Conclusie van Advocaat-Generaal A. Rantos van 21 november 2024 in de gevoegde zaken C‑251/23 en C‑308/23, ECLI:EU:C:2024:977 (OB en YV tegen Mercedes-Benz).
Rb. Amsterdam, 01-02-2023, nr. C/13/702519 / HA ZA 21-500
ECLI:NL:RBAMS:2025:6109
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
01-02-2023
- Zaaknummer
C/13/702519 / HA ZA 21-500
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2025:6109, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 20‑08‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak, Geheimhoudingsbeslissing)
ECLI:NL:RBAMS:2025:1124, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 19‑02‑2025; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2024:3927, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 03‑07‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2024:3708, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 19‑06‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2024:2019, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 10‑04‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2023:468, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 01‑02‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
Uitspraak 20‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Rolbeslissing in massaschadezaak: de Autodealers mogen zich uitlaten over de door Renault c.s. subsidiair verzochte geheimhouding van de door haar op grond van een art. 22 Rv-bevel in het geding te brengen informatie.
Partij(en)
rolbeslissing
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
Rolbeslissing van 20 augustus 2025
in de volgende gevoegde zaken
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/702519 / HA ZA 21-500 van
de stichting
STICHTING EMISSION CLAIM,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. C. Jeloschek,
e i s e r e s,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT S.A.,
gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius,
2. de naamloze vennootschap
RENAULT NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Schiphol-Rijk,
advocaat mr. Y. Borrius,
g e d a a g d e n,
[tegen gedaagde 3 is ontslag van instantie verleend]
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710414 / HA ZA 21-1028 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. P. Haas,
e i s e r e s,
tegen de hiervoor onder 1 en 2 genoemde gedaagden en tegen
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT S.A.S.,
gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AUTOMOBILE DACIA S.A.,
gevestigd te Boekarest/Mioveni (Roemenië),
advocaat mr. Y. Borrius,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RENAULT-NISSAN B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verstek verleend,
g e d a a g d e n,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710434 HA ZA 21-1030 van
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. J.D. Edixhoven,
e i s e r e s,
en in de - op de rol met bovengenoemde zaken gevoegde - gevoegde zaken:
de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/751970 HA ZA 24-615
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. P. Haas,
e i s e r e s,
tegen
de gedaagden 7 t/m 43 en 48 t/m 82 zoals genoemd in het vonnis van 10 april 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:2019),
g e d a a g d e n
advocaat mr. R.J. van der Weijden,
en de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/751971 HA ZA 24-616
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. J.D. Edixhoven,
e i s e r e s
tegen
de gedaagden 7 t/m 43 en 48 t/m 82 zoals genoemd in het vonnis van 10 april 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:2019),
g e d a a g d e n
advocaat mr. R.J. van der Weijden
Eiseressen zullen hierna afzonderlijk SEC, SCC en SDEJ worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij ook de Stichtingen worden genoemd. Renault S.A., Renault Nederland N.V., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. zullen hierna gezamenlijk Renault c.s. worden genoemd.
De gedaagden in de zaken C/13/751970 HA ZA 24-615 en C/13/751971 HA ZA 24-616 worden aangeduid als de Autodealers.
1. De beoordeling
1.1.
In deze zaak heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 19 februari 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:1124) aan Renault c.s. een bevel op grond van artikel 22 Rv gegeven. Renault c.s. heeft daaraan gedeeltelijk voldaan en gedeeltelijk geweigerd daaraan te voldoen en subsidiair verzocht dat de rechtbank partijen geheimhouding op zal leggen als bedoeld in artikel 28 Rv.
1.2.
De rechtbank heeft de gevoegde zaken tegen Renault c.s. en de gevoegde zaken tegen de Autodealers op de rol gevoegd en is van plan deze zaken tegelijk op de zitting te behandelen. Dat betekent dat het subsidiaire verzoek tot geheimhouding van door Renault c.s. te verstrekken informatie ook relevant is voor de gevoegde procedures tegen de Autodealers. Immers als de rechtbank het subsidiaire verzoek van Renault c.s. tot het opleggen van geheimhouding zou toewijzen, zou dit ook betrekking moeten hebben op de Autodealers.
1.3.
De rechtbank zal de akte waarin Renault c.s. het subsidiaire verzoek tot geheimhouding doet en de reactie daarop van de Stichtingen aan de Autodealers doen toekomen en hen in de gelegenheid stellen over het subsidiaire verzoek tot het opleggen van geheimhouding bij akte een standpunt in te nemen.
1.4.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
2. De beslissing
De rechtbank
in de gevoegde zaken C/13/751970 HA ZA 24-615 en C/13/751971 HA ZA 24-616 (de zaken tegen de Autodealers):
2.1.
bepaalt dat de akte van Renault c.s. van 11 juni 2025 en de antwoordakte van de Stichtingen van 9 juli 2025 aan de Autodealers wordt toegezonden en aan het dossier wordt toegevoegd,
2.2.
verwijst de zaak naar de rol van 3 september 2025 voor akte uitlating verzoek geheimhouding aan de kant van de Autodealers zoals bedoeld onder 1.3,
in alle zaken:
2.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze rolbeslissing is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, bijgestaan door mr. F.A. Nusman, griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2025.
Uitspraak 19‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Artikel 22 Rv bevel.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
Vonnis van 19 februari 2025
in de volgende gevoegde zaken
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/702519 / HA ZA 21-500 van
de stichting
STICHTING EMISSION CLAIM,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. C. Jeloschek,
e i s e r e s,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT S.A.,
gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius,
2. de naamloze vennootschap
RENAULT NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Schiphol-Rijk,
advocaat mr. Y. Borrius,
g e d a a g d e n,
[tegen gedaagde 3 is ontslag van instantie verleend]
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710414 / HA ZA 21-1028 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. P. Haas,
e i s e r e s,
tegen de hiervoor onder 1 en 2 genoemde gedaagden en tegen
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT S.A.S.,
gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AUTOMOBILE DACIA S.A.,
gevestigd te Boekarest/Mioveni (Roemenië),
advocaat mr. Y. Borrius,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RENAULT-NISSAN B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verstek verleend,
g e d a a g d e n,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710434 HA ZA 21-1030 van
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. J.D. Edixhoven,
e i s e r e s,
tegen de hiervoor onder 1, 2, 4 en 5 genoemde gedaagden.
Eiseressen zullen hierna afzonderlijk SEC, SCC en SDEJ worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij ook de Stichtingen worden genoemd. Renault S.A., Renault Nederland N.V., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. zullen hierna gezamenlijk Renault c.s. worden genoemd.
De zaken zullen hierna afzonderlijk de SEC-zaak, de SCC-zaak en de SDEJ-zaak worden genoemd.
1. De procedure
in de SEC-zaak, de SCC-zaak en de SDEJ-zaak
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 november 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6874,
- de akte uitlating herzien bevel ex artikel 22 Rv van SEC, SCC en SDEJ gezamenlijk,
- de antwoordakte ex artikel 22 Rv van Renault c.s.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
In de drie gevoegde zaken tegen Renault c.s.
2.1.
Nadat de rechtbank in het tussenvonnis van 19 juni 2024 Renault c.s. op grond van het bepaalde in artikel 22 Rv een bevel had gegeven en Renault daartegen bezwaar had gemaakt, heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 13 november 2024 een voorgenomen gewijzigd bevel opgenomen en partijen de gelegenheid gegeven daarop te reageren.De rechtbank zal hierna op de reactie van partijen ingaan, en komt tot de definitieve vaststelling van het artikel 22-bevel.
De bezwaren van de Stichtingen
2.2.
SCC, SDEJ en SEC achten de beantwoording door Renault c.s. van de vragen van de rechtbank noodzakelijk. Zij verwijzen naar de conclusie van Advocaat-Generaal Rantos van 24 november 2024 in de procedures C-251/23 en C-308/231.tussen autobezitters en Mercedes bij het HvJ EU. Zij verwijzen naar punt 79 van deze conclusie die als volgt luidt:
79. Volgens de rechtspraak van het Hof moet de nationale rechter bovendien, om de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel te verzekeren, gebruikmaken van alle procedurele middelen die hem door het nationale recht ter beschikking worden gesteld – waaronder het bevelen van de noodzakelijke maatregelen van instructie, met inbegrip van de overlegging van een akte of een stuk door één der partijen of door een derde – wanneer hij vaststelt dat het feit dat de bewijslast op een partij rust het onmogelijk of uiterst moeilijk kan maken dat bewijs te leveren, met name omdat het betrekking heeft op gegevens waarover die partij niet kan beschikken.(33) Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, verlangt dit beginsel bovendien dat wordt gezorgd voor rechterlijke bescherming, welk vereiste is neergelegd in artikel 47 van het Handvest en door de nationale rechter in acht dient te worden genomen.(34)2.
Dit geldt volgens de Stichtingen met name als bepaalde informatie zich in het domein van de autofabrikant bevindt en voor de autobezitters niet of moeilijk toegankelijk is, zoals voor de Autobezitters in de onderhavige procedure.
2.3.
Volgens de Stichtingen zijn in de betrokken voertuigen niet alleen de in het tussenvonnis genoemde twee motortypen gebruikt, maar is de volledig lijst van gebruikte motortypen als volgt:
- de K9K motor;
- de R9M motor;
- de M9R motor;
- de M9T motor;
- de F9Q motor;
- de G9U motor,
- de motoren met motorcodes YD25 en ZD3O.
De Stichtingen verzoeken de rechtbank om het definitieve bevel op dit punt te verduidelijken.
2.4.
De rechtbank overweegt als volgt. De vragen van het artikel 22 Rv-bevel zijn niet beperkt tot de twee motortypen die in het tussenvonnis van 13 november 2024 zijn genoemd. Het definitieve bevel behoeft op dit punt dus geen verduidelijking.
2.5.
De Stichtingen maken bezwaar tegen de beperking tot de emissieklasse tot en met 6c. De definitie van Getroffen Voertuigen in de dagvaarding van SCC omvat alle Euro 5 en alle Euro 6 voertuigen die tussen 1 september 2009 en 1 september 2019 op de Nederlandse markt zijn gebracht, waaronder dus ook de subcategorieën Euro 6d Temp en Euro 6d. Renault c.s. erkent dat de Euro 6d Temp norm op 1 september 2017 in werking trad en daarmee dat zij al vanaf 1 september 2017 Getroffen Voertuigen met een Euro 6d Temp classificatie op de Nederlandse markt kon brengen. Daarnaast kan Renault c.s. nieuwe emissienormen vrijwillig hebben toegepast.
2.6.
De rechtbank zal het artikel 22 Rv-bevel op dit punt aanpassen. Het bevel zal ook zien op de Euro 6d-Temp en Euro 6d subcategorieën. De definitie van Getroffen Voertuigen omvat namelijk alle Euro 5 en Euro 6 voertuigen die tussen 1 september 2009 en 1 september 2019 op de Nederlandse markt zijn gebracht. De Euro 6d-Temp en Euro 6d subcategorieën vallen daar ook onder.
2.7.
De Stichtingen verzoeken de Rechtbank in het definitieve bevel op te nemen dat Renault c.s. haar antwoorden moet voorzien van relevante bijbehorende documentatie. De door Renault c.s. in het kader van het bevel in het geding te brengen documentatie zal voor de Stichtingen aanknopingspunten kunnen bevatten om eventueel tegenbewijs te kunnen leveren tegen door Renault c.s. ingenomen standpunten.
Renault c.s. heeft op grond van Verordening (EU) 2016/646 de verplichting om gedetailleerde informatie aan de typegoedkeuringsautoriteiten te verstrekken over de primaire emissiestrategie (‘Base Emission Strategy’, ‘BES’) en aanvullende emissiestrategie (‘Auxiliary emission Strategy’, ‘AES’) voor Getroffen Voertuigen vanaf emissieklasse 6c.21. De Stichtingen verzoeken de rechtbank om Renault c.s. in het definitieve bevel op te dragen om (naast alle andere voor de beantwoording van de vragen relevante documentatie) ook de AES- en BES-documentatie met betrekking tot de Getroffen Voertuigen in het geding te brengen.
2.8.
De rechtbank zal Renault c.s. bevelen om, indien er sprake is van een manipulatie-instrument, dus als zij met betrekking tot (een gedeelte van) een motor heeft geantwoord dat er sprake is van een manipulatie-instrument, dat zij dan de hierboven genoemde documentatie in het geding moet brengen.
2.9.
Voor het geval dat Renault c.s. voornemens is bepaalde vragen van het herziene bevel niet te beantwoorden, heeft de rechtbank Renault c.s. in het tussenvonnis van 13 november 2024 opgedragen om dit al meteen in haar akte mede te delen. Als (een onderdeel van) het herziene bevel niet of zeer bezwaarlijk uitvoerbaar zou zijn, heeft de rechtbank Renault c.s. daarnaast in de gelegenheid gesteld om een alternatieve werkwijze voor te stellen, mits die dezelfde informatie zal opleveren als beoogd in het herziene bevel.Als Renault c.s. in haar akte kenbaar zal maken dat zij bepaalde vragen niet of slechts onder bepaalde voorwaarden zal beantwoorden, of dat de door de rechtbank voorgestelde categorisering voor haar bezwaarlijk uitvoerbaar zou zijn, dan zullen die stellingen van Renault c.s. (en de daaraan ten grondslag liggende eventuele onderbouwing) nieuwe stellingen betreffen, waar de Stichtingen zich nog niet over hebben kunnen uitlaten. De goede procesorde, in het bijzonder het beginsel van hoor en wederhoor, nopen ertoe dat de Stichtingen in dat geval in de gelegenheid zullen worden gesteld om dat alsnog te doen. Zij verzoeken de rechtbank daarom eerbiedig om aan hen alsdan een termijn van twee weken te verlenen om een antwoordakte te nemen, waarin zij zich (uitsluitend) op deze nieuwe stellingen van Renault c.s. kunnen reageren, voordat de rechtbank daarop beslist.
2.10.
De rechtbank wijst dit verzoek af. Indien Renault c.s. in een akte kenbaar zou maken dat zij bepaalde vragen niet of slechts onder bepaalde voorwaarden zal beantwoorden, of dat de door de Rechtbank voorgestelde categorisering voor haar bezwaarlijk uitvoerbaar zou zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om de Stichtingen in dat geval in de gelegenheid te stellen een antwoordakte te nemen. Het gaat hier om een instructiemaatregel van de rechtbank, waar Renault c.s. in dat geval niet of gedeeltelijk niet aan voldoet, en niet om stellingen van partijen met betrekking tot de vorderingen waarop reactie van de Stichtingen in het kader van hoor en wederhoor nodig is.
De bezwaren van Renault c.s.
- technisch
2.11.
Renault c.s. heeft gewezen op technische bezwaren tegen het artikel 22 Rv-bevel. Renault c.s. noemt als relevante factoren bij de ontwikkeling van voertuigen: de fysische werking van dieselmotoren, veiligheidsnormen en de geldende emissieregelgeving. Het ontwerpproces is complex. Er is een holistische benadering nodig van de werking van dieselmotoren, met de daarbij behorende fysische en technische begrenzingen, en met (in het relevante tijdvak) beschikbare technologieën en strategieën om deze begrenzingen te adresseren en goed functionerende, veilige voertuigen, te kunnen produceren.
Deze zaak is niet vergelijkbaar met de Volkswagen-zaak, omdat daar al was vastgesteld en door Volkswagen erkend dat één type motor was uitgerust met een verboden manipulatie-instrument, namelijk testherkenning. Renault c.s. gebruikte en gebruikt geen testherkenning in haar voertuigen en is ook niet onderworpen aan een verplichte terugroepactie in verband met het ontwerp van haar emissiecontrolesystemen.
Het op geïsoleerde wijze opvragen van informatie uitsluitend gebaseerd op data over functionaliteiten, parameters en strategieën (met voorbijgaan aan de hiervoor geschetste complexe samenhang) dient volgens Renault c.s. geen doel.
2.12.
De rechtbank ziet dit anders. Voor zover het door Renault c.s. gestelde zou kloppen, dan geldt nog steeds dat dit kennelijk geen beletsel voor de EU-wetgever is geweest om in de Emissieverordening een algemeen verbod op het gebruik van manipulatie-instrumenten op te nemen. Dit impliceert dat de complexiteit van het ontwerp van een voertuig en van het ontwikkelproces er niet aan in de weg staat te beoordelen of wel of niet sprake is van een manipulatie-instrument.
2.13.
Renault c.s. heeft ook gewezen op het volgende. De wijze waarop de emissiecontrolesystemen van Renaults voertuigen werken, is afhankelijk van verschillende — onderling samenhangende — factoren en vergt een juist begrip (kennis en inzicht) in fundamentele fysische, chemische én technische facetten van en rondom dieselmotoren. Het gaat onder meer om:
a. de omstandigheden in de verbrandingskamer van de motor;
b. de omgevingsfactoren van het voertuig;
c. de rijomstandigheden van (de bestuurder van) het voertuig;
d. de (configuratie van de) hardware ter vermindering van de NOx-uitstoot;
e. de veilige en betrouwbare werking van de hardware en de motor in het algemeen;
f. de uitstoot van andere soorten emissies (o.a. CO2).
2.14.
Onder andere de omstandigheden in de verbrandingskamer, de voertuigprestatiegegevens en de werking van de hardware worden aangestuurd met behulp van bepaalde software. Deze software monitort (zeer kort gezegd) (i) een reeks aan parameters in het voertuig, waaronder die met betrekking tot emissiebeheersing, en (ii) aspecten van de hardware van de emissiecontrolesystemen.
- Ad (i): het monitoren van alle mogelijke parameters, waaronder (maar niet
beperkt tot) de inlaatluchttemperatuur, de koelvloeistoftemperatuur, het
motorkoppel of zelfs de luchtdruk, vereist kalibratie van de software. Een kalibratie
ziet op instellingen van de software die bepalen bij welke waarden van welke
grootheden (parameters) het systeem een bepaalde functie uitoefent, en in
welke mate.
- Ad (ii): de hardware betreft — bijvoorbeeld — de dieselroetfilter, het EGR-systeem
of de NOx trap.
De kalibratie van de software zal doorgaans — evenals de configuratie van de hardware — per voertuig van Renault verschillen.
2.15.
Renault c.s. schat dat zij in de periode tussen 2009 en 2019 ongeveer 200.000 Renault voertuigen heeft geëxporteerd naar Nederland. Door de verschillende varianten in o.a. model en uitvoering, motortype en motorvarianten en emissieklasse levert dat ongeveer 1.000 verschillende (software) kalibraties op. Daar komt bij dat de kalibratie door aftersales updates kan worden aangepast.
De aanname van de rechtbank dat mogelijk zou zijn om, ten aanzien van alle voertuigen, op geïsoleerde wijze inzicht te geven in de werking / impact van een willekeurige parameter als ‘rijsnelheid’ is onjuist.
2.16.
Een motortype staat voor een familie van dieselmotoren. Deze heeft een veelheid aan motorvarianten, die worden geduid met verschillende specifieke sub motorcodes. Deze motorvarianten verschillen (niet-limitatief) per emissieklasse, vermogen (kW/pk), bouwjaar, model(generatie), versnellingsbak (zoals een automatische of handgeschakelde versnellingsbak) etc. Ter illustratie: het motortype K9K kent bijna 40 motorvarianten en honderden (software) kalibratie-versies. Elke kalibratie bestaat op haar beurt weer uit tienduizenden labels die informatie verschaffen over bepaalde parameters in een specifiek voertuig, aldus steeds Renault c.s.
2.17.
De rechtbank ziet in het voorgaande geen aanleiding om het artikel 22 Rv-bevel aan te passen. De beoordeling richt zich niet in het algemeen op de werking van het voertuig en ook niet in het algemeen op de werking van het emissiecontrolesysteem, maar op de aanwezigheid van een specifiek onderdeel dat de werking van het emissiecontrolesysteem beïnvloedt, namelijk het al dan niet aanwezig zijn van manipulatie-instrumenten. Dat de kalibratie per voertuig verschilt (en dus dat er ongeveer 200.000 verschillende kalibraties zouden zijn van naar Nederland geëxporteerde voertuigen) is niet aannemelijk, omdat het in serie gebouwde voertuigen betreft en Renault c.s. elders in haar akte een aantal van ongeveer 1.000 verschillende softwarekalibraties noemt.
2.18.
Over de te stellen vragen overweegt de rechtbank als volgt. De vragen in het bevel zijn niet gericht op een algemeen en alomvattend inzicht in de werking van het emissiecontrolesysteem, maar het gaat specifiek om het al dan niet aanwezig zijn van manipulatie-instrumenten. Dat elk van de kalibraties uit tienduizenden labels bestaat doet er niet aan af dat van Renault c.s. verwacht mag worden dat zij in die labels de labels die de werking van het emissiecontrolesysteem bepalen zonder moeite zal kunnen vinden en dat zij daarbinnen zonder moeite zal kunnen vinden of hierbij functionaliteiten zijn toegepast die onder de definitie van een manipulatie-instrument vallen. De Europese wetgever heeft deze definitie kennelijk voldoende duidelijk geacht. Dat betekent dat de vraag of een manipulatie-instrument aanwezig is ook voldoende duidelijk is. Dat manipulatie-instrument in beginsel verboden zijn betekent dat van autofabrikanten verwacht mag worden dat zij hetzij geen manipulatie-instrument toepassen, hetzij deze alleen toepassen met zodanige instellingen dat een van de gevallen die zijn genoemd in artikel 5 lid 2 van de Emissieverordening, te weten gevallen waarin een manipulatie-instrument niet verboden is, zich voordoet.
2.19.
Renault c.s. wijst verder op het tijdsverloop, dat aan de (praktische) uitvoerbaarheid van de beoogde categorisering in de weg staat. De vorderingen van de Stichtingen zien immers op een tijdsbestek van tien jaar, welke periode inmiddels ruim vijf tot vijftien jaar geleden is. Het merendeel van de motortypen (met inbegrip van alle variaties) wordt niet langer geproduceerd en de meeste engineers met de benodigde specialistische (technische) kennis van de destijds toegepaste dieselmotoren zijn niet meer werkzaam voor het bedrijf.
2.19.1.
De rechtbank ziet in dat deze omstandigheden de verschaffing van de gevraagde informatie wellicht moeilijker maken, maar niet onuitvoerbaar. Het bevel wordt dan ook niet aangepast.
2.20.
Renault c.s. wil wel meedenken over (onder meer) een alternatieve (werkbare) categorisering, maar heeft daar tot nu toe onvoldoende tijd voor gehad. Gelet op haar bezwaren, verzoekt Renault om de beoogde categorisering los te laten en vraag 1 te schrappen. Omdat de beoogde categorisering volgens Renault c.s. (praktisch) niet uitvoerbaar is, kunnen ook de vervolgvragen niet worden beantwoord.
2.20.1.
De rechtbank ziet geen reden voor een andere categorisering. Hoewel de rechtbank Renault c.s. daartoe uitdrukkelijk heeft uitgenodigd in het tussenvonnis van 13 november 2024, heeft Renault c.s. ook geen voorstel gedaan voor een alternatieve meer werkbare categorisering. De rechtbank blijft bij deze categorisering.
- juridisch
2.21.
Renault c.s. acht het juridisch debat over de aangewezen interpretatie van juridisch relevante termen niet uitgekristalliseerd. Voor een fysisch-technisch complexe informatieopdracht in een setting van nog juridisch te duiden regelgeving en terminologie, is kennis, begrip en debat nodig over de onderliggende onderwerpen. Renault c.s. meent dat het aan voldoende kennis, begrip en debat ontbreekt, waardoor de rechtbank (herhaald) vragen op basis van verkeerde aannames stelt.
2.22.
Volgens Renault c.s. zouden haar engineers op basis van onduidelijke zoekcriteria duizenden parametersets handmatig moeten doorzoeken en tevens juridisch moeten duiden, waartoe zij (vanzelfsprekend) niet in staat zijn. De nieuwe categorisering per motortype biedt geen soelaas. Renault c.s. vindt het gewijzigde art. 22-bevel ondoelmatig en onuitvoerbaar. Bovendien had zij onvoldoende tijd om uitvoerig-systematisch bezwaren tegen dit bevel te formuleren, laat staan om eventuele alternatieve benaderingen te kunnen inventariseren.
2.23.
Het is de rechtbank niet duidelijk wat Renault c.s. bedoelt met ‘handmatig’ onderzoek van duizenden parametersets. Voor zover daarmee bedoeld is dat de circa 1.000 kalibraties afzonderlijk zullen moeten worden beoordeeld, is dat inherent aan het gebruik van die verschillende kalibraties door Renault c.s. Aangenomen dat het gebruik van verschillende kalibraties binnen de verplichtingen uit de Emissieverordening is toegestaan, doet dat niet af aan de verplichtingen die uit die Verordening voortvloeien en zal Renault c.s. dus ook inzicht moeten geven in de door haar toegepaste manipulatie-instrumenten.
2.24.
Volgens Renault c.s. is de vraag of sprake is van een manipulatie-instrument in de zin van artikel 3 lid 10 van de Emissieverordening niet feitelijk eenduidig te beantwoorden gezien de in de definitie genoemde ‘andere parameters’ en gezien de fysisch-technische complexiteit. Ook begrippen als ‘verminderde doelmatigheid’ en ‘omstandigheden die bij een normaal gebruik van een voertuig te verwachten zijn’ zijn juridisch niet eenduidig.
2.25.
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.4 van het tussenvonnis van 13 november 2024 overwogen dat uit de uitspraak van het HvJ EU in de zaak DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen blijkt dat onder “vermindering van de effectiviteit” moet worden verstaan de situatie waarin de vastgestelde emissiegrenswaarden niet worden behaald. Volgens Renault c.s. is dat een juridische — omstreden — beslissing waaraan een partijdebat vooraf had moeten gaan. Renault c.s. tekent uitdrukkelijk bezwaar aan tegen de zienswijze van de rechtbank.
2.26.
Volgens Renault kan de vraag of een voertuigtype (met emissienorm 5 tot en met Euro 6c) onder normale gebruiksomstandigheden aan de emissiegrenswaarden voldoet thans niet worden beantwoord, omdat het aan een (eenduidige) definitie van deze term ontbreekt. De vraagstelling van de rechtbank onder 2. sub a-i gaat ten onrechte reeds uit van als ‘manipulatie-instrument’ in de zin van de Emissieverordening te kwalificeren functionaliteiten.
2.27.
De rechtbank acht de vraag of sprake is van een manipulatie-instrument voldoende helder (zie bij 2.18). Dat in de definitie daarin ook ‘andere parameters’ worden genoemd doet daar niet aan af, omdat een autofabrikant in de gebruikte software zonder meer moet kunnen terugvinden welke parameters worden gebruikt bij de regeling van het emissiecontrolesysteem. De rechtbank blijft bij het voorlopig oordeel zoals vermeld onder 2.25, omdat Renault c.s. nu geen gronden heeft aangevoerd waarom dat onjuist zou zijn, en zal na partijdebat daarover een definitief oordeel geven. De vraag wanneer sprake is van ‘omstandigheden die bij een normaal gebruik van een voertuig te verwachten zijn’ is een vraag die een feitelijk oordeel vergt, dat de rechtbank zal geven aan de hand van concrete gegevens over de werking van de verschillende manipulatie-instrumenten en partijdebat op dit punt.
2.28.
Renault c.s. heeft nog het volgende bezwaar geformuleerd. In het tussenvonnis is de rechtbank afgestapt van de toepassing van typegoedkeuringen als ordeningsprincipe en is zij overgestapt op een ordening aan de hand van ‘motortypes’ (gerangschikt per emissieklasse). In de Renault zaak heeft geen van de Stichtingen (noch Renault c.s.) deze categorisering voorgesteld. Deze is kennelijk ingegeven door het partijdebat in de Mercedes zaak. Renault c.s. heeft steeds benadrukt dat deze zaak qua feitenconstellatie niet vergelijkbaar is met emissiezaken tegen andere autofabrikanten.
2.29.
Hiermee heeft Renault c.s. naar het oordeel van de rechtbank geen gevolgen verbonden aan haar bezwaar tegen de gehanteerde categorisering. De rechtbank houdt daar dan ook aan vast.
2.30.
Wat de omschrijving van betrokken voertuigen betreft merkt Renault c.s. op dat zij geen toegang heeft tot specifieke informatie over welke dieselvoertuigen en hoeveel daarvan ‘in de relevante periode door Renault in Nederland op de markt zijn gebracht’. Renault c.s. kan (zo nodig) informatie verzamelen over de aan Nederland geëxporteerde voertuigen. Renault c.s. heeft evenwel geen toegang tot informatie over voertuigen die mogelijk vanuit een ander land in Nederland zijn geïmporteerd. Dat geldt eveneens voor voertuigen die mogelijk later vanuit Nederland naar een ander land zijn geëxporteerd.
Renault c.s. kan niet bepalen hoeveel van de aan Nederland geëxporteerde voertuigen daadwerkelijk zijn verkocht en gebruikt in Nederland, laat staan hoeveel van deze voertuigen momenteel nog in Nederland in gebruik zijn.
2.31.
De rechtbank merkt op dat de gestelde vragen mogen worden beantwoord door uit te gaan van de naar Nederland geëxporteerde voertuigen, zonder dat dit eraan afdoet dat de rechtbank de door de Stichtingen ingestelde vorderingen zal moeten beoordelen, die uitgaan van hun definitie van betrokken voertuigen.
2.32.
De rechtbank heeft ondanks Renaults bezwaren de open slotvraag gehandhaafd.
Renault c.s. blijft bezwaar maken tegen het handhaven van de open slotvraag. Renault c.s. stelt dat deze vraag in feite neerkomt op een ‘fishing expedition’.
2.33.
De rechtbank zal de open slotvraag handhaven. De definitie van manipulatie-instrumenten bevat een ‘open element’, daarom kan de rechtbank niet anders dan ook deze vraag stellen.
2.34.
Renault acht c.s. niet duidelijk wat de rechtbank in vraag 3 concreet onder de term ‘kalibratie’ verstaat.Volgens Renault c.s. is de beantwoording van vraag 3 (technisch en praktisch) niet uitvoerbaar. Een geïsoleerde inzage in alle verschillende softwarekalibraties geeft geen antwoord op de vraag naar het emissiegedrag van een voertuig en daarmee de vraag of sprake is (of kan zijn) van een (verboden) manipulatie-instrument in de zin van de Emissieverordening (laat staan de werking daarvan).
