Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/2.5.2.2
2.5.2.2 Vordering, schulderkenning en verrekening volgens artikel 6:140 BW
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS585261:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verwijzingen bij Mijnssen (1984) p. 67; Van Bronkhorst (1987) p. 54-59 en Rank (1996) p. 194-195.
Snijders (1972) p. 176.
0.m. Van Ravenhorst (1991) p. 145, Rank (1996) p. 195, Van Esch (2001c) p. 8 en Abendroth-Wibier (2008) p. 326-327. Zie ook Abendroth in zijn noot onder Hof Amsterdam 11 september 2003, JOR 2004, 142 (`Verstijlen q.q.-ABN Amro').
Het moment van de girale betaling is het tijdstip waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd, aldus artikel 6:114 lid 2 BW. Ook onder het BW (oud) was dit de regel, vgl. HR 31 maart 1989, NJ 1990, 1 m.nt. JBMV (Wis q.q.-NMB'). Van alle in aanmerking komende momenten in de afwikkeling van een betaling is het moment van creditering van de schuldeiser het meest in overeenstemming met de girale betaling als wijze van nakoming van een verbintenis tot betaling van geldsom. Bovendien sluit het goed aan bij de algemene gedachte waarvan HR 21 maart 1969, NJ 1969, 304 m.nt. GJS (`Stasse-Loeff') uitgaat, aldus Rank (1996) p. 202. Er zijn echter uitzonderingen op deze regel, zie onder meer HR 7 mei 1986, NJ 1986, 778 m.nt. JBMV (`N.N.-Ontvanger'). Over het tijdstip van girale betaling zie onder meer Van Bronkhorst (1987) p. 59-71 en Van Esch (2001c) p. 17-22. Het is de verwachting dat door de voortschrijdende techniek de tijd gelegen tussen opdracht en creditering steeds korter zal worden.
De ontwikkeling van het leerstuk van de rekening-courant heeft inderdaad geleden onder ernstige spraakverwarring, waarover reeds Meijers (1921-1955) p. 72.
Voor een nadere beschouwing zie hierna hoofdstuk 7.
Snijders (1972) p. 177; Schoordijk (1958) p. 228 e.v.; Mijnssen (1984) p. 68; Rank (1996) p. 267. De inhoud van dit begrip (`abstractie') wijkt soms enigszins af van de abstractie van een chartale betaling. In het laatste geval verwijst abstractie vooral naar de geldigheid van de goederenrechtelijke overdracht, ongeacht de geldigheid van de rechtsverhouding die daaraan ten grondslag ligt. In het girale betalingsverkeer wordt, door de invloed van de leer over het toonderpapier, onder abstractie ook verstaan dat de bank geen verweermiddelen kan ontlenen aan de rechtsverhouding tussen de solvent en de accipiënt.
Soms wordt uitsluitend aansluiting gezocht bij de bankovereenkomst zelf, zie o.a. Rank (1996) p. 200. Het lijkt in lijn met de economische realiteit om de grondslag van de creditering te zoeken in de betalingsopdracht van de solvent (die doorgaans weer verklaard kan worden door een geldschuld aan de accipiënt) of, indien de solvent en accipiënt een rekening aanhouden bij verschillende banken, de instructie van de bank van de solvent. Er ontstaat zo een keten van samenhangende rechtsverhoudingen: de solvent wenst een schuld na te komen; zijn bank handelt als opdrachtnemer en ter uitvoering van de opdracht tot betaling maakt de bank op haar beurt gebruik van de diensten van de bank van de accipiënt. In de literatuur zijn pogingen ondernomen om het giraal betalingsverkeer te analyseren als een keten van samenhangende obligatoire rechtsverhoudingen; Mëschel (1986) p. 187-237 als uitgewerkt door Rohe (1998) p. 65-304, waarover Du Perron (2000) p. 247 en kritisch Van Laarhoven (2006) p. 43-46. Een bezwaar tegen deze zienswijze is dat het in het interbancaire betalingsverkeer juist vereist is dat de verplichtingen van banken over en weer geheel onafhankelijk zijn van de achterliggende rechtsverhouding.
