Rb. Rotterdam, 08-04-2015, nr. C/10/408317 / HA ZA 12-764
ECLI:NL:RBROT:2015:2962
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
08-04-2015
- Zaaknummer
C/10/408317 / HA ZA 12-764
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2015:2962, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 08‑04‑2015; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBROT:2014:7657, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 10‑09‑2014; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBROT:2014:1134, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 05‑02‑2014; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
AR 2015/751
OR-Updates.nl 2015-0174
OR-Updates.nl 2014-0083
Uitspraak 08‑04‑2015
Inhoudsindicatie
Verklaringsprocedure na derdenbeslag. Geldbedrag dat op de bankrekening van de STAK staat betreft een door de STAK aan de certificaathouder verschuldigd bedrag. Overdracht van alle certificaten door de schuldenaar aan zijn echtgenote is paulianeus.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/408317 / HA ZA 12-764
Vonnis van 8 april 2015
in de zaak van
de vennootschap naar het recht van Louisiana, Verenigde Staten van Amerika
OFFSHORE SPECIALTY FABRICATORS INC.
gevestigd te Houma, Louisiana,
eiseres,
advocaat mr. E.K. Ditvoorst,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
O.C.C. OFFSHORE SERVICES B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde2] ,
gevestigd te Rotterdam,
3. de stichting
[gedaagde3] ,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagden,
advocaat mr. M.A.D. Bol.
Partijen zullen hierna OSFI en (gedaagden gezamenlijk) Offshore c.s. genoemd worden. Gedaagden worden afzonderlijk ook wel aangeduid als OOC, [gedaagde2] en [gedaagde3].
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 10 september 2014;
- -
de akte van Offshore c.s. van 5 november 2014;
- -
de antwoordakte van OSFI van 3 december 2014.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Ter beoordeling staat in hoeverre het saldo dat op de bankrekening ten name van [gedaagde3] staat onder het derdenbeslag valt. Het betreft een bedrag van € 628.800,83. OSFI heeft terzake het volgende betoogd. Het gaat hier om een bedrag dat [gedaagde3] is verschuldigd aan de heer [persoon1], nu het enige doel van [gedaagde3] is het ontvangen en vervolgens uitbetalen van uitkeringen aan de certificaathouders. Nu de heer [persoon1] de certificaathouder is, is er dus sprake van een vordering ter hoogte van het genoemde bedrag van de heer [persoon1] op [gedaagde3], welke vordering als gevolg van het door OSFI ten laste van de heer [persoon1] onder [gedaagde3] gelegde beslag aan OSFI moet worden voldaan. Voor zover de heer [persoon1] de certificaten heeft willen overdragen aan zijn echtgenote, is aan de voorwaarden voor overdracht niet voldaan, althans is sprake van paulianeus handelen.
Offshore c.s. zijn bij voormeld tussenvonnis in de gelegenheid gesteld op dit betoog te reageren.
2.2.
Bij akte na tussenvonnis hebben Offshore c.s. een uittreksel uit het Register van Certificaathouders van [gedaagde3] overgelegd. Daarin staat:
“900 gewone certificaten staan per 02-01-2011 op naam van [persoon2]” en:
“900 gewone certificaten staan per 04-01-2011 op naam van [persoon2]. Totaal 1800 op naam [persoon2].”
De certificaten zijn overgedragen voor een euro omdat, aldus Offshore c.s., de fiscale waarde van de certificaten nihil was.
Volgens Offshore c.s. volgt hieruit dat alle certificaten in [gedaagde3] (dit zijn er 1.800) van [persoon2] zijn.
Wat betreft het vermeend paulianeus handelen hebben Offshore c.s. betoogd dat mevrouw [persoon2] geen partij is in deze procedure, zodat de vernietiging jegens haar geen werking heeft, en dat van benadeling van crediteuren geen sprake is nu geen dividenduitkering heeft plaatsgevonden na 2011.
Offshore c.s. hebben voorts betwist dat op grond van een storting op de bankrekening van [gedaagde3] door [gedaagde2] een dividenduitkering zou moeten plaatsvinden aan de heer [persoon1]. Zij stellen in dat verband dat het bestuur van [gedaagde2] geen dividendbesluit heeft genomen, laat staan dat dit zou zijn goedgekeurd door de AvA van [gedaagde2].
2.3.
De rechtbank verwerpt het betoog van Offshore c.s. dat (er op neerkomt dat) [gedaagde3] geen verplichting heeft het saldo op de bankrekening te betalen aan de certificaathouder. Het doel van [gedaagde3] is (akte van oprichting d.d. 10 januari 2008):
“a. het tegen toekenning van certificaten ten titel van beheer verwerven en administreren van aandelen in het kapitaal van [[gedaagde2]]; (…)
c. het uitoefenen van alle aan die aandelen verbonden rechten, zoals het uitoefenen van stemrecht en claimrecht en het ontvangen van dividend en andere uitkeringen, waaronder begrepen liquidatie-uitkeringen, onder de verplichting het ontvangene onverwijld na ontvangst aan de certificaathouders uit te keren (…);
d. het verrichten van al hetgene met het vorenstaande in de ruimste zin verband houdt.”
Voor zover in dit verband van belang bepalen de administratievoorwaarden van [gedaagde3]:
“12. (…) De [STAK] ontvangt dividenden en andere uitkeringen.
13. De [STAK] zal elk dividend en elke andere uitkering op de op haar naam gestelde aandelen innen en na ontvangst onverwijld een overeenkomstig dividend of overeenkomstige andere uitkeringen op de certificaten beschikbaar stellen. (…)”
Uit een en ander volgt dat een uitkering die [gedaagde3] vanuit [gedaagde2] ontvangt (zoals hier) onverwijld betaald moet worden aan de certificaathouder. In het midden kan derhalve blijven of het hier een uitkering uit hoofde van dividend of anderszins betreft; waar het om gaat is dat alle uitkeringen onverwijld aan de certificaathouder(s) uitgekeerd moeten worden. Vaststaat dat sprake is van een uitkering vanuit [gedaagde2]; daarmee staat ook de verplichting voor [gedaagde3] vast dit te betalen aan de certificaathouder.
2.4.