Het effect van specifieke parameters kan niet op een geautomatiseerde wijze (via een categorische zoekopdracht op basis van trefwoorden) worden achterhaald. Het tegendeel is waar; dit vergt immers een individuele beoordeling van de interactie tussen (in elk geval) bepaalde hardware, software(kalibraties), fysieke en technische eigenschappen van het voertuig in kwestie. Ter illustratie: er is niet slechts één label’, maar er zijn meerdere labels die de werking van EGR-systemen controleren en die bijvoorbeeld verschillende inputs en outputs met elkaar combineren om in een bepaald geval te zorgen voor een specifieke verhouding tussen de luchtinlaat en de gerecirculeerde uitlaatgassen.
2.35.
De rechtbank verstaat onder kalibratie (in navolging van partijen) de concrete instellingen van de softwarefuncties die het emissiecontrolesysteem besturen. De rechtbank vraagt Renault c.s. niet uiteen te zetten wat het concrete resultaat is van de werking van het door haar gebruikte emissiecontrolesysteem, maar of zich in dat emissiecontrolesysteem manipulatie-instrumenten bevinden en hoe deze zijn ingesteld. Dat laatste is nodig om het partijdebat te kunnen voeren over de vraag of die instellingen er toe leiden dat het manipulatie-instrument bij normale gebruiksomstandigheden van invloed is op de effectiviteit van het emissiecontrolesysteem.
2.36.
Vraag 4 betreft de mogelijke rechtvaardigingsgrond(en) voor manipulatie-instrumenten. Renault c.s. zal daar in het vervolg van de inhoudelijke procedure op terugkomen, waartoe de rechtbank ook gelegenheid heeft geboden.
2.37.
Renault c.s. wijst erop dat zij het voorlopig oordeel van de rechtbank dat de Stichtingen voldoende specifiek en met bewijsstukken onderbouwd aannemelijk hebben gemaakt dat Renault c.s. manipulatie-instrumenten in de zin van de Emissieverordening heeft gebruikt prematuur en onjuist acht. Dit valt bovendien niet te rijmen met (i) het voorlopige oordeel dat op Renault c.s. een verzwaarde stelplicht rust, omdat de bewijslast voor de Claimstichtingen zo zwaar zou zijn, dat verwezenlijking van het materiële recht praktisch onmogelijk is en (ii) het oordeel van uw Rechtbank dat in het kader van dit artikel 22 Rv-bevel niet wordt beoordeeld of de Claimstichtingen hun vorderingen aannemelijk hebben gemaakt en dat over deze stellingen nog geen inhoudelijk oordeel wordt gegeven.
2.38.
De rechtbank heeft geen voorlopig oordeel gegeven dat de Stichtingen voldoende specifiek en met bewijsstukken onderbouwd aannemelijk hebben gemaakt dat Renault c.s.
manipulatie-instrumenten in de zin van de Emissieverordening heeft gebruikt. De rechtbank heeft het voldoende aannemelijk geacht dat in de onderzochte Renault-voertuigen manipulatie-instrumenten aanwezig waren. In deze procedure moeten echter alle betrokken voertuigen beoordeeld worden. Dat oordeel kan niet worden gebaseerd op een onderzoek van een beperkt aantal exemplaren, zoals Renault c.s. zelf ook uitdrukkelijk stelt. Dat onderzoek roept wel vragen op met betrekking tot andere Renault-voertuigen. De Stichtingen hebben daarom hun verzoek om Renault c.s. te bevelen haar stellingen nader toe te lichten voldoende gemotiveerd en onderbouwd. Renault c.s. beschikt over de kennis over en de gegevens van alle door haar verkochte voertuigen; de Stichtingen beschikken daar niet over. Dat rechtvaardigt de verzwaarde stelplicht. Van een tegenstrijdigheid is dus geen sprake.
- uitvoerbaarheid
2.39.
Met betrekking tot de uitvoerbaarheid heeft Renault c.s. het volgende aangevoerd. Als Renault c.s. naar beste vermogen in (een vorm van) beantwoording van de gestelde vragen zou moeten voorzien, zal dat vermoedelijk resulteren in een theoretische exercitie, waarbij (willekeurige) data over diverse functionaliteiten en software(kalibraties) moeten worden verzameld. Los van het gegeven dat dit niet proportioneel kan worden geacht, is de uitvoering niet realistisch. Het zou kort gezegd betekenen dat een zeer gespecialiseerd engineer van Renault c.s. handmatige searches zou moeten doen naar duizenden functionaliteiten en parameters. Daarnaast wordt van de engineer in kwestie gevergd dat hij moet treden in onlosmakelijke juridische interpretaties welke exercitie buiten zijn of haar vakgebied valt. Renault’s desbetreffende engineer zou zijn gebruikelijke werkzaamheden voor zeer lange tijd — vermoedelijk circa 6 maanden of langer — moeten stilleggen, wat de bedrijfsvoering schade berokkent. Het is niet zo dat Renault c.s. de gevraagde gegevens al verzameld heeft.
2.40.
Zoals hiervoor is overwogen is het de rechtbank niet duidelijk wat Renault c.s. bedoelt met ‘handmatig’ onderzoek van duizenden parametersets. En voor zover daarmee bedoeld is dat de circa 1.000 kalibraties afzonderlijk zullen moeten worden beoordeeld, is dat dus inherent aan het gebruik van die verschillende kalibraties. De keuze daarvoor door Renault c.s. maakt niet dat zij daar nooit inzage in hoeft te geven op grond van een artikel 22 Rv-bevel.
3. Aangepast artikel 22 Rv-bevel
Gewijzigd bevel op grond van artikel 22 Rv
3.1.
Het voorafgaande leidt tot het volgende herziene bevel op grond van artikel 22 Rv. De rechtbank beveelt Renault c.s. ter toelichting van haar stelling dat zij geen verboden manipulatie-instrumenten heeft toegepast in de betrokken voertuigen de volgende vragen te beantwoorden.
1. Welke motortypen heeft Renault c.s. in de relevante periode in de betrokken voertuigen toegepast en in welke Emissieklasse vallen deze.
Toelichting:
Onder de relevante periode wordt verstaan de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 januari 2019.
De betrokken voertuigen zijn de in de relevante periode door Renault c.s. in Nederland op de markt gebracht voertuigen met dieselmotor.
Deze vraag dient ter inleiding en wordt gebruikt om de opgave van de manipulatie-instrumenten te ordenen.
Indien een motortype versies heeft die onder verschillende emissieklassen zijn toegepast, is het de bedoeling dat de vervolgvragen voor de verschillende emissieklassen afzonderlijk beantwoord worden. De vragen moeten beantwoord worden voor de emissieklassen 5 en 6.
2. Vervolgvraag voor elk van de motortypes die bij vraag 1 genoemd zijn:Welke van de volgende manipulatie- instrumenten zijn in alle of een gedeelte van deze motoren toegepast:
a. een of meer temperatuurvensters, te weten een functie of functies die de inlaatluchttemperatuur, de SCR-temperatuur, de motortemperatuur dan wel daarmee samenhangende waarden zoals de koelvloeistoftemperatuur of de temperatuur van enig ander motoronderdeel meet/meten om als deze boven of onder een bepaalde waarde komt een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
b. preconditionering-herkenning of testherkenning: een of meer functies die er toe dienen de situatie waarin het voertuig verkeert als het gereed wordt gemaakt voor de test (preconditionering) of als het wordt getest te herkennen teneinde in dat geval een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen of te moduleren zo dat de voorgeschreven uitstootwaarden worden behaald, terwijl deze waarden alleen in die specifieke omstandigheden worden behaald en daarbuiten niet,
c. een “hot restart” functie, die na het starten van de motor de SCR-temperatuur of enige andere temperatuur meet om als deze boven een bepaalde waarde is een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
d. een functie die er toe dient bij rijsnelheden boven of onder een bepaalde waarde een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
e. een functie die er toe dient in een of meer versnellingen een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
f. een “planned obsolescence” functie, die er toe dient als een bepaalde in totaal door het voertuig afgelegde afstand is bereikt een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
g. een “postheating” functie, die uitsluitend bij een bepaalde motortemperatuur en luchtdruk zoals die verwacht kunnen worden bij testomstandigheden de gloeipluggen inschakelt teneinde de NSC katalysator sneller te verwarmen,
h. een functie die het gemiddeld brandstofgebruik meet teneinde een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
i. een functie die de luchtdruk meet teneinde een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
j. andere constructieonderdelen (hardware of software) die de temperatuur, het motortoerental, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meten om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd?
Toelichting: bedoeld wordt een manipulatie-instrument zoals gedefinieerd in artikel 3 onder 10 van de Emissieverordening3.. Het gaat om de situatie voor een eventuele update. Desgewenst kan ook de situatie na een update worden vermeld.
Onder “een onderdeel van het emissiecontrolesysteem” moet telkens tevens worden verstaan een of meer onderdelen daarvan.
Als één van de bovenstaande manipulatie-instrumenten is toegepast, en Renault c.s. voor het betreffende motortype en de betrokken emissieklasse op grond van Verordening (EU) 2016/646 verplicht was informatie te verschaffen over de primaire emissiestrategie (Base Emission Strategy, ‘BES’) en aanvullende emissiestrategie (Auxiliary emission Strategy, ‘AES’), wordt bevolen deze informatie in het geding te brengen.
3. Indien bij de in vraag 2 genoemde manipulatie-instrumenten kalibraties zijn toegepast waardoor volgens Renault de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem niet wordt verminderd onder normale gebruiksomstandigheden, welke kalibraties zijn dat dan en in welke motoren c.q. voertuigen zijn die toegepast?
Toelichting:
Het gaat hier om kalibraties in de situatie voorafgaand aan een eventuele update. Desgewenst kan ook de situatie na een update worden vermeld. De bedoeling van deze vraag is inzicht te krijgen in de omstandigheden waaronder het manipulatie-instrument werkt. Bijvoorbeeld bij een temperatuurvenster: onder of boven welke temperatuur een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking wordt gesteld, wordt gemoduleerd, vertraagd of buiten werking gesteld, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd. Met andere woorden: het is de bedoeling dat de werking van het manipulatie-instrument wordt uitgelegd.
Indien deze vraag voor een bepaald manipulatie-instrument niet wordt beantwoord, zal de rechtbank ervan uitgaan dat het manipulatie-instrument onder normale gebruiksomstandigheden de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem vermindert.
4. Bij elke combinatie van de onder in vraag 2 genoemde manipulatie-instrumenten en de daarbij toegepaste verschillende kalibraties: is volgens Renault c.s. sprake van een van de gevallen die zijn genoemd in artikel 5 lid 2 van de Emissieverordening, te weten gevallen waarin een manipulatie-instrument niet verboden is.
Toelichting: Nu het gewijzigde artikel 22-bevel definitief is vastgesteld zal de zaak naar de rol worden verwezen voor akte ter beantwoording van de vragen 1 tot en met 3. Renault c.s. heeft verklaard dat zij vraag 4 in haar conclusie van antwoord zal beantwoorden.
4. Voortgang procedure
4.1.
De procedure zal als volgt worden voortgezet.
- In dit vonnis stelt de rechtbank het artikel 22-bevel definitief vast. Renault c.s. zal een termijn van drie maanden krijgen om aan het bevel te voldoen.
- -
Renault c.s. zal aan het bevel moeten voldoen door de gevraagde informatie digitaal (in Word, Excel of als doorzoekbare pdf) in het geding te brengen.
- -
Nadat Renault c.s. aan het verzoek van artikel 22 Rv heeft voldaan, mogen de Stichtingen daarop reageren. De Stichtingen zullen bij die gelegenheid ook hun dagvaardingen mogen actualiseren en aanvullen, gelet op onder andere hetgeen in het tussenvonnis van 19 juni 2024 is beslist over de splitsing en de voeging, het eerder gegeven oordeel dat de WAMCA niet van toepassing is en de ontwikkelingen sinds de dagvaardingen, waaronder de ontwikkelingen in de rechtspraak van het HvJ EU. Tevens zullen zij mogen ingaan op de vraag of de rechtbank bevoegd is te oordelen over het verboden karakter van manipulatie-instrumenten. De Stichtingen zullen daarvoor een termijn van drie maanden krijgen.
- -
Het heeft de voorkeur van de rechtbank dat de Stichtingen hun aangepaste dagvaardingen en verdere processtukken zo veel mogelijk combineren.
- -
Vervolgens zullen de twee zaken worden verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord door gedaagden. Daarvoor krijgen gedaagden een termijn van drie maanden.
- -
Daarna vindt de inhoudelijke mondelinge behandeling plaats.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 14 mei 2025 voor de akte beantwoording vragen ex artikel 22 Rv van Renault c.s.,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. M.R. Jöbsis en mr. R.P.F. de Groot, rechters, bijgestaan door mr. P. Palanciyan, griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑02‑2025
De noten 33 en 34 in dit citaat luiden als volgt:33 Arrest van 9 juli 2020, Vueling Airlines (C‑86/19, EU:C:2020:538, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).34 Zie arrest van 6 oktober 2015, Orizzonte Salute (C‑61/14, EU:C:2015:655, punt 48).
Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie.
Uitspraak 03‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Verzoek tot herstelvonnis wordt afgewezen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
Herstelvonnis van 3 juli 2024
Op de rol gevoegde zaken
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/702519 / HA ZA 21-500 van
de stichting
STICHTING EMISSION CLAIM,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. C. Jeloschek,
e i s e r e s,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT S.A.,
gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius,
2. de naamloze vennootschap
RENAULT NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Schiphol-Rijk,
advocaat mr. Y. Borrius,
g e d a a g d e n,
[tegen gedaagde 3 is ontslag van instantie verleend]
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710414 / HA ZA 21-1028 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. P. Haas,
e i s e r e s,
tegen de hiervoor onder 1 en 2 genoemde gedaagden en tegen
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT S.A.S.,
gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AUTOMOBILE DACIA S.A.,
gevestigd te Boekarest/Mioveni (Roemenië),
advocaat mr. Y. Borrius,
g e d a a g d e n,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RENAULT-NISSAN B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verstek verleend,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF “DE MARKIES B.V.”,
gevestigd te Bergen op Zoom,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF BRAAL B.V.,
gevestigd te Schouwen-Duiveland,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
QUICKSERVICE KIEVIT HELLEVOETSLUIS B.V.,
gevestigd te Hellevoetsluis,
10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZEEUW & ZEEUW I B.V.,
gevestigd te Wateringen,
11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL DORZO RENAULT DACIA NISSAN B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL RENAULT DACIA B.V.,
gevestigd te Tiel,
13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL RENAULT DACIA 2 B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF HOPMANS B.V.,
gevestigd te Zevenbergen,
15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF WISSE B.V.,
gevestigd te Terneuzen,
16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF ROOCAR B.V.,
gevestigd te Krimpen aan den IJssel,
17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HEDIN AUTOMOTIVE 2R B.V.,
(voorheen genaamd Stern 2R B.V.),
gevestigd te Eindhoven,
18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF JOHAN DE JONG B.V.,
gevestigd te Kaatsheuvel,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN AAKEN MIDDELBEERS B.V.,
gevestigd te Oost-,West-Middelbeers,
20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJVEN VERDONK B.V.,
gevestigd te Veldhoven,
21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES VENLO B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf J. Janssen Venlo B.V.),
gevestigd te Venlo,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES KERKRADE B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf Kerres Kerkrade B.V.),
gevestigd te Kerkrade,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES SITTARD B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf Kerres Sittard B.V.),
gevestigd te Sittard,
24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES HEERLEN B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf Kerres Heerlen B.V.),
gevestigd te Heerlen,
25. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES MAASTRICHT B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf Kerres Maastricht B.V.),
gevestigd te Maastricht,
26. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES HELMOND B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf J. Janssen Helmond B.V.),
gevestigd te Helmond,
27. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF J. JANSSEN B.V.,
gevestigd te Nuenen,
28. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VOGELS AUTOBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Gemert,
29. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO VAN DIJCK B.V.,
gevestigd te Hapert,
failliet verklaard,
30. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF VAN GOMPEL B.V.,
gevestigd te Reusel,
31. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF COPPES B.V.,
gevestigd te Bergharen,
32. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOCHANE AUTO I B.V.,
gevestigd te Veenendaal,
33. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HEURKENS ECHT B.V.,
gevestigd te Echt,
34. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HEURKENS WEERT B.V.,
gevestigd te Weert,
35. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HEURKENS ROERMOND B.V.,
gevestigd te Roermond,
36. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF MANDERS DEURNE B.V.,
gevestigd te Deurne,
37. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF H. STRIJBOSCH VENRAY B.V.,
gevestigd te Venray,
38. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HERCOM DOETINCHEM B.V.,
gevestigd te Doetinchem,
39. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HERCOM NEEDE B.V.,
gevestigd te Neede,
40. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HERWERS ZEVENAAR B.V.,
gevestigd te Zevenaar,
41. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF JOS HERWERS HENGELO (G) B.V.,
gevestigd te Hengelo (Gelderland),
42. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GARAGE KLEINE & ZONEN B.V.,
gevestigd te Doesburg,
43. de vennootschap onder firma
V.O.F. GARAGE LEIJENAAR,
kantoorhoudende te Bathmen, gemeente Deventer,
[gedaagden 44 t/m 47 zijn opgegaan in gedaagde 50]
48. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO MUNSTERHUIS B.V.,
gevestigd te Hengelo (Overijssel),
49. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOCENTRUM CENTS B.V.,
gevestigd te Ommen,
50. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TERWOLDE B.V.,
rechtsopvolgster van gedaagden 44 t/m 47,
gevestigd te Groningen,
51. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF J. HOITING DALEN B.V.,
gevestigd te Dalen,
52. de vennootschap onder firma
V.O.F. AUTOBEDRIJF VOS,
kantoorhoudende te Smilde, gemeente Midden-Drenthe,
53. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF MATTER MEPPEL B.V.,
gevestigd te Meppel,
54. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF MATTER STEENWIJK B.V.,
gevestigd te Steenwijk,
55. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF H.J.G. HERBERS B.V.,
gevestigd te Vlagtwedde,
56. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF SCHOON B.V.,
gevestigd te Stadskanaal,
57. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF VAN KESTEREN B.V.,
gevestigd te IJsselmuiden,
58. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ABD GROEP B.V.,
gevestigd te Drachten,
59. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO BEERDA B.V.,
gevestigd te Kollumerland en Nieuwkruisland,
60. de vennootschap onder firma
V.O.F. GARAGE DROS,
kantoorhoudende te De Cocksdorp, gemeente Texel,
61. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STOKMAN ALKMAAR B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
62. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STOKMAN DEN HELDER B.V.,
gevestigd te Den Helder,
63. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STOKMAN HOORN B.V.,
gevestigd te Hoorn (Noord-Holland),
64. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOZENTER SCHAGEN B.V.,
gevestigd te Schagen,
65. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FRANS STOKMAN B.V.,
gevestigd te Heerhugowaard,
66. de vennootschap onder firma
GARAGE JOHAN BOERLAGE AUTOCENTRUM BOERLAGE ACB,
kantoorhoudende te Edam, gemeente Edam-Volendam,
67. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIJT’S AUTOBEDRIJF BEHEER B.V.,
gevestigd te Beemster,
68. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO DROGTROP B.V.,
gevestigd te Beverwijk,
69. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF NIEUWENDIJK BADHOEVEDORP B.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
70. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF NIEUWENDIJK HOOFDDORP B.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
71. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF BENELUX AMSTELVEEN B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
72. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BEHEERMAATSCHAPPIJ C.A. NIEUWENDIJK B.V.,
gevestigd te Aalsmeer,
73. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF VROEGOP B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
74. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF NIEUWENDIJK B.V.,
gevestigd te Aalsmeer,
75. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STAM AUTOBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Amersfoort,
76. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO BERNAULT B.V.,
gevestigd te Mijdrecht,
77. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF HANS JONGERIUS B.V.,
gevestigd te Woerden,
78. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF VAN RAMSHORST B.V.,
gevestigd te Nijkerk,
79. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KEMPENAAR ALPHEN AAN DEN RIJN B.V.,
gevestigd te Alphen aan den Rijn,
80. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KEMPENAAR BODEGRAVEN B.V.,
gevestigd te Bodegraven,
81. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF VELSERBEEK B.V.,
gevestigd te Velsen,
82. ALBERTUS CHRISTOFFEL DE ROO, handelend onder de naam AUTOBEDRIJF VAN WINDEN, zaak doende te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,
advocaat mr. R.J. van der Weijden,
g e d a a g d e n 7 t/m 82,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710434 HA ZA 21-1030
de stichting,
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. J.D. Edixhoven,
e i s e r e s,
tegen de hiervoor genoemde gedaagden 1, 2, 4, 5 en 7 t/m 82.
Eiseressen zullen hierna afzonderlijk SEC, SCC en SDEJ worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij de Stichtingen worden genoemd. Renault S.A., Renault Nederland N.V., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. zullen hierna gezamenlijk Renault c.s. worden genoemd. Gedaagden 7 t/m 82 zullen hierna gezamenlijk de Autodealers worden genoemd.
De zaken zullen hierna afzonderlijk de SEC-zaak, de SCC-zaak en de SDEJ-zaak worden genoemd.
De zaken zijn bij vonnis van 10 april 2024 gesplitst en gevoegd. Omdat dit herstelvonnis dat vonnis betreft zijn hier de partijgegevens vermeld zoals nog vermeld in het vonnis waarvan herstel wordt gevraagd.
1. Het verzoek tot verbetering
1.1.
Bij brief van 28 mei 2024 hebben de Autodealers de rechtbank verzocht om verbetering van het op 10 april 2024 in deze zaak gewezen vonnis, in die zin dat de “Autohandelaren” in rechtsoverweging 7.23 wordt vervangen door “Renault c.s.”. Deze rechtsoverweging gaat over de vorderingen uit hoofde van bedrog. Volgens de Autodealers/Autohandelaren is sprake van een kennelijke verschrijving. De Stichtingen hebben namelijk geen stellingen ingenomen die erop neerkomen dat de Autohandelaren zich schuldig hebben gemaakt aan bedrog.
1.2.
De rechtbank heeft de andere partijen in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. Bij brief van 4 juni 2024 heeft mr. Van Vugt namens SCC en SDEJ aan de rechtbank bericht geen bezwaar tegen inwilliging van het verzoek te hebben.
2. De beoordeling
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat in het vonnis van 10 april 2024 geen sprake is van een kennelijke fout, die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechtbank had in rechtsoverweging 7.23 weldegelijk het oog op de Autodealers en niet op Renault c.s., maar ging er ten onrechte vanuit dat SCC en SDEJ zowel vorderingen uit hoofde van dwaling als bedrog hadden ingesteld tegen de Autodealers. Dat blijkt niet zo te zijn.Het gevraagde herstel zal dus worden afgewezen. De rechtbank zal bij de inhoudelijke behandeling uitgaan van de vorderingen jegens de Autodealers op grond van dwaling, en bedrog buiten beschouwing laten.
3. De beslissing
3.1.
De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. M.R. Jöbsis en mr. R.P.F. de Groot, rechters, bijgestaan door mr. P. Palanciyan, griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2024.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑07‑2024
type:coll:
Uitspraak 19‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis over o.m. de ontvankelijkheid van twee stichtingen en artikel 22 Rv bevel.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
Vonnis van 19 juni 2024
Op de rol gevoegde zaken
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/702519 / HA ZA 21-500 van
de stichting
STICHTING EMISSION CLAIM,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. C. Jeloschek,
e i s e r e s,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT S.A.,
gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius,
2. de naamloze vennootschap
RENAULT NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Schiphol-Rijk,
advocaat mr. Y. Borrius,
g e d a a g d e n,
[tegen gedaagde 3 is ontslag van instantie verleend]
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710414 / HA ZA 21-1028 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. P. Haas,
e i s e r e s,
tegen de hiervoor onder 1 en 2 genoemde gedaagden en tegen
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT S.A.S.,
gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AUTOMOBILE DACIA S.A.,
gevestigd te Boekarest/Mioveni (Roemenië),
advocaat mr. Y. Borrius,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RENAULT-NISSAN B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verstek verleend,
en tegen
gedaagden 7 t/m 43 en 48 t/m 82,
DE AUTODEALERS,1.
advocaat mr. R.J. van der Weijden,
g e d a a g d e n,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710434 HA ZA 21-1030
de stichting,
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. J.D. Edixhoven,
e i s e r e s,
tegen de hiervoor genoemde gedaagden 1, 2, 4, 5 en 7 t/m 43 en 48 t/m 82.
Eiseressen zullen hierna afzonderlijk SEC, SCC en SDEJ worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij de Stichtingen worden genoemd. Renault S.A., Renault Nederland N.V., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. zullen hierna gezamenlijk Renault c.s. worden genoemd. Gedaagden 7 t/m 43 en 48 t/m 82 zullen hierna gezamenlijk de Autodealers worden genoemd.
De zaken zullen hierna afzonderlijk de SEC-zaak, de SCC-zaak en de SDEJ-zaak worden genoemd.
1. De procedure in de SEC-zaak
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 10 april 2024,
- -
de akte overlegging aangepaste financieringsovereenkomst van SEC, met een productie,
- -
de antwoordakte van Renault c.s.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De procedure in de SCC-zaak
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 april 2024.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De procedure in de SDEJ-zaak
3.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 10 april 2024,
- -
de akte overlegging overeenkomst Litigo van SDEJ, met een productie,
- -
de antwoordakte van Renault c.s.,
- -
de antwoordakte van de Autodealers.
3.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
4. De verdere beoordeling
in de SEC-zaak
4.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 10 april 2024 SEC in de gelegenheid gesteld om twee artikelen in haar financieringsovereenkomst aan te passen. Het betreft de artikelen 6.3 en 10.2 van de financieringsovereenkomst. SEC heeft haar financieringsovereenkomst op deze punten aangepast, door deze bepalingen te verwijderen. Renault c.s. heeft hierover geen opmerkingen gemaakt. Ambtshalve ziet de rechtbank ook geen bezwaren meer. De conclusie is dat SEC ontvankelijk is.
in de SDEJ-zaak
4.2.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 10 april 2024 SDEJ in de gelegenheid om gesteld een volledige bijlage bij de financieringsovereenkomst, inhoudende de overeenkomst met Litigo, in het geding te brengen. SDEJ heeft de volledige bijlage in het geding gebracht. Met inachtneming van de door Renault c.s. en de Autodealers gemaakte opmerkingen, komt de rechtbank tot de conclusie dat ook SDEJ ontvankelijk is.
in alle zaken
4.3.
De slotsom is dat alle drie de stichtingen ontvankelijk zijn. Dit betekent dat alle drie de zaken verder inhoudelijk zullen worden behandeld.
5. Bevelen op grond van artikel 22 Rv
5.1.
De rechtbank zal een oordeel moeten geven over de vraag die in dit geding centraal staat, namelijk of zich verboden manipulatie-instrumenten bevinden in de voertuigen met dieselmotor die Renault in de relevante periode op de Nederlandse markt heeft gebracht.Renault ontkent tot op heden dat sprake is van de aanwezigheid van verboden manipulatie-instrumenten. Om dat te kunnen beoordelen zal allereerst moeten komen vast te staan of manipulatie-instrumenten aanwezig zijn en zo ja welke, en zal vervolgens beoordeeld moeten worden of deze toelaatbaar zijn.
5.2.
Het HvJ EU heeft in het arrest van 17 december 2020, C‑693/18, ECLI:EU:C:2020:1040 (Manipulatie-instrument in dieselmotoren) als volgt geoordeeld:
“1) Artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie moet aldus worden uitgelegd dat software die in het motormanagementsysteem is ingebouwd of die op dit systeem inwerkt, een „constructieonderdeel” in de zin van deze bepaling vormt, voor zover de software op de werking van het emissiecontrolesysteem inwerkt en de doelmatigheid ervan vermindert.
2) Artikel 3, punt 10, van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „emissiecontrolesysteem” in de zin van deze bepaling ziet op zowel de technologieën en de zogenoemde uitlaatgasnabehandelingsstrategie die de emissies achteraf – te weten na de vorming ervan – beperken als de technologieën en de strategie die, net als het systeem van uitlaatgasrecirculatie, de emissies vooraf – te weten tijdens het ontstaan ervan – beperken.
3) Artikel 3, punt 10, van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat een instrument dat parameters herkent die verband houden met het verloop van de in deze verordening bedoelde goedkeuringsprocedures, met de bedoeling de prestaties van het emissiecontrolesysteem tijdens deze procedures te verbeteren teneinde de goedkeuring van het voertuig te verkrijgen, een „manipulatie-instrument” in de zin van deze bepaling is, zelfs indien een dergelijke verbetering sporadisch ook kan worden waargenomen onder normale gebruiksomstandigheden.
4) Artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat een manipulatie-instrument als aan de orde in het hoofdgeding, dat de prestaties van het systeem ter beheersing van de emissies van voertuigen tijdens de goedkeuringsprocedures systematisch verbetert om de bij deze verordening vastgelegde emissiegrenswaarden na te leven en aldus de goedkeuring van deze voertuigen te verkrijgen, niet kan vallen onder de in deze bepaling vastgestelde uitzondering op het verbod van dergelijke instrumenten die betrekking heeft op de bescherming van de motor tegen schade of ongevallen en op de veilige werking van het voertuig, ook al helpt het instrument veroudering of vervuiling van de motor te voorkomen.”
5.3.
Het HvJ EU heeft in het arrest van 14 juli 2022, C-128/20, ECLI:EU:C:2022:570 (GSMB Invest/Auto Krainer) als volgt geoordeeld:
“1) Artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat een instrument dat enkel bij een buitentemperatuur tussen 15 en 33 graden Celsius en op een rijhoogte van minder dan 1 000 meter waarborgt dat de in die verordening vastgestelde emissiegrenswaarden worden nageleefd, een „manipulatie-instrument” in de zin van dit artikel 3, punt 10, vormt.
2) Artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat een manipulatie-instrument dat enkel bij een buitentemperatuur tussen 15 en 33 graden Celsius en op een rijhoogte van minder dan 1 000 meter waarborgt dat de in die verordening vastgestelde emissiegrenswaarden worden nageleefd, niet onder de in deze bepaling neergelegde uitzondering op het verbod op het gebruik van dergelijke instrumenten kan vallen louter omdat met dit instrument onderdelen zoals de uitlaatgasrecirculatieklep, de uitlaatgasrecirculatiekoeler en de roetfilter voor dieselvoertuigen worden ontzien, tenzij wordt aangetoond dat dit instrument uitsluitend dient tot het voorkomen van acute risico’s op schade of defecten aan de motor ten gevolge van een zodanig gebrekkige werking van een van deze onderdelen dat daardoor tijdens het rijden met een met dat systeem uitgerust voertuig een concreet gevaar ontstaat. Hoe dan ook kan een manipulatie-instrument dat onder normale verkeersomstandigheden het grootste deel van het jaar zou moeten functioneren om de motor te beschermen tegen schade of ongevallen en om de veilige werking van het voertuig te verzekeren, niet onder de uitzondering van artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 vallen.”
5.4.
Het HvJ EU heeft in het arrest van 14 juli 2022, C-134/20, ECLI:EU:C:2022:571 (IR/Volkswagen) als volgt geoordeeld:
[1 en 2: gelijk aan het in de vorige overweging genoemde arrest]
3) Artikel 5, leden 1 en 2, van verordening nr. 715/2007, gelezen in samenhang met artikel 3, punt 10, van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een manipulatie-instrument in de zin van deze laatste bepaling ná het in het verkeer brengen van een voertuig, bij wijze van herstelling in de zin van artikel 3, lid 2, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, werd geïnstalleerd, niet van belang is ter beoordeling of het gebruik van dit instrument op grond van dit artikel 5, lid 2, verboden is.”
5.5.
Het HvJ EU heeft in het arrest van 14 juli 2022, C-145/20, ECLI:EU:C:2022:572 (DS/ Porsche Inter Auto en Volkswagen) als volgt geoordeeld:
“Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, moet aldus worden uitgelegd dat een motorvoertuig dat binnen de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, valt, niet de kwaliteit biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal is en die de consument redelijkerwijs mag verwachten, indien dit voertuig weliswaar een geldige EG-typegoedkeuring heeft en dus in het wegverkeer mag worden gebruikt, maar uitgerust is met een manipulatie-instrument waarvan het gebruik op grond van artikel 5, lid 2, van deze verordening verboden is.
2) [gelijk aan de beslissing onder 2 in de arresten van 14 juli 2022, C-128/20 en C-134/20, ECLI:EU:C:2022:570 en 571]
3) Artikel 3, lid 6, van richtlijn 1999/44 moet aldus worden uitgelegd dat een gebrek aan overeenstemming dat erin bestaat dat een voertuig is uitgerust met een manipulatie-instrument waarvan het gebruik op grond van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007 verboden is, niet kan worden aangemerkt als een gebrek „van geringe betekenis”, zelfs al zou de consument dat voertuig ook hebben gekocht wanneer de aanwezigheid van dit manipulatie-instrument en de werking ervan hem bekend waren geweest.”
5.6.
De rechtbank leidt uit de genoemde beslissingen van het HvJ EU af dat ook als een typegoedkeuring is verleend, los daarvan beoordeeld moet worden of sprake is van een verboden manipulatie-instrument. Dat oordeel is in ieder geval nodig om te beoordelen of het betrokken voertuig de kwaliteit biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal is en die de consument redelijkerwijs mag verwachten. Een voertuig met een verboden manipulatie-instrument voldoet niet aan die norm en dit is geen gebrek van geringe betekenis. De beoordeling of sprake is van een of meer verboden manipulatie-instrumenten is in deze zaak aan de orde voor zover de vorderingen zich richten tegen de Autodealers omdat jegens hen een beroep wordt gedaan op het niet beantwoorden van het geleverde voertuig aan de overeenkomst. Maar de vraag of er al dan niet verboden manipulatie-instrumenten aanwezig zijn zal in deze zaak eveneens moeten worden beoordeeld om te kunnen beslissen over de vorderingen jegens Renault c.s. op grond van onrechtmatige daad.
5.7.
Daarbij kan uit de genoemde rechtspraak worden afgeleid dat onder een verboden manipulatie-instrument niet alleen moet worden verstaan een instrument dat parameters herkent die verband houden met het verloop van de in de Emissieverordening bedoelde goedkeuringsprocedure, maar elk instrument dat ertoe leidt dat het emissiecontrolesysteem “onder normale verkeersomstandigheden” wordt uitgeschakeld of dat de werking ervan wordt verminderd. Dat is alleen anders als dat uitschakelen of die verminderde werking nodig is voor “het voorkomen van acute risico’s op schade of defecten aan de motor”. Dergelijke acute risico’s zijn uitzonderlijk. Deze uitzondering rechtvaardigt in ieder geval niet dat een manipulatie-instrument het emissiecontrolesysteem onder “normale verkeersomstandigheden” steeds uitschakelt of de werking ervan vermindert.
5.8.
In dit geval hebben eisers aan de hand van diverse onderzoeken, waaronder het Heitz-rapport voldoende gemotiveerd dat zich mogelijk manipulatie-instrumenten in Renault-voertuigen bevinden en dat die mogelijk verboden zijn.Het is Renault als fabrikant bekend of manipulatie-instrumenten aanwezig zijn en zo ja hoe deze zijn ingesteld. De rechtbank leidt uit de rechtspraak van het HvJ EU af dat de rechtbank zal moeten beoordelen of die instellingen zodanig zijn dat het manipulatie-instrument al dan niet verboden is.
5.9.
Het uitgangspunt van de Europese regelgeving is dat een fabrikant een type dat hij in serie wil gaan bouwen ter keuring aanbiedt, zodat kan worden vastgesteld of dit type voldoet aan de eisen van de Emissieverordening en dat vervolgens na een typegoedkeuring exemplaren van dit type op de markt worden gebracht. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de verleende typegoedkeuringen. Zij neemt als uitgangspunt dat de voertuigen die met deze typegoedkeuring overeenstemmen, in ieder geval op het punt van het voldoen aan de Emissieverordening aan elkaar gelijk zijn en dus een identieke hardware en software hebben als het gaat om het emissiecontrolesysteem. Voor het geval Renault stelt dat dit niet het geval is, dient zij toe te lichten op grond van welke bepaling(en) het haar vrij staat voertuigen op de markt te brengen op basis van een bepaalde typegoedkeuring waarvan het emissiecontrolesysteem afwijkt van het goedgekeurde type.Uitgangspunt is vooralsnog, dat als in het ter keuring aangeboden type sprake is van een manipulatie-instrument (te weten een constructieonderdeel dat de temperatuur, de rijsnelheid, het motortoerental, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meet om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd), dit bij elk exemplaar van het desbetreffende type hetzelfde manipulatie-instrument is en dat dit hetzelfde is ingesteld. Te beoordelen is steeds de toelaatbaarheid van een manipulatie-instrument, te weten of dit al dan niet tot gevolg heeft dat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij een normaal gebruik van het voertuig te verwachten zijn en of een van de uitzonderingen van artikel 5 lid 2 van de Emissieverordening van toepassing is.
5.10.
De rechtbank beveelt Renault c.s. op grond van het bepaalde in artikel 22 Rv in het geding te brengen: alle typegoedkeuringen in de zin van de Emissieverordening2.zoals die aan haar zijn afgegeven voor voertuigen met dieselmotor van de merken Renault en Dacia die in de periode 2009-2019 in Nederland op de markt zijn gebracht.Indien de typegoedkeuring (exclusief bijlagen) uit meer dan 25 pagina’s bestaat, kan worden volstaan met de pagina’s waaruit blijkt: op welke merk en welk type de typegoedkeuring betrekking heeft, welk motortype in deze voertuigen aanwezig is en dat en op welk moment de typegoedkeuring is afgegeven en door welke keuringsinstantie.Als het totaal aantal pagina’s van alle typegoedkeuringen meer dan 500 is, kan worden volstaan met het uitsluitend elektronisch aanleveren daarvan.
5.11.
De rechtbank beveelt Renault c.s. op grond van het bepaalde in artikel 22 Rv haar stelling dat in geen van de betrokken voertuigen een verboden manipulatie-instrument is toegepast toe te lichten door beantwoording van de volgende vragen voor elke typegoedkeuring afzonderlijk. De rechtbank draagt Renault c.s. op deze antwoorden overzichtelijk te presenteren, bij voorkeur in een Excel-overzicht. Voor zover antwoorden op vragen niet handig passen in een Excel-overzicht kan worden gewerkt met verwijzingen naar een afzonderlijk document. Als op vragen bij verschillende typegoedkeuringen hetzelfde antwoord wordt gegeven, mag worden verwezen naar een eerder gegeven antwoord. Als het totaal aantal pagina’s van dit overzicht meer dan 200 is of als het overzicht niet op maximaal A3 formaat kan worden uitgeprint, kan worden volstaan met het uitsluitend elektronisch aanleveren van deze toelichting.
5.12.
De te beantwoorden vragen per typegoedkeuring luiden als volgt.
5.12.1.
A. Algemeen
- 1.
Op welke merk en welk type heeft de typegoedkeuring betrekking?
- 2.
Welk motortype is in deze voertuigen aanwezig?
- 3.
Op welke datum is de typegoedkeuring afgegeven?
- 4.
Door welke keuringsinstantie?
- 5.
Welke norm (Euro 5 dan wel een van de varianten Euro 6) is op deze typegoedkeuring van toepassing?
- 6.
Hoeveel voertuigen van dit type zijn in Nederland verkocht?
- 7.
Is voor dit type door de keuringsinstantie een terugroepactie bevolen wegens een verboden manipulatie-instrument?
Zo ja, welke wijzigingen hebben in de update plaatsgevonden?
8. Heeft voor dit type een vrijwillige terugroepactie plaatsgevonden om de instellingen van het emissiecontrolesysteem te wijzigen?
Zo ja, welke wijzigingen hebben in de update plaatsgevonden?
5.12.2.
B. Temperatuurvenster
- 1.
Is bij de voertuigen die voldoen aan deze typegoedkeuring een temperatuurvenster toegepast?
- 2.
Zo ja,
a. Wat zijn de instellingen van dit temperatuurvenster? Bij welke temperatuur wordt de werking van het emissiecontrolesysteem verminderd of wordt dat geheel uitgeschakeld?
b. Geldt dit het gehele emissiecontrolesysteem?
c. Indien vraag b met nee beantwoord wordt: bij welke temperatuur wordt elk van de afzonderlijke aanwezige onderdelen (zoals de EGR-klep, de LNT (Lean NOx Trap), de SCR (Selective Catalytic Reduction), de post-heating, de roetfilter en eventuele andere onderdelen van het emissiecontrolesysteem) uitgeschakeld of wordt de werking daarvan verminderd?
d. Welke rechtvaardiging is hiervoor?
5.12.3.
C. Hot restart
1. Is bij de voertuigen die voldoen aan deze typegoedkeuring een ‘hot restart’ functie toegepast, te weten een instelling van de hardware en software waardoor het emissiecontrolesysteem anders reageert bij het starten van een koude motor dan bij het starten van een warme motor?
2. Zo ja,
a. Wanneer is volgens deze instelling sprake van een koude start en wanneer van een warme start?
b. Welke verschillen in instelling zijn er tussen een koude start en warme start wat betreft de werking van het emissiecontrolesysteem?
c. Wat rechtvaardigt dit verschil?
5.12.4.
D. Snelheid
- 1.
Is bij de voertuigen die voldoen aan deze typegoedkeuring een instelling van de hardware en software actief waardoor het emissiecontrolesysteem bij bepaalde snelheden verminderd of niet actief is?
- 2.
Zo ja,
a. Bij welke snelheid is het emissiecontrolesysteem verminderd actief en in welke mate is dat het geval en bij welke snelheden is het geheel uitgeschakeld?
b. Wat is daarvoor de rechtvaardiging?
5.12.5.
E. Postheating
- 1.
Is bij de voertuigen die voldoen aan deze typegoedkeuring een ‘postheating-functie’ aanwezig?
- 2.
Zo ja,
a. Maakt deze deel uit van het emissiecontrolesysteem?
b. Is deze functie actief bij elke temperatuur of is hierop een temperatuurvenster van toepassing? (in dat laatste geval kunt u verwijzen naar de antwoorden bij vraag B2).
5.12.6.
F. Andere manipulatie-instrumenten
- 1.
Zijn er andere dan de hierboven genoemde constructieonderdelen (hardware of software) aanwezig die de temperatuur, de rijsnelheid, het motortoerental, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meten om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd?
- 2.
Zo ja,
a. bij welke waarde van de genoemde parameter(s) wordt de werking van het emissiecontrolesysteem verminderd of wordt dit uitgeschakeld?
b. Wat is hiervoor de rechtvaardiging?
Algemene opmerking over de rechtvaardiging van een manipulatie-instrument
5.13.
Renault wordt verzocht, indien zij meent dat een manipulatie-instrument aanwezig is, maar dat dit gerechtvaardigd is, expliciet in te gaan op de eisen die het Hof van Justitie aan die rechtvaardiging stelt (zie o.a. het hierboven aangehaalde arrest HvJ EU 14 juli 2022, ELCI:EU:C:2022:570 (GSMB/Auto Krainer) aan de hand van de volgende vragen:
- -
Wordt de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem verminderd onder omstandigheden die bij een normaal gebruik van het voertuig te verwachten zijn?
- -
Is een van de uitzonderingen van artikel 5 lid 2 van de Emissieverordening van toepassing?
6. Vervolg van de procedure
6.1.
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat de rechtbank de afzonderlijke procedures tussen partijen wil terugbrengen tot twee zaken: (i) één van de Stichtingen tegen Renault c.s. en (ii) één van SCC en SDEJ tegen de Autodealers. Zij zal de afzonderlijke procedures daartoe eerst splitsen en vervolgens voegen. Partijen hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt. Zoals de Stichtingen hebben verzocht, zullen de reeds ingediende stukken hierna deel uitmaken van de twee resterende zaken.
6.2.
De rechtbank zal eerst de drie procedures splitsen in vijf procedures. Dat zal als volgt gaan. De procedure van SCC (met zaaknummer 710414) wordt gesplitst in een procedure van SCC tegen Renault c.s. en een procedure van SCC tegen de Autodealers. Ook wordt de procedure van SDEJ (met zaaknummer 710434) gesplitst in een procedure van SDEJ tegen Renault c.s. en een procedure van SDEJ tegen de Autodealers. De procedure van SEC tegen Renault S.A. en Renault Nederland N.V. (met zaaknummer 702519) procedure wordt niet gesplitst. Vervolgens worden de drie procedures tegen Renault c.s. (bestaande uit de procedure van SEC tegen Renault S.A. en Renault Nederland N.V., de procedure van SCC tegen Renault c.s. en de procedure van SDEJ tegen Renault c.s.) ambtshalve gevoegd tot één procedure.
Ook worden de twee procedures tegen de Autodealers (bestaande uit de procedure van SCC tegen de Autodealers en de procedure van SDEJ tegen de Autodealers) gevoegd tot één procedure.
6.3.
Over het verdere verloop bepaalt de rechtbank als volgt. Nadat Renault c.s. aan het verzoek van 22 Rv heeft voldaan, mogen de Stichtingen daarop reageren. De Stichtingen zullen bij die gelegenheid ook hun dagvaardingen mogen actualiseren, gelet op hetgeen in dit vonnis is beslist over de splitsing en de voeging, het eerder gegeven oordeel dat de WAMCA niet van toepassing is en de ontwikkelingen in de rechtspraak van het HvJ EU.
Vervolgens zullen de twee zaken worden verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord door gedaagden. Daarvoor krijgen gedaagden een termijn van drie maanden.
7. De beslissing
De rechtbank
in de SEC-zaak (met zaaknummer / rolnummer C/13/702519 / HA ZA 21-500)
7.1.
splitst deze procedure niet;
in de SCC-zaak (met zaaknummer / rolnummer C/13/710414 / HA ZA 21-1028)
7.2.
splitst de door SCC ingeleide procedure in twee afzonderlijke procedures:
1. SCC tegen Renault c.s. met zaak- en rolnummer C/13/710414 / HA ZA 21-1028;
2. SCC tegen de Autodealers met zaak- en rolnummer C/13/751970 HA ZA 24-615;
in de SDEJ-zaak (met zaaknummer / rolnummer C/13/710434 HA ZA 21-1030)
7.3.
splitst de door SDEJ ingeleide procedure in twee afzonderlijke procedures:
1. SDEJ tegen Renault c.s. met zaak- en rolnummer C/13/710434 HA ZA 21-1030;
2. SDEJ tegen de Autodealers met zaak- en rolnummer C/13/751971 HA ZA 24-616;
7.4.
voegt de procedure van SEC (met zaaknummer / rolnummer C/13/702519 / HA ZA 21-500) met de procedure van SCC tegen Renault c.s. (met zaaknummer / rolnummer C/13/710414 / HA ZA 21-1028) en de procedure van SDEJ tegen Renault c.s. (met zaaknummer / rolnummer C/13/710434 HA ZA 21-1030);
7.5.
voegt de procedure van SCC tegen de Autodealers (met zaaknummer / rolnummer C/13/751970 HA ZA 24-615) met de procedure van SDEJ tegen de Autodealers (met zaak- en rolnummer C/13/751971 HA ZA 24-616);
7.6.
bepaalt dat de tot op heden ingediende processtukken gelden als ingediend in elk van de procedures waarin de partij die het processtuk indiende na de bovenstaande splitsing en voeging partij is,
in de twee zaken na bovenstaande splitsing en voeging
7.7.
bepaalt dat deze zaken op de rol gevoegd zullen worden,
7.8.
verwijst de zaken naar de rol van 18 september 2024 voor akte ex artikel 22 Rv aan de zijde van Renault c.s.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. M.R. Jöbsis en mr. R.P.F. de Groot, rechters, bijgestaan door mr. P. Palanciyan, griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑06‑2024
Voor de gegevens van gedaagden 7 t/m 43 en 48 t/m 82 wordt verwezen naar het vonnis van 10 april 2024.
Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie. De in de vragen gebruikte termen worden gebruikt in de betekenis die daaraan gehecht is in de Emissieverordening.
Uitspraak 10‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Collectieve actie tegen Renault vanwege gestelde illegale manipulatie-instrumenten. In dit vonnis komt de ontvankelijkheid van de drie stichtingen (m.u.v. de representativiteit) en het toepasselijk recht op de vorderingen van de stichtingen aan de orde.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
Vonnis van 10 april 2024
Op de rol gevoegde zaken
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/702519 / HA ZA 21-500 van
de stichting
STICHTING EMISSION CLAIM,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. C. Jeloschek,
e i s e r e s,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT S.A.,
gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius,
2. de naamloze vennootschap
RENAULT NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Schiphol-Rijk,
advocaat mr. Y. Borrius,
g e d a a g d e n,
[tegen gedaagde 3 is ontslag van instantie verleend]
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710414 / HA ZA 21-1028 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. P. Haas,
e i s e r e s,
tegen de hiervoor onder 1 en 2 genoemde gedaagden en tegen
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT S.A.S.,
gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AUTOMOBILE DACIA S.A.,
gevestigd te Boekarest/Mioveni (Roemenië),
advocaat mr. Y. Borrius,
g e d a a g d e n,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RENAULT-NISSAN B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verstek verleend,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF “DE MARKIES B.V.”,
gevestigd te Bergen op Zoom,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF BRAAL B.V.,
gevestigd te Schouwen-Duiveland,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
QUICKSERVICE KIEVIT HELLEVOETSLUIS B.V.,
gevestigd te Hellevoetsluis,
10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZEEUW & ZEEUW I B.V.,
gevestigd te Wateringen,
11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL DORZO RENAULT DACIA NISSAN B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL RENAULT DACIA B.V.,
gevestigd te Tiel,
13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL RENAULT DACIA 2 B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF HOPMANS B.V.,
gevestigd te Zevenbergen,
15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF WISSE B.V.,
gevestigd te Terneuzen,
16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF ROOCAR B.V.,
gevestigd te Krimpen aan den IJssel,
17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HEDIN AUTOMOTIVE 2R B.V.,
(voorheen genaamd Stern 2R B.V.),
gevestigd te Eindhoven,
18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF JOHAN DE JONG B.V.,
gevestigd te Kaatsheuvel,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN AAKEN MIDDELBEERS B.V.,
gevestigd te Oost-,West-Middelbeers,
20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJVEN VERDONK B.V.,
gevestigd te Veldhoven,
21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES VENLO B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf J. Janssen Venlo B.V.),
gevestigd te Venlo,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES KERKRADE B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf Kerres Kerkrade B.V.),
gevestigd te Kerkrade,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES SITTARD B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf Kerres Sittard B.V.),
gevestigd te Sittard,
24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES HEERLEN B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf Kerres Heerlen B.V.),
gevestigd te Heerlen,
25. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES MAASTRICHT B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf Kerres Maastricht B.V.),
gevestigd te Maastricht,
26. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES HELMOND B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf J. Janssen Helmond B.V.),
gevestigd te Helmond,
27. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF J. JANSSEN B.V.,
gevestigd te Nuenen,
28. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VOGELS AUTOBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Gemert,
29. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO VAN DIJCK B.V.,
gevestigd te Hapert,
failliet verklaard,
30. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF VAN GOMPEL B.V.,
gevestigd te Reusel,
31. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF COPPES B.V.,
gevestigd te Bergharen,
32. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOCHANE AUTO I B.V.,
gevestigd te Veenendaal,
33. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HEURKENS ECHT B.V.,
gevestigd te Echt,
34. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HEURKENS WEERT B.V.,
gevestigd te Weert,
35. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HEURKENS ROERMOND B.V.,
gevestigd te Roermond,
36. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF MANDERS DEURNE B.V.,
gevestigd te Deurne,
37. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF H. STRIJBOSCH VENRAY B.V.,
gevestigd te Venray,
38. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HERCOM DOETINCHEM B.V.,
gevestigd te Doetinchem,
39. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HERCOM NEEDE B.V.,
gevestigd te Neede,
40. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HERWERS ZEVENAAR B.V.,
gevestigd te Zevenaar,
41. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF JOS HERWERS HENGELO (G) B.V.,
gevestigd te Hengelo (Gelderland),
42. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GARAGE KLEINE & ZONEN B.V.,
gevestigd te Doesburg,
43. de vennootschap onder firma
V.O.F. GARAGE LEIJENAAR,
kantoorhoudende te Bathmen, gemeente Deventer,
[gedaagden 44 t/m 47 zijn opgegaan in gedaagde 50]
48. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO MUNSTERHUIS B.V.,
gevestigd te Hengelo (Overijssel),
49. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOCENTRUM CENTS B.V.,
gevestigd te Ommen,
50. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TERWOLDE B.V.,
rechtsopvolgster van gedaagden 44 t/m 47,
gevestigd te Groningen,
51. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF J. HOITING DALEN B.V.,
gevestigd te Dalen,
52. de vennootschap onder firma
V.O.F. AUTOBEDRIJF VOS,
kantoorhoudende te Smilde, gemeente Midden-Drenthe,
53. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF MATTER MEPPEL B.V.,
gevestigd te Meppel,
54. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF MATTER STEENWIJK B.V.,
gevestigd te Steenwijk,
55. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF H.J.G. HERBERS B.V.,
gevestigd te Vlagtwedde,
56. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF SCHOON B.V.,
gevestigd te Stadskanaal,
57. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF VAN KESTEREN B.V.,
gevestigd te IJsselmuiden,
58. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ABD GROEP B.V.,
gevestigd te Drachten,
59. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO BEERDA B.V.,
gevestigd te Kollumerland en Nieuwkruisland,
60. de vennootschap onder firma
V.O.F. GARAGE DROS,
kantoorhoudende te De Cocksdorp, gemeente Texel,
61. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STOKMAN ALKMAAR B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
62. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STOKMAN DEN HELDER B.V.,
gevestigd te Den Helder,
63. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STOKMAN HOORN B.V.,
gevestigd te Hoorn (Noord-Holland),
64. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOZENTER SCHAGEN B.V.,
gevestigd te Schagen,
65. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FRANS STOKMAN B.V.,
gevestigd te Heerhugowaard,
66. de vennootschap onder firma
GARAGE JOHAN BOERLAGE AUTOCENTRUM BOERLAGE ACB,
kantoorhoudende te Edam, gemeente Edam-Volendam,
67. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIJT’S AUTOBEDRIJF BEHEER B.V.,
gevestigd te Beemster,
68. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO DROGTROP B.V.,
gevestigd te Beverwijk,
69. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF NIEUWENDIJK BADHOEVEDORP B.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
70. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF NIEUWENDIJK HOOFDDORP B.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
71. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF BENELUX AMSTELVEEN B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
72. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BEHEERMAATSCHAPPIJ C.A. NIEUWENDIJK B.V.,
gevestigd te Aalsmeer,
73. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF VROEGOP B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
74. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF NIEUWENDIJK B.V.,
gevestigd te Aalsmeer,
75. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STAM AUTOBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Amersfoort,
76. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO BERNAULT B.V.,
gevestigd te Mijdrecht,
77. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF HANS JONGERIUS B.V.,
gevestigd te Woerden,
78. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF VAN RAMSHORST B.V.,
gevestigd te Nijkerk,
79. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KEMPENAAR ALPHEN AAN DEN RIJN B.V.,
gevestigd te Alphen aan den Rijn,
80. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KEMPENAAR BODEGRAVEN B.V.,
gevestigd te Bodegraven,
81. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF VELSERBEEK B.V.,
gevestigd te Velsen,
82. [gedaagde 82], handelend onder de naam AUTOBEDRIJF VAN WINDEN, zaak doende te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,
advocaat mr. R.J. van der Weijden,
g e d a a g d e n 7 t/m 82,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710434 HA ZA 21-1030
de stichting,
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. J.D. Edixhoven,
e i s e r e s,
tegen de hiervoor genoemde gedaagden 1, 2, 4, 5 en 7 t/m 82.
Eiseressen zullen hierna afzonderlijk SEC, SCC en SDEJ worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij de Stichtingen worden genoemd. Renault S.A., Renault Nederland N.V., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. zullen hierna gezamenlijk Renault c.s. worden genoemd. Gedaagden 7 t/m 82 zullen hierna gezamenlijk de Autodealers worden genoemd.
De zaken zullen hierna afzonderlijk de SEC-zaak, de SCC-zaak en de SDEJ-zaak worden genoemd.
1. Het procesverloop
in de SEC-zaak
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 1 februari 2023,
- -
de incidentele conclusie fase 2 van Renault S.A. en Renault Nederland N.V., met producties,
- -
de akte overlegging producties van SEC,
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 januari 2024 (en de daarin vermelde stukken),
- -
de akte overlegging productie van SEC, met een productie,
- -
de brief van 13 februari 2024 inzake toezending financieringsovereenkomst van SEC,
- -
de brief van 27 februari van Renault c.s. met opmerkingen over het proces-verbaal,
- -
de antwoordakte van Renault c.s.
1.2.
De rechtbank heeft bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
in de SCC-zaak
1.3.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 1 februari 2023,
- -
de incidentele conclusie fase 2 van Renault c.s., met producties,
- -
de incidentele conclusie fase 2 van de Autodealers, met producties,
- -
de akte overlegging producties van SCC,
- -
de akte overlegging producties van de Autodealers,
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 januari 2024 (en de daarin vermelde stukken),
- -
de akte overlegging financieringsovereenkomst van SCC, met producties,
- -
de brief van 27 februari van Renault c.s. met opmerkingen over het proces-verbaal,
- -
de antwoordakte van Renault c.s., mede namens de Autodealers,
- -
de antwoordakte van de Autodealers, waarin wordt verwezen naar de antwoordakte van Renault c.s.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
In de SDEJ-zaak
1.5.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 1 februari 2023,
- -
de incidentele conclusie fase 2 van Renault c.s., met producties,
- -
de incidentele conclusie fase 2 van de Autodealers, met producties,
- -
de akte overlegging producties van SDEJ,
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 januari 2024 (en de daarin vermelde stukken),
- -
de akte overlegging financieringsovereenkomst en geredigeerd budget van SDEJ,
- -
de akte overlegging niet geredigeerd budget van SDEJ,
- -
de brief van 27 februari van Renault c.s. met opmerkingen over het proces-verbaal,
- -
de antwoordakte van Renault c.s., mede namens de Autodealers,
- -
de antwoordakte van de Autodealers, waarin wordt verwezen naar de antwoordakte van Renault c.s.
1.6.
De rechtbank heeft bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2. Inleiding
2.1.
Deze zaken zijn zogenoemde collectieve acties. De Stichtingen komen op voor de belangen van hun achterbannen. Volgens de Stichtingen hebben hun achterbannen schade geleden, doordat Renault c.s. Renault- en Daciavoertuigen met een illegaal manipulatie-instrument op de Nederlandse markt heeft gebracht. SEC heeft vorderingen ingesteld tegen Renault S.A. en Renault Nederland N.V. SCC en SDEJ hebben vorderingen ingesteld tegen Renault c.s. en de Autodealers.
2.2.
Bij vonnis van 1 februari 2023 heeft de rechtbank overwogen dat zij bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichtingen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat artikel 3:305a (oud) BW van toepassing is op deze collectieve acties en dat de Stichtingen voldoende representatief zijn in de zin van artikel 3:305a (oud) BW.
In dit vonnis zal de rechtbank een oordeel geven over i) de ontvankelijkheid van de Stichtingen volgens artikel 3:305a (oud) BW, met uitzondering van de representativiteit van de Stichtingen en ii) het toepasselijk recht op de vorderingen van de Stichtingen.
2.3.
De rechtbank heeft over elk van de verschillende vorderingen beslist of deze voldoende ‘bundelbaar’ zijn om in een collectieve actie te kunnen beoordelen. Dat leidt er toe dat een deel van de vorderingen ontvankelijk is en een deel niet. Onder 7.51 is een overzicht opgenomen van deze beslissingen.Over de ontvankelijkheid van SDEJ en SEC kan de rechtbank nog niet definitief beslissen. SDEJ en SEC mogen zich nog nader uitlaten over hun financieringsovereenkomsten.
