vervreemding van bijvoorbeeld aanmerkelijkbelangaandelen. Daar staat tegenover dat het moment waarop inkomsten genoten worden, winsten gerealiseerd worden of een vervreemding plaatsvindt, gelijk loopt met het moment waarop de STAK geniet, realiseert of vervreemdt. Ook dient naar mijn mening voor de waardering te worden aangesloten bij het gecertificeerde vermogen, zodat geen waardedrukkend effect van de certificering in aanmerking genomen kan worden. In zoverre kan men dus zeggen dat de fiscale gevolgen van de certificering relatief beperkt zijn, zij het dat een probleem voor de certificaathouder kan zijn dat hij in de heffing van inkomstenbelasting betrokken wordt, terwijl hij zelf geen middelen in handen krijgt om de belasting te betalen, omdat de STAK geen doorstootverplichting heeft en ook niet zelfstandig tot uitkering besluit.
Indien echter geen sprake is van economische eigendom, wordt de positie van de certificaathouder een hele andere dan die van degene, die juridische eigenaar van het gecertificeerde vermogen is. In dit geval moet wel het certificaat in aanmerking genomen worden, in plaats van het gecertificeerde vermogen. Dit betekent dat certificering een belastbare vervreemding kan zijn, maar ook zich een waardedrukkend effect van certificering kan voordoen, of dat het genietings-, realisatie- of vervreemdingsmoment van de certificaathouder niet hetzelfde hoeft te zijn als het desbetreffende moment bezien vanuit de STAK. Dat laatste aspect geeft bovendien aanleiding tot vragen over hoe de belastingheffing ter zake precies verloopt, die naar mijn mening op dit moment nog niet eenduidig te beantwoorden zijn.
Het concept economische eigendom strekt zich naar mijn mening voorts uit tot de Successiewet, met dien verstande dat mijns inziens nog niet duidelijk is of dit ook van invloed is op de waardering van de verkrijging. In het kader van de Successiewet is daarnaast de vraag besproken of certificering een gift kan zijn, welke ontkennend is beantwoord.
Tot slot is kort ingegaan op enkele vennootschapsbelastingaspecten van certificering. Dit betreft allereerst de vraag of de STAK vennootschapsbelastingplichtig kan zijn. Dit is naar mijn mening in principe niet het geval, aangezien de STAK geen onderneming drijft. Voorts is naar de aard van certificering geen sprake van winst. Daarnaast heb ik bekeken of certificering kan kwalificeren als fonds voor gemene rekening. Dit lijkt mij denkbaar, maar minder vaak voorkomend, omdat geen sprake is van handelen voor gemene rekening en/of het beleggingsoogmerk niet (in voldoende mate) aanwezig is.
Samenvattend werkt certificering onder omstandigheden niet fiscaal neutraal uit. Zo kan sprake zijn van een belastbare vervreemding of kan de waardering van de certificaten anders zijn dan de waardering van het onderliggende vermogen of zijn de box 3-vrijstellingen na certificering niet langer beschikbaar, althans inde ogen van de staatssecretaris. Ook zijn de fiscale gevolgen van certificering in meerdere situaties onduidelijk. Deze fiscaal niet-neutrale behandeling of onduidelijkheid over de fiscale behandeling leidt tot knelpunten die een belemmering kunnen vormen voor de toepassing van certificering. Dit hoeft overigens niet steeds het gevolg te zijn van onvolkomenheden in de desbetreffende fiscale wetgeving. De vraag in hoeverre sprake is van onvolkomenheden wordt besproken in hoofdstuk 15. Ik ga daarbij ook in op oplossingen voor gesignaleerde onvolkomenheden.1