Wat betreft de vraag wie certificaathouder is wordt het volgende overwogen. Uit voornoemde administratievoorwaarden volgt dat de heer [persoon1] bij de oprichting van [gedaagde3] alle aandelen hield in [gedaagde2] en dat hij deze aandelen bij die oprichting ten titel van beheer heeft overgedragen aan [gedaagde3]. De heer [persoon1] was houder van alle certificaten (1.800), in ieder geval tot de vermeende overdracht van die certificaten aan zijn echtgenote, in januari 2011. In het midden kan blijven of in dit verband sprake is geweest van een geldige levering, hetgeen OSFI betwist, nu OSFI de aan de overdracht ten grondslag liggende rechtshandeling terecht buitengerechtelijk heeft vernietigd. De certificaten zijn aan mevrouw [persoon2] overgedragen voor € 1. Anders dan Offshore c.s. betogen kan niet worden aangenomen dat de waarde van de certificaten nihil was, alleen al gelet op het feit dat kennelijk al in 2011 een dividenduitkering heeft plaatsgevonden van € 26.665 (tussenvonnis van 10 september 2014, onder 2.5). De overdracht heeft aldus in feite om niet plaatsgevonden. Tussen partijen is niet in geschil dat deze schenking onverplicht was. De schenking heeft geleid tot benadeling van schuldeisers. Dividenden en andere uitkeringen vanuit [gedaagde2] aan [gedaagde3] zijn als gevolg van de schenking immers niet vatbaar voor verhaal door schuldeisers van de heer [persoon1], terwijl dat voor de schenking wel het geval was. Het betreffende verweer van Offshore c.s. wordt derhalve verworpen. Offshore c.s. hebben niet betwist de stelling (in de akte van 30 april 2014) van OSFI dat sprake is van wetenschap van benadeling aan de zijde van de heer [persoon1]. Nu sprake is van een rechtshandeling om niet is niet van belang of mevrouw [persoon2] wetenschap had van de benadeling. Aan de vereisten van artikel 3:45 BW is derhalve voldaan. Het betoog van Offshore c.s. dat de vernietiging jegens mevrouw [persoon2] geen werking heeft wordt verworpen. OSFI hebben in reactie op het betoog van Offshore c.s. dat de certificaten niet van de heer [persoon1] maar van mevrouw [persoon2] zijn per brief van 29 april 2014 aan zowel de heer [persoon1] als mevrouw [persoon2] de overdracht van de certificaten (in de zin van de schenking van deze certificaten, welke schenking is gevolgd door levering) buitengerechtelijk vernietigd (artikel 3:50 BW). Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen is die vernietiging terecht geschied.
De conclusie is dat de heer [persoon1] in ieder geval ten opzichte van OSFI als certificaathouder moet worden aangemerkt (artikel 3:45 lid 4 BW).
2.5.
Hetgeen onder 2.3 en 2.4 is overwogen leidt er, in onderlinge samenhang bezien, toe dat de vordering van de heer [persoon1] op [gedaagde3] onder het door OSFI ten laste van de heer [persoon1] onder [gedaagde3] gelegde beslag valt. Het betreft immers een vordering van de heer [persoon1] die voortvloeit uit een ten tijde van de beslaglegging reeds bestaande rechtsverhouding. [gedaagde3] zal dan ook worden veroordeeld aan OSFI te betalen een bedrag van € 628.800,83. Nu niet kan worden vastgesteld wanneer de vordering van de heer [persoon1] op [gedaagde3] is ontstaan is de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar vanaf de datum van beslaglegging, 12 februari 2014.
2.6.
Hetgeen hiervoor en in de aan dit vonnis voorafgegane tussenvonnissen is overwogen leidt tot het volgende.
Offshore c.s. worden hoofdelijk veroordeeld aan OSFI te betalen een bedrag van € 55.054,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 november 2011 (zie tussenvonnis 10 september 2014 onder 2.3).
[gedaagde2] wordt veroordeeld aan OSFI te betalen een bedrag van € 41.600 per jaar, te rekenen vanaf 7 mei 2007 (zie tussenvonnis 10 september 2014, onder 2.8-2.10). Het betreft:
- -
een bedrag van € 27.733 voor het jaar 2007 (8 maanden);
- -
een bedrag van € 291.200 voor de jaren 2008-2014;
- -
een bedrag van € 10.400 voor het jaar 2015 (3 maanden).
Totaal derhalve € 329.333. OSFI heeft rente gevorderd vanaf 25 november 2011. De rechtbank zal om praktische redenen tot uitgangspunt nemen dat het loon verschuldigd is geworden steeds aan het einde van het jaar. Dat leidt ertoe dat:
- -
de wettelijke rente vanaf 25 november 2011 tot de dag van betaling is verschuldigd over een bedrag van € 152.533 (jaren 2007 tot en met 2010);
- -
de wettelijke rente vanaf 31 december 2011 tot de dag van betaling is verschuldigd over een bedrag van € 41.600 (jaar 2011);
- -
de wettelijke rente vanaf 31 december 2012 tot de dag van betaling is verschuldigd over een bedrag van € 41.600 (jaar 2012);
- -
de wettelijke rente vanaf 31 december 2013 tot de dag van betaling is verschuldigd over een bedrag van € 41.600 (jaar 2013);
- -
de wettelijke rente vanaf 31 december 2014 tot de dag van betaling is verschuldigd over een bedrag van € 41.600 (jaar 2014).
[gedaagde3] wordt veroordeeld aan OSFI te betalen € 628.800,83, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2014.
2.7.
Offshore c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van OSFI worden begroot op:
- dagvaarding € 90,64
- griffierecht 3.621,00
- salaris advocaat 14.449,50 (4,5 punten × tarief € 3.211,00)
Totaal € 18.161,14
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
veroordeelt Offshore c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan OSFI te betalen een bedrag van € 55.054,50 (vijfenvijftigduizend vierenvijftig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 25 november 2011 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde2] om aan OSFI te betalen een bedrag van € 329.333,00 (driehonderdnegenentwintigduizend driehonderddrieëndertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over:
- -
het bedrag van € 152.533 met ingang van 25 november 2011 tot de dag van volledige betaling;
- -
het bedrag van € 41.600 vanaf 31 december 2011 tot de dag van volledige betaling;
- -
het bedrag van € 41.600 vanaf 31 december 2012 tot de dag van volledige betaling;
- -
het bedrag van € 41.600 vanaf 31 december 2013 tot de dag van volledige betaling;
- -
het bedrag van € 41.600 vanaf 31 december 2014 tot de dag van volledige betaling;
3.3.
veroordeelt [gedaagde3] om aan OSFI te betalen een bedrag van € 628.800,83 (zeshonderdachtentwintigduizend achthonderd euro en drieëntachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 12 februari 2014 tot de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt Offshore c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van OSFI tot op heden begroot op € 18.161,14,
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. F. Damsteegt-Molier en mr. T. Boesman en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2015.
[2148/1729/2309]
Uitspraak 10‑09‑2014
Inhoudsindicatie
Deze procedure betreft een verklaringsprocedure in het kader van een door eiser gelegd derdenbeslag. Voorts is aan de orde een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad wegens het meewerken aan verijdelen van verhaal. Beoordeeld wordt de schade die het gevolg is geweest van het meewerken aan het verijdelen van verhaal. Voorts komt aan de orde de fictieve vergoeding als bedoeld in art. 479a Rv en de vraag of een op de rekening van de stichting administratiekantoor gestort bedrag toekomt aan de certificaathouder, en zo ja of de beslagene moet worden aangemerkt als de certificaathouder.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/408317 / HA ZA 12-764
Vonnis van 10 september 2014
in de zaak van
de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging
OFFSHORE SPECIALTY FABRICATORS INC,
gevestigd te Houma, Louisiana, Verenigde Staten van Amerika,
eiseres,
advocaat mr. E.K. Ditvoorst,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
O.C.C. OFFSHORE SERVICES B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde2] ,
gevestigd te Rotterdam,
3. de stichting
[gedaagde3] ,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagden,
advocaat mr. M.A.D. Bol.