Daarnaast wordt vastgesteld dat Nederlands recht van toepassing is op de vorderingen van de Stichtingen.
3. De feiten
3.1.
In het vonnis van 1 februari 2023 is een aantal feiten opgenomen. Deze feiten worden hier, voor zover nog van belang, herhaald en aangevuld.
in de SEC-zaak
3.2.
SEC is opgericht op 11 december 2020.
3.3.
De statuten van SEC beginnen, voor zover hier van belang, als volgt:
“DEFINITIES
In de statuten wordt verstaan onder: (…)
c) Claims: een of meer klachten, eisen, stellingen en/of (rechts)vorderingen van de Gedupeerden en/ of de stichting in het belang van de Gedupeerden, op welke rechtsgrondslag dan ook, jegens de Motorvoertuigfabrikanten of andere Entiteiten en/of hun Beleidsbepalers met betrekking tot iedere vorm van benadeling, verlies of schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden of te lijden, individueel of gezamenlijk, als gevolg van de manipulatie van de uitstoot van Gemanipuleerde Voertuigen in bepaalde testsituaties en/of de verkeerde voorstelling van zaken door Motorvoertuigfabrikanten, Entiteiten en/of hun Beleidsbepalers met betrekking tot de werkelijke niveaus van de uitstoot, inclusief maar niet beperkt tot vorderingen of stellingen van Gedupeerden in verband met de aankoop, het bezit of de lease van voertuigen en vorderingen in verband met de uitstoot van milieugevaarlijke stoffen;
d) Entiteiten: alle (rechts)personen die betrokken zijn of waren bij de productie en/of ontwikkeling, de import, distributie en/of verkoop of lease van Gemanipuleerde Voertuigen en alle entiteiten en/of (toezichthoudende) organisaties, en/of hun Beleidsbepalers, die op enigerlei wijze betrokken zijn (geweest) bij de toelating en/of goedkeuring van de Gemanipuleerde Voertuigen, dit alles in de ruimste zin van het woord;
e) Gedupeerden: (rechts)personen die één of meer Gemanipuleerde Voertuigen heeft gekocht of geleased;
f) Gemanipuleerd Voertuig: een voertuig uitgerust met of voorzien van een Manipulatie-instrument of software of technologie die is geïnstalleerd om als zodanig te werken;
g) Manipulatie-instrument: een op grond van artikel 5 lid 2 van EU Verordening (EG) nummer 715/2007 verboden constructieonderdeel van een motorvoertuig dat de temperatuur, de rijsnelheid, het motortoerental, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meet om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij een normaal gebruik van het voertuig te verwachten zijn;
h) Motorvoertuigfabrikanten: alle rechtspersonen (en hun (feitelijke) Beleidsbepalers) die verbonden zijn aan, behoren of hebben behoord tot de groep van ondernemingen van een fabrikant of leverancier van personenauto's, bedrijfswagens, vrachtwagens en andere motorvoertuigen, inclusief de aan hen gelieerde of daarmee verbonden ondernemingen, evenals de leveranciers van onderdelen, die betrokken zijn of zijn geweest bij de manipulatie of aanpassing van emissie, of de productie of levering van
dergelijke apparaten of technologie, inclusief maar niet beperkt tot ondernemingen die betrokken of mogelijk betrokken waren bij regelgevende of onderzoeksprocessen die verband houden met wat bekendstaat als het "emissieschandaal" of "dieselgate"; (…)
j) tegenstrijdig belang: een direct of indirect persoonlijk belang dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting; (…)”.
3.4.
De statuten van SEC luiden verder, voor zover hier van belang:
“ARTIKEL 2 – DOEL
2.1.
De stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van de Gedupeerden die één of meer Gemanipuleerde Voertuigen hebben aangeschaft of geleased, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
a. het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (i) het ontwikkelen en het installeren van een of meer Manipulatie-instrumenten in Gemanipuleerde Voertuigen en (ii) het verkopen en/of leveren van Gemanipuleerde Voertuigen aan de Gedupeerden;
b. het behartigen van de belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
c. het wereldwijd behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met de Claims;
d. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden;
e. het behartigen van de collectieve belangen van Gedupeerden in milieuzaken, in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
f. al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord;
een en ander voor zover dit door het bestuur opportuun wordt geacht.
ARTIKEL 3 – ORGANEN EN STRUCTUUR
3.1.
De stichting kent de volgende organen:
(a) een bestuur;
(b) een raad van toezicht; en
(c) een gemeenschappelijke vergadering van bestuur en raad van toezicht.
3.2.
De governance structuur van de stichting is opgezet in overeenstemming met de bepalingen van de Claimcode.
ARTIKEL 5 - BESTUUR: SAMENSTELLING, BENOEMING, DEFUNGEREN
5.1.
Het bestuur van de stichting bestaat uit door de raad van toezicht vast te stellen aantal natuurlijke personen van tenminste drie. (…)
5.2.
Binnen het bestuur en de raad van toezicht en tussen bestuursleden en leden van de raad van toezicht mogen geen nauwe familie- of vergelijkbare relaties bestaan, met inbegrip van maar niet beperkt tot huwelijk, geregistreerd partnerschap of ongehuwd samenwonen. Indien de stichting een financieringsovereenkomst heeft met een externe partij, geldt hetzelfde voor de relaties van bestuurders en toezichthouders met personen die zijn verbonden aan deze externe partij.
5.3.
De bestuurders hebben geen rechtsreeks of middellijk winstoogmerk dat via de stichting wordt gerealiseerd.
5.4.
Bestuursleden worden benoemd en geschorst door de raad van toezicht. De Claimcode bevat bepalingen over de gewenste samenstelling van het bestuur van de stichting. Bij de benoeming van bestuursleden worden deze bepalingen opgevolgd voor zover die uitvoerbaar zijn. (…)
ARTIKEL 6 - BESTUUR: TAAK EN BEVOEGDHEDEN
(…)
6.3.
Indien de Stichting een financieringsovereenkomst of een overeenkomst inzake
procesfinanciering met een externe partij heeft ziet het bestuur erop toe dat
a. de individuele leden van het bestuur en leden van de raad van toezicht, alsmede
de door de stichting ingeschakelde advocaat of andere dienstverleners zelfstandig en onafhankelijk zijn van de externe financier en de aan deze rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen, alsmede dat de externe financier en de aan deze rechtstreeks
of middellijk verbonden (rechts)personen onafhankelijk zijn van de wederpartij in de collectieve actie; en
b. de financieringsvoorwaarden (waaronder begrepen de omvang en systematiek van de overeen te komen vergoeding) redelijkerwijs niet strijdig zijn met het collectieve belang van de Gedupeerden. (…)
6.5.
Het bestuur is verplicht jaarlijks de hoofdlijnen van de governance structuur van de stichting aan de hand van de Claimcode uiteen te zetten. In deze uiteenzetting neemt het bestuur op in hoeverre de stichting de bepalingen in de Claimcode opvolgt. Voor zover van de Claimcode wordt afgeweken, geeft het bestuur aan waarom en in hoeverre de stichting daarvan afwijkt.
6.6.
Het bestuur is verplicht om elke voorgenomen substantiële wijziging in de governance structuur van de stichting en in de naleving van de Claimcode ter bespreking voor te leggen aan de raad van toezicht. (…)
ARTIKEL 10 - RAAD VAN TOEZICHT: SAMENSTELLING, BENOEMING,
DEFUNGEREN
10. l. De raad van toezicht van de stichting bestaat uit een door de raad van toezicht vast te stellen aantal van drie of meer natuurlijke personen.
10.2.
In de Claimcode zijn bepalingen over de gewenste samenstelling van raad van toezicht van de stichting opgenomen. Bij de benoeming van leden van de raad van toezicht worden deze bepalingen zoveel mogelijk gevolgd.
10.3.
Binnen de raad van toezicht en het bestuur en tussen leden van de raad van toezicht en bestuursleden mogen geen nauwe familie- of vergelijkbare relaties bestaan, met inbegrip van maar niet beperkt tot het huwelijk, geregistreerd partnerschap of ongehuwd samenwonen. Indien de stichting een financieringsovereenkomst heeft met een externe partij, geldt hetzelfde voor de relaties van leden van de raad van toezicht met personen die zijn verbonden aan deze externe partij. Ook hoofd- of nevenfuncties van bestuursleden en leden van de raad van toezicht die afbreuk doen aan de onafhankelijkheid dienen te worden vermeden. (…)
ARTIKEL 12 – RAAD VAN TOEZICHT: BESLUITVORMING (…)
12.12
Indien een lid van de raad van toezicht een mogelijk tegenstrijdig belang heeft, doet hij daarvan onverwijld mededeling aan de overige leden van de raad van toezicht. Een lid van de raad van toezicht neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien er sprake is van een tegenstrijdig belang.
Wanneer de raad van toezicht hierdoor geen besluit kan nemen, wordt het besluit genomen door de raad onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen. (…)”.
3.5.
In de akte houdende eiswijziging van SEC staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) In deze procedure vertegenwoordigt de Stichting de belangen van alle (eerste en opvolgende) kopers en alle lessees van Sjoemeldiesels die in de periode tussen 1 september 2009 en 1 september 2019 (de “Relevante Periode”) in Nederland zijn geïmporteerd, in Nederland (bij de RDW) zijn geregistreerd en/of in Nederland zijn verkocht of geleaset, steeds met uitzondering van Gedaagden. Deze groep bestaat zowel uit consumenten, als ook uit professionele partijen (zoals verhuurbedrijven, leasemaatschappijen, ondernemingen met een eigen wagenpark of taxiondernemingen), gezamenlijk aangeduid als “de Gedupeerden (…)”.
3.6.
SEC heeft op 18 maart 2021 een brief gestuurd aan Renault S.A. en Renault N.V., waarin zij aansprakelijk worden gesteld en worden uitgenodigd voor overleg over een minnelijke regeling.
in de SCC-zaak
3.7.
SCC is opgericht op 1 oktober 2015 en heeft haar statuten op 3 juli 2020 gewijzigd.
3.8.
De statuten van SCC beginnen, voor zover hier van belang, als volgt:
“DEFINITIES
In de statuten wordt verstaan onder: (…)
b. Autobezitter: (rechts)persoon die in de Relevante Periode één of meerdere Gemanipuleerde Voertuigen heeft gekocht of geleased;
c. Autofabrikant: alle rechtspersonen (en hun (feitelijke) beleidsbepalers) die behoren of hebben behoord tot de groep van vennootschappen van een autofabrikant die betrokken is
of is geweest bij een emissieschandaal; (…)
i. Gemanipuleerd Voertuig: een voertuig van een van de merken die gevoerd worden door een Autofabrikant, uitgerust met of voorzien van hard- en/of software (…) met de bedoeling om emissietesten te manipuleren en/of ten gevolge waarvan de wettelijke emissienormen worden overschreden; (…)
k. Lokale Handelaar: een officieel door een Autofabrikant erkende handelaar in
(een of meerdere) Gemanipuleerde Voertuigen gedurende de Relevante Periode met (destijds) een verkooppunt in Nederland; (…)
o. Relevante Periode: de periode waarin Gemanipuleerde Voertuigen zijn verkocht en/of geleverd; (…)
u. Update: op (een deel van) de Gemanipuleerde Voertuigen toegepaste soft- en/of hardware aanpassingen waarmee de verboden soft- en/of hardware beweerlijk is verwijderd, waardoor de Gemanipuleerde Voertuigen beweerlijk aan wettelijke emissienormen zouden voldoen; (…)”.
3.9.
De statuten van SCC luiden verder, voor zover hier van belang:
“DOEL
ARTIKEL 2
1. De stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van de Autobezitters, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
a. het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (i) het ontwikkelen en het installeren van verboden soft- en/of hardware in de Gemanipuleerde Voertuigen en (ii) het verkopen en/of leveren van de Gemanipuleerde Voertuigen aan de Autobezitters;
b. het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (de gevolgen van) de toepassing van een of meer Updates op de Gemanipuleerde Voertuigen;
c. het vaststellen en het onderzoeken van (i) alle (financiële) gevolgen van het bovenstaande voor de Autobezitters, (ii) de mogelijkheid voor de Autobezitters om Vorderingen jegens (een of meer) Autofabrikanten geldend te (doen) maken, waaronder begrepen, maar niet beperkt tot het ontbinden van de door hen gesloten koopovereenkomsten van Gemanipuleerde Voertuigen met Lokale Handelaren tegen (volledige) terugbetaling van de koopprijs, (iii) de mogelijkheid voor de Autobezitters tot (algehele) vergoeding van de door hen geleden en nog te lijden schade te verkrijgen van de verantwoordelijke partijen, (iv) de mogelijkheid voor de Autobezitters om alle noodzakelijke vrijwaringen en/of garanties te (doen) verkrijgen ten aanzien van alle mogelijke negatieve gevolgen van de manipulatie van de Gemanipuleerde Voertuigen – zowel voor als na één of meer Updates – voor Gemanipuleerde Voertuigen, ten einde het ongestoord gebruik van de Gemanipuleerde Voertuigen te continueren en (v) alternatieve mogelijkheden tot oplossing van de uitstootproblemen van Gemanipuleerde Voertuigen;
d. het verkrijgen van een (aansprakelijkheids)verklaring voor recht van iedere bevoegde rechtbank dat (een of meer) Autofabrikanten, Bosch, hun (voormalige) besturen, hun (voormalige) raden van commissarissen, (een of meer) Importeurs, (een of meer) Lokale Handelaren en/of andere verwijtbare partijen toepasselijke wet- en regelgeving waaronder begrepen maar niet beperkt tot schending van wet- en regelgeving op het gebied van milieu(normen), oneerlijke handelspraktijken, misleidende reclame en/of het (consumenten)kooprecht en enige daaruit voor hen voortvloeiende plichten jegens de Autobezitters hebben geschonden;
e. het instellen van ge- of verbodsacties in rechte en/of het leggen van beslagen;
f. het verkrijgen van compensatie voor de (financiële) gevolgen voor de Autobezitters; en
g. al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.
ORGANEN EN GOVERNANCE STRUCTUUR
ARTIKEL 3
1. De stichting kent de volgende organen:
a. een bestuur;
b. een raad van toezicht; en
c. een gemeenschappelijke vergadering van bestuur en raad van toezicht.
2. De governance structuur van de stichting is opgezet in overeenstemming met de
bepalingen van de Claimcode. (…)
3. Het bestuur en de raad van toezicht zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van de
governance structuur van de stichting en voor de naleving van de Claimcode.
(…)
BESTUUR: SAMENSTELLING, BENOEMING, DEFUNGEREN
ARTIKEL 5
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door de raad van toezicht vast te stellen aantal van drie of meer natuurlijke personen.
2. In de Claimcode zijn bepalingen over de gewenste samenstelling van het bestuur van de
stichting opgenomen. Bij de benoeming van bestuursleden worden deze bepalingen
zoveel mogelijk gevolgd.
(…)
BESTUUR: TAAK EN BEVOEGDHEDEN
ARTIKEL 6
(…)
4. Het bestuur is verplicht jaarlijks de hoofdlijnen van de governance structuur van de
stichting aan de hand van de Claimcode uiteen te zetten. In deze uiteenzetting neemt het bestuur op in hoeverre de stichting de bepalingen in de Claimcode opvolgt. Voor zover van de Claimcode wordt afgeweken, geeft het bestuur aan waarom en in hoeverre de stichting daarvan afwijkt.
5. Het bestuur is verplicht om elke voorgenomen wijziging in de governance structuur van de stichting en in de naleving van de Claimcode ter bespreking voor te leggen aan de raad van toezicht. Het bestuur zal het voorafgaande als een afzonderlijke agendapunt op de agenda van de vergadering zetten.
RAAD VAN TOEZICHT: SAMENSTELLING, BENOEMING, DEFUNGEREN ARTIKEL 10
1. De raad van toezicht van de stichting bestaat uit een door de raad van toezicht vast te
stellen aantal van drie of meer natuurlijke personen.
2. In de Claimcode zijn bepalingen over de gewenste samenstelling van raad van toezicht
van de stichting opgenomen. Bij de benoeming van leden van de raad van toezicht worden
deze bepalingen zoveel mogelijk gevolgd. (…)”.
3.10.
In de dagvaarding van SCC staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) BEGRIPPENLIJST
Autobezitters De Particuliere Partijen en Zakelijke Partijen (…)
Getroffen Voertuigen Euro 5 en Euro 6 dieselvoertuigen van de categorie M1, M2, N1 en/of N2 in de zin van artikel 2 van de Emissieverordening, die onder de merken Renault en Dacia vanaf 1 september 2009 tot 1 september 2019 op de markt zijn gebracht, waaronder in ieder gevallen de modellen gespecificeerd in Productie 1. (…)
IV. DE BENADEELDEN VOOR WIE DE STICHTING IN DEZE PROCEDURE
OPKOMT (…)
Car Claim voert deze procedure namens de Autobezitters. (…)
De groep Autobezitters is territoriaal beperkt tot Autobezitters die op het moment dat de
desbetreffende Overeenkomst(en) werd(en) aangegaan hun gewone verblijfplaats in
Nederland hadden. Dit neemt niet weg dat sommige Autobezitters over de jaren mogelijk
uit Nederland zijn geëmigreerd. Voor die (slechts beperkte) groep Autobezitters verzoekt
Car Claim de rechtbank met het oog op artikel 1018f lid 5 laatste volzin Rv te bepalen dat
deze procedure ook voor hen leidt tot gebondenheid op basis van ‘opt-out’ (in
overeenstemming met artikel 1018f lid 1 Rv). (…)
Iedere Autobezitter heeft een vordering jegens Gedaagden als gevolg van de koop
of lease van een Getroffen Voertuig. (…)
Particuliere Partijen bestaan uit natuurlijke personen, niet handelend in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, die:
(i) een nieuw Getroffen Voertuig bij een Handelaar hebben gekocht of via een
Handelaar door middel van een leaseconstructie hebben gekregen (Particuliere
Partijen A);
(ii) een tweedehands Getroffen Voertuig bij een Handelaar hebben gekocht of via
en Handelaar door middel van een leaseconstructie hebben gekregen (Particuliere
Partijen B); en
(iii) een nieuw of tweedehands Getroffen Voertuig hebben gekocht van of door
middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen via een andere partij
dan een Handelaar, bijvoorbeeld in een particuliere transactie, bij een occasion
dealer of een andere leasemaatschappij (Particuliere Partijen C). (…)
Zakelijke Partijen betreffen niet-Particuliere Partijen, die:
(i) een nieuw Getroffen Voertuig van een Handelaar hebben gekocht of via een
Handelaar door middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen
(Zakelijke Partijen A);
(ii) een tweedehands Getroffen Voertuig van een Handelaar hebben gekocht of via
een Handelaar door middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen
(Zakelijke Partijen B); en
(iii) een nieuw of tweedehands Getroffen Voertuig hebben gekocht van, of door
middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen via een andere partij
dan een Handelaar, bijvoorbeeld in een particuliere transactie, bij een occasion
dealer of een andere leasemaatschappij (Zakelijke Partijen C).”
3.11.
SCC heeft op 24 juni 2021 een brief gestuurd aan Renault S.A., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A., waarin zij aansprakelijk worden gesteld en worden uitgenodigd voor overleg over een minnelijke regeling.
3.12.
SCC heeft op 14 september 2021 een brief gestuurd aan de Autodealers, waarin de Autodealers aansprakelijk worden gesteld, er gevraagd wordt om herstel en vervanging en waarin de Autodealers worden uitgenodigd voor overleg over een minnelijke regeling.
in de SDEJ-zaak
3.13.
SDEJ is opgericht op 1 juli 2019.
3.14.
De statuten van SDEJ beginnen, voor zover hier van belang, als volgt:
“DEFINITIES
In de statuten wordt verstaan onder:
“(…) b. Claim of Claims: klachten, eisen en/of vorderingen van de Gedupeerden en/of de
stichting in het belang van de Gedupeerden, op welke rechtsgrondslag dan ook, jegens een of meer Entiteiten en/of hun Beleidsbepalers met betrekking tot iedere vorm van benadeling, verlies of schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden of te lijden, individueel of gezamenlijk, als gevolg van ongeoorloofde manipulatie van de uitstoot van
voertuigen in bepaalde testsituaties en/of de verkeerde voorstelling van zaken door de Entiteiten met betrekking tot de daadwerkelijke niveaus van deze uitstoot, algemeen bekend als het dieselemissieschandaal, dat uitdrukkelijk omvat, maar niet beperkt is tot vorderingen van Gedupeerden in verband met de aankoop, het bezit of de lease van voertuigen en vorderingen in verband met de uitstoot van milieugevaarlijke stoffen;
c. Gedupeerden: alle natuurlijke personen, dan welprivaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen, of hun rechtsopvolgers die direct of indirect op welke manier dan ook geschaad of benadeeld zijn door het handelen of nalaten van de Entiteiten en Beleidsbepalers en waarop de Claims zijn gebaseerd, dit in de ruimste zin van het
woord;
d. Entiteiten:
i. alle (rechts)personen, in het bijzonder fabrikanten van personenauto's, bedrijfswagens, vrachtwagens en andere voertuigen, inclusief de aan hen gelieerde ondernemingen, die zich richten op de productie en/of verkoop van dergelijke voertuigen, waarvan is gebleken of bij de stichting enig vermoeden bestaat dat die één of meer Ongeoorloofde Manipulatie-instrumenten bevatten, dit alles in de ruimste zin van het woord;
ii. alle (rechts)personen die betrokken zijn of waren bij de productie en/of ontwikkeling van een Ongeoorloofd Manipulatie-instrument, dit alles in de ruimste zin van het woord;
iii. alle (rechts)personen die betrokken zijn of waren bij de import, distributie en/of verkoop of lease van voertuigen met een Ongeoorloofd Manipulatie-instrument, waaronder begrepen de (exclusieve) importeurs en dealers van de betreffende autofabrikanten bedoeld onder sub i. hiervoor, dit alles in de ruimste zin van het woord;
iv. de Beleidsbepalers van de hiervoor onder sub i. tot en met sub iii. bedoelde entiteiten; en/of
v. andere entiteiten en/of (toezichthoudende) organisaties, en/of hun Beleidsbepalers, die op enigerlei wijze betrokken zijn (geweest) bij de toelating en/of goedkeuring van de betreffende voertuigen;
e. Ongeoorloofd Manipulatie-instrument of Ongeoorloofde Manipulatie-instrumenten: een manipulatie-instrument in de zin van artikel 3 sub 10 van Europese Verordening nr. 71S/2007, dan wel in de zin van een vergelijkbare bepaling in opvolgende wetgeving, dat niet valt onder een van de in deze verordening of opvolgende wetgeving omschreven uitzonderingen; (…)”.
3.15.
De statuten van SDEJ luiden verder, voor zover hier van belang:
“DOEL
ARTIKEL 2
1. De stichting heeft ten doel het behartigen en voortzetten van de belangen van de Gedupeerden (…), waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
a. het wereldwijd behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met de Claim;
b. het behartigen van de belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
c. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden (…) stellen te hebben geleden;
d. het behartigen van de collectieve belangen van Gedupeerden in milieuzaken, in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
e. al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord;
een en ander voor zover dit door het bestuur opportuun wordt geacht.
ORGANEN EN GOVERNANCE STRUCTUUR
ARTIKEL 3
1. De stichting kent de volgende organen:
a. een bestuur;
b. een raad van toezicht; en
c. een gemeenschappelijke vergadering van bestuur en raad van toezicht.
2. De stichting kent Participanten. (…)
BESTUUR: TAAK EN BEVOEGDHEDEN
ARTIKEL 6
(…) 4. De hoofdlijnen van de governance structuur van de stichting worden elk jaar, aan de hand van de principes uit de Claimcode door het bestuur uiteengezet. Het bestuur geeft aan in hoeverre zij de in de Claimcode opgenomen bepalingen opvolgt.
Voor zover de stichting de bepalingen in de Claimcode niet opvolgt, geeft het bestuur aan
waarom en in hoeverre zij daarvan afwijkt.
5. Het bestuur is verplicht om elke voorgenomen substantiële wijziging in de governance structuur van de stichting ter bespreking voor te leggen aan de raad van toezicht. Het bestuur zal het voorafgaande als een afzonderlijk agendapunt op de agenda van de vergadering zetten. (…)
RAAD VAN TOEZICHT: SAMENSTELLING, BENOEMING, DEFUNGEREN
ARTIKEL 10
1. De raad van toezicht van de stichting bestaat uit drie of meer natuurlijke personen. (…)
3. Leden van raad van toezicht worden benoemd en geschorst door de raad van toezicht. De Claimcode bevat bepalingen inzake de gewenste samenstelling van de raad van toezicht van de stichting. Bij het benoemen van leden van de raad van toezicht worden deze bepalingen zoveel mogelijk opgevolgd. (…)”.
3.16.
In de dagvaarding van SDEJ staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) De benadeelden voor wiens belangen de Stichting opkomt (…)
De Stichting sluit zich aan bij de afbakening van de Nauw Omschreven Groep zoals opgenomen in onderdeel IV van de Car Claim Dagvaarding. Zij verzoekt de Rechtbank het gestelde in dat onderdeel hier als herhaald en ingelast te beschouwen. Het gaat dan om Autobezitters die op het moment dat de Overeenkomst(en) werd(en) aangegaan hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Voor zover bepaalde Autobezitters inmiddels uit Nederland zijn geëmigreerd verzoekt de Stichting de Rechtbank te bepalen dat de procedure voor hen leidt tot gebondenheid op basis van opt-out (art. 1018f lid 1 Rv). De Stichting hanteert daarbij net als Car Claim een onderscheid in Particuliere Partijen (subcategorieën A, B en C) en Zakelijke Partijen (subcategorieën A, B en C). (…)”.
3.17.
SDEJ heeft op 8 november 2021 een brief gestuurd aan gedaagden, waarin SDEJ hen aansprakelijk heeft gesteld en heeft uitgenodigd voor overleg over een minnelijke regeling.
in alle zaken
Renault c.s.
3.18.
Renault S.A. is de moedermaatschappij van onder meer de autofabrikanten Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. Renault Nederland N.V. is de in Nederland gevestigde importeur van Renault- en Daciavoertuigen die bestemd zijn voor de Nederlandse markt.
De Autodealers
3.19.
De Autodealers zijn een groep van in Nederland gevestigde autodealers die onder meer Renault- en Daciavoertuigen verkopen.
De Autobezitters
3.20.
De Stichtingen komen ieder voor hun eigen achterban op, die zij in hun afzonderlijke dagvaardingen hebben gedefinieerd als de Autobezitters. De rechtbank zal deze definitie ook gebruiken wanneer het om de achterban van ieder van de Stichtingen gaat.
4. De standpunten van partijen
4.1.
De rechtbank zal in dit vonnis een oordeel geven over:
- i.
de ontvankelijkheid van de Stichtingen volgens artikel 3:305a (oud) BW, met uitzondering van de representativiteit van de Stichtingen, en
- ii.
het toepasselijk recht op de vorderingen van de Stichtingen.1.
4.2.
De Stichtingen stellen dat zij voldoen aan de ontvankelijkheidsvereisten volgens artikel 3:305a (oud) BW en dat Nederlands recht van toepassing is op hun vorderingen.
4.3.
Volgens gedaagden wordt door de Stichtingen niet voldaan aan de ontvankelijkheidsvereisten. Er wordt niet voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste. De door de Stichtingen ingestelde vorderingen lenen zich niet voor een collectieve behandeling. Een collectieve behandeling van de vorderingen leidt niet tot een efficiënte en effectieve rechtsbescherming voor de belanghebbenden. Ook voldoen de Stichtingen niet aan het waarborgvereiste. De achterbannen van de Stichtingen hebben, indien het gevorderde wordt toegewezen, daarbij onvoldoende baat. Daarnaast beschikken de Stichtingen niet over voldoende kennis en vaardigheden om de procedure te voeren. Gedaagden zijn het met de Stichtingen erover eens dat Nederlands recht van toepassing is op de vorderingen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De beoordeling door de rechtbank
5. Ontvankelijkheid van de Stichtingen onder artikel 3:305a (oud) BW
in alle zaken
5.1.
De rechtbank stelt het volgende voorop.
5.2.
In artikel 3:305a lid 1 (oud) BW is bepaald dat een stichting i) een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (het gelijksoortigheidsvereiste), ii) voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt (het statutenvereiste). In lid 2 is bepaald dat een belangenorganisatie niet ontvankelijk is, indien zij iii) in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft getracht het gevorderde te bereiken door het voeren van overleg met de gedaagde(n) (het overlegvereiste) of indien iv) met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende zijn gewaarborgd (het waarborgvereiste).
5.3.
Op de Stichtingen rust de stelplicht en, bij (voldoende gemotiveerde) betwisting, de bewijslast met betrekking tot de in artikel 3:305a lid 1 (oud) BW genoemde vereisten. Dat zijn immers de twee voorwaarden om als collectieve actie-organisatie een rechtsvordering te kunnen instellen. Daarentegen rust op gedaagden in beginsel de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3:305a lid 2 (oud) BW. Deze situaties vormen immers een uitzondering op lid 1 en het zijn de gedaagden die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroepen.
5.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Stichtingen voldoen aan het statutenvereiste en aan het overlegvereiste. De rechtbank heeft ook geen aanwijzingen om aan te nemen dat de Stichtingen niet aan deze twee vereisten voldoen. Partijen verschillen wel van mening of aan het gelijksoortigheidsvereiste en aan het waarborgvereiste is voldaan. Die twee vereisten komen hierna onder 7 e.v. aan de orde.
6. Ontvankelijkheid – geen schadevergoeding in geld
6.1.
In artikel 3:305a lid 3 (oud) BW is bepaald dat de vordering niet kan strekken tot schadevergoeding in geld. Voor zover de vorderingen van de Stichtingen strekken tot betaling van schadevergoeding in geld, kunnen die dus niet in deze collectieve procedure worden ingesteld. SCC wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen onder 7 en 10. Ook SDEJ wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen onder 7 en 10.
6.2.
