Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.3.3
2.3.3 De straftoemetingsbepalingen, de wijze van (individuele) straftoemeting
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS460881:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 18 Wet PB 1806 schrijft een boete voor van vijfmaal het bedrag van de belasting (den impost).
In artikel 27 Wet PB 1806 staat dat een boete van vijfentwintig gulden zal worden opgelegd voor iedere maand die verstrijkt na de uiterste inlevertermijn voor het indienen van o.a. huurcontracten. Deze bepaling heeft daarmee ook iets weg van een dwangsom.
In dat geval hoefde de belastingplichtige ook niet op te draaien voor de taxatiekosten (zie artikel 18).
Zie artikel 16, lid 1 AWR. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat voor navorderingen op grond van kwade trouw minimaal sprake moet zijn van voorwaardelijk opzet (Hoge Raad 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5989, BNB 2011/59, met noot J.A.R. van Eijsden, NTFR 2010/2830, met noot Jansen).
Algemene bepalingen over matiging of kwijtschelding van de bestuurlijke boeten zijn niet te vinden in de Wet PB 1806. Uit het enkele feit dat deze wet niet slechts vaste boeten maar ook variabele boeten voorschreef volgt echter dat in voorkomende gevallen rekening kon worden gehouden met de ernst van het individuele geval. Immers hoe hoger het bedrag dat bijvoorbeeld na taxatie van overheidswege alsnog betaald moest worden, des te hoger was het bedrag van de boete.1 En hoe langer men wachtte met het aanleveren van (kopieën van) huurcontracten en dergelijke, des te hoger werd de boete.2
Overigens werd ook niet op elke slak zout gelegd. Indien de door de overheid vastgestelde taxatiewaarde hoger was dan de waarde volgens de opgaaf van de belastingplichtige, dan bleef een boete achterwege als het verschil niet meer bedroeg dan tien procent.3
Uit artikel 24 van de Wet PB 1806, betreffende de ‘straffen der fraudateurs’, volgt verder dat de wetgever tevens oog had voor maatwerk in strafverzwarende zin:
“Wanneer iemand bevonden mogt worden eenige Perceelen, waar van hij gehouden is den Impost te voldoen, ter kwader trouw te hebben verzwegen en niet opgegeven, […] zal de zodanige voor de eerste maal, vervallen in eene Boete van vier honderd Guldens, of, de verzwegene Huur of Pacht meerder dan honderd Guldens in het Jaar komende te bedragen, gelijk aan vier maal een heel Jaar Huur of Pacht van het verzwegene of te laag aangegevene Perceel, en, voor de tweede maal over eene dergelijke fraude gecalangeerd (aangeklaagd, IK) wordende, in eene Boete van acht honderd Guldens, of de verzwegene Huur of Pacht meer dan honderd Guldens in het Jaar komende te bedragen, gelijk aan acht maal een geheel Jaar Huur of Pacht van het verzwegene of het te laag aangegevene Perceel.”
Bovenstaande boetebepaling herbergt mijns inziens een drietal elementen die verband houden met algemene en individuele straftoemeting. In de eerste plaats is dat het element kwader trouw. Hoewel de wettelijke term ‘kwade trouw’ in het huidig tijdgewricht alleen een rol speelt in de navorderingssfeer4, kan deze term in de context van de boetebepaling van artikel 24 moeilijk anders worden opgevat als ‘opzettelijk’. De boete van artikel 24 Wet PB 1806 kon dus waarschijnlijk niet opgelegd worden wanneer hooguit sprake was van grove schuld. De mate van verwijtbaarheid was derhalve denkelijk wel degelijk van belang in het kader van de algemene straftoemeting.
Het tweede element dat ziet op individuele straftoemeting is de mix van vaste en variabele boetetarieven. Deze mix heeft tot gevolg dat er een minimumboete gold (van vierhonderd of achthonderd gulden) ongeacht de hoogte van het belastingnadeel. Deze minimumboete pakt mijns inziens strafverzwarend uit in die gevallen waarin toepassing van het variabele boetetarief zou leiden tot een boete die lager is dan de minimumboete. Deze strafverzwaring vindt vermoedelijk zijn rechtvaardiging in het feit dat de boete slechts in geval van kwade trouw kon worden opgelegd. De wetgever vond blijkbaar dat het opzettelijk foute gedrag ‘an sich’ met een zekere minimumboete moest worden vergolden, los van het belastingnadeel.
Ten derde speelt recidive een duidelijke rol in de boetebepaling van artikel 24 Wet PB 1806. Gaat de belastingplichtige voor de eerste keer in de fout, dan krijgt hij een boete van vierhonderd gulden of, als dit hoger is, een boete van viermaal de niet of te laag aangegeven jaarhuur of -pacht. Mocht de belastingplichtige voor de tweede maal een misstap maken, dan wordt het dubbele boetetarief berekend.