Partijen blijven hierna aangeduid als OSFI en Offshore c.s.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 5 februari 2014
- -
de akte uitlating na tussenvonnis van OSFI
- -
de akte na tussenvonnis tevens akte houdende overleggen producties van Offshore c.s.
- -
de antwoordakte na tussenvonnis van OSFI.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Schade als gevolg van onrechtmatig handelen
2.1.
Bij voormeld tussenvonnis is geoordeeld – samengevat – dat [gedaagde2], die voorheen handelde in de vorm van een eenmanszaak, met het oprichten van Offshore c.s. geen ander oogmerk had dan het verijdelen van verhaal door OSFI. Dit is een onrechtmatige daad van [gedaagde2] en van Offshore c.s., nu het ongeoorloofde oormerk van [gedaagde2] bij de oprichting van Offshore c.s. rechtens moet worden aangemerkt als (ook) een oogmerk van Offshore c.s. Geoordeeld is dat Offshore c.s. hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die is ontstaan ten aanzien van dit onrechtmatig handelen. Wat de omvang van die schade betreft is in het tussenvonnis overwogen:
“dat OSFI (alleen) de schade kan vorderen die is ontstaan als gevolg van de onrechtmatige frustratie van haar verhaalsmogelijkheden. Offshore c.s. is niet voor meer aansprakelijk dan tot het verhaal dat [gedaagde2] (met zijn eenmanszaak) bood op het moment van de inbreng van de eenmanszaak in OOC.”
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun stellingen op dit punt aan te vullen.
2.2.
OSFI heeft de jaarstukken van de eenmanszaak op het moment van de inbreng overgelegd, alsmede een inbrengbeschrijving en de akte van inbreng. Volgens de inbrengbeschrijving werd de onderneming vanaf 1 januari 2007 voor rekening en risico van [gedaagde3] gedreven. De rechtbank zal van die datum uitgaan bij de beoordeling van de hoogte van de schade.
2.3.
Volgens OSFI volgt uit de overgelegde stukken dat de eenmanszaak ten tijde van de inbreng over € 88.814 aan bezittingen beschikte, waaronder goodwill. OSFI knoopt aldus aan bij de waarde van de onderneming, in de inbrengbeschrijving berekend aan de hand van de intrinsieke waarde van de onderneming (het eigen vermogen van de eenmanszaak) vermeerderd met de goodwill. OSFI kan in deze berekening niet worden gevolgd. Waar het om gaat is in hoeverre [gedaagde2] met zijn eenmanszaak verhaal bood ten tijde van de inbreng. Noch de goodwill noch het eigen vermogen als zodanig is een voor verhaal vatbaar vermogensbestanddeel. De voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen van de eenmanszaak ten tijde van de inbreng worden gevormd door de activa van de eenmanszaak. Ter berekening van de schade zal de rechtbank van die activa uitgaan, en voorts van de fictie dat door alle schuldeisers beslag zou zijn gelegd op alle activa van de eenmanszaak. Dit zou hebben geleid tot het volgende. Aan actief was beschikbaar € 56.249 (vaste activa € 8.349 en liquide middelen € 47.900). De rechtbank neemt daarbij tot uitgangspunt dat bij de executoriale verkoop de vaste activa van de eenmanszaak zouden hebben opgebracht het op de balans vermelde bedrag. De rechtbank verwijst in dit verband naar de door de accountant gehanteerde grondslagen voor de opstelling van de jaarrekening, p. 13 van het jaarverslag. Niet kan worden uitgesloten dat, zoals Offshore c.s. stelt, een deel van de vaste activa bij een executoriale verkoop nagenoeg niets opbrengt, doch zeker is dit evenmin. Dit is een omstandigheid die de rechtbank voor risico van Offshore c.s. brengt, nu zij het OSFI onmogelijk heeft gemaakt beslag te leggen op deze vermogensbestanddelen.
Als eerste zouden uit dit bedrag worden voldaan de preferente schuldeisers; de belastingdienst en het UWV (samen een vordering van € 1.050). Daarmee bleef over een bedrag van € 55.199, welk bedrag verdeeld moest worden tussen OSFI en de overige crediteuren. Omwille van de berekening zal de rechtbank daarbij ervan uitgaan dat het bedrag dat op de balans staat vermeld bij de (overige) kortlopende schulden en overlopende passiva één crediteur betreft, met een vordering van € 3.063, en dat deze crediteur niet over preferenties beschikt. Het resterende bedrag zou derhalve ponds-pondsgewijs zijn verdeeld tussen OSFI en deze crediteur, waarbij aan OSFI een bedrag van € 55.054,50 zou zijn toegekomen. Dit is gelet op hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen de schade die OSFI heeft geleden door het onrechtmatig handelen van Offshore c.s.; Offshore c.s. zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan OSFI, te vermeerderen, zoals gevorderd en onder verwijzing naar artikel 6:83 sub b BW, met de wettelijke rente vanaf 25 november 2011.
Verklaring derdenbeslag: dividend en vergoeding voor werkzaamheden
2.4.
In voormeld tussenvonnis is voorts, ten aanzien van de door Offshore c.s. afgelegde verklaringen in het kader van de door OSFI onder Offshore c.s. gelegde derdenbeslagen overwogen:
- -
dat niet kan worden vastgesteld in hoeverre een in de jaarrekening van [gedaagde2] vermelde dividenduitkering ad € 26.665 een vordering betreft die onder het beslag valt, en
- -
dat in rechte wordt aangenomen dat [gedaagde2] vanuit [gedaagde2] inkomsten geniet voor zijn werkzaamheden als indirect bestuurder van OOC, welke vordering onder het beslag valt.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich over beide posten uit te laten.
2.5.
Wat voormelde dividenduitkering betreft is in het tussenvonnis overwogen dat Offshore c.s. onder overlegging van stukken (bankafschriften, stukken in het kader van de besluitvorming en dergelijke) uiteen moet zetten wanneer de dividenduitkering heeft plaatsgevonden en op welk moment en in welke verhouding is uitbetaald aan de certificaathouders. Offshore c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat “binnen [gedaagde2] in confesso is” dat de certificaten in de STAK zijn toegekend aan zijn echtgenote, [persoon1], en dat aan haar het dividend is betaald; [gedaagde2] zelf was niet gerechtigd tot een dividenduitkering. Offshore c.s. legt bankafschriften over van [gedaagde2], waaruit volgt dat op 13 en 17 oktober 2011 een bedrag van totaal € 26.665 aan [persoon1] is betaald met als omschrijving “winstuitkering 20.000 euro van [gedaagde3]” resp. “restant vd 26665,= dividend, op 13-10 reeds 20.000 uitgekeerd.” Op 30 november 2011 is een bedrag van € 3.999 teruggestort door [persoon1], onder de omschrijving “terugbetaling teveel opgenomen dividendbelasting”.