Renault c.s. heeft aangevoerd dat het vaste rechtspraak is dat ook de gevorderde verklaring voor recht tot het vaststellen van schadeplichtigheid zich niet leent voor collectieve behandeling onder het toepasselijke recht. Met Renault c.s. is de rechtbank van oordeel dat dergelijke verklaringen voor recht niet mogelijk zijn onder artikel 3:305a lid 3 (oud) BW. SEC is dan ook niet-ontvankelijk voor zover het gaat om de woorden ‘en gehouden zijn die schade te vergoeden’ in haar vordering onder 2.2.
7. Ontvankelijkheid – gelijksoortigheid
in alle zaken
7.1.
Het gaat hier om de vraag of de door de Stichtingen ingestelde vorderingen strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen.
7.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is aan het vereiste van gelijksoortigheid voldaan als de belangen ter bescherming waarvan de vorderingen strekken, zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. De vorderingen lenen zich voor bundeling als daarover in één procedure geoordeeld kan worden zonder naar de bijzondere omstandigheden van de individuele belanghebbenden te kijken.3.Voldoende gelijksoortigheid van belangen hoeft niet mee te brengen dat de posities, achtergronden en belangen van degenen ten behoeve van wie een collectieve actie wordt ingesteld identiek of zelfs overwegend gelijk zijn. Het gaat erom dat hiervan geabstraheerd kan worden, in een collectieve actie past dan ook een zekere abstracte toetsing.4.
7.3.
De Stichtingen stellen zich op het standpunt dat aan het gelijksoortigheidsvereiste is voldaan. Gedaagden hebben verschillende argumenten aangevoerd waarom geen sprake is van voldoende gelijksoortige en zich voor bundeling lenende belangen.
De rechtbank gaat hierna eerst in op een aantal kwesties die van belang zijn voor verschillende vorderingen van de Stichtingen en vervolgens bespreekt de rechtbank de afzonderlijke vorderingen.
Onvoldoende belang
7.4.
Volgens Renault c.s. hebben de Stichtingen onvoldoende belang bij de onderhavige collectieve acties. Samengevat hebben de Stichtingen niet aannemelijk gemaakt dát sprake is van een illegaal manipulatie-instrument in de voertuigen, waardoor de Autobezitters schade (kunnen) hebben geleden, en evenmin dat dit collectief is vast te stellen in het bestek van SCC’s, SDEJ’s en SEC’s ongelijksoortige vorderingen en belangen. Het gebrek aan belang leidt reeds daarom tot niet-ontvankelijkheid van de Stichtingen in hun vorderingen.
7.5.
De rechtbank oordeelt anders. Het is voldoende duidelijk dat de Stichtingen opkomen voor een achterban, waarvan zij stellen dat die allemaal eigenaar, lessee of koper zijn geweest van een voertuig met een verboden manipulatie-instrument. De vraag of dat ook daadwerkelijk zo is en of hiertoe voldoende is gesteld, hoeft nu nog niet beantwoord te worden en ligt pas bij een eventuele inhoudelijke beoordeling voor. Dit leidt daarom niet tot niet-ontvankelijkheid van de Stichtingen in hun vorderingen. De vraag of collectief vastgesteld kan worden of er sprake is van een illegaal manipulatie-instrument, waardoor de Autobezitters schade (kunnen) hebben geleden, zal hierna worden beantwoord.
De voertuigen
7.6.
Renault c.s. voert aan dat een collectieve behandeling van de vorderingen niet mogelijk is, omdat de voertuigen waarop de vorderingen betrekking hebben volstrekt ongelijksoortig zijn qua merk, model, voertuigcategorie en motortype. Het onderscheid tussen de verschillende motortypen en emissieklassen is relevant, omdat de software per motortype en per emissieklasse verschilt. De software is bovendien afkomstig van verschillende leveranciers. Volgens Renault c.s. kan geen gemeenschappelijk oordeel worden gegeven over de onderliggende kernvraag of de voertuigen voorzien zijn van illegale manipulatie-instrumenten. De kalibratie van de software is afhankelijk van het specifieke model en de uitvoering waarin de motor is geïmplementeerd. De werking van de software en daarmee het emissiecontrolesysteem wordt zodoende aangepast aan de specifieke eigenschappen van het voertuig (zoals de rijstabiliteit, het gewicht en een handgeschakelde of automatische versnellingsbak). Indien de rechtbank een oordeel moet vellen over de toelaatbaarheid van de software en de emissiecontrolesystemen in alle voertuigen, dan kan deze beoordeling niet collectief plaatsvinden zonder inachtneming van de individuele eigenschappen van elk voertuig. Alle voertuigen moeten per merk, model, voertuigcategorie, motortype, emissieklasse en emissiecontrolesysteem afzonderlijk aan de Emissieverordening en Kaderrichtlijn worden getoetst. Dit brengt een individuele beoordeling van een groot aantal verschillende typegoedkeuringen mee, aldus Renault c.s.
7.7.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Renault c.s. heeft steeds typegoedkeuringen aangevraagd en verkregen voor voertuigen van een bepaald merk en model met daarin een bepaalde motor. Voor het verkrijgen van de typegoedkeuring zijn deze voertuigen getest volgens hetzij de normen van Euro 5, hetzij één van de varianten van Euro 6. Vervolgens heeft Renault c.s. voertuigen geproduceerd die met die typegoedkeuring overeenkwamen en hebben zij aan de Nederlandse bevoegde instantie (de RDW) een certificaat van overeenstemming gepresenteerd, waarna deze voertuigen in Nederland zijn verkocht, via dealers aan eindgebruikers en aan leasemaatschappijen. Er mag in dit stadium van het geding van worden uitgegaan dat de voertuigen die voldoen aan een bepaalde typegoedkeuring in ieder geval met elkaar overeenstemmen als het gaat om het voldoen aan de vereisten van de Emissieverordening. Als zij daar niet aan voldoen doordat een verboden manipulatie-instrument aanwezig is, mag ervan worden uitgegaan dat deze voertuigen van hetzelfde type daar allemaal op dezelfde wijze niet aan voldoen. De belangen van de kopers van deze voertuigen zijn dus in ieder geval per typegoedkeuring identiek en dus bundelbaar.
7.8.
Renault c.s. heeft gesteld dat het in de relevante periode wat betreft dieselvoertuigen van Renault en Dacia gaat om enige honderden typegoedkeuringen. De Stichtingen hebben dit weersproken. Het gaat in deze zaak volgens SEC en SCC om 225.000 voertuigen en volgens SDEJ om 161.047 voertuigen, zodat het onwaarschijnlijk is dat het om honderden typegoedkeuringen gaat. De rechtbank oordeelt dat ook als het om enige honderden typegoedkeuringen zou gaan niet kan worden gezegd dat er binnen deze groep zo weinig voertuigen zijn die vergelijkbaar zijn op het punt dat in deze zaak relevant is (namelijk het al dan niet aanwezig zijn van een verboden manipulatie-instrument) dat de belangen van de Autobezitters niet bundelbaar zouden zijn. Gezien het totaal aantal voertuigen waar het om gaat is aannemelijk is dat van de verschillende typen honderden, duizenden of tienduizenden exemplaren zijn verkocht. Bovendien is niet uit te sluiten dat verschillende typengoedkeuringen met elkaar overeenstemmen voor zover zij met eenzelfde manipulatie-instrument zijn uitgerust.
7.9.
Renault c.s. heeft ook nog aangevoerd dat motoren van verschillende kalibraties kunnen zijn voorzien, zodat zelfs voertuigen met hetzelfde type motor toch niet vergelijkbaar zijn.
7.10.
Dit leidt niet tot een ander oordeel, omdat – bij gebreke aan een nadere onderbouwing van dit standpunt – vooralsnog ervan mag worden uitgegaan dat elk exemplaar dat volgens een bepaalde typegoedkeuring is vervaardigd van dezelfde kalibratie is voorzien.
7.11.
Renault c.s. heeft ook nog gewezen op verschillen tussen de voertuigen, wat betreft de al dan niet uitgevoerde updates. Ook om die reden zijn de voertuigen onvergelijkbaar. Volgens Renault c.s. zijn haar voertuigen nooit voorzien geweest van een verboden manipulatie-instrument, maar heft een update de aanwezigheid hiervan in ieder geval op. Het niet ondergaan van een update na daarvoor te zijn uitgenodigd is de eigen schuld van een Autobezitter.
7.12.
Dat er verschillen zijn in de voertuigen wat betreft updates betekent niet dat de belangen van de belanghebbenden niet bundelbaar zijn. Een terugroepactie of update betreft altijd een bepaalde categorie met elkaar overeenstemmende voertuigen, zodat in ieder geval de belangen van de belanghebbenden bij die voertuigen bundelbaar zijn voor zover het gaat om de verkrijging van een voertuig waar (naar de Stichtingen stellen en Renault c.s. bestrijdt) voor de update een verboden manipulatie-instrument in aanwezig was. Of de update de aanwezigheid van een verboden manipulatie-instrument opheft en welk gevolg het niet ondergaan van een aangeboden update heeft, behoeft in dit stadium van de procedure niet te worden beantwoord.
De groepen belanghebbenden voor wie wordt opgekomen
7.13.
Renault c.s. voert aan dat een collectieve behandeling van de vorderingen niet mogelijk is, omdat de door de Stichtingen opgevoerde achterbannen te breed en diffuus zijn. Volgens Renault c.s. volgt dat uit de eigen omschrijvingen van de achterbannen van de Stichtingen. De Autobezitters hebben ieder hun eigen positie en belangen, die niet verenigbaar zijn. Renault c.s. wijst ter illustratie op het volgende: i) de tegenstrijdige belangen tussen autobezitters van hetzelfde eerstehands, tweedehands, derdehands (en opvolgende) voertuig en ii) de onvoldoende gelijksoortige belangen tussen de Autobezitters op het niveau van het causaal verband, de toerekenbaarheid en de schade.
7.14.
De rechtbank verwerpt ook dit verweer. De rechtbank ziet geen tegenstrijdigheid tussen autobezitters van eerstehands en opvolgende voertuigen, omdat, indien de Stichtingen gelijk krijgen, elke Autobezitter een voertuig heeft verkregen met een verboden manipulatie-instrument. Alle elkaar opvolgende Autobezitters kunnen dan vorderingen instellen jegens Renault c.s. en de Autodealers, voor zover het voertuig bij één van de Autodealers is gekocht.
De vraag of de Autobezitters op het niveau van het causaal verband, de toerekenbaarheid en de schade voldoende gelijksoortige belangen hebben, is niet relevant. Naar oud recht kan de rechtbank namelijk geen schadevergoeding in geld toewijzen.
De omstandigheid dat binnen de achterbannen van de Stichtingen verschillende groepen zijn te onderscheiden die op verschillende feitelijke en/of juridische punten ongelijksoortig zijn, neemt niet weg dat bepaalde belangen binnen die groepen voldoende met elkaar overeenstemmen om in een collectieve actie beoordeeld te kunnen worden. De leden van de achterbannen van de Stichtingen hebben in ieder geval met elkaar gemeen dat zij door koop of lease bezitter zijn (geweest) van een voertuig waarin volgens de stellingen van de Stichtingen een verboden manipulatie-instrument aanwezig is of was. Daar gaat het om. Zo nodig kan bij de beoordeling rekening worden gehouden met bepaalde verschillen.
De grondslagen van de vorderingen
* De verklaringen voor recht dat bepaalde partijen hebben te gelden als Particuliere Partijen
7.15.
Dit betreft de vordering van SCC onder 4 en de vordering van SDEJ onder 4.
7.16.
Deze vorderingen die zien op de reflexwerking voor kleine zelfstandigen laten zich niet collectief beoordelen. Voor beantwoording van de vraag of een zelfstandige een beroep kan doen op de aan consumenten toekomende bescherming (op grond van de Wet oneerlijke handelspraktijken) zijn de individuele omstandigheden van de betrokkene van belang, waaronder de vraag of het voertuig mede voor privégebruik is gekocht. SCC en SDEJ zijn dan ook niet-ontvankelijk in deze vorderingen.
* De vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad
7.17.
SEC vordert verklaringen voor recht dat Renault S.A. en Renault Nederland N.V. onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gedupeerden en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg van hun onrechtmatig handelen door gedupeerden geleden schade. Het gaat om de vorderingen van SEC onder 1 en 2 onder het kopje “Voor zover het actierecht van vóór 1 januari 2020 van toepassing is”.
SCC en SDEJ vorderen verklaringen voor recht dat Renault c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Autobezitters en dat Renault c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade. Het gaat om de vorderingen van SCC onder 5.i. t/m iv en de vorderingen van SDEJ onder 5.i. t/m iv.
7.18.
Renault c.s. heeft aangevoerd dat deze vorderingen niet collectief beoordeeld kunnen worden. Renault c.s. voert aan dat het uitgangspunt is dat rechtsgronden niet collectief kunnen worden toegepast, indien de bijzondere omstandigheden van het individuele geval een inherent onderdeel zijn van het toetsingskader. Dat is hier volgens Renault c.s. het geval om de volgende redenen. De rechtsgronden waarop de Stichtingen zich in deze procedure beroepen, bouwen voort op het aangevoerde kernverwijt dat de voertuigen vanwege het gestelde illegale manipulatie-instrument niet zouden voldoen aan de Emissieverordening en de Kaderrichtlijn. Om daarover een oordeel te kunnen vellen, moeten de voertuigen in elk geval per merk, model, voertuigcategorie, motortype, emissieklasse en software voor het emissiecontrolesysteem afzonderlijk aan de Emissieverordening en de Kaderrichtlijn worden getoetst.
7.19.
Dit betoog gaat niet op. Dit volgt reeds uit hetgeen onder 7.6. t/m 7.12 is overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank strekken de gevorderde verklaringen voor recht dat Renault c.s. (althans Renault S.A. en Renault Nederland N.V.) onrechtmatig jegens de Autobezitters heeft/hebben gehandeld tot bescherming van gelijksoortige belangen, waardoor deze vorderingen collectief kunnen worden beoordeeld. Gelet op hetgeen de Stichtingen aan deze verklaringen voor recht ten grondslag hebben gelegd, zal in de inhoudelijke fase moeten worden beoordeeld of de Euro 5 en Euro 6 dieselvoertuigen die vanaf 1 september 2009 op de Nederlandse markt zijn gebracht en vervolgens door de Autobezitters zijn gekocht of geleased, verboden manipulatie-instrumenten bevatten. Bij de beoordeling van de vraag of onrechtmatig is gehandeld, kan worden geabstraheerd van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de Autobezitters. Na een gegeven onrechtmatigheidsoordeel in de onderhavige procedure kunnen bijzondere omstandigheden eventueel aan de orde komen in individuele vervolgprocedures. Dat verschillen bestaan tussen de Autobezitters, doet hieraan dus niet af. De belangen van de Autobezitters die door de verweten gedragingen stellen te zijn benadeeld, komen op dit punt met elkaar overeen en zijn dus bundelbaar.
7.20.
In deze collectieve actie kan dus in algemene zin een oordeel over de gestelde onrechtmatigheid worden uitgesproken. Dit geldt ook voor de verklaringen voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn.
* De vorderingen uit hoofde van oneerlijke handelspraktijken
7.21.
Voor zover de Stichtingen de vorderingen in het petitum over onrechtmatig handelen van Renault c.s. ook hebben gegrond op oneerlijke handelspraktijken en misleidende reclame, komt Renault c.s. tot de conclusie dat deze rechtsgronden zich niet lenen voor een collectieve beoordeling. Zij voert daartoe het volgende aan. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van strijdigheid met de Wet oneerlijke handelspraktijken is van belang welke concrete informatie is verstrekt bij de koop aan een autobezitter. Dit kan collectief niet worden beoordeeld. Ook kan niet collectief worden beoordeeld of er een misleidende mededeling of omissie is gedaan, want dat moet ook per voertuig worden beantwoord. Dit geldt ook voor de vraag of er sprake is van misleidende reclame in de zin van artikel 6:194 BW, aldus Renault c.s.
7.22.
Dit verweer faalt. Dit volgt ook uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 7.6. t/m 7.12. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de belangen van de benadeelden gelijksoortig voor zover het gaat om verwijten over de installatie van en het verzwijgen van, een verboden manipulatie-instrument. Indien en voor zover zou komen vast te staan dat bij bepaalde voertuigen sprake is van een verboden manipulatie-instrument, kan in het midden blijven welke informatie aan een bepaalde Autobezitter bij de koop is medegedeeld. Renault c.s. hebben niet aangevoerd dat de Autobezitters over de aanwezigheid van een verboden manipulatie-instrument zijn geïnformeerd. Die omissie geldt dus voor alle Autobezitters. Voor zover het gaat om de informatie die bij de koop is verstrekt geldt inderdaad dat deze van geval tot geval zal verschillen, zodat dit individueel beoordeeld zal moeten worden. De vorderingen van de Stichtingen zijn dus, voor zover die zijn gegrond op de Wet oneerlijke handelspraktijken, ook ontvankelijk, maar alleen voor zover het gaat om het jegens alle Autobezitters verzwijgen van de aanwezigheid van een manipulatie-instrument.
* De vorderingen uit hoofde van bedrog
7.23.
Met betrekking tot (eventuele) stellingen van de Stichtingen dat de Autohandelaren zich schuldig hebben gemaakt aan bedrog ex artikel 3:44 lid 3 BW voeren de Autohandelaren het volgende aan. Bedrog leent zich als rechtsgrondslag niet voor een collectieve beoordeling, omdat de aard van de ingeroepen norm met zich brengt dat per individuele Autobezitter moet worden getoetst of causaal verband bestaat tussen de vermeende aanwezigheid van het illegale manipulatie-instrument en de concrete informatie die zou zijn verschaft of juist zou zijn verzwegen. Bovendien zouden de Autohandelaren in elk individueel geval de mogelijkheid moeten hebben om eventuele bijzondere omstandigheden aan te voeren en daarvan zo nodig (tegen)bewijs te leveren, waarvoor in een collectieve actie geen plaats is.
7.24.
In het algemeen vereist een beroep op bedrog een beoordeling van individuele omstandigheden om te kunnen beoordelen of de belanghebbende bij het ontbreken van de bedrieglijke handelswijze van de wederpartij de overeenkomst niet (onder dezelfde voorwaarden) zou zijn aangegaan.In deze zaak gaat het echter bij alle Autobezitters om dezelfde omstandigheid waarop het beroep op bedrog is gegrond. De Autodealers wordt verweten dat zij opzettelijk de aanwezigheid van een verboden manipulatie-instrument bij de aankoop van het voertuig hebben verzwegen. Op dit moment staat allerminst vast dat de Autodealers van de aanwezigheid van een manipulatie-instrument op de hoogte waren en dus evenmin dat zij dat opzettelijk hebben verzwegen. Dat komt pas bij de inhoudelijke beoordeling aan de orde. Nu gaat het om de vraag of deze opzettelijke verzwijging – als die zou komen vast te staan – zoveel gewicht in de schaal legt, dat deze ook zonder bijkomende individuele omstandigheden tot het oordeel kan leiden dat de Autobezitters bij het wegdenken hiervan niet (onder dezelfde voorwaarden) hun overeenkomst hadden gesloten. Dat is het geval. De belangen van de Autobezitters zijn dus in zoverre voldoende gelijksoortig om in een collectieve actie te worden beoordeeld.
* De vorderingen van SCC en SDEJ die zijn gebaseerd op non-conformiteit
7.25.
Dit gaat om de vorderingen van SCC onder 6.i. t/m 6.iii en de vorderingen van SDEJ onder 6.i. t/m 6.iii.
7.26.
SCC en SDEJ hebben aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat de getroffen voertuigen vanwege de gestelde aanwezigheid van een verboden manipulatie-instrument non-conform zijn. Daaraan verbinden zij vervolgens het recht op gedeeltelijke ontbinding en prijsvermindering.
Verklaringen voor recht non-conformiteit
7.27.
In de eerste plaats vorderen SCC en SDEJ verklaringen voor recht dat de getroffen voertuigen niet de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn, althans dat de getroffen voertuigen andere dan gebruiksbepalende eigenschappen bezitten die niet aan de overeenkomsten voldoen. De voertuigen zijn non-conform.
7.28.
De Autodealers hebben betoogd dat de vorderingen uit hoofde van non-conformiteit zich niet lenen voor een collectieve bundeling. Het gaat in deze procedure niet om één specifieke type motor, zoals in de Volkswagenzaak, maar om een niet-limitatieve waslijst aan Renault- en Dacia modellen en motoren die in een periode van tien jaar (2009-2019) op de markt zijn gebracht. Er is volgens hen geen sprake van een homogene groep van getroffen voertuigen, in die zin dat in deze fase van de procedure voldoende duidelijk is dat voor alle onder die definitie vallende motortypen en emissiecontrolesystemen één gezamenlijk oordeel kan worden gegeven over de non-conformiteit. De Autodealers verwijzen in dit verband ook naar al hetgeen Renault c.s. heeft aangevoerd over alle verschillen die er bestaan tussen de getroffen voertuigen.
7.29.
Dit betoog van de Autodealers gaat niet op. Dit volgt uit hetgeen onder 7.6. t/m 7.12 is overwogen. Indien het gestelde verwijt over de aanwezigheid van een verboden manipulatie-instrument vast komt te staan, dan komen naar het oordeel van de rechtbank de posities van de Autobezitters op dat (essentiële) punt met elkaar overeen (zie 7.22). Dat betekent dat SCC ontvankelijk is in haar vordering onder 6.i. en SDEJ ontvankelijk is in haar vordering onder 6.i.
Verklaringen voor recht over de redelijke termijn tot herstel of vervanging
7.30.
Dit gaat om de vordering van SCC onder 6.ii en de vordering van SDEJ onder 6.ii. SCC en SDEJ vorderen een verklaring voor recht dat de redelijke termijn tot herstel of vervanging van de (gestelde) gebreken in de getroffen voertuigen ex artikel 7:21 lid 3 BW ongebruikt is verstreken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat zelfstandig herstel door de Autodealers in dit geval (technisch gezien) niet mogelijk is en dat de Autodealers niet hebben gereageerd op het verzoek van SCC van 14 september 2021 om tot herstel over te gaan.
7.31.
De Autodealers zijn van mening dat deze vorderingen zich niet lenen voor een collectieve beoordeling en voeren het volgende aan. De bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden of de prijs te verminderen ontstaat pas als de verkoper is tekortgeschoten in zijn verplichting om op verzoek van de koper de gekochte zaak binnen redelijke termijn te herstellen of vervangen. SCC heeft verwezen naar haar brief aan de Autodealers van 14 september 2021, waarin zij om herstel en vervanging zou hebben verzocht. Die brief kan in het kader van artikel 7:21 lid 3 BW echter hoogstens werking hebben voor particuliere partijen A en B (i) met wie SCC op dat moment reeds een deelnemingsovereenkomst had én (ii) die het getroffen voertuig toen in bezit hadden. Dit vergt echter een individuele beoordeling. Het is niet mogelijk om namens een ongedefinieerde en onbekende achterban te vragen om herstel of vervanging zonder daarbij te vermelden om welke voertuigen het precies zou gaan en wie op dat moment de rechthebbende van die voertuigen is. Dat zou namelijk het ongewenste gevolg hebben dat de redelijke termijn van artikel 7:21 lid 3 BW al gaat lopen, terwijl de desbetreffende Autodealer niet weet jegens wie en ten aanzien van welke getroffen voertuigen hij geacht wordt aan zijn verplichting ex artikel 7:21 lid 1 BW te voldoen.
SDEJ licht in het geheel niet toe op welke wijze aan het vereiste zou zijn voldaan. In haar brief van 8 november 2021 wordt daar in elk geval niets over gezegd.
7.32.
Dit betoog van de Autodealers slaagt niet. SCC en SDEJ treden op ten behoeve van alle bezitters en lessees van getroffen voertuigen. Bij de inhoudelijke beoordeling zal moeten worden beoordeeld of in de aan de Autodealers gerichte brieven een redelijke termijn is gesteld in de zin van artikel 7:21 lid 3 BW. Als dat het geval is, moet die termijn namens elk van de belanghebbenden worden geacht te zijn gesteld jegens de Autodealer waar die belanghebbende het getroffen voertuig heeft gekocht. Omdat de brief aan alle Autodealers was gericht en alle getroffen voertuigen zijn gekocht bij een van de Autodealers is geen individuele beoordeling nodig, zodat de genoemde vorderingen in het kader van een collectieve actie kunnen worden behandeld en beslist.
Ontbinding
7.33.
Dit betreft de vordering van SCC onder 8 en de vordering van SDEJ onder 8. Zij vorderen dat de rechtbank de gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomsten tussen de Autodealers en Autobezitters zal uitspreken.
7.34.
De Autodealers stellen zich op het standpunt dat deze vorderingen zich niet lenen voor beoordeling en toewijzing in de onderhavige procedure. Een vonnis onder artikel 3:305a (oud) BW kan immers slechts gezag van gewijsde krijgen tussen SCC, SDEJ enerzijds en de Autodealers anderzijds. Het kan de Autobezitters niet binden, omdat de Autobezitters geen partij zijn in de procedure.
7.35.
Dit verweer slaagt. Er is een verschil tussen de vordering van een verklaring voor recht die inhoudt dat Autobezitters bevoegd zijn tot gedeeltelijke ontbinding en een vordering de ontbinding uit te spreken zoals hier gevorderd. Met de Autodealers is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen om de ontbinding uit te spreken zich inderdaad niet lenen voor beoordeling en toewijzing in deze collectieve actie in de zin van artikel 3:305a (oud) BW, omdat de Autobezitters geen partij zijn in deze procedure. Om deze reden is SCC niet-ontvankelijk in haar vordering onder 8 en is SDEJ eveneens niet-ontvankelijk in haar vordering onder 8.
Vermindering van de koopprijs
7.36.
Dit betreft de vordering van SCC onder 6.iii. en van SDEJ onder 6.iii. Zij vorderen ieder een verklaring voor recht dat particuliere en zakelijke partijen A en B bij een gedeeltelijke ontbinding bevoegd zijn de koopprijs te verminderen.
7.37.
Ook deze vorderingen lenen zich voor een collectieve behandeling. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de gevorderde verklaringen voor recht met betrekking tot non-conformiteit gelijksoortig zijn. De gevorderde verklaringen voor recht met betrekking tot de gedeeltelijke ontbinding liggen in het verlengde daarvan, omdat ontbinding één van de remedies is bij non-conformiteit (zie artikel 7:22 lid 1 onder a BW). Op de voet van artikel 7:22 lid 1 onder a BW moet worden beoordeeld of een betrokken voertuig met een verboden manipulatie-instrument aan de overeenkomst beantwoordt. Of een betrokken voertuig dat een verboden manipulatie-instrument bevat, een afwijking van het overeengekomene vormt, die de gevolgen van ontbinding rechtvaardigt, kan naar het zich laat aanzien in het algemeen worden beantwoord. Hoewel bij die afweging weliswaar alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen, kan immers sprake zijn van een zodanig zwaarwegende afwijking dat die in elk geval de ontbinding rechtvaardigt, wat ook overigens de individuele omstandigheden van het geval zijn. Op voorhand is niet uitgesloten dat in dit geval is voldaan aan het verzuim-vereiste op een grondslag die gezien de aard van het gestelde gebrek in de prestatie voor alle Autobezitters geldt.
In het geval dat de verwijten van de Stichtingen terecht zijn, kan de vraag of een koopprijsvermindering geboden is bij een op de gestelde non-conformiteit gebaseerde gedeeltelijke ontbinding, in algemene zin worden beantwoord. Niet uitgesloten is bovendien dat in dit geval ook over de omvang van een koopprijsvermindering vanwege de gestelde aanwezigheid van een manipulatie-instrument (welke omstandigheid voor alle Autobezitters zou gelden) in zijn algemeenheid een oordeel kan worden gegeven. In dat geval kan worden geabstraheerd van individuele omstandigheden. SCC en SDEJ zijn daarom ontvankelijk in hun vorderingen onder 6.iii.
In het verlengde hiervan zijn SCC en SDEJ ook ontvankelijk in hun vorderingen onder 6.vi. die betrekking hebben op de verschuldigdheid van wettelijke rente over een prijsvermindering. De vraag of wettelijke rente is verschuldigd, laat zich namelijk ook in algemene zin beantwoorden.
7.38.
In al hetgeen de Autodealers voor het overige hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om SCC en SDEJ niet-ontvankelijk te verklaren. De Autodealers hebben aangevoerd dat er vele sets van algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomsten, waarin bepalingen staan over garanties, exoneraties en termijnen waarbinnen geklaagd moet worden op straffe van verval van enige aanspraak. En anders gelden in ieder geval de artikelen 6:89 BW en/of 7:23 BW, volgens de Autodealers. Dit alles staat naar het oordeel van de rechtbank niet aan de bundelbaarheid van de vorderingen in de weg. Bij de inhoudelijke behandeling van de zaak zal eerst een oordeel worden gegeven over de vraag of de voertuigen verboden manipulatie-instrumenten bevatten. Deze kwesties zullen later aan de orde komen. Dat hierover niet in één procedure geoordeeld kan worden zonder naar de bijzondere omstandigheden per overeenkomst te kijken, staat niet op voorhand vast. Dit geldt ook voor een eventueel beroep van de Autodealers op verjaring en voor de omstandigheid dat de wettelijke bewaartermijn van de stukken zou zijn verstreken.
7.39.
De Autodealers hebben er ook op gewezen dat de rechtbank in de collectieve procedure inzake Volkswagen geoordeeld heeft dat een beroep op de klachtplicht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (ex artikel 6:248 lid 2 BW). Volgens hen is het echter vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Dat betreft ook de omstandigheden die per individuele Autobezitter (en Autodealer) verschillen en die zich dus niet lenen voor een collectieve beoordeling.
Dit verweer slaagt niet. In een collectieve actie is het zeer wel mogelijk dat de situaties van benadeelden zozeer met elkaar overeenstemmen, dat bij elk van hen zich dezelfde relevante omstandigheden van het geval voordoen, zodat in elk van die gevallen het beroep op de klachtplicht in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou kunnen zijn, zonder dat daarbij de individuele omstandigheden hoeven te worden betrokken. Bij de inhoudelijke behandeling zal moeten worden beoordeeld of dat in dit geval zo is.
