Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/3.6:3.6 Deelconclusie
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/3.6
3.6 Deelconclusie
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat is de betekenis van het algemeen belang als grondslag voor de toepassing van het opportuniteitsbeginsel, in het licht van het Europese vereiste van effectiviteit? Dat was de deelvraag die in dit hoofdstuk aan de orde is gekomen. Met het analytische hulpmiddel van de catalogische en axiologische dimensies, die in het algemeen belang te herkennen zijn, kan op die vraag een antwoord worden gegeven.
In ieder geval is duidelijk dat bij de invulling van het algemeen belang niet mag worden voorbijgegaan aan de gerechtvaardigde belangen van de Europese Unie. Wat de bescherming van de financiële belangen van de Unie betreft is dat zelfs expliciet in de Verdragen opgenomen. Bij de afbakening van welke belangen en gezichtspunten kunnen meewegen als invulling van het algemeen belang mag daarom niet halt worden gehouden bij de landsgrenzen. Centralisering en automatisering van het vervolgingsbeleid door het Nederlandse om zijn in dat licht problematisch, omdat in de beleidsvorming door het om noodzakelijkerwijs de nadruk ligt op nationale belangen, en afwijking daarvan wordt bemoeilijkt. Beslissingen over de afbakening van belangen die mee dienen te wegen in het vervolgingsbeleid zouden daarom in grotere mate in handen van individuele beslissers moeten liggen, in plaats van vooraf te zijn vastgelegd in nationale beleidsinstrumenten. Een verwerking van gezichtspunten die Europese belangen verdisconteren in het Nederlandse vervolgingsbeleid zou enige verbetering kunnen brengen, maar zal geen volledige oplossing kunnen bieden. Zolang dat beleid in de Nederlandse context gecentraliseerd tot stand komt, zal per definitie de opneming van externe belangen minder voor de hand liggen.
De verwerking van verschillende belangen en gezichtspunten in concrete beslissingen en in het algemene strafvorderingsbeleid moet ook inhoudelijk afgestemd worden op het vereiste van effectiviteit. Dat behelst een verplichting tot een normatieve keuze, waaraan de doelmatigheid van het Uniebeleid minimumeisen stelt. Dat klinkt sterk door in het vereiste dat de gekozen sancties doeltreffend en afschrikkend moeten zijn. De voorwaarde van evenredigheid lijkt, wanneer deze gezien wordt als een begrenzing van retributie, de bestraffing te limiteren aan de ernst van de overtreding. In de opvatting van het Hof van Justitie ligt in die evenredigheid echter minstens zo sterk besloten dat de opgelegde sancties voldoende zwaar moet zijn om de doelstellingen van het Uniebeleid te verwezenlijken. Daarmee zijn de vereisten van doeltreffendheid, evenredigheid en afschrikkendheid vrijwel uitsluitend utilitaristisch.
Op grond daarvan zouden er bij de handhaving van het strafrecht meer mogelijkheden moeten zijn voor beslissers om, buiten de voorgeprogrammeerde antwoorden om, andere dan nationale handhavingsbelangen te laten meewegen. Dat geldt voor Europese, maar ook voor lokale en individuele belangen, zeker wanneer deze geen verband houden met de ernst van de overtreding. Wanneer voor een strafzaak de effectiviteit van het Europese recht relevant is, legt die een zodanig gewicht in de schaal dat voor een terughoudend strafrechtelijk optreden nog maar weinig mogelijkheden bestaan.