2.6.
Bij de beoordeling van de vraag of voornoemd bedrag van € 26.665 onder het beslag valt kan in het midden blijven wie de certificaathouder(s) is of zijn. Het bedrag is immers uitbetaald voordat het beslag is gelegd, zodat het reeds om die reden niet onder het beslag valt.
2.7.
OSFI heeft met betrekking tot toekomstige dividenduitkeringen evenwel ook het volgende betoogd. Naar aanleiding van het tussenvonnis heeft zij beslag gelegd ten laste van Offshore c.s., onder meer onder de ING Bank. Deze heeft verklaard dat het saldo van de STAK ten tijde van de beslaglegging € 628.800,83 was. Volgens OSFI valt ook dit bedrag onder het derdenbeslag ten laste van [gedaagde2] nu – samengevat – het enige doel van de STAK is het ontvangen en vervolgens uitbetalen van dividenduitkeringen aan de certificaathouders, waaronder, aldus OSFI, [gedaagde2]. Offshore c.s. heeft op deze stelling nog niet kunnen reageren en zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld. In dit kader is mede van belang wie de certificaathouder(s) is of zijn. OSFI heeft betwist dat [persoon1] de (enige) certificaathouder is. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat uit de administratievoorwaarden van de STAK volgt dat [gedaagde2] zijn aandelen in [gedaagde2] heeft ondergebracht in ruil voor certificaten, zodat hij de certificaathouder is, tenzij die certificaten inmiddels zouden zijn overgedragen aan een derde ([persoon1]), in welk geval uit de stellingen van [gedaagde2] niet volgt dat aan de daaraan te stellen eisen is voldaan. Ook op deze stellingen heeft Offshore c.s. nog niet gereageerd. Zij zal hiertoe in de gelegenheid worden gesteld. Offshore c.s. zal in dat kader de omstandigheden waaronder een eventuele overdracht van de certificaten aan [persoon1] heeft plaatsgevonden nader en zoveel mogelijk onderbouwd met stukken moeten uitwerken. De thans door Offshore c.s. in dit kader ingenomen stellingen volstaan daarbij niet. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat voor zover zou blijken dat onjuist is (rechtsoverweging 2.1 van voormeld tussenvonnis) dat [gedaagde2] en [persoon1] de certificaathouders zijn, de rechtbank zich aan de betreffende overweging niet gebonden acht. OSFI heeft voorts gesteld dat, voor zover de certificaten inmiddels zouden zijn overgedragen aan [persoon1], zij die overdracht heeft vernietigd op grond van artikel 3:45 BW. Voor zover uit de nader door Offshore c.s. in te nemen stellingen inderdaad mocht blijken dat de certificaten aan [persoon1] zijn overgedragen, zal OSFI in de gelegenheid worden gesteld die vernietiging nader uit te werken.
2.8.
Wat de aan [gedaagde2] toekomende vergoeding voor werkzaamheden betreft heeft de rechtbank overwogen dat zij aan zal sluiten bij het jaarinkomen dat [persoon1] geniet, € 71.687. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het gedeelte van het bedrag als bedoeld in artikel 475a lid 2 Rv en (de hoogte van) de beslagvrije voet (artikel 475d Rv). Volgens OSFI hoeft geen rekening te worden gehouden met een beslagvrije voet noch met het bepaalde in artikel 475a lid 2 Rv, nu het hier gaat om een geval waarin [gedaagde2] in het geheel geen aanspraak heeft op een vergoeding (maar om een door het beslag gecreëerde fictie van verschuldigdheid van een redelijke vergoeding, die alleen geldt jegens de beslaglegger), zodat een derdenbeslag niet leidt tot een vermindering van de inkomsten die hij geniet uit zijn werkzaamheden voor [gedaagde2] OSFI heeft voorts betoogd dat deze redelijke vergoeding is verschuldigd sinds het onderbrengen van de eenmanszaak in Offshore c.s., dus vanaf 7 mei 2007. Offshore c.s. vraagt de rechtbank terug te komen op de beslissing dat de redelijke vergoeding € 71.687 per jaar is. Zij wijst erop dat de enige werkzaamheden die verricht moeten worden betreffen het bemiddelen bij de verkoop van offshore materieel en het voeren van de interne administratie. Dat kan één persoon doen, aldus Offshore c.s., zodat het redelijk is onder deze fictieve feiten en omstandigheden het door [persoon1] genoten salaris te delen. Voor dit bedrag geldt een loonbelastingdruk van 50%, aldus Offshore c.s., terwijl voorts rekening moet worden gehouden met de beslagvrije voet. Ten slotte wijst Offshore c.s. erop dat [gedaagde2] per 1 januari 2014 is afgetreden als bestuurder van [gedaagde2], zodat de vergoeding (in ieder geval) vanaf die datum moet eindigen.
2.9.
De rechtbank ziet geen aanleiding terug te komen op voornoemde bindende eindbeslissing. Dat Offshore c.s. ervoor heeft gekozen [persoon1] aan te stellen als werknemer voor de genoemde werkzaamheden en haar daarvoor voornoemd salaris toe te kennen, een en ander naast de positie van [gedaagde2] als indirect bestuurder van OOC, is een omstandigheid die voor haar risico komt. Met OSFI is de rechtbank van oordeel dat er geen aftrek behoort plaats te vinden op de voet van artikel 475d Rv en artikel 475a lid 2 Rv. Zoals OSFI – en overigens ook Offshore c.s. – terecht naar voren brengt gaat het hier om een fictieve vergoeding (in de zin van artikel 479a Rv). De rechtbank heeft bij voormeld tussenvonnis overwogen dat zij niet aannemelijk acht dat – samengevat – de gehele omzet in OOC is behaald zonder dat hier inspanningen van [gedaagde2] aan ten grondslag hebben gelegen. Uit de stellingen van Offshore c.s. volgt voor die inspanningen kennelijk geen vergoeding wordt betaald aan [gedaagde2]. Dit wordt bevestigd door de jaarrekening van Offshore c.s. Artikel 479a Rv fingeert voor een dergelijk geval dat de beslagene aan de schuldenaar een redelijke vergoeding is verschuldigd. De aanspraak bestaat alleen in de verhouding tot de beslaglegger, OSFI dus. [gedaagde2] zelf heeft die aanspraak niet, en ten opzichte van [gedaagde2] blijft de situatie dan ook aldus, dat hij geen inkomsten heeft in verband met zijn inspanningen. Gelet daarop is er geen aanleiding de beslagvrije voet toe te passen, of een vermindering in verband andere beperkingen in de zin van artikel 475a Rv. Dat neemt niet weg dat het hier, zoals Offshore c.s. terecht stelt, om een brutobedrag gaat. Aan [gedaagde2] zou alleen een netto-bedrag zijn toegekomen, dus na aftrek van belasting en premies. De rechtbank zal hierbij uitgaan van een belasting- en premiedruk van 42%, zodat de redelijke vergoeding die [gedaagde2] jaarlijks aan OSFI is verschuldigd € 41.600 bedraagt.