* De vorderingen van SCC en SDEJ die zijn gebaseerd op dwaling
7.40.
Dit gaat om de gevorderde verklaringen voor recht van SCC onder 6 iv. en v. en de gevorderde verklaringen voor recht van SDEJ onder 6 iv. en v. Zij vorderen een verklaring voor recht dat de gebreken aan de getroffen voertuigen zo essentieel zijn dat weldenkende kopers bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomsten niet (onder dezelfde voorwaarden) zouden hebben gesloten. Verder gaat het om de verklaring voor recht dat particuliere en zakelijke partijen A en B bevoegd zijn om de door hen voor de getroffen voertuigen betaalde bedragen uit hoofde van de overeenkomsten op grond van gedeeltelijke vernietiging te verminderen met een nader door de rechtbank vast te stellen bedrag.
7.41.
De Autodealers hebben zich op het standpunt gesteld dat een collectieve beoordeling van het beroep op dwaling niet mogelijk is. De vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en of de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet (op dezelfde) voorwaarden zou zijn gesloten, leent zich naar zijn aard niet voor een collectieve beoordeling en vergt een op de individuele contractant toegesneden onderzoek. Het gaat bij de beoordeling van de vraag of iemand bij het aangaan van een overeenkomst heeft gedwaald om een voorstelling van zaken bij een individueel persoon. Volgens de Autodealers hangt het van tal van individuele factoren af of de aanwezigheid van een vermeend illegaal manipulatie-instrument meebrengt dat Autobezitters het getroffen voertuigen niet of niet op dezelfde voorwaarden zouden hebben gekocht. Dit kan niet in algemene zin worden beantwoord. Niet alle kopers hechten dezelfde waarde aan de emissiewaarden van een auto ten opzichte van de andere eigenschappen van de auto. Bovendien is in de relevante periode van 2009 tot 2019 het belang dat aan het klimaat en klimaatverandering wordt gehecht ook aanzienlijk gewijzigd. Er kan niet worden gezegd dat iedere koper bij kennis van het gebrek niet bereid zou zijn geweest om de overeenkomst op dezelfde voorwaarden te sluiten. Ook kan niet worden gezegd dat een eventuele prijsvermindering in alle gevallen hetzelfde zou moeten zijn. De prijs die een koper bereid is te betalen voor een auto hangt immers af van veel factoren. De schatting die de rechtbank in de Volkswagen-zaak heeft gedaan kan niet. Ook de prijsvermindering is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en leent zich niet voor een collectieve vaststelling, aldus de Autodealers.
7.42.
De rechtbank overweegt als volgt. In het algemeen vereist een beroep op dwaling een beoordeling van individuele omstandigheden aan de zijde van de belanghebbende en de invloed daarvan op de wilsvorming. In deze zaak gaat het echter bij alle Autobezitters om precies dezelfde omstandigheid, namelijk de onbekendheid met de gestelde aanwezigheid van een verboden manipulatie-instrument bij aankoop van het voertuig en het als gevolg daarvan niet voldoen aan de toepasselijke Nederlandse en Europese wet- en regelgeving. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat deze omstandigheid zoveel gewicht in de schaal legt, dat deze ook zonder bijkomende individuele omstandigheden tot toewijzing van de gevraagde verklaring voor recht kan leiden. Datzelfde geldt voor de onbekendheid van de Autobezitters met de (mogelijk) minder milieuvriendelijke prestaties van de voertuigen. De belangen van de Autobezitters zijn dus in zoverre voldoende gelijksoortig om in een collectieve actie te worden beoordeeld. Of de aanwezigheid van een verboden manipulatie-instrument en/of de minder milieuvriendelijke prestaties van een voertuig zulke essentiële eigenschappen zijn dat geen weldenkende koper bij wetenschap daarvan het betrokken voertuig onder dezelfde voorwaarden zou kopen, zal in de inhoudelijk fase van de procedure worden beoordeeld.
Of tijdig is geklaagd, kan mogelijk in algemene zin worden beantwoord, indien vast zou komen te staan dat het gestelde gebrek (de aanwezigheid van een verboden manipulatie-instrument) door een individuele koper redelijkerwijs niet kon worden ontdekt.
7.43.
De conclusie is dat de vorderingen van SCC en SDEJ onder 6. iv. bundelbaar zijn. SCC en SDEJ hebben zich ook op het standpunt gesteld dat de Autobezitters recht hebben op een prijsvermindering als gevolg van de gestelde dwaling (op grond van gedeeltelijke vernietiging). Deze vordering is eveneens bundelbaar, zodat SCC en SDEJ ook ontvankelijk zijn in hun vorderingen onder 6.v. Als het gaat om de omvang van de prijsvermindering na een geslaagd beroep op gedeeltelijke vernietiging geldt daarvoor hetzelfde als wat is overwogen in 7.37.
* De vorderingen tot gedeeltelijke vernietiging van de Overeenkomsten
7.44.
Dit betreft de vordering van SCC onder 9 en de vordering van SDEJ onder 9.
7.45.
SCC en SDEJ zijn niet-ontvankelijk in deze vorderingen jegens de Autodealers. Deze vorderingen lenen zich niet voor beoordeling en toewijzing in deze collectieve actie in de zin van artikel 3:305a (oud) BW, omdat de Autobezitters geen partij zijn in deze procedure. Zie wat is overwogen onder 7.35.
En verder
* Vallen bepaalde door de Stichtingen aangeduide groepen buiten de collectieve actie?
in alle zaken
7.46.
Renault c.s. heeft in alle zaken aangevoerd dat bepaalde door de Stichtingen aangeduide groepen buiten de collectieve acties vallen.
Het gaat allereerst om de Euro 6c, Euro 6d-TEMP en Euro 6d-voertuigen. Volgens Renault c.s. hanteren de Stichtingen definities, waaruit blijkt dat zij optreden namens Autobezitters van Euro 5 en Euro 6 dieselvoertuigen. Omdat de Euro 6-norm uit verschillende varianten bestaat, impliceren de Stichtingen met de algemene omschrijving van Euro 6-voertuigen dat ook alle herzieningen onder de reikwijdte van deze collectieve actie zouden vallen. Dit is niet zo. Voor deze procedure zijn uitsluitend de Euro 5- en Euro 6b-norm relevant, omdat die voertuigen ten behoeve van de Europese Voertuig- of Motortypegoedkeuring de New European Driving Cycle-test moesten doorlopen. Aldus steeds Renault c.s.
7.47.
De Stichtingen hebben toegelicht dat er geen beperking moet worden gemaakt tot alleen voertuigen die de New European Driving Cylcle-test moesten doorlopen. Zij leggen aan hun vorderingen niet zozeer schendingen van de Testverordening (en de opvolger daarvan, Verordening EU 2017/1151) ten grondslag, maar schendingen van de Emissieverordening. Artikel 4 en 5 van de Emissieverordening schrijven voor dat voertuigen onder normale gebruiksomstandigheden aan alle toepasselijke wettelijke voorschriften inclusief emissielimieten moeten voldoen en niet mogen zijn voorzien van verboden manipulatie-instrumenten. Dat staat los van de wijze waarop de getroffen voertuigen zijn getest (NEDC, WLTP of RDE). De Stichtingen stellen dat alle getroffen voertuigen hieraan niet voldoen.
7.48.
Gelet op deze door de Stichtingen gegeven toelichting ziet de rechtbank nu geen aanleiding om de groep voertuigen te beperken op de wijze waarop Renault c.s. dat voor ogen heeft.
in de SEC-zaak
7.49.
Renault c.s. heeft in de SEC-zaak aangevoerd dat categorieën van allerhande professionele partijen, zoals verhuurbedrijven en leasemaatschappijen, buiten het bereik van de procedure vallen. SEC heeft zonder onderbouwing gesteld ook de belangen te vertegenwoordigen van professionele partijen met een niet limitatieve specificatie van categorieën die daar onder zouden vallen. Zo’n groep belanghebbenden met verschillende rechtsrelaties – niet steeds zijnde autobezitters of gebruikers – is niet te scharen onder de door SEC gestelde kopers en lessees van sjoemelsdiesels voor wie SEC opkomt.
De door SEC gehanteerde categorieën Autobezitters, wiens belangen SEC in onderhavige procedure stelt te behartigen, zijn niet consistent met de gehanteerde reikwijdte van de procedure en door SEC gebruikte definities. Aldus Renault c.s.
7.50.
De rechtbank begrijpt het standpunt van SEC zo dat zij opkomt voor kopers en lessees van sjoemelsdiesels. Krachtens welke rechtsverhouding zij dat zijn geworden is niet relevant. Een inconsistentie is daarin niet te bespeuren.
De conclusie over het gelijksoortigheidsvereiste
7.51.
Binnen de hiervoor getrokken grenzen is in alle zaken voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste.
Voor alle duidelijkheid wordt hierna weergegeven wat over elk van de verschillende vorderingen is beslist, waarbij vorderingen zijn weggelaten die alleen bij toepasselijkheid van de WAMCA relevant zouden zijn. Ook is elk van de vorderingen tot vergoeding van rente en kosten ontvankelijk; deze zijn in de tabel eveneens weggelaten.
Stichting | Vordering | Beslissing | Rechtsoverweging |
SEC5. | 1 | Ontvankelijk | 7.20 |
2 | Deels ontvankelijk | 7.20, 6.2 | |
SCC en SDEJ | 4 | Niet-ontvankelijk | 7.16 |
5.i. t/m iv. | Ontvankelijk | 7.20 | |
6.i | Ontvankelijk | 7.29 | |
6.ii | Ontvankelijk | 7.32 | |
6.iii | Ontvankelijk | 7.37 | |
6.iv en 6.v | Ontvankelijk | 7.43 | |
6.vi | Ontvankelijk | 7.37 | |
7 | Niet-ontvankelijk | 6.1 | |
8 | Niet-ontvankelijk | 7.35 | |
9 | Niet-ontvankelijk | 7.45 | |
10 | Niet-ontvankelijk | 6.1 |
8. Ontvankelijkheid – waarborgvereiste
in alle zaken
8.1.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Artikel 3:305a lid 2 (oud) BW bepaalt onder meer dat een belangenorganisatie niet ontvankelijk is, indien met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn. Dit zogenoemde waarborgvereiste heeft met name als doel om ondeskundige organisaties of organisaties met onzuivere motieven te weren. Het vereiste biedt de rechter een handvat om kritisch te oordelen over de ontvankelijkheid in een collectieve actie bij twijfel aan de motieven voor het instellen van de actie.
8.2.
De vraag of met de collectieve actie de belangen van de betrokken personen voldoende zijn gewaarborgd, moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Die toets moet plaatsvinden op grond van de situatie zoals die nu is (‘ex nunc’). Daarbij moeten volgens de wetsgeschiedenis in geval van betwisting twee centrale vragen worden beantwoord:
1. in hoeverre hebben de betrokkenen uiteindelijk baat bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen, en
2. in hoeverre mag erop vertrouwd worden dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren.
Gezichtspunten die hierbij in algemene zin een rol kunnen spelen zijn onder meer6.:
a. welke overige werkzaamheden heeft de organisatie verricht om zich voor de belangen van betrokkenen in te zetten en heeft de organisatie in het verleden ook daadwerkelijk doelstellingen kunnen realiseren en,
b. indien sprake is van een ad hoc organisatie, is deze opgericht door een reeds bestaande organisatie die in het verleden succesvol de belangen van de betrokkenen heeft behartigd,
c. hoeveel benadeelden zijn aangesloten bij de organisatie en in hoeverre ondersteunen zij de collectieve actie, en
d. of de organisatie voldoet aan de principes uit de Claimcode.
8.3.
De Claimcode is een door de Commissie Claimcode in 2011 opgesteld en in 2019 herzien en aangevuld document waarin principes zijn uitgewerkt waaraan organisaties moeten voldoen die, zoals de Stichtingen, optreden op grond van artikel 3:305a (oud) BW. De Claimcode is een vorm van zelfregulering door betrokken marktpartijen, bedoeld om wildgroei van rechtspersonen die optreden overeenkomstig artikel 3:305a (oud) BW te voorkomen en ervoor te zorgen dat de belangen van de gedupeerden worden gewaarborgd en niet de (commerciële) belangen van de oprichters van deze rechtspersonen. Het voldoen aan de principes van de Claimcode is geen wettelijke voorwaarde voor ontvankelijkheid, maar de Claimcode heeft sinds 1 juli 2013 wel een indirecte verankering in de wet, via artikel 3:305a lid 2, laatste volzin, (oud) BW. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre erop mag worden vertrouwd dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de belangen te behartigen van de personen voor wie zij stelt op te komen, kan een aanwijzing zijn dat de organisatie voldoet aan de in de Claimcode opgenomen ‘principes’. Het wel of niet voldoen aan de principes van de Claimcode is dan ook een belangrijk gezichtspunt bij de beoordeling of de belangen van de benadeelden voldoende zijn gewaarborgd. Afwijking van de principes en uitwerkingen van de Claimcode kan onder bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd zijn.
8.4.
Gedaagden stellen zich op het standpunt dat het de Stichtingen ontbreekt aan de benodigde waarborgen om gebruik te kunnen maken van het collectieve actierecht. Er wordt niet aan het baatcriterium en het kenniscriterium voldaan.
Het baatcriterium
8.5.
Volgens gedaagden wordt niet voldaan aan het baatcriterium. Zij verwijzen in dit verband onder meer naar de zaak Stichting Elco Foundation/Rabobank c.s., waarin is geoordeeld dat de individuele belanghebbenden in die zaak geen baat hadden bij toewijzing van de gevorderde verklaringen voor recht. In die zaak werd zo geoordeeld, omdat op basis van een toegewezen verklaring voor recht in de collectieve actie niet op eenvoudige wijze aanspraak gemaakt kon worden op schadevergoeding in een vervolgprocedure. Inmiddels is overigens in hoger beroep anders geoordeeld.7.
Anders dan in die zaak door de rechtbank is geoordeeld, is de rechtbank in deze zaak van oordeel dat individuele belanghebbenden in de onderhavige procedure(s) op basis van de toegewezen verklaringen voor recht, voor zover deze worden toegewezen, wel op eenvoudige wijze aanspraak kunnen maken op schadevergoeding in een individuele vervolgprocedure. Als in een collectieve procedure is vastgesteld dat sprake is van een verboden manipulatie-instrument, dan maakt dat de zaak van individuele consumenten in individuele vervolgprocedures juist gemakkelijker. Zij hebben in zoverre dan ook baat bij toewijzing van het gevorderde.
8.6.
Dat de door de Stichtingen gevorderde verklaringen voor recht te algemeen geformuleerd zouden zijn, hetgeen gedaagden verder hebben betoogd, maakt het voorgaande evenmin anders. Als er een verklaring voor recht wordt toegewezen dat Renault c.s. onrechtmatig heeft gehandeld en/of dat de door de Autodealers verkochte voertuigen non-conform zijn, dan zou uit de overwegingen in het vonnis moeten volgen dat dit betrekking heeft op de aanwezigheid van een illegaal manipulatie-instrument. Gelet op wat de Stichtingen aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd, is duidelijk dat de gevorderde verklaringen hierop zien. Niet valt in te zien waarom de achterbannen van de Stichtingen niet gebaat zouden zijn bij dergelijke toegewezen verklaringen voor recht.
8.7.
Gedaagden voeren aan dat de Autobezitters geen baat hebben bij drie identieke collectieve procedures tegen Renault c.s. en twee identieke procedures tegen de Autodealers.
Dat er meerdere (mogelijk identieke) procedures worden gevoerd tegen Renault c.s. en tegen de Autodealers door verschillende stichtingen, maakt niet dat de Autobezitters geen baat hebben bij ieder van deze collectieve acties als de vorderingen uiteindelijk worden toegewezen.
8.8.
De Autodealers voeren nog een aantal argumenten aan op grond waarvan zij betogen dat niet wordt voldaan aan het baatcriterium. De rechtbank bespreekt ze hierna.
8.9.
Allereerst hebben de Autodealers erop gewezen dat het betrekken van meer dan 70 Renault-dealers en erkend reparateurs in deze procedure geen enkel redelijk doel dient en niet leidt tot een (meer) effectieve en efficiënte rechtsbescherming voor de beweerdelijk gedupeerde Autobezitters. Deze procedure treft deze ondernemers onredelijk zwaar in hun belangen, dat geldt in het bijzonder voor de eenmanszaken en mkb’ers in deze groep. Het heeft geen meerwaarde om hen naast Renault c.s. in deze procedure te betrekken. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van SCC en SDEJ in de vorderingen tegen de Autodealers, aldus de Autodealers. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Dat er vele, meer dan 70, autodealers en reparateurs zijn gedagvaard en dat hier ook eenmanszaken en mkb’ers tussen zitten, geeft op zichzelf geen aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring van SCC en SDEJ in de vorderingen tegen de Autodealers (zie ook 8.20 hierna). Zoals de Stichtingen terecht hebben betoogd, staat het hen vrij om ten behoeve van de Autobezitters zowel autofabrikanten als autodealers in rechte te betrekken (zie ook 8.16 hierna).
8.10.
Ten tweede hebben de Autodealers erop gewezen dat SCC en SDEJ opkomen voor een groep die niet bestaat. Nieuwe voertuigen worden in principe uitsluitend via officiële Renault-dealers verkocht. De categorie “Partijen C” die een nieuwe auto heeft gekocht via andere partijen dan een officiële Renault-dealer (zijnde één van de gedagvaarde Autodealers) bestaat dus niet. Daarnaast zijn er geen Autodealers die zelf voertuigen in lease geven, dat gaat steeds via leasemaatschappijen die geen partij zijn in deze procedure. De categorie van partijen A en B die een getroffen voertuig van een Autodealer hebben geleaset bestaat dus ook niet. SCC en SDEJ pretenderen daarmee op te komen voor groepen van beweerdelijk gedupeerde Autobezitters die er niet zijn.
De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De Autodealers hebben ter zitting toegelicht dat alleen de Autodealers nieuwe voertuigen verkopen. SCC en SDEJ hebben daartegen ingebracht dat ook niet-Autodealers nieuwe voertuigen kunnen bestellen en verkopen. De rechtbank kan nu niet beoordelen welke partij op dit punt gelijk heeft, maar dat maakt niet uit voor de beantwoording van de ontvankelijkheidsvraag. Deze categorie partijen heeft haar auto namelijk niet gekocht van één van de Autodealers en kan dus geen vordering hebben op één van de Autodealers. Dit leidt er dan ook toe dat SCC en SDEJ niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen die zij hebben ingesteld tegen de Autodealers voor partijen C die een nieuwe auto hebben gekocht via andere partijen dan één van de Autodealers.
Voor zover SCC en SDEJ vorderingen hebben ingesteld tegen de Autodealers voor partijen A en B die een getroffen voertuig hebben geleaset van een Autodealer geldt als onweersproken dat deze groep niet bestaat. SCC en SDEJ worden dan ook in deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.
8.11.
Ten derde hebben de Autodealers op het volgende gewezen. Volgens de Autodealers hebben SCC en SDEJ ten onrechte geen inzicht gegeven in hoeveel van de bij hen geregistreerde personen een voertuig heeft gekocht bij één van de Autodealers. Er is niet inzichtelijk gemaakt (a) hoeveel van de Autobezitters die zich bij haar als deelnemer hebben aangemeld, behoren tot de groep van partijen A en B die hun voertuig bij één van de Autodealers hebben gekocht, (b) bij welke Autodealers zij hun voertuig hebben gekocht, of (c) om hoeveel verschillende getroffen voertuigen het gaat. Bij deze stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat de groep die in theorie belang kan hebben bij de vorderingen tegen de Autodealers, van zodanige omvang is dat het uit het oogpunt van efficiëntie gerechtvaardigd is dat naast de autofabrikanten meer dan 70 Dealers in de onderhavige collectieve actie worden betrokken. Volgens de Autodealers is relevant hoeveel deelnemers baat kunnen hebben bij een vordering jegens een Autodealer, want anders kan niet uitgesloten worden dat geen van de deelnemers een auto heeft gekocht bij één van de Autodealers of maar een heel klein aantal. Of dat de achterban vooral bestaat uit partijen C, die als gezegd per definitie niet gebaat zijn bij de vorderingen tegen de Autodealers. In dat geval is een collectieve actie niet efficiënt en effectief en kan niet worden vastgesteld dat de totale groep autobezitters voor wie SCC en SDEJ stellen op te komen daadwerkelijk baat heeft bij de collectieve vorderingen tegen de Autodealers.
8.12.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het is niet relevant om inzichtelijk te maken welke getroffen voertuigen bij welke Autodealer zijn verkocht Wel is van belang of er getroffen voertuigen zijn verkocht bij één van de Autodealers. Gelet op het grote aantal voertuigen waar het hier om gaat, ligt het voldoende voor de hand dat dit zo is. Bovendien heeft geen van de Autodealers gesteld dat zij geen enkel getroffen voertuig heeft verkocht.
8.13.
Daarnaast hebben de Autodealers aangevoerd dat een deel van de achterban voor wiens belangen de Stichtingen opkomen, geen baat heeft bij de vorderingen die zijn ingesteld tegen de Autodealers. Het gaat om partijen C. Volgens de definitielijsten van SCC en SDEJ bestaat die groep uit partijen die een nieuw of tweedehands getroffen voertuig hebben gekocht of geleaset via een andere partij dan een Autodealer. Deze partijen hebben hun auto niet gekocht van één van de Autodealers en kunnen dus geen vordering hebben op één van de Autodealers.
8.14.
De rechtbank is van oordeel dat de Autodealers op dit punt gelijk hebben. De particuliere en zakelijke partijen C hebben geen overeenkomsten gesloten met één van de Autodealers en hebben dan ook geen belang bij de vorderingen die SCC en SDEJ hebben ingesteld tegen de Autodealers. Dit leidt ertoe dat SCC en SDEJ niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen jegens de Autodealers met betrekking tot de particuliere en zakelijke partijen C.
8.15.
Ook hebben de Autodealers zich op het standpunt gesteld dat een collectieve actie tegen de Autodealers niet langer noodzakelijk is gelet op de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ van de EU). De Autodealers voeren namelijk aan dat het sinds de uitspraak van het HvJ van de EU van 21 maart 2023 duidelijk is dat autobezitters in geval van de aanwezigheid van een volgens de Emissieverordening verboden manipulatie-instrument een rechtstreekse vordering geldend kunnen maken jegens de autofabrikant, omdat de autofabrikant in dat geval onrechtmatig heeft gehandeld jegens de autobezitters.
8.16.
De rechtbank oordeelt als volgt. Dat het HvJ van de EU heeft bepaald dat een autobezitter een rechtstreekse vordering geldend kan maken jegens de autofabrikant, betekent nog niet dat een autobezitter geen vordering meer mag instellen tegen een Autodealer.
8.17.
Verder is een collectieve actie tegen de Autodealers volgens de Autodealers niet efficiënt, omdat de achterban alleen terecht kan bij een Autodealer waarmee zij een overeenkomst heeft gesloten. Van hoofdelijke aansprakelijkheid van Autodealers is geen sprake. Dit leidt tot versplintering, hetgeen niet bijdraagt aan een collectieve oplossing, bijvoorbeeld in de vorm van een collectieve schikking.
8.18.
Ook dit betoog gaat niet op. In een collectieve actie tegen de Autodealers kunnen algemene uitspraken gedaan worden over de rechten van de belanghebbenden jegens de Autodealers. Dit is efficiënter en effectiever dan dat elke belanghebbende daarover afzonderlijk een procedure zou moeten voeren. Dat elk van de individuele belanghebbenden voor elk voertuig alleen een vordering heeft jegens de Autodealer die hem de auto verkocht heeft, neemt niet weg dat hij in een afzonderlijke procedure tegen die Autodealer uit kan gaan van de beslissing die in een collectieve actie is genomen over wat de belanghebbenden jegens de Autodealers kunnen vorderen.
8.19.
Ook is een collectieve actie tegen de Autodealers volgens de Autodealers niet efficiënt en effectief, omdat de Autodealers op hun beurt bij een gerechtelijke uitspraak de aan de Autobezitters verschuldigde bedragen zullen willen verhalen bij Renault c.s., waarvoor mogelijk nadere procedures noodzakelijk zijn. Bovendien is het maar zeer de vraag of de Autodealers in staat zijn dergelijke bedragen voor te financieren. Dit kan ook leiden tot financiële gevolgen voor de Autodealers.
8.20.
Dat de Autodealers het bedrag waartoe zij eventueel worden veroordeeld op Renault willen verhalen en dat zij de daarbij toegewezen schadevergoedingen zouden moeten voorfinancieren, doet niet af aan de efficiëntie en effectiviteit van de collectieve actie ten behoeve van de belanghebbenden. Datzelfde zou immers het geval kunnen zijn als alle belanghebbende individueel zouden procederen tegen de Autodealers. De rechtbank ziet dan ook in het voorgaande geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat de belanghebbenden geen baat hebben bij toewijzing van het gevorderde.
8.21.
De Autodealers hebben ook gewezen op de maatschappelijke lasten van collectieve procedures; zij wijzen erop dat claimstichtingen tientallen, soms meer dan honderd, autodealers en reparatiebedrijven in rechte betrekken en dat daardoor verzekeringspremies oplopen.
8.22.
Die omstandigheid maakt op zichzelf niet dat de benadeelden geen baat hebben bij een collectieve actie. Dit kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van SCC of SDEJ.
8.23.
De Autodealers hebben aangevoerd dat het door de Autobezitters geleden nadeel maar één keer hoeft te worden gecompenseerd. Bij toewijzing van de collectieve vorderingen tegen zowel de fabrikant als de Autodealers zal bij de afwikkeling gecontroleerd moeten worden of een Autobezitter die zich met een vordering meldt bij zijn Autodealer niet ook een vordering heeft ingediend bij Renault c.s. als fabrikant (en andersom). Dit is onnodig tijdrovend en complex. Een efficiënte en effectieve afwikkeling is dus niet gediend met de mogelijkheid om te claimen via ‘twee loketten’.
8.24.
De rechtbank overweegt als volgt. Vooropstaat dat in deze procedure geen vordering tot schadevergoeding voorligt. Voor zover Autobezitters na deze collectieve procedure individueel aanspraak zouden maken op een schadevergoeding, bestaat inderdaad de mogelijkheid dat zij zowel de Autodealers als Renault c.s. zullen aanspreken. De rechtbank ziet in deze mogelijke complicatie bij een uiteindelijke afwikkeling van de schade echter geen reden om de Stichtingen nu in hun collectieve vorderingen tegen de Autodealers niet-ontvankelijk te verklaren. Het is aan Renault c.s. en de Autodealers om afspraken te maken om te voorkomen dat benadeelden tweemaal een vergoeding ontvangen.
8.25.
De Autodealers hebben ook aangevoerd dat SCC en SDEJ niet hebben toegelicht in welk opzicht de Autodealers verschillen van andere verkopers van met name tweedehands getroffen voertuigen. Toewijzing van vorderingen tegen de Autodealers werkt door in de rest van de keten van verkopen. Niet valt in te zien waarom de Autodealers wel en andere (zeker professionele) verkopers – waaronder ook Autobezitters – niet zouden kunnen worden aangesproken met een beroep op non-conformiteit dan wel dwaling. Dit kan leiden tot een wildgroei aan vervolgprocedures tussen kopers en verkopers van tweedehands auto’s, terwijl dit voorkomen kan worden door de collectieve vorderingen alleen te richten tegen Renault c.s. als fabrikant. SCC en SDEJ miskennen in dit verband ook dat Autodealers vaak kopers zullen zijn van (tweedehands) auto’s en Autobezitters vaak verkopers.
8.26.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. De claimstichtingen hebben de keuze om zowel de contractuele wederpartij van hun achterban (de Autodealers) als de autofabrikant in een geding te betrekken. De hiervoor aangevoerde argumenten maken niet dat de Autobezitters geen baat meer hebben bij toewijzing van het gevorderde. Het betrekken van zowel de contractuele wederpartij als de autofabrikanten maakt de kans op een daadwerkelijke vergoeding van de schade voor deze groep groter.
8.27.
Dat een deel van de Autobezitters ook zelf een getroffen voertuig kan hebben verkocht leidt niet tot een ander oordeel. Van de Autobezitters kan immers worden aangenomen dat als het verkochte een verboden manipulatie-instrument bevat, zij daarvan niet op de hoogte zijn en dat een daaruit voortkomende tekortkoming in de nakoming hen volgens de verkeersopvattingen ook niet kan worden toegerekend. Of de Autobezitters een vordering hebben wegens de aanwezigheid van een verboden manipulatie-instrument op andere professionele verkopers dan de Autodealers kan in het midden blijven omdat die in deze procedure niet betrokken zijn.
8.28.
Dan hebben de Autodealers nog op het volgende gewezen. Er bestaat voor individuele Autobezitters bij een vervolgprocedure tegen een individuele Autodealer het risico dat zij tegen contractuele verweren aanlopen, zoals een beroep op een exoneratiebeding of een beroep op een klachtplicht. Dit komt bij een procedure tegen de autofabrikant niet aan de orde.
8.29.
De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om te oordelen dat individuele autobezitters geen baat hebben bij het gevorderde jegens de Autodealers. Zoals hiervoor al is geoordeeld, hebben Autobezitters bijvoorbeeld baat bij een verklaring voor recht dat de voertuigen non-conform zijn. De omstandigheid dat in een individuele vervolgprocedure een contractueel verweer door de Autodealer kan worden tegengeworpen, maakt nog niet dat de Autobezitters geen baat hebben bij de gevorderde verklaring voor recht. Een deel, bijv. de non-conformiteit van een voertuig, staat dan immers al vast. Een eerste drempel is dan al weggenomen.
Het kenniscriterium
8.30.
Daarmee is de rechtbank toegekomen aan de beoordeling van het kenniscriterium. Gedaagden hebben zich op het standpunt gesteld dat de Stichtingen niet voldoen aan het kenniscriterium. De rechtbank zal dit beoordelen aan de hand van de gezichtspunten die onder 8.2 staan opgesomd, waarbij wordt aangetekend dat gezichtspunt c al aan de orde is geweest in het vonnis van 1 februari 2023.