De vraag dringt zich op of het in dergelijke gevallen juist is dat de bank mag verrekenen. Ik kom terug op deze vraag in hoofdstuk 7. De geschetste casus is geïnspireerd op HR 28 februari 1997, NJ 1998, 218 en JOR 1997, 73 m.nt. J.J. van Hees (`Staat-Meijer'). Meijer had een rekening bij de Amro-bank rechtsgeldig uitgesloten. Nadat de fiscus abusievelijk toch op deze rekening betaalde, bleek zij uiteindelijk gehouden een tweede maal te betalen. Amro-bank behoefde de ontvangen gelden niet aan Meijer ter beschikking te stellen nadat een geschil tussen beiden door een regeling was beëindigd.
Terug naar de kwalificatie van de vermogensverschuiving van girale tegoeden. Deze laat zich binnen de traditionele opvattingen terugbrengen tot de vraag hoe de vordering van de solvent op zijn bank wordt bezorgd bij de accipiënt. Daarvoor zijn in de loop der tijd diverse theorieën ontwikkeld. In oudere literatuur is aansluiting gezocht bij cessie, subrogatie en schuldoverneming. Deze theorieën, die veelal lijken te zijn geworteld in de theorievorming over toonderpapier, hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat de bank in naam van de accipiënt, dus als gevolmachtigde of lasthebber, een reeds bestaand recht verkrijgt dat strekt tot nakoming van een geldschuld tussen de solvent en de accipiënt.1 Deze theorieën geven echter onvoldoende rekenschap van het feit dat bij de girale betaling geen sprake is van de overdracht van een bestaande vordering en zij miskennen dat de giroinstelling aan de schuldeiser noch een recht verschaft dat tevoren tot het vermogen van de schuldenaar behoorde, noch een recht dat deze ook rechtstreeks aan de schuldeiser had kunnen verschaffen.2 De thans algemeen aanvaarde leer neemt afstand van deze vertegenwoordigingstheorieën en kwalificeert de girale betaling als een rechtsfiguur sui generis.3 Deze figuur komt op het volgende neer. Door de opdracht tot betaling te accepteren, verkrijgt de bank een vordering op de solvent. De bank neemt deze vordering op in de rekening-courant van de solvent. Aan de zijde van de accipiënt vindt een spiegelbeeldige handeling plaats, waarbij de bank zich schuldig verklaart voor een bedrag gelijk aan het overgemaakte bedrag. Ook deze schulderkenning wordt door de bank opgenomen in de rekening-courant van de accipiënt. Op dat moment is de betaling voltooid, wordt de geldschuld nagekomen en gaat de onderliggende rechtsverhouding teniet.4 De accipiënt kan vervolgens met het ontvangen tegoed weer derden betalen en daarmee herhaalt zich het proces van debiteren en crediteren. Vermogensrechtelijk gezien laat het girale betalingsverkeer schulden en vorderingen ontstaan tussen de bank en haar rekeninghouders.