2.10.
OSFI stelt voorts terecht dat de redelijke vergoeding ook is verschuldigd voor de inspanningen van [gedaagde2] voor het beslag. Onder verwijzing naar hetgeen in het tussenvonnis, onder 4.16, en hierboven is overwogen acht de rechtbank aannemelijk dat [gedaagde2] vanaf het moment van inbreng van zijn eenmanszaak op 7 mei 2007 steeds werkzaamheden heeft verricht voor Offshore c.s., als indirect bestuurder van OOC. Door Offshore c.s. is niet betwist de stelling van OSFI dat [gedaagde2] in die jaren niet een vergoeding is uitbetaald. De conclusie is dat [gedaagde2] vanaf 7 mei 2007 de fictieve vergoeding als bedoeld in artikel 479a Rv is verschuldigd. Wat de hoogte van het bedrag betreft is OSFI ook voor die voorgaande jaren uitgegaan van voornoemd bedrag ad € 71.687 per jaar. Offshore c.s. heeft daar niets tegenin gebracht, zodat ook de rechtbank hiervan uit zal gaan, met dien verstande dat de rechtbank voornoemd netto-bedrag ad € 41.600 tot uitgangspunt neemt. Het enkele feit dat, zoals Offshore c.s. stelt, [gedaagde2] per 1 januari 2014 geen bestuurder meer is van [gedaagde2] doet aan de verschuldigdheid van de redelijke vergoeding niet af. Waar het om gaat is of [gedaagde2] werkzaamheden verricht voor Offshore c.s. waar normaal gesproken een vergoeding tegenover staat. Gesteld noch gebleken is dat dat niet langer het geval is.
2.11.
Offshore c.s. zal thans in de gelegenheid worden gesteld een akte te nemen over hetgeen is overwogen onder 2.7 (certificaathouderschap en beroep van OSFI op artikel 3:45 BW), waarna OSFI een antwoordakte mag nemen. In afwachting van deze aktewisseling wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 september 2014 voor het nemen van een akte door (eerst) Offshore c.s. over hetgeen is vermeld onder 2.7,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. F. Damsteegt-Molier en mr. T. Boesman en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2014.
[2148/1729/2309]
Uitspraak 05‑02‑2014
Inhoudsindicatie
Vereenzelviging, onrechtmatig handelen door verijdelen verhaal, verklaringsprocedure derdenbeslag, herroeping verklaring.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/408317 / HA ZA 12-764
Vonnis van 5 februari 2014
in de zaak van
de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging
OFFSHORE SPECIALTY FABRICATORS INC.,
gevestigd te Houma, Louisiana, Verenigde Staten van Amerika,
eiseres,
advocaat mr. E.K. Ditvoorst,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
O.C.C. OFFSHORE SERVICES B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2] ,
gevestigd te Rotterdam,
3. de stichting
[gedaagde 3] ,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagden,
advocaat mr. M.A.D. Bol.
Partijen zullen hierna OSFI en (gedaagden gezamenlijk) Offshore c.s. genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 24 oktober 2012
- -
het proces-verbaal van comparitie van 12 maart 2013
- -
de akte van OSFI
- -
de antwoordakte van Offshore c.s.
- -
de akte uitlating producties van OSFI.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast.
2.1.
[gedaagde 2] is opgericht op 23 april 2007. Enig aandeelhouder is de [gedaagde 3] (hierna: STAK), opgericht op 11 januari 2008. Bestuurder van [gedaagde 2] is de heer [Y] (hierna: [Y]). Bestuurders van de STAK zijn [Y] en zijn echtgenote, mevrouw [X]. Certificaathouders zijn eveneens [Y] en zijn echtgenote.
2.2.
Op 9 mei 2007 is O.O.C. Offshore Services B.V. (hierna: OOC) opgericht. Bestuurder en enig aandeelhouder is [gedaagde 2]
2.3.
Het bedrijf dat thans wordt uitgeoefend in OOC werd (vanaf 1996) tot 2007 uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak van [Y]. Gedurende die periode is [Y] voor OSFI opgetreden als tussenpersoon bij de aankoop van goederen voor OSFI. OSFI heeft [Y] op 24 oktober 2005 gedagvaard voor de rechtbank van Louisiana, VS. Op 28 maart 2007 heeft de advocaat van [Y] zich teruggetrokken uit de procedure. [Y] stelde geen nieuwe advocaat. Bij vonnis van 15 oktober 2007 is [Y] door die rechtbank veroordeeld tot betaling aan OSFI van USD 950.000 en USD 50.000, vermeerderd met rente. Bij vonnis van deze rechtbank van 24 november 2010 is dit vonnis erkend en is [Y] overeenkomstig het vonnis van de rechtbank van Louisiana veroordeeld tot betaling van USD 950.000 en USD 50.000, vermeerderd met rente en met kosten. Het vonnis is op 30 november 2010 aan [Y] betekend.
2.4.
OSFI heeft op 25 november 2011 executoriaal derdenbeslag gelegd onder Offshore c.s. Namens Offshore c.s. is verklaard (in de zin van artikel 476a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) - samengevat - dat er tussen haar en [Y] geen rechtsverhouding bestaat uit hoofde waarvan [Y] een vordering heeft of zal verkrijgen op Offshore c.s.
3. Het geschil
3.1.
OSFI vordert samengevat - veroordeling van Offshore c.s. tot betaling van € 1.170.301,87, vermeerderd met rente en kosten, althans tot het doen van een gerechtelijke verklaring onder afgifte van het aldus verschuldigde.
3.2.
Offshore c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van OSFI in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
De grondslag van de vordering van OSFI is tweeërlei. OSFI betwist in de eerste plaats (op de voet van artikel 477a lid 2 Rv) de verklaring van Offshore c.s. dat zij - samengevat - niets aan [Y] verschuldigd zijn of zullen worden. In de tweede plaats betoogt OSFI dat [Y] zijn vermogen aan verhaal door OSFI heeft willen onttrekken door oprichting van Offshore c.s. Volgens OSFI moet Offshore c.s. om die reden worden (vereenzelvigd met [Y], althans worden) veroordeeld tot betaling aan OSFI van het bedrag dat [Y] aan OSFI is verschuldigd.
Onrechtmatig handelen Offshore c.s./vereenzelviging
4.2.