Gezichtspunten a en b (trackrecord en ad hoc organisatie)
8.31.
De Stichtingen hebben – samengevat – aangevoerd dat zij beschikken over voldoende ervaring en deskundigheid om zich in te zetten voor de belangen van de betrokkenen.
8.32.
Gedaagden hebben aangevoerd dat de Stichtingen, in verband met deze collectieve actie, geen trackrecord hebben en dat de Stichtingen ad-hoc claimvehikels zijn.
8.33.
De rechtbank is van oordeel dat toetsing aan deze gezichtspunten voor geen van de Stichtingen een belemmering vormt voor het voldoen aan het waarborgvereiste. De omstandigheid dat de Stichtingen speciaal zijn opgericht voor het voeren van collectieve acties, maakt niet dat de Stichtingen niet voldoen aan het waarborgvereiste. Het is immers toegestaan om organisaties op te richten met als (voornaamste) doel het voeren van een collectieve actie. Een trackrecord strekt tot aanbeveling maar is geen voorwaarde om een collectieve actie te kunnen starten. Zowel SEC als SCC als SDEJ voeren al enige tijd meerdere collectieve procedures. Zij hebben dus wel ervaring in het voeren van dit soort procedures. SCC heeft ook al een procedure gevoerd die tot een eindvonnis heeft geleid (tegen onder meer Volkswagen).8.
8.34.
Gedaagden hebben verder aangevoerd dat niet is gebleken dat de Stichtingen als spreekbuis in de media hebben opgetreden in het kader van deze collectieve actie. Hiervoor geldt dat het optreden als spreekbuis in de media een omstandigheid is die in de Memorie van Toelichting wordt genoemd als een mogelijke aanwijzing dat is voldaan aan het waarborgvereiste. Hieruit vloeit uiteraard niet het omgekeerde voort, namelijk dat wanneer hiervan geen sprake is, niet is voldaan aan het waarborgvereiste. Voor ontvankelijkheid is niet vereist dat aan alle door de wetgever geformuleerde gezichtspunten is voldaan. Ook bij afwijking van bepaalde gezichtspunten kan de belangenbehartiging door de belangenorganisatie voldoende gewaarborgd zijn. Voor zover één of meer van de Stichtingen op dit moment nog niet optreedt als spreekbuis in de media weegt dat voor de rechtbank dan ook niet zwaar.
Gezichtspunt d (de principes van de claimcode)
8.35.
Gedaagden stellen dat de Stichtingen voor wat betreft hun governance niet voldoen aan de principes II, III, IV, V en VII van de Claimcode 2019.
8.36.
Principe II betreft de behartiging van collectieve belangen zonder winstoogmerk en luidt als volgt: “(...) Uit de statutaire doelstelling, de feitelijke werkzaamheid en de governance van de belangenorganisatie blijkt dat de belangenorganisatie en de aan de belangenorganisatie rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen geen winstoogmerk hebben bij de uitoefening van hun activiteiten.”
8.37.
Principe III betreft de externe financiering en luidt als volgt: “De belangenorganisatie kan ten behoeve van de financiering van haar statutaire werkzaamheden een overeenkomst aangaan met een solide externe financier. Het bestuur vergewist zich ervan dat individuele bestuurders en leden van de raad van toezicht, alsmede de door de belangenorganisatie ingeschakelde advocaat of andere dienstverleners zelfstandig en onafhankelijk zijn van de externe financier en de aan deze rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen, alsmede dat de externe financier en de aan deze rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen onafhankelijk zijn van de wederpartij in de collectieve actie. De overeenkomst voorziet in een regeling die de in de vorige volzin bedoelde zelfstandigheid en onafhankelijkheid waarborgt. Het bestuur ziet erop toe dat de financieringsvoorwaarden (waaronder begrepen de omvang en systematiek van de overeen te komen vergoeding) redelijkerwijs niet strijdig zijn met het collectieve belang van de (rechts)personen ten behoeve van wie de belangenorganisatie krachtens haar statutaire doelstelling optreedt.”
8.38.
Principe IV betreft de onafhankelijkheid en vermijding van belangentegenstelling. Dit principe luidt als volgt: “Het bestuur is zodanig samengesteld dat de leden ten opzichte van elkaar, de raad van toezicht, een eventuele externe financier en de belanghebbenden bij de belangenorganisatie, onafhankelijk en kritisch kunnen opereren.”
8.39.
Principe V betreft de taak, de samenstelling en de werkwijze van het bestuur en luidt als volgt: “Het bestuur is evenwichtig samengesteld en is belast met het besturen van de belangenorganisatie, hetgeen onder meer inhoudt dat het verantwoordelijk is voor de vaststelling en uitvoering van het (financieel) beleid en de op verwezenlijking van de statutaire doelstelling gerichte strategie. Het bestuur van de stichting legt hierover tenminste één keer per jaar verantwoording af aan de raad van toezicht. Het bestuur van de vereniging legt hierover tenminste één keer per jaar verantwoording af aan de algemene
ledenvergadering.”
8.40.
Principe VII betreft de raad van toezicht en luidt als volgt: “De stichting kent een raad van toezicht, bestaande uit ten minste drie natuurlijke personen, waarvan er ten hoogste één benoemd is op voordracht van een eventuele financier. De raad van toezicht heeft tot taak het toezicht houden op het beleid en de strategie van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting. Hieronder wordt tevens begrepen het financieel toezicht en het uitoefenen van die taken en bevoegdheden die in deze code en de statuten van de stichting aan de raad van toezicht zijn toegekend. De raad van toezicht geeft op alle belangrijke punten het bestuur gevraagd en ongevraagd advies en richt zich bij de vervulling van zijn taak op de in de statutaire doelstelling van de stichting omschreven belangen.”
8.41.
De Stichtingen hebben hun financieringsovereenkomsten met de procesfinancier in het geding gebracht. De beschikbare budgetten zijn – met instemming van Renault c.s. – niet aan Renault c.s. maar alleen aan de rechtbank ter beschikking gesteld.
De rechtbank zal hierna toetsen of de governance van de Stichtingen voldoet aan de wet en de Claimcode. Daarbij zal onder meer worden beoordeeld of de Stichtingen zelfstandig en onafhankelijk van de procesfinancier zijn. Ook zal de rechtbank beoordelen of de budgetten van de Stichtingen voldoende zijn voor een normaal verloop van de procedure.
* Bezwaren van gedaagden met betrekking tot de governance van SEC
8.42.
Gedaagden hebben verschillende bezwaren aangevoerd met betrekking tot de governance van SEC.
8.43.
Gedaagden hebben gewezen op de positie van [naam 7] (hierna: [naam 7] ). Zijn positie levert volgens gedaagden strijd op met principes III, IV en VII van de Claimcode.
8.44.
Naar het oordeel van de rechtbank is [naam 7] positie niet onverenigbaar met de eisen van een deugdelijke governance. [naam 7] is lid van de raad van toezicht van SEC en heeft tevens als bestuurder en aandeelhouder van Hagens Berman Sobol Shapiro LLP (en aan haar gelieerde vennootschappen) een invloedrijke positie bij de financier van SEC. Ook heeft [naam 7] een persoonlijk belang bij de uitkomst van deze procedure, omdat hij via Hagens Berman meedeelt in de winst indien deze procedure tot een financieel positief resultaat voor de achterban van SEC leidt. Maar dat betekent nog niet dat de governance van SEC onvoldoende is gewaarborgd. De Claimcode staat uitsluitend ten aanzien van de raad van toezicht namelijk toe dat één van de leden daarvan, niet-zijnde de voorzitter, wordt benoemd op voordracht van de financier (zie principe VII, uitwerking 3, van de Claimcode). Daarmee staat de Claimcode een beperkte vorm van inspraak van de kant van de financier toe. Partijen verschillen van mening over de vraag of de Claimcode ruimte laat voor de benoeming van (iemand van) de financier zelf in de raad van toezicht (in plaats van de benoeming van een derde op voordracht van de financier in de raad van toezicht). De rechtbank ziet hier niet een wezenlijk verschil, omdat de mate van zeggenschap vanuit de financier hetzelfde is, nu aangenomen mag worden dat ook een door de financier voorgedragen derde namens de financier spreekt. Van beslissende of onaanvaardbare invloed of zeggenschap van de financier is in dit geval met het lidmaatschap van de raad van toezicht van [naam 7] geen sprake. De raad van toezicht bestaat, naast [naam 7] , namelijk uit nog vier personen, die allen onafhankelijk zijn van de financier. Ook is [naam 7] niet de voorzitter van de raad van toezicht. Verder is het bestuur van SEC belast met het besturen van de stichting. De taak van de raad van toezicht is beperkt tot het houden van toezicht op het beleid en de strategie van het bestuur. De (huidige) bestuurders van SEC zijn onafhankelijk van de financier.
8.45.
De bezwaren van gedaagden met betrekking tot andere natuurlijke personen, zoals [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] kunnen, nu zij allen geen deel meer uitmaken van het bestuur van SEC, onbesproken blijven. De rechtbank toetst immers ex nunc.
8.46.
Verder stellen gedaagden zich op het standpunt dat SEC niet onafhankelijk opereert van haar procesfinancier Hagens Berman. Ter onderbouwing hebben gedaagden onder meer verwezen naar artikel 6.3 van de financieringsovereenkomst met Hagens Berman. Artikel 6.3 bepaalt dat “The Agreement can be terminated by HB if there has been, in the reasonable discretion of the lawyers prosecuting the case for SEC, a Material Adverse Decline.”. In de definitielijst wordt dit begrip gedefinieerd en daar staat dat het gaat om een situatie “such that HB does not consider it advisable to continue to invest in the proceedings (…)”.
8.47.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze bepaling in strijd met artikel 3:305a (oud) BW en de Claimcode. De procesfinancier heeft volgens deze bepalingen het recht met de financiering te stoppen als de advocaat van de stichting dat aangewezen acht. Dit ondergraaft de vrijheid van de claimstichting om onafhankelijk van de procesfinancier haar beleid te bepalen.
De rechtbank zal SEC in de gelegenheid stellen om deze bepaling aan te passen. Anders dan gedaagden hebben betoogd, is de rechtbank van oordeel dat SEC een herstelmogelijkheid moet krijgen. Dit onderdeel van het collectieve actierecht is nog in ontwikkeling en de vraag of deze bepaling geoorloofd is, is niet eerder aan de orde gekomen.
8.48.
Artikel 6.6 van de financieringsovereenkomst met Hagens Berman, waarin is bepaald dat Hagens Berman bij beëindiging van de financieringsovereenkomst recht heeft op terugbetaling van het totaal door haar geïnvesteerde bedrag, is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met artikel 3:305a (oud) BW en de Claimcode. Het geïnvesteerde bedrag betreft in eerste instantie een lening, zo zijn partijen dat overeengekomen. Dit maakt niet dat SEC niet zelfstandig en onafhankelijk van Hagens Berman kan opereren.
8.49.
Artikel 6.2 en artikel 6.3 van de financieringsovereenkomst zijn, anders dan gedaagden betogen, niet in strijd met Principe III, uitwerking 6 van de Claimcode. Op grond van uitwerking 6 moet bij voortijdige opzegging van de financieringsovereenkomst worden gewaarborgd dat een zodanige opzeggingstermijn wordt gehanteerd dat de belangenorganisatie een redelijke mogelijkheid heeft alternatieve financiering aan te trekken. Aan dit vereiste is voldaan, in voornoemde bepalingen die over voortijdige opzegging gaan. Dat het moeilijk kan zijn om alternatieve financiering aan te trekken maakt dat niet anders.
8.50.
Ook artikel 9.1 van de financieringsovereenkomst, waarin een informatierecht voor Hagens Berman is opgenomen, is niet in strijd met de Claimcode. Het informatierecht tast de zelfstandigheid en onafhankelijkheid van SEC niet aan.
Gelet op hetgeen onder 8.44 is overwogen, illustreert de omstandigheid dat [naam 7] namens Hagens Berman heeft ondertekend niet dat [naam 7] positie in strijd met de Claim Code is.
8.51.
Gedaagden hebben zich verder op het standpunt gesteld dat artikel 10.2 van de financieringsovereenkomst ontoelaatbaar is.
8.52.
De rechtbank volgt gedaagden hierin. In artikel 10.2 van de financieringsovereenkomst is bepaald dat in geval van strijdigheid tussen enerzijds de Claimcode en/of het toepasselijke collectieve actieregime en anderzijds de financieringsovereenkomst, de bepalingen van de financieringsovereenkomst prevaleren. Een dergelijke bepaling waarin de financieringsovereenkomst prevaleert boven de wet, is evident ontoelaatbaar. De rechtbank zal SEC in de gelegenheid stellen om deze bepaling aan te passen.
8.53.
Ten aanzien van het winstoogmerk dat zou bestaan bij SEC en de aan haar gelieerde entiteiten, hetgeen volgens gedaagden strijd zou opleveren met Principe II van de Claimcode, overweegt de rechtbank als volgt. Niet is gebleken van een winstoogmerk bij SEC. SEC is een stichting en heeft geen winstoogmerk. De door de deelnemers betaalde succesfee komt bij de financier terecht. Dat de financier een winstoogmerk heeft en geld kan verdienen met de collectieve actie is toegestaan volgens de Claimcode.
8.54.
Ook de bezwaren van de gedaagden over het gebrek aan transparantie over de kostenvergoeding aan SEC, over de procesfinancier en daaraan verbonden (rechts)personen snijden geen hout. SEC heeft toegelicht hoe de financiering feitelijk heeft plaatsgevonden. Op de website van SEC staat duidelijk vermeld dat SEC wordt gefinancierd door Hagens Berman. Daar staat ook dat de succesfee van maximaal 25% wordt aangewend om de kosten van de procedure te voldoen en de financier te vergoeden voor de investering in de procedure en het door haar genomen risico. Dit staat ook in de deelnamevoorwaarden van SEC.
* Bezwaren van gedaagden met betrekking tot de governance van SCC
8.55.
Ten aanzien van de governance van SCC hebben de gedaagden aangevoerd dat deze in strijd is met Principes II, III, IV, V en VII van de Claimcode.
8.56.
Gedaagden hebben bezwaren aangevoerd tegen Labaton Keller Sucharow LLP. Die bezwaren kunnen onbesproken blijven, omdat Labaton niet de financier is. Duidelijk is wie de financier van SCC is. Dat staat in de dagvaarding. Dat is Fortress Investment Group LLC. Op zitting is door SCC ook toegelicht dat de financieringsovereenkomst is gesloten met een onder Fortress vallende operationele entiteit, CF ND Car Ltd., gevestigd op de Kaaimaneilanden. Dit staat vermeld in de financieringsovereenkomst, in de publiek toegankelijke jaarverslagen van 2021 en 2022 en ook op de website van SCC. Daarmee is ook voldoende duidelijk hoe de financiering heeft plaatsgevonden.
Het betoog van gedaagden dat zij de governance van SCC niet kan beoordelen gaat niet op. Duidelijk is wie de leden zijn in de raad van bestuur en de raad van toezicht van SCC. Er zijn ook geen concrete aanknopingspunten dat er sprake is van strijd met de Principes IV, V en VII.
8.57.
Verder heeft SCC op zitting toegelicht dat zij haar achterban actief informeert over de financieringsafspraken met Fortress. Dat doet zij onder meer via haar website, via het jaarverslag en via de participatieovereenkomsten die met de Autobezitters wordt gesloten. Dit is voldoende. Er is geen gebrek aan transparantie.
Ten aanzien van het bestaan van een winstoogmerk overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet geen winstoogmerk bij SCC. Dat de financier van SCC een winstoogmerk heeft, is toegestaan volgens de Claimcode.
8.58.
Gedaagden hebben zich op het standpunt gesteld dat artikelen 5.11 en 13.2 c van de financieringsovereenkomst van SCC met Fortress strijdig zijn met het waarborgvereiste.
8.59.
In artikel 5.11 is bepaald dat SCC (en AKD) geen financiering van een derde mogen aantrekken gedurende de looptijd van de financieringsovereenkomst (zonder toestemming van Fortress). Deze bepaling is naar het oordeel van de rechtbank toegestaan, omdat dit de zeggenschap van SCC over de proces- en schikkingsstrategie niet aantast (of de onafhankelijkheid van SCC) en het reeds beschikbare budget toereikend is (zie nummer 8.71). Dit geldt ook voor artikel 13.2 c van de financieringsovereenkomst, waarin is opgenomen dat Fortress niet de kosten die gepaard gaan bij een nieuwe door SCC toegevoegde “cause of action” aan de procedure hoeft te betalen. Ook dit artikel tast de onafhankelijkheid van SCC tegenover Fortress niet aan. Partijen mogen dergelijke afspraken maken.
8.60.
Dit geldt eveneens voor de bepalingen in de financieringsovereenkomst die zien op de verdeling van de opbrengst volgens een ‘waterfall’. Gedaagden maken er een punt van dat meerdere partijen (SDEJ, Fortress, CSS en AKD) aanspraak kunnen maken op een deel van de opbrengst (dat is de fee van 25% van een te verkrijgen schadevergoeding). Bij deze partijen speelt allemaal een financieel belang, aldus gedaagden.
De rechtbank ziet hierin geen strijd met artikel 3:305a (oud) BW of de Claimcode. Dat deze partijen, waaronder CSS, recht hebben op een deel van de opbrengt, betekent namelijk niet dat zij ook zeggenschap hebben. Dat is ook op geen enkele manier toegelicht door gedaagden.
8.61.
Dat Fortress een consultatierecht heeft bij aanpassingen van de deelnemersvoorwaarden, zoals opgenomen staat in artikel 3.5 b van de financieringsovereenkomst, betekent ook niet dat zij zeggenschap over de processtrategie of de vorderingen heeft. Dit artikel is dan ook toelaatbaar.
Ook ten aanzien van artikel 20 van de financieringsovereenkomst ziet de rechtbank geen bezwaren. Dit artikel over ‘dispute resolution’ betreft niet de Autobezitters maar bevat een geschillenregeling voor de partijen bij financieringsovereenkomst.
8.62.
Al hetgeen gedaagden hebben aangevoerd over de rol en positie van AKD valt buiten de beoordeling van de financieringsovereenkomst.
8.63.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de belangen van de benadeelden voldoende zijn gewaarborgd. SCC kan onafhankelijk opereren van Fortress, dat blijkt uit de financieringsovereenkomst en de governance van SCC.
* Bezwaren van gedaagden met betrekking tot de governance van SDEJ
8.64.
Gedaagden hebben met betrekking tot SDEJ aangevoerd dat er niet wordt voldaan aan Principes II, III, IV en VII van de Claimcode.
8.65.
De rechtbank overweegt als volgt. De procesfinancier van SDEJ is Consumer Justice Network B.V. (CJN). Dat zij een winstoogmerk heeft bij de collectieve actie, is toegestaan volgens de Claimcode. Dit leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van SDEJ.
Ook de door gedaagden geuite bezwaren met betrekking tot de betrokkenheid van [naam 5] en [naam 4] , leiden niet tot niet-ontvankelijkheid. [naam 5] is één van de bestuurders van Corpocon Legal/Letselenschadeclaim.nl B.V., deze vennootschap is één van de oprichters van CJN. Volgens gedaagden zou hij omstreden zijn, maar van invloed of zeggenschap ten opzichte van SDEJ is niet gebleken. Nu daarvan niet is gebleken, gaat de rechtbank aan de stellingname van gedaagden voorbij. Bovendien schrijft de Claimcode voor dat er onderzoek gedaan moet worden naar de financier, maar niet naar de oprichter van de financier.
Hetgeen is aangevoerd over [naam 4] kan onbesproken blijven. [naam 4] is vanaf de oprichting van CJN per 1 juli 2019 bestuurder geweest van CJN. Vanaf september 2019 tot 9 maart 2023 is hij lid geweest van de raad van toezicht van SDEJ. Omdat hij is teruggetreden als lid van de raad van toezicht en de rechtbank ex nunc toetst, kunnen zijn verschillende functies onbesproken blijven. Er zijn verder geen concrete aanwijzingen dat [naam 4] op dit moment een invloed heeft op het beleid van SDEJ die strijd zou opleveren met de wet of de Claimcode. Ook dat in het verleden onvoldoende transparantie is betracht over de rol van [naam 4] , kan nu niet meer leiden tot niet-ontvankelijkheid. De samenwerking met Litigo B.V., van wie [naam 6] de bestuurder is, levert om dezelfde reden geen strijd op met de Claimcode. [naam 6] was van 3 juni 2020 tot 14 oktober 2021 voorzitter van de raad van toezicht van SDEJ, maar dat is hij nu niet meer, zodat er geen sprake is van strijd met Principe IV (uitwerking 3) Claimcode.
8.66.
Gedaagden zijn van mening dat er bepalingen in de financieringsovereenkomst van SDEJ met CJN staan, die de onafhankelijkheid van SDEJ aantasten. Volgens gedaagden gaat het om artikelen 5.1.1, 2.2, 7.2 en 8.3. Volgens gedaagden is de verplichting voor SDEJ dat zij de ‘return’ van CJN op haar investering moet laten meewegen bij het aangaan van bijvoorbeeld schikkingen, bezwaarlijk (artikel 5.1.1). Hetzelfde geldt voor de verplichting dat SDEJ de opinie van CJN moet laten meewegen bij het eventueel vervangen van de advocaat (artikel 7.2). Artikel 2.2. en artikel 8.3 brengen informatie en consultatierechten voor SDEJ mee.
8.67.
Naar het oordeel van de rechtbank tasten al deze artikelen de zeggenschap van SDEJ niet aan. Deze bepalingen zijn toelaatbaar.
8.68.
Met betrekking tot het standpunt van gedaagden dat de betrokkenheid van Litigo, CJN en andere mogelijke derden de zeggenschap van SDEJ aantast, overweegt de rechtbank als volgt. Het enkele feit dat andere partijen betrokken zijn en dat zij een gedeelte van de opbrengst ontvangen, tast de zeggenschap van SDEJ niet aan. Dit vormt dan ook niet meteen een probleem. Wel dient SDEJ de ontbrekende pagina’s van de overeenkomst met Litigo van 25 augustus 2021 alsnog in het geding te brengen. Tijdens de mondelinge behandeling is aan de Stichtingen bevolen om de financieringsovereenkomst inclusief bijlagen in het geding te brengen. De bijlage (schedule 3) met de overeenkomst met Litigo is niet volledig. De rechtbank moet de volledige bijlage kunnen beoordelen. Als de bijlage in het geding is gebracht, zal de rechtbank een oordeel geven over het verzoek om een mededelingsverbod van SDEJ.
* Bezwaren van gedaagden met betrekking tot de vergoedingen voor de procesfinanciers
8.69.
Gedaagden hebben bezwaren aangevoerd over de hoogte van de vergoedingen voor de procesfinanciers en dat er een gebrek aan transparantie bestaat. Onduidelijk is volgens hen welk deel van het percentage dat zij inhouden in geval van een uiteindelijke schadevergoeding wordt gebruikt om gemaakte kosten te vergoeden.
8.70.
De Stichtingen hebben in hun deelnemingsovereenkomsten met hun deelnemers opgenomen dat zij (onder omstandigheden) recht hebben op een vergoeding voor de door hen gemaakte kosten (indien het hen niet lukt om de door hen gemaakte kosten onderdeel te maken van een schikking of een rechterlijk oordeel). SEC en SCC brengen een vergoeding van maximaal 25% in rekening. Dat is gelijk aan de bovengrens van de eerder in de rechtspraak aangenomen bandbreedte van 10% tot 25% (zie gerechtshof Amsterdam 13 juli 2028, ECLI:NL:GHAMS:2018:2422), zoals ook is opgenomen in de toelichting bij de Claimcode. SDEJ hanteert als enige een vergoeding van maximaal 27,5%. De rechtbank is er nog niet van overtuigd dat een percentage van 27,5% gerechtvaardigd is. Naarmate het percentage van de door een claimstichting in rekening te brengen vergoeding hoger is, kan het lastiger zijn een schikking te treffen. Dat is niet in het belang van de achterban van SDEJ. Bovendien is onduidelijk welk gedeelte van het percentage dat de Stichtingen op de eventuele schadevergoeding zullen inhouden, wordt gebruikt om door hen gemaakte kosten te vergoeden. Op dit moment is dit echter nog geen reden voor niet-ontvankelijkverklaring van SDEJ of de andere stichtingen, omdat dit onderwerp pas ten volle aan de orde is bij het algemeen verbindend verklaren van een eventuele schikkingsovereenkomst in een WCAM-procedure (artikel 7:907-910 BW en 1013-1018a Rv). In een WCAM-procedure kan alsnog worden geoordeeld dat de belangen van de achterban van de Stichtingen om de hiervoor genoemde redenen onvoldoende gewaarborgd zijn. De rechtbank zal er in deze procedure, waarin de collectieve vorderingen van de Stichtingen vanwege de toepasselijkheid van het oude collectieve actierecht verklaringen voor recht betreffen en geen schadevergoeding in geld, geen gevolgen aan verbinden. De rechtbank geeft SDEJ wel in overweging haar vergoeding in lijn te brengen met de eerder in de rechtspraak aangenomen brandbreedte.
* Bezwaren van gedaagden met betrekking tot de budgetten van de Stichtingen
8.71.
Gedaagden hebben de rechtbank verzocht om kritisch te beoordelen of de Stichtingen wel over voldoende financiële middelen beschikken om een normaal verloop van de procedure te kunnen (blijven) financieren. In het bijzonder, omdat in deze procedure een aantal technische vragen voorliggen waarvoor mogelijk deskundigen moeten worden aangezocht. Dat brengt mee dat de procedure langer en kostbaarder zal zijn dan zonder deskundigen.
8.72.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de budgetten van alle drie de Stichtingen en is van oordeel dat zij over voldoende financiële middelen beschikken om een normaal verloop van de procedure te kunnen blijven financieren, inclusief het inschakelen van deskundigen.
8.73.
Hetgeen gedaagden hebben aangevoerd met betrekking tot artikelen 21.4 en 21.5 van de financieringsovereenkomst van SCC met Fortress, leidt niet tot een ander oordeel. Uit die artikelen blijkt dat de verplichting van Fortress om SCC te financieren ophoudt wanneer de ‘Cost Limit’ wordt bereikt, dat Fortress beslist over budgetverhogingen (waar SCC om kan verzoeken) en dat Fortress zich dus niet gecommitteerd heeft aan het financieren van de procedure als zodanig. Volgens gedaagden is dit in strijd met het waarborgvereiste. De rechtbank ziet dat anders. Het gaat erom dat de Stichtingen over voldoende financiële middelen beschikken om een normaal verloop van de procedure te kunnen (blijven) financieren. Dat is het geval.
De conclusie
8.74.
De conclusie van het voorgaande is dat, voorlopig, alleen SCC als belangenorganisatie ontvankelijk is. Of SEC en SDEJ ook ontvankelijk zijn, zal in het volgende vonnis beslist worden.
9. Het toepasselijk recht op de vorderingen van de Stichtingen
9.1.
De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen welk recht van toepassing is op de vorderingen van de Stichtingen tegen de buitenlandse gedaagden. Het gaat om de vorderingen van SEC tegen Renault S.A en van SCC en SDEJ tegen Renault S.A., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. Aan die vorderingen is, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat voornoemde gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld.
9.2.
Het toepasselijke recht op een gestelde onrechtmatige daad moet worden bepaald aan de hand van Verordening Rome II.9.
Het staat de rechter vrij staat om bij de uitleg van in de Verordening Rome II gehanteerde begrippen gebruik te maken van het begrippenstelsel van de Verordening Brussel I-bis en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het HvJEU.10.
9.3.
Op grond van artikel 4 lid 1 Verordening Rome II is het recht van het land waar de schade zich voordoet van toepassing.
9.4.
Het HvJEU heeft in zijn uitspraak van 9 juli 202011.voor recht verklaard dat artikel 7, punt 2, Verordening Brussel I-bis, aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer voertuigen door de fabrikant ervan in een lidstaat op onrechtmatige wijze zijn voorzien van software die de emissiegegevens manipuleert alvorens deze voertuigen bij een derde in een andere lidstaat worden gekocht, de plaats waar de schade intreedt zich in deze laatste lidstaat bevindt. Daarmee is dus de plaats waar de auto is gekocht de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Hieruit volgt dat de plaats waar de gestelde schade van Autobezitters die hun auto in Nederland hebben gekocht, Nederland is. Dit betekent dat Nederlands recht van toepassing is op de vorderingen tegen Renault S.A., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A.
9.5.
Bovendien bestaat tussen partijen overeenstemming over de toepasselijkheid van het Nederlandse recht op de vorderingen tegen Renault S.A., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A.
10. Verzoek om tussentijds hoger beroep open te stellen
10.1.
Indien de rechtbank één of meer van de Stichtingen ontvankelijk verklaart in haar collectieve actie, althans voor een deel van haar vorderingen, verzoekt Renault c.s. de rechtbank om op grond van artikel 337 lid 2 Rv te bepalen dat van het te wijzen vonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld. Renault c.s. wijst op haar belang hierbij. Bij ontvankelijkheid zullen de collectieve acties worden voortgezet, dat zal jaren duren en pas daarna zal Renault c.s. een eventueel hoger beroep kunnen instellen. Indien de appelrechter de ontvankelijkheid van één van de Stichtingen dan (gedeeltelijk) zal vernietigen, is er nodeloos geprocedeerd met alle daarmee gepaard gaande kosten. Dit wil Renault c.s. voorkomen.
10.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak tussentijds hoger beroep toe te staan. Dit zou tot onredelijke vertraging van de procedure leiden.
11. Vervolg van de procedure
11.1.
De rechtbank zal de SEC-zaak verwijzen naar de rol van 24 april 2024, waarbij SEC de gelegenheid krijgt om artikel 6.3 en artikel 10.2 van haar financieringsovereenkomst te herstellen. De SDEJ-zaak zal ook worden verwezen naar de rol van 24 april 2024. SDEJ wordt in de gelegenheid gesteld om de volledige overeenkomst met Litigo in het geding te brengen. Vervolgens mogen gedaagden, na twee weken (op de rol van 8 mei 2024), daarop reageren bij antwoordakte.