Voor een goed begrip van de huidige vermogensrechtelijke opvattingen over het girale betalingsverkeer wijs ik nog op een tweetal zaken. Ten eerste het begrip `rekening-courant'. Van oudsher wordt de betaalrekening beschouwd als het voorbeeld bij uitstek van een rekening-courant. Beide begrippen zijn zo nauw met elkaar verbonden, dat zij zowel in het dagelijkse spraakgebruik als ook in de literatuur tot elkaars synoniem zijn geworden. Daarin schuilt echter een gevaar voor begripsverwarring.5 Naar mijn mening is het verhelderend om te onderscheiden tussen enerzijds de administratieve opstelling waarin de bank de inkomende en uitgaande betalingen administreert (de rekening-courant in comptabele zin) en anderzijds de toepassing van de rechtsregels van artikel 6:140 BW op de vorderingen en schulden zoals die blijken uit deze rekening (de rekening-courant in obligatoire zin). Artikel 6:140 BW is, zo wordt algemeen aanvaard, van toepassing op de vorderingen die een bank en rekeninghouder over en weer op elkaar verkrijgen uit hoofde van een betaalrekening. Dit heeft tot gevolg dat deze schulden en vorderingen doorlopend en van rechtswege met elkaar worden verrekend, zonder dat een aparte verklaring tot verrekening vereist is. Het vormt dus een afwijking van de hoofdregel van artikel 6:127 lid 1 BW, die een dergelijke mededeling wel vereist. Het belangrijkste gevolg van de toepassing van artikel 6:140 BW is dat de bank jegens de rekeninghouder slechts het saldo van de vorderingen en schulden in het rekening-overzicht is verschuldigd. Binnenkomende betalingen worden eerst verrekend met een eventuele schuld. Uitsluitend het residu staat na verrekening ter vrije besteding van de accipiënt.6
Een ander belangrijk element van de heersende leer is de scheiding die wordt verondersteld tussen enerzijds de overeenkomst waaruit de betaling voortvloeit en anderzijds de overeenkomst met de bank die de girale afwikkeling mogelijk maakt. In andere woorden: de rechtsverhouding tussen de solvent en zijn bank is feitelijk geabstraheerd van de rechtsverhouding tussen de solvent en de accipiënt.7 Daarvoor wordt een beroep gedaan op hetzelfde argument als hiervoor aan de orde kwam bij de chartale betaling: de eis van een soepel verlopend betalingsverkeer brengt met zich mee dat van een bank onmogelijk kan worden verlangd zich in de onderliggende rechtsverhouding te verdiepen. Toch is het lastig te bepalen hoe scherp deze beide verhoudingen van elkaar gescheiden zijn, aangezien deze, bij een nadere beschouwing, in sommige opzichten elkaar wel beïnvloeden. Zo kan uitsluitend in de onderliggende rechtsverhouding tussen de solvent en de accipiënt, de valutaverbintenis, een verklaring worden gevonden voor de omvang van het bedrag dat de bank zich schuldig verklaart jegens de accipiënt. De rechtvaardiging voor de omvang van de bijschrijving kan niet worden gevonden in de bankovereenkomst zèlf, die immers uitsluitend verplicht tot bijschrijving als een derde daartoe opdracht heeft verleend. De vraag in welke rechtsverhouding de uiteindelijke legitimatie kan worden gevonden voor de bijschrijving op de betaalrekening en wie, in meer algemene zin, aanspraak kan maken op het girale geld in transitu, is van belang bij de toepassing van artikel 6:212 BW op girale verhoudingen.8 Verder kan in de overeenkomst tussen de solvent en de accipiënt zijn bedongen dat uitsluitend rechtsgeldig kan worden betaald op een specifiek aangewezen rekening en dat andere rekeningen van de accipiënt daarmee zijn uitgesloten. Indien een schuldenaar, in strijd met een dergelijk beding, toch geld naar een uitgesloten rekening overmaakt, is er geen sprake van een geldige nakoming en de solvent zal nogmaals moeten betalen. Voor de solvent kleeft daaraan het bezwaar dat zijn recht tot terugvordering van de eerste foutieve betaling doorgaans illusoir zal zijn. De reden om een rekening uit te sluiten zal veelal gelegen zijn in het feit dat deze een zodanige debetstand vertoont dat ook nadat de bank het binnenkomende tegoed heeft verrekend, de bestedingslimiet overschreden blijft. De accipiënt kan daardoor niet vrijelijk over de ontvangen gelden beschikken. Dat betekent dat de bank dus ook geen gevolg behoeft te geven aan de opdracht tot restitutie van de eerste betaling. Het recht op verrekening van de bank uit hoofde van artikel 6:140 lid 1 BW raakt in deze gevallen aan de onderliggende overeenkomst: de opdrachtgever tot de girale overschrijving zal namelijk twee keer moeten betalen om deze overeenkomst eenmaal rechtsgeldig na te komen. Bovendien verkrijgt de bank, opmerkelijk genoeg, door de fout van de opdrachtgever een financieel voordeel in de schoot geworpen; haar vordering op de accipiënt neemt af voor een bedrag gelijk aan de eerste abusieve betaling.9