De rechtbank zal als eerste behandelen laatstgenoemde grondslag van de vordering. Hierbij zij het volgende vooropgesteld. De vordering van OSFI op [Y] vloeit voort uit handelingen van [Y], verricht in het kader van de eenmanszaak die [Y] toen had. Die eenmanszaak is in 2007 ingebracht in Offshore c.s. Op dat moment heeft [Y] de activiteiten van zijn eenmanszaak beëindigd en deze doen voortzetten in OOC, welke vennootschap – via [gedaagde 2] – door [Y] wordt beheerst. Het gaat dus om een schuld van [Y] aan OSFI. Vast staat dat deze schuld niet is overgegaan op Offshore c.s., ook niet door inbreng van de eenmanszaak. Nog afgezien van het feit dat ten tijde van de bedrijfsoverdracht (op 9 mei 2007) het vonnis van de rechtbank Louisiana nog niet was uitgesproken, heeft Offshore c.s. zich uitdrukkelijk noch stilzwijgend tegenover OSFI verbonden tot voldoening van deze schuld. Vaststaat voorts dat de handeling van [Y] (die heeft geleid tot de vordering van OSFI op [Y]) niet kan worden aangemerkt als handeling van Offshore c.s. Er zijn dus geen gronden om Offshore c.s. in directe zin aan te merken als schuldenaar van de vordering. Voor zover het betoog van OSFI daarop neerkomt faalt het derhalve.
4.3.
Iets anders is dat Offshore c.s. jegens OSFI zelfstandig aansprakelijk kan zijn uit hoofde van onrechtmatige daad en uit dien hoofde een schuld heeft aan OSFI. Dat is het geval als moet worden aangenomen dat [Y] met het oprichten van Offshore c.s., zoals OSFI stelt, geen ander oogmerk had dan het verijdelen van verhaal door OSFI. In dat geval maakt [Y] misbruik van het identiteitsverschil tussen de eenmanszaak en Offshore c.s. Dit is een onrechtmatige daad, niet alleen van [Y], maar ook van Offshore c.s., nu het ongeoorloofde oormerk van [Y] bij de oprichting van deze rechtspersonen rechtens moet worden aangemerkt als (ook) een oogmerk van Offshore c.s.
4.4.
OSFI heeft in dat kader betoogd dat [Y] zich uit de procedure in Amerika heeft teruggetrokken omdat hij een veroordeling zag aankomen en vervolgens, om zijn vermogen aan verhaal door OSFI te onttrekken, de besloten vennootschappen heeft opgericht en daar het vermogen van zijn eenmanszaak in heeft ondergebracht. Offshore c.s. heeft hiertegen in gebracht dat de oprichting van Offshore c.s. is geadviseerd door de accountant van [Y] en dat het advies stoelt op drie argumenten, namelijk een fiscaal argument (in de eenmanszaak moet meer belasting worden betaald en moet jaarlijks de winst worden afgerekend), een juridisch argument ([Y] deed zaken met grote buitenlandse marktpartijen en het werd onverantwoord geacht dat [Y] aan aanzienlijke aansprakelijkheidsrisico’s blootstond) en een erfopvolgingsargument ([Y] lijdt aan een mogelijk levensbedreigende ziekte en in verband met de erfopvolging is van belang dat de eenmanszaak van [Y] niet in zijn nalatenschap valt). Namens Offshore c.s. is voorts betoogd dat [Y] er ten tijde van de oprichting van Offshore c.s. niet van uit ging dat OSFI een vordering op hem zou verkrijgen; [Y] zou zich uit de procedure in de VS hebben teruggetrokken omdat hij de kosten van de advocaat niet meer kon betalen.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat in rechte moet worden aangenomen dat [Y] met het oprichten van Offshore c.s. het oogmerk had het verijdelen van verhaal door OSFI en overweegt daartoe als volgt.
4.6.
Het tijdstip waarop de vennootschappen zijn opgericht en de keuze die daarbij (later) is gemaakt om de aandelen in de STAK onder te brengen wijzen er, gelijk OSFI betoogt, onder de omstandigheden van dit geval op dat één en ander is geschied om verhaal door OSFI onmogelijk te maken. Juist moge zijn, zoals Offshore c.s. betoogt, dat deze structuur van een onderneming volstrekt gebruikelijk is, en dat de door [Y] genoemde redenen voor de oprichting van Offshore c.s. op zichzelf genomen plausibel zijn. Het gaat hier echter om een onderneming die gedurende ruim tien jaar is uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak. Al in 2003 is, zo heeft Offshore c.s. naar voren gebracht, de onderbrenging van de onderneming in een besloten vennootschap aan de orde geweest (advies van de accountant), maar [Y] heeft daar toen kennelijk vanaf gezien. Juist op (althans kort na) het moment dat [Y] zich terugtrekt uit de procedure in de Verenigde Staten worden de twee besloten vennootschappen opgericht. [Y] heeft zich op 28 maart 2007 uit de procedure teruggetrokken. De stelling van [Y] dat hij zich heeft teruggetrokken omdat hij de advocaatkosten niet meer kon betalen, volgt de rechtbank niet. Gelijk de rechtbank heeft overwogen in het vonnis waarbij het vonnis van de rechtbank in Louisiana is erkend, is, mede gegeven het feit dat [Y] met de transactie met de scheepschroeven kennelijk een winst van USD 425.000 (zie de door Offshore c.s. niet bestreden stelling van OSFI bij dagvaarding onder 6) heeft behaald, niet aannemelijk dat met het voeren van inhoudelijk verweer tegen de vordering van OSFI zodanige kosten waren gemoeid dat [Y] dat niet kon betalen. De rechtbank betrekt hierbij ook dat, anders dan namens Offshore c.s. ter comparitie is verklaard, de advocaatkosten tot dat moment niet “in de tonnen liepen”, doch (productie 14 van Offshore c.s.) USD 111.198 bedroegen.
Nog geen vier weken nadat [Y] zich uit de procedure had teruggetrokken is [gedaagde 2] opgericht, en korte tijd later OOC. Uit deze gang van zaken kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat dat is gebeurd om te voorkomen dat OSFI de vordering die zij op [Y] zou (kunnen) verkrijgen, zou kunnen verhalen op het vermogen van [Y]. De rechtbank acht de stelling van [Y] dat het vonnis van de rechtbank in Louisiana voor hem als een verrassing kwam ongeloofwaardig. Die procedure had als inzet de vordering van OSFI tegen (onder meer) [Y] en [Z], de voormalig CEO van OSFI, welke vordering (mede) betrekking had op fraude en samenspanning tussen [Z] en [Y] inzake de koop van scheepschroeven, waardoor zij op onrechtmatige wijze gelden zouden hebben onttrokken aan OSFI. Volgens OSFI zouden [Y] en [Z] het aan OSFI hebben doen voorkomen dat de aankoopprijs van de schroeven (geen USD 250.000, maar) USD 1.200.000 bedroeg, waarna [Y] en [Z] het verschil hebben gedeeld. Die vordering is door de rechtbank in Louisiana toegewezen. Gelet op de aard van het verwijt dat [Y] in die procedure is gemaakt en het feit dat [Y] met de bewuste transactie kennelijk een winst van USD 425.000 heeft behaald acht de rechtbank de blote stelling van [Y] dat
“hij altijd heeft gedacht dat mijn rol in het geheel zodanig was dat ik niet veroordeeld kon worden”
ongeloofwaardig.