De SCC-zaak zal worden aangehouden. Daarna zal de rechtbank verder beslissen, in de zaken van SEC en SDEJ over de ontvankelijkheid en in alle drie de zaken over mogelijke voeging van de zaken en over de verdere procedure.
12. De beslissing
De rechtbank
in de SEC-zaak
12.1.
verwijst de zaak naar de rol van 24 april 2024 voor akte aan de zijde van SEC als bedoeld in rechtsoverweging 8.47 en 8.52, daarna antwoordakte van gedaagden op een termijn van twee weken,
12.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de SCC-zaak
12.3.
verwijst de zaak naar de rol van 19 juni 2024 voor vonnis,
12.4.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de SDEJ-zaak
12.5.
verwijst de zaak naar de rol van 24 april 2024 voor akte aan de zijde van SDEJ als bedoeld in rechtsoverweging 8.68, daarna antwoordakte van gedaagden op een termijn van twee weken,
12.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. M.R. Jöbsis en mr. R.P.F. de Groot, rechters, bijgestaan door mr. P. Palanciyan, griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2024.12.
BIJLAGE I
Vorderingen SEC (na eiswijziging)
Voor zover de WAMCA van toepassing is:
Verzoek aanwijzing Exclusieve Belangenbehartiger
1. Voor zover de WAMCA op de onderhavige vorderingen van toepassing is; de Stichting
aan te wijzen als Exclusieve Belangenbehartiger in de zin van artikel 1018e lid 1 Rv;
Verklaringen voor recht
2. Te verklaren voor recht dat Renault en de Importeur ieder voor zich onrechtmatig jegens
Gedupeerden hebben gehandeld;
3. Te verklaren voor recht dat Renault en de Importeur hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de
als gevolg van hun onrechtmatig handelen door Gedupeerden geleden schade en
gehouden zijn die schade te vergoeden;
Vordering tot veroordeling tot schadevergoeding en vergoeding van proceskosten
4. Renault en de Importeur hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door
Gedupeerden geleden schade;
5. Renault en de Importeur hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder
de nakosten, althans - voor zover de WAMCA van toepassing is en uw rechtbank een
uitspraak doet ingevolge artikel 1018i Rv - de door uw rechtbank nader vast te stellen
redelijke en evenredige kosten die Stichting in verband met het instellen van deze
procedure heeft gemaakt als bedoeld in artikel 10181 lid 2 Rv, en al deze kosten te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitspraak van het in deze
procedure te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
Voor zover het actierecht van vóór 1 januari 2020 van toepassing is:
1. Te verklaren voor recht dat Renault en de Importeur ieder voor zich onrechtmatig jegens
Gedupeerden hebben gehandeld;
2. Te verklaren voor recht dat Renault en de Importeur hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de
als gevolg van hun onrechtmatig handelen door Gedupeerden geleden schade en
gehouden zijn die schade te vergoeden;
3. Renault en de Importeur hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder
de nakosten, al deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de
uitspraak van het in deze procedure te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele
voldoening.
BIJLAGE 2
Vorderingen SCC
Ontvankelijkheid en exclusieve belangenbehartiger
1. voor recht te verklaren dat Car Claim ontvankelijk is in deze collectieve actieprocedure;
2. Car Claim aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger;
Opt out
3. te bepalen dat:
i. iedere Autobezitter met woonplaats of verblijf in Nederland gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging van de uitspraak waarbij Car Claim als exclusieve
belangenbehartiger wordt aangewezen, de griffie van de rechtbank schriftelijk kan laten weten zich van de behartiging van diens belangen in deze collectieve vordering te onttrekken (opt-out, artikel 1018f lid 1 Rv);
ii. iedere Autobezitter zonder woonplaats of verblijfplaats in Nederland gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging van de uitspraak waarbij Car Claim als exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen, de griffie van de rechtbank schriftelijk kan laten weten zich van de behartiging van diens belangen in deze collectieve vordering te onttrekken (opt-out, artikel 1018f lid 5 slotzin Rv);
Verklaringen voor recht
4. voor recht te verklaren dat natuurlijke personen die werkzaam zijn als zelfstandigen zonder personeel en eenmanszaken met slechts één werknemer, in de in deze procedure toe te wijzen vonnissen ook hebben te gelden als Particuliere Partijen;
5. voor recht te verklaren dat:
i. Renault c.s., de Importeur en Renault-Nissan onrechtmatig hebben gehandeld jegens de
Autobezitters;
ii. Renault c.s., de Importeur en Renault-Nissan hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van de door de Autobezitters geleden en nog te lijden schade;
iii. de door Autobezitters geleden schade ten minste gelijk is aan de door de rechtbank in goede justitie vastte stellen prijsvermindering onder 6(iii), dan wel 6(v);
iv. Renault c.s., de Importeur en Renault-Nissan over de aan de Autobezitters te betalen
schadevergoeding wettelijke rente verschuldigd zijn vanaf de datum dat de desbetreffende
Autobezitters de koopprijs, leaseprijs of bijtelling hebben voldaan, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
6. voor recht te verklaren dat:
primair
i. de Getroffen Voertuigen niet de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn, althans dat de Getroffen Voertuigen andere dan gebruiksbepalende eigenschappen bezitten die niet aan de Overeenkomsten voldoen;
ii. de redelijke termijn tot herstel en/of vervanging van de gebreken in de Getroffen Voertuigen ex artikel 7:21 lid 3 BW ongebruikt is verstreken;
iii. Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B bevoegd zijn om de door hen voor de Getroffen Voertuigen betaalde bedragen uit hoofde van de Overeenkomsten op grond van gedeeltelijke ontbinding te verminderen met een nader door de rechtbank vast te stellen bedrag;
subsidiair
iv. de sub 6(i) genoemde gebreken en de omissies aan de Getroffen Voertuigen zo essentieel zijn dat weldenkende kopers bij een juiste voorstelling van zaken de Overeenkomsten niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, zouden hebben gesloten;
v. Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B bevoegd zijn om de door hen voor de Getroffen Voertuigen betaalde bedragen uit hoofde van de Overeenkomsten op grond van gedeeltelijke vernietiging te verminderen met een nader door de rechtbank vast te stellen bedrag;
primair en subsidiair
vi. de Handelaren over de prijsvermindering jegens de Particuliere Partijen A en B wettelijke rente, en jegens de Zakelijke Partijen A en B wettelijke handelsrente verschuldigd zijn vanaf de datum waarop de desbetreffende Autobezitters de koopprijs / leasepenningen hebben voldaan;
Vordering tot ongedaanmaking, terugbetaling en schadevergoeding
Jegens Renault c.s., de Importeur en Renault-Nissan
7. Renault Holding, Renault, Dacia, de Importeur en Renault-Nissan hoofdelijk te veroordelen aan de Autobezitters de schade te vergoeden die zij hebben geleden, door middel van betaling aan hen van een nader door de rechtbank vast te stellen schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Jegens de Handelaren
primair
8. de gedeeltelijke ontbinding van de Overeenkomsten tussen de Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B en de desbetreffende Handelaren uit te spreken;
subsidiair
9. de gedeeltelijke vernietiging van de Overeenkomsten tussen de Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B en de desbetreffende Handelaren uit te spreken;
primair en subsidiair
10. de respectieve Handelaren te veroordelen tot betaling aan Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B van dat deel van de koopprijs dat deze Autobezitters aan hen te veel hebben betaald voor de Getroffen Voertuigen (de prijsvermindering), in geval van Particulieren Partijen te vermeerderen met wettelijke rente en in geval van Zakelijke Partijen wettelijke handelsrente, vanaf de datum dat de desbetreffende Autobezitters de koopprijs hebben voldaan, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Collectieve schadeafwikkeling
11. te bepalen dat alle door Gedaagden aan Autobezitters verschuldigde vergoedingen aan Car Claim zullen worden betaald onder nader door de rechtbank te stellen voorwaarden van collectieve schadeafwikkeling met inachtneming van het bepaalde in artikel 1018i lid 2 Rv;
12. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan Car Claim van:
i. de volledige door Car Claim gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de
wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
ii. de volledige proceskosten van Car Claim, waaronder de kosten van haar procesfinancier, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen
eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te
vereffenen volgens de wet;
iii. de kosten die Car Claim zal maken in verband met de handelingen die Car Claim in haar
hoedanigheid van exclusieve belangenbehartiger tot aan het eindvonnis geacht zal worden uit te voeren, waaronder maar niet beperkt tot kosten ex artikel 1018f lid 3 BW;
iv. de volledige kosten van Car Claim die zij in verband met de schadeafwikkeling zal maken vanaf het in deze procedure te wijzen eindvonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en
v. de kosten die Car Claim zal maken ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen
eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te
vereffenen volgens de wet.
een en ander met dien verstande dat voor zover de rechtbank van oordeel is dat op het onderliggende feitencomplex het collectieve actierecht van toepassing is zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie, dan heeft te gelden dat de vorderingen sub 2, 3, 7, 10 en 12(iii) van dit petitum komen te vervallen.
BIJLAGE 3
Vorderingen SDEJ
Ontvankelijkheid en exclusieve belangenbehartiger
1. voor recht te verklaren dat SDEJ ontvankelijk is in deze collectieve actieprocedure;
2. te bepalen dat
primair
Car Claim zal worden aangewezen als exclusieve belangenbehartiger, voor zover zij ontvankelijk is in haar vordering tegen Gedaagden, onder de bepaling dat SDEJ bevoegd blijft om in die procedure als dan zelfstandig proceshandelingen te verrichten; en
subsidiair
voor het geval Car Claim niet-ontvankelijk is of anderszins niet als EB zal worden aangewezen, SDEJ zal worden aangewezen als exclusieve belangenbehartiger;
Opt-out
3. te bepalen dat:
i. iedere Autobezitter met woonplaats of verblijf in Nederland die behoort tot de Nauw Omschreven Groep, gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging van de uitspraak op de wijze bedoeld in art. 1018f lid 3 Rv, de griffie van de rechtbank schriftelijk kan laten weten zich van de behartiging van diens belangen in deze collectieve vordering te onttrekken (opt-out, artikel 1018f lid 1 Rv);
ii. iedere Autobezitter zonder woonplaats of verblijfplaats in Nederland die behoort tot de Nauw Omschreven Groep, gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging van de uitspraak op de wijze bedoeld in art. 1018f lid 3 Rv, de griffie van de rechtbank schriftelijk kan laten weten zich van de behartiging van diens belangen in deze collectieve vordering te onttrekken (opt-out, artikel 1018f lid 5 slotzin Rv);
Verklaringen voor recht
4. voor recht te verklaren dat natuurlijke personen die werkzaam zijn als zelfstandigen zonder personeel en eenmanszaken met slechts één werknemer, in de in deze procedure toe te wijzen vonnissen ook hebben te gelden als Particuliere Partijen;
5. voor recht te verklaren dat:
i. Renault c.s. en de Importeur onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Autobezitters;
ii. Renault c.s. en de Importeur hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van de door de Autobezitters geleden en nog te lijden schade;
iii. de door Autobezitters geleden schade ten minste gelijk is aan de door de rechtbank in goede justitie vast te stellen prijsvermindering onder 6(iii), dan wel 6(v);
iv. Renault c.s. en de Importeur over de aan de Autobezitters te betalen schadevergoeding wettelijke rente verschuldigd zijn vanaf de datum dat de desbetreffende Autobezitters de koopprijs, leaseprijs of bijtelling hebben voldaan, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
6. voor recht te verklaren dat:
primair
i. de Getroffen Voertuigen niet de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn, althans dat de Getroffen Voertuigen andere dan gebruiksbepalende eigenschappen bezitten die niet aan de Overeenkomsten voldoen;
ii. de redelijke termijn tot herstel en/of vervanging van de gebreken in de Getroffen Voertuigen ex artikel 7:21 lid 3 BW ongebruikt is verstreken;
iii. Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B bevoegd zijn om de door hen voor de Getroffen Voertuigen betaalde bedragen uit hoofde van de Overeenkomsten op grond van gedeeltelijke ontbinding te verminderen met een nader door de rechtbank vast te stellen bedrag;
subsidiair
iv. de sub 6(i) genoemde gebreken en de omissies aan de Getroffen Voertuigen zo essentieel zijn dat weldenkende kopers bij een juiste voorstelling van zaken de Overeenkomsten niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, zouden hebben gesloten;
v. Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B bevoegd zijn om de door hen voor de Getroffen Voertuigen betaalde bedragen uit hoofde van de Overeenkomsten op grond van gedeeltelijke vernietiging te verminderen met een nader door de rechtbank vast te stellen bedrag;
primair en subsidiair
vi. de Handelaren over de prijsvermindering jegens de Particuliere Partijen A en B wettelijke rente, en jegens de Zakelijke Partijen A en B wettelijke handelsrente verschuldigd zijn vanaf de datum waarop de desbetreffende Autobezitters de koopprijs / leasepenningen hebben voldaan;
Vordering tot ongedaanmaking, terugbetaling en schadevergoeding
Jegens Renault c.s. en de Importeur
7. Renault Holding, Renault, Renault-Nissan, Dacia en de Importeur hoofdelijk te veroordelen aan de Autobezitters de schade te vergoeden die zij hebben geleden, door middel van betaling aan hen van een nader door de rechtbank vast te stellen schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Jegens de Handelaren
primair
8. de gedeeltelijke ontbinding van de Overeenkomsten tussen de Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B en de desbetreffende Handelaren uit te spreken;
subsidiair
9. de gedeeltelijke vernietiging van de Overeenkomsten tussen de Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B en de desbetreffende Handelaren uit te spreken;
primair en subsidiair
10. de respectieve Handelaren te veroordelen tot betaling aan Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B van dat deel van de koopprijs dat deze Autobezitters aan hen te veel hebben betaald voor de Getroffen Voertuigen (de prijsvermindering), in geval van Particulieren Partijen te vermeerderen met wettelijke rente en in geval van Zakelijke Partijen wettelijke handelsrente, vanaf de datum dat de desbetreffende Autobezitters de koopprijs hebben voldaan, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Collectieve schadeafwikkeling
11. te bepalen dat alle door Gedaagden aan Autobezitters verschuldigde vergoedingen aan de aan te wijzen exclusieve belangenbehartiger zullen worden betaald onder nader door de rechtbank te stellen voorwaarden van collectieve schadeafwikkeling met inachtneming van het bepaalde in artikel 1018i lid 2 Rv;
12. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan SDEJ van:
i. de volledige door SDEJ gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
ii. de volledige proceskosten van SDEJ, waaronder de kosten van haar procesfinancier (de Funder), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum
van het in deze procedure te wijzen eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
iii. de kosten die SDEJ zal maken in verband met de handelingen die Car Claim of SDEJ in haar hoedanigheid van (mede) exclusieve belangenbehartiger tot aan het eindvonnis geacht zal worden uit te voeren, waaronder maar niet beperkt tot kosten ex art. 1018f lid 3 BW;
iv. de volledige kosten van SDEJ die zij in verband met de schadeafwikkeling zal maken vanaf het in deze procedure te wijzen eindvonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en
v. de kosten die SDEJ zal maken ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
een en ander met dien verstande dat voor zover de rechtbank van oordeel is dat op het onderliggende feitencomplex het collectieve actierecht van toepassing is zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie, dan heeft te gelden dat de vorderingen sub 2, 3, 5(iii) en 8 komen te vervallen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑04‑2024
De vorderingen van de Stichtingen zijn letterlijk weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlagen I tot en met III.
Dit betreft vordering 2 zoals vermeld onder het kopje “Voor zover het actierecht van vóór 1 januari 2020 van toepassing is”.
Zie HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756, Baas in Eigen Huis / Plazacasa.
Vergelijk HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, WorldOnline, r.o. 4.8.
Dit betreft de vorderingen die zijn vermeld onder het kopje “Voor zover het actierecht van vóór 1 januari 2020 van toepassing is”.
Kamerstukken II 2011-2012, 33 126, nr. 3 (MvT), p.12-13.
Hof Amsterdam, 5 maart 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:451.
Rechtbank Amsterdam, 14 juli 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3617.
Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (“Rome II”) (PbEU 2007, L 199/40; hierna: Verordening Rome II).
Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1054, rov 3.7.
HvJ EU 9 juli 2020, C-343/19, ECLI:EU:C:2020:534 (Verein für Konsumenteninformation/ Volkswagen AG).
type:coll:
Uitspraak 01‑02‑2023
Inhoudsindicatie
'Sjoemeldieselzaak'. WAMCA niet van toepassing. Representativiteit onder het oude collectieve actierecht.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummers / rolnummers: C/13/702519 / HA ZA 21-500, C/13/710414 / HA ZA 21-1028 en C/13/710434 / HA ZA 21-1030
Vonnis van 1 februari 2023
in de zaak van
de stichting STICHTING EMISSION CLAIM,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. C. Jeloschek,
e i s e r e s,
t e g e n :
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht RENAULT S.A.,
gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius,
2. de naamloze vennootschap RENAULT NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Schiphol-Rijk,
advocaat mr. Y. Borrius,
g e d a a g d e n 1 en 2,
[tegen gedaagde 3 is ontslag van instantie verleend]
en
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. P. Haas,
e i s e r e s op de voet van artikel 1018d Rv,
alsmede
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. J.D. Edixhoven,
e i s e r e s op de voet van artikel 1018d Rv,
tegen de hiervoor onder 1 en 2 genoemde gedaagden en tegen
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT S.A.S.,
kantoorhoudende te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius te Amsterdam,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AUTOMOBILE DACIA S.A.,
kantoorhoudende te Mioveni (Roemenië),
advocaat mr. Y. Borrius te Amsterdam,
g e d a a g d e n 4 en 5,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RENAULT-NISSAN B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verstek verleend,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF “DE MARKIES B.V.”,
gevestigd te Bergen op Zoom,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF BRAAL B.V.,
gevestigd te Schouwen-Duiveland,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
QUICKSERVICE KIEVIT HELLEVOETSLUIS B.V.,
gevestigd te Hellevoetsluis,
10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZEEUW & ZEEUW I B.V.,
gevestigd te Wateringen,
11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL DORZO RENAULT DACIA NISSAN B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL RENAULT DACIA B.V.,
gevestigd te Tiel,
13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL RENAULT DACIA 2 B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF HOPMANS B.V.,
gevestigd te Zevenbergen,
15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF WISSE B.V.,
gevestigd te Terneuzen,
16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF ROOCAR B.V.,
gevestigd te Krimpen aan den IJssel,
17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STERN 2R B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF JOHAN DE JONG B.V.,
gevestigd te Kaatsheuvel,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN AAKEN MIDDELBEERS B.V.,
gevestigd te Oost-,West-Middelbeers,
20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJVEN VERDONK B.V.,
gevestigd te Veldhoven,
21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES VENLO B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf J. Janssen Venlo B.V.),
gevestigd te Venlo,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES KERKRADE B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf Kerres Kerkrade B.V.),
gevestigd te Kerkrade,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES SITTARD B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf Kerres Sittard B.V.),
gevestigd te Sittard,
24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES HEERLEN B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf Kerres Heerlen B.V.),
gevestigd te Heerlen,
25. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES MAASTRICHT B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf Kerres Maastricht B.V.),
gevestigd te Maastricht,
26. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JANSSEN KERRES HELMOND B.V.,
(voorheen genaamd Autobedrijf J. Janssen Helmond B.V.),
gevestigd te Helmond,
27. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF J. JANSSEN B.V.,
gevestigd te Nuenen,
28. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VOGELS AUTOBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Gemert,
29. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO VAN DIJCK B.V.,
gevestigd te Hapert,
failliet verklaard,
30. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF VAN GOMPEL B.V.,
gevestigd te Reusel,
31. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF COPPES B.V.,
gevestigd te Bergharen,
32. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOCHANE AUTO I B.V.,
gevestigd te Veenendaal,
33. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HEURKENS ECHT B.V.,
gevestigd te Echt,
34. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HEURKENS WEERT B.V.,
gevestigd te Weert,
35. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HEURKENS ROERMOND B.V.,
gevestigd te Roermond,
36. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF MANDERS DEURNE B.V.,
gevestigd te Deurne,
37. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF H. STRIJBOSCH VENRAY B.V.,
gevestigd te Venray,
38. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HERCOM DOETINCHEM B.V.,
gevestigd te Doetinchem,
39. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HERCOM NEEDE B.V.,
gevestigd te Neede,
40. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO HERWERS ZEVENAAR B.V.,
gevestigd te Zevenaar,
41. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF JOS HERWERS HENGELO (G) B.V.,
gevestigd te Hengelo (Gelderland),
42. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GARAGE KLEINE & ZONEN B.V.,
gevestigd te Doesburg,
43. de vennootschap onder firma
V.O.F. GARAGE LEIJENAAR,
kantoorhoudende te Bathmen, gemeente Deventer,
[gedaagden 44 t/m 47 zijn opgegaan in gedaagde 50]
48. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO MUNSTERHUIS B.V.,
gevestigd te Hengelo (Overijssel),
49. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOCENTRUM CENTS B.V.,
gevestigd te Ommen,
50. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TERWOLDE B.V.,
rechtsopvolgster van gedaagden 44 t/m 47,
gevestigd te Groningen,
51. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF J. HOITING DALEN B.V.,
gevestigd te Dalen,
52. de vennootschap onder firma
V.O.F. AUTOBEDRIJF VOS,
kantoorhoudende te Smilde, gemeente Midden-Drenthe,
53. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF MATTER MEPPEL B.V.,
gevestigd te Meppel,
54. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF MATTER STEENWIJK B.V.,
gevestigd te Steenwijk,
55. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF H.J.G. HERBERS B.V.,
gevestigd te Vlagtwedde,
56. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF SCHOON B.V.,
gevestigd te Stadskanaal,
57. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF VAN KESTEREN B.V.,
gevestigd te IJsselmuiden,
58. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ABD GROEP B.V.,
gevestigd te Drachten,
59. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO BEERDA B.V.,
gevestigd te Kollumerland en Nieuwkruisland,
60. de vennootschap onder firma
V.O.F. GARAGE DROS,
kantoorhoudende te De Cocksdorp, gemeente Texel,
61. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STOKMAN ALKMAAR B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
62. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STOKMAN DEN HELDER B.V.,
gevestigd te Den Helder,
63. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STOKMAN HOORN B.V.,
gevestigd te Hoorn (Noord-Holland),
64. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOZENTER SCHAGEN B.V.,
gevestigd te Schagen,
65. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FRANS STOKMAN B.V.,
gevestigd te Heerhugowaard,
66. de vennootschap onder firma
GARAGE JOHAN BOERLAGE AUTOCENTRUM BOERLAGE ACB,
kantoorhoudende te Edam, gemeente Edam-Volendam,
67. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIJT’S AUTOBEDRIJF BEHEER B.V.,
gevestigd te Beemster,
68. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO DROGTROP B.V.,
gevestigd te Beverwijk,
69. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF NIEUWENDIJK BADHOEVEDORP B.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
70. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF NIEUWENDIJK HOOFDDORP B.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
71. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF BENELUX AMSTELVEEN B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
72. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BEHEERMAATSCHAPPIJ C.A. NIEUWENDIJK B.V.,
gevestigd te Aalsmeer,
73. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF VROEGOP B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
74. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF NIEUWENDIJK B.V.,
gevestigd te Aalsmeer,
75. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STAM AUTOBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Amersfoort,
76. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO BERNAULT B.V.,
gevestigd te Mijdrecht,
77. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF HANS JONGERIUS B.V.,
gevestigd te Woerden,
78. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF VAN RAMSHORST B.V.,
gevestigd te Nijkerk,
79. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KEMPENAAR ALPHEN AAN DEN RIJN B.V.,
gevestigd te Alphen aan den Rijn,
80. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KEMPENAAR BODEGRAVEN B.V.,
gevestigd te Bodegraven,
81. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOMOBIELBEDRIJF VELSERBEEK B.V.,
gevestigd te Velsen,
82. ALBERTUS CHRISTOFFEL DE ROO, handelend onder de naam AUTOBEDRIJF VAN WINDEN, zaak doende te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,
advocaat mr. R.J. van der Weijden,
g e d a a g d e n 7 t/m 28 en 30 t/m 82.
Eiseressen zullen hierna afzonderlijk SEC, SCC en SDEJ worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij de Stichtingen worden genoemd. Renault S.A., Renault Nederland N.V., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. zullen hierna gezamenlijk Renault c.s. worden genoemd. Gedaagden 7 t/m 28 en 30 t/m 82 zullen hierna gezamenlijk de Autodealers worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van SEC van 26 mei 2021, met producties,
- -
de rolbeslissing van 28 juli 2021 en de daarin vermelde stukken,
- -
de dagvaarding van SCC van 26 november 2021, met producties,
- -
de dagvaarding van SDEJ van 26 november 2021, met producties,
- -
de rolbeslissing van 15 december 2021 en de daarin vermelde stukken,
- -
de rolbeslissing van 12 januari 2022 en de daarin vermelde stukken,
- -
de rolbeslissing van 23 maart 2022 en de daarin vermelde processtukken,
- -
de akte uitlating gedaagden 4 t/m 82 van SEC,
- -
het tussenvonnis van 22 juni 2022, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- -
de antwoordakte fase 1 van Renault c.s., met producties,
- -
de antwoordakte fase 1 van Autozenter Schagen B.V.,
- -
de antwoordakte fase 1 ten aanzien van rechtsmacht, toepasselijkheid WAMCA en representativiteit van de Autodealers,
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 december 2022 en de daarin vermelde (proces)stukken.
1.2.
De procedure tegen gedaagde 29 is van rechtswege geschorst omdat zij failliet is verklaard.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Inleiding
SCC
2.1.
SCC is opgericht op 1 oktober 2015 en heeft haar statuten op 3 juli 2020 gewijzigd. Artikel 2 lid 1 van haar statuten luidt:
De stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van de Autobezitters, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
a. het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (i) het ontwikkelen en het installeren van verboden soft- en/of hardware in de Gemanipuleerde Voertuigen en (ii) het verkopen en/of leveren van de Gemanipuleerde Voertuigen aan de Autobezitters;
b. het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (de gevolgen van) de toepassing van een of meer Updates op de Gemanipuleerde Voertuigen;
c. het vaststellen en het onderzoeken van (i) alle (financiële) gevolgen van het bovenstaande voor de Autobezitters, (ii) de mogelijkheid voor de Autobezitters om Vorderingen jegens (een of meer) Autofabrikanten geldend te (doen) maken, waaronder begrepen, maar niet beperkt tot het ontbinden van de door hen gesloten koopovereenkomsten van Gemanipuleerde Voertuigen met Lokale Handelaren tegen (volledige) terugbetaling van de koopprijs, (iii) de mogelijkheid voor de Autobezitters tot (algehele) vergoeding van de door hen geleden en nog te lijden schade te verkrijgen van de verantwoordelijke partijen, (iv) de mogelijkheid voor de Autobezitters om alle noodzakelijke vrijwaringen en/of garanties te (doen) verkrijgen ten aanzien van alle mogelijke negatieve gevolgen van de manipulatie van de Gemanipuleerde Voertuigen – zowel voor als na één of meer Updates – voor Gemanipuleerde Voertuigen, ten einde het ongestoord gebruik van de Gemanipuleerde Voertuigen te continueren en (v) alternatieve mogelijkheden tot oplossing van de uitstootproblemen van Gemanipuleerde Voertuigen;
d. het verkrijgen van een (aansprakelijkheids)verklaring voor recht van iedere bevoegde rechtbank dat (een of meer) Autofabrikanten, Bosch, hun (voormalige) besturen, hun (voormalige) raden van commissarissen, (een of meer) Importeurs, (een of meer) Lokale Handelaren en/of andere verwijtbare partijen toepasselijke wet- en regelgeving waaronder begrepen maar niet beperkt tot schending van wet- en regelgeving op het gebied van milieu(normen), oneerlijke handelspraktijken, misleidende reclame en/of het (consumenten)kooprecht en enige daaruit voor hen voortvloeiende plichten jegens de Autobezitters hebben geschonden;
e. het instellen van ge- of verbodsacties in rechte en/of het leggen van beslagen;
f. het verkrijgen van compensatie voor de (financiële) gevolgen voor de Autobezitters; en
g. al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.
In de dagvaarding van SCC staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) BEGRIPPENLIJST
Autobezitters De Particuliere Partijen en Zakelijke Partijen (…)
Getroffen Voertuigen Euro 5 en Euro 6 dieselvoertuigen van de categorie M1, M2, N1 en/of N2 in de zin van artikel 2 van de Emissieverordening, die onder de merken Renault en Dacia vanaf 1 september 2009 tot 1 september 2019 op de markt zijn gebracht, waaronder in ieder gevallen de modellen gespecificeerd in Productie 1. (…)
IV. DE BENADEELDEN VOOR WIE DE STICHTING IN DEZE PROCEDURE
OPKOMT (…)
Car Claim voert deze procedure namens de Autobezitters. (…)
De groep Autobezitters is territoriaal beperkt tot Autobezitters die op het moment dat de
desbetreffende Overeenkomst(en) werd(en) aangegaan hun gewone verblijfplaats in
Nederland hadden. Dit neemt niet weg dat sommige Autobezitters over de jaren mogelijk
uit Nederland zijn geëmigreerd. Voor die (slechts beperkte) groep Autobezitters verzoekt
Car Claim de rechtbank met het oog op artikel 1018f lid 5 laatste volzin Rv te bepalen dat
deze procedure ook voor hen leidt tot gebondenheid op basis van ‘opt-out’ (in
overeenstemming met artikel 1018f lid 1 Rv). (…)
Iedere Autobezitter heeft een vordering jegens Gedaagden als gevolg van de koop
of lease van een Getroffen Voertuig. (…)
Particuliere Partijen bestaan uit natuurlijke personen, niet handelend in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, die:
(i) een nieuw Getroffen Voertuig bij een Handelaar hebben gekocht of via een
Handelaar door middel van een leaseconstructie hebben gekregen (Particuliere
Partijen A);
(ii) een tweedehands Getroffen Voertuig bij een Handelaar hebben gekocht of via
en Handelaar door middel van een leaseconstructie hebben gekregen (Particuliere
Partijen B); en
(iii) een nieuw of tweedehands Getroffen Voertuig hebben gekocht van of door