4.7.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Offshore c.s. dat bij de oprichting van de vennootschappen mede een rol heeft gespeeld de kennelijk in 2007 bij [Y] geopenbaarde ziekte. Ter comparitie is in dit verband namens Offshore c.s. verklaard:
“Tijdens de ziekte van [Y] bleek dat hij [voor de oprichting van een B.V.] open stond. Dat komt ook omdat de oprichting van de B.V.’s en belangrijker nog het onderbrengen van de aandelen in een door [Y] en zijn echtgenote bestuurde stichting erfrechtelijk belangrijke gevolgen heeft.”
De oprichting van de STAK, in verband met de ziekte van [Y] kennelijk een belangrijke stap, heeft echter pas in januari 2008 plaatsgevonden. Overigens is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat bij de oprichting van Offshore c.s. mogelijk ook andere (plausibele) belangen een rol hebben gespeeld niet wegneemt dat op basis van voornoemde omstandigheden moet worden aangenomen dat het feitelijke doel was het verijdelen van verhaal. Om dezelfde reden passeert de rechtbank het verweer dat de advocaat van [Y] in 2006/2007 het oprichten van een B.V. heeft geadviseerd. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen was dat advies voor [Y] niet nieuw en neemt dat niet weg dat in rechte moet worden aangenomen dat de belangrijkste reden voor het op dat moment (wel) oprichten van de vennootschappen was het verijdelen van verhaal.
4.8.
De rechtbank betrekt bij haar oordeel de omstandigheid dat, hoewel tot en met de comparitie van partijen uitgangspunt van Offshore c.s. was dat de eenmanszaak van en door [Y] in Offshore c.s. is voortgezet, de stelling van Offshore c.s. thans is dat (alleen) de echtgenote van [Y] salaris verdient uit hoofde van een dienstbetrekking bij OOC BV; [Y] zou geen enkel inkomen ontvangen uit de onderneming en ook geen activiteiten verrichten. Dit is ongeloofwaardig. [Y] heeft tot 2007 de eenmanszaak gedreven en hij heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat en waarom zijn vrouw nu (kennelijk) die positie heeft overgenomen. Sterker nog, tijdens de comparitie van partijen heeft [Y] gesteld dat hij leeft van het pensioen van zijn vrouw; daaruit vloeit (juist) niet voort dat zijn vrouw salaris verdient met werkzaamheden voor OOC. Voorts acht de rechtbank in dit verband van belang de door Offshore c.s. niet betwiste omstandigheid dat [Y] kort voordat hij zich terugtrok uit de procedure in de Verenigde Staten zijn woning (volledig) op naam van zijn echtgenote heeft gesteld. Een en ander bevestigt dat het [Y] erom gaat verhaal door OSFI onmogelijk te maken.
4.9.
De conclusie naar aanleiding van het voorgaande is dat Offshore c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens OSFI. Dit geldt zowel voor [gedaagde 2] als OOC als de STAK, nu met de oprichting van deze drie rechtspersonen het oogmerk van [Y] om verhaal te omzeilen is verwezenlijkt. Zij zullen dan ook hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die is ontstaan als gevolg van dit onrechtmatig handelen.
4.10.
OSFI kan niet worden gevolgd in haar betoog dat Offshore c.s. en [Y] geheel vereenzelvigd moeten worden. Niet kan worden gezegd dat de – hierboven beschreven – omstandigheden van het geval zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging de meest aangewezen vorm van redres is. Daar komt bij dat in een geval als het onderhavige vereenzelviging reeds te ver zou gaan, omdat de omvang van de schade die OSFI lijdt door de (aan Offshore c.s. toe te rekenen) handelwijze van [Y] niet zonder meer gelijk is aan het bedrag van de vordering waarvan [Y] het verhaal wilde verijdelen.
4.11.
Uit het voorgaande vloeit voort dat OSFI (alleen) de schade kan vorderen die is ontstaan als gevolg van de onrechtmatige frustratie van haar verhaalsmogelijkheden. Offshore c.s. is niet voor meer aansprakelijk dan tot het verhaal dat [Y] (met zijn eenmanszaak) bood op het moment van de inbreng van de eenmanszaak in OOC. Partijen hebben hierover nog geen stellingen kunnen innemen en zullen hiertoe in de gelegenheid worden gesteld.
Verklaring derdenbeslag
4.12.
Nu onzeker is in hoeverre de hoogte van de schade die OSFI lijdt als gevolg van het onrechtmatig handelen van Offshore c.s. gelijk is aan de vordering van OSFI op [Y], kan niet worden uitgesloten dat OSFI belang houdt bij haar vordering gegrond op de betwisting van de door Offshore c.s. afgelegde verklaring in het kader van de door OSFI onder Offshore c.s. gelegde derdenbeslagen. Aldus komt de rechtbank toe aan toetsing van de juistheid van de verklaring van Offshore c.s. OSFI heeft in dat kader naar voren gebracht:
- -
dat [Y] met zijn bedrijf grote transacties verricht, die op enige wijze tot periodieke betalingen (dividend) moeten leiden aan [Y];
- -
dat [Y] minst genomen aanspraak kan maken op een redelijke vergoeding voor zijn werkzaamheden op de voet van artikel 479a Rv;
- -
dat [Y] de aandelen in [gedaagde 2] en in OOC heeft ingebracht in de STAK, en dat de STAK daarvoor op enigerlei wijze een tegenprestatie verschuldigd moet zijn.
Dividend
4.13.
Volgens Offshore c.s. heeft [Y] geen vordering op Offshore c.s. tot betaling van dividend. Offshore c.s. betoogt dat als er al transacties plaatsvinden, deze worden afgewikkeld binnen OOC, zodat dit niet kan leiden tot een schuld aan [Y] en voorts dat er uiteindelijk wel resultaat is behaald, maar dit is toegevoegd aan de algemene reserves.
4.14.
In haar akte uitlating producties heeft OSFI naar voren gebracht dat in 2011 een bedrag van € 26.665 aan dividend is uitgekeerd aan [gedaagde 2], en dat dit bedrag krachtens artikel 13 van de administratievoorwaarden van de STAK onverwijld uitgekeerd moet worden aan [Y], zodat het hier een vordering betreft die onder het beslag valt. Inderdaad wordt in de jaarrekening van [gedaagde 2] melding gemaakt van een dividenduitkering van voornoemd bedrag (p. 31). Op basis van de thans aan de rechtbank bekende gegevens kan niet worden vastgesteld in hoeverre het hier een vordering betreft die onder het beslag valt. Het ligt op de weg van Offshore c.s. hierover duidelijkheid te verschaffen. Het gaat immers om gegevens die zich bevinden in het domein van Offshore c.s. In dit kader dient Offshore c.s. onder overlegging van stukken (bankafschriften, stukken in het kader van de besluitvorming met betrekking tot de dividenduitkering en dergelijke) uiteen te zetten op welk moment er een dividenduitkering heeft plaatsgevonden aan – naar de rechtbank aanneemt – de STAK, en op welk moment en in welke verhouding de STAK tot uitbetaling aan de beide certificaathouders ([Y] en zijn echtgenote) is overgegaan. Offshore c.s. heeft weliswaar een email overgelegd van haar accountant, maar de daarin vervatte informatie is in dit kader onvoldoende. Hij schrijft:
“In 2011 is er vanuit [Y] Holding bruto € 26.665 dividend uitgekeerd. Fiscaal mag je dit over de echtgenoten verdelen. Derhalve is € 17.786 aan [[Y]] toegekend.”
Hieruit blijkt immers nog niet welke verhouding (tussen [Y] en zijn echtgenote) geldt op basis van de uitgegeven certificaten, en wanneer het dividend aan [Y] daadwerkelijk is uitgekeerd. Zoals reeds aan de orde kwam zal Offshore c.s. hierover duidelijkheid moeten verschaffen, onder overlegging van bewijsstukken.
Vergoeding voor werkzaamheden
4.15.
Wat een aan [Y] toekomende vergoeding (voor werkzaamheden als bestuurder) betreft, heeft Offshore c.s. naar voren gebracht dat het hier hooguit kan gaan om een verplichting van OOC, nu [gedaagde 2] en de STAK geen transacties verrichten en [Y] dus ook geen werkzaamheden voor hen verricht. Nu tussen OOC en [Y] evenwel geen rechtsbetrekking bestaat en evenmin afspraken zijn gemaakt tussen OOC en [Y] over de betaling van een vordering moet het betoog van OSFI hierop stranden. [Y] heeft ook nooit aanspraak gemaakt op betaling. Ter comparitie heeft [Y] in dit verband verklaard dat hij geen salaris ontvangt en dat hij leeft van het pensioen van zijn vrouw; zijn advocaat heeft verklaard dat de fiscus een vrijstelling heeft afgegeven en dat hij deze in het geding zal brengen. In de akte na comparitie betoogt [Y] dat mevrouw [X] de enige werknemer van OOC is en inkomen geniet, terwijl [Y] alleen bestuurder is van [gedaagde 2], waarin geen activiteiten worden verricht.
4.16.
Zoals reeds is overwogen onder 4.8 acht de rechtbank ongeloofwaardig dat [Y] geen inkomen geniet uit de onderneming. Zoals OSFI terecht naar voren brengt en zoals bij gelegenheid van de comparitie van partijen ook namens Offshore c.s. is gesteld, is OOC een voortzetting van de eenmanszaak, welke daarvoor reeds meer dan 10 jaar door en voor rekening van [Y] werd gedreven. Uit het feit dat de structuur van de vennootschappen thans aldus is, dat de werkmaatschappij wordt bestuurd door een holdingmaatschappij kan, anders dan Offshore c.s. kennelijk betoogt, niet worden afgeleid dat [Y], als enig bestuurder van (alleen) de holdingmaatschappij, geen werkzaamheden verricht. Veeleer ligt voor de hand dat alleen de structuur van zijn onderneming is gewijzigd, en dat [Y] overigens de werkzaamheden die voorheen in de eenmanszaak werden uitgeoefend heeft voortgezet. Mede gelet op de stelling van [Y] ter comparitie dat hij (op dat moment) geen salaris krijgt uitbetaald vanuit zijn vennootschappen en dat hij leeft van het pensioen van zijn vrouw, acht de rechtbank niet zonder meer aannemelijk dat de gehele omzet in OOC (€ 482.228 in 2011) is behaald zonder dat hier inspanningen van [Y] aan ten grondslag hebben gelegen. Het had onder voornoemde omstandigheden op de weg van Offshore c.s. gelegen hierover duidelijkheid te verschaffen. Offshore c.s. volstaat echter met de blote stelling dat de echtgenote van [Y] de enige werknemer is van OOC, en dat “om die reden” (onder overlegging van een inkomensverklaring van de belastingdienst van 2011, en dus niet van de aangekondigde vrijstelling) de belastingdienst geen fictief loon in aanmerking heeft genomen. Dat is onvoldoende. De rechtbank zal dan ook in rechte aannemen dat [Y] vanuit [gedaagde 2] inkomsten geniet voor zijn werkzaamheden als indirect bestuurder van OOC. De rechtbank zal daarbij aansluiten bij het jaarinkomen dat de echtgenote van [Y] blijkens de jaarrekening bij OOC geniet, een bedrag van € 71.687 in 2011. Tot heden gaat het daarbij om 26 maanden na beslaglegging en derhalve om een brutobedrag van € 155.322. Partijen kunnen zich uitlaten over het gedeelte van dit bedrag als bedoeld in artikel 475a lid 2 Rv alsmede over (de hoogte van) de beslagvrije voet (artikel 475d Rv).
Overig; verdere verloop van de procedure
4.17.
OSFI heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de verklaring van Offshore c.s. overigens onjuist of onvolledig zou zijn. OSFI kan in ieder geval niet worden gevolgd in haar betoog dat de STAK een tegenprestatie schuldig is aan [Y] voor de verkregen aandelen in [gedaagde 2] Vanuit de STAK zijn in ruil daarvoor immers certificaten uitgegeven.
4.18.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat nader debat moet worden gevoerd over:
- -
de schade in verband met de onrechtmatige frustratie van de verhaalsmogelijkheden van OSFI;
- -
de betaling van dividend over 2011;
- -
4.19.
OSFI zal als eerste in de gelegenheid worden gesteld op voornoemde punten te reageren. Daarbij kan de betaling van het dividend over 2011 uiteraard door haar niet nader worden uitgewerkt, nu niet zij maar Offshore c.s. over de desbetreffende gegevens beschikt. Offshore c.s. moet deze gegevens overleggen bij haar antwoordconclusie, waarna OSFI (alleen) daarop kan reageren bij akte.
4.20.
In afwachting van voornoemde conclusie- (en akte-)wisseling wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
4.21.
De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep tegen dit tussenvonnis open te stellen.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 5 maart 2014 voor conclusie na tussenvonnis aan de zijde van OSFI,
5.2.
verstaat dat het verdere procesverloop zal zijn zoals hiervoor onder 4.19 weergegeven,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. F. Damsteegt-Molier en mr. T. Boesman en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2014.
[2148/1729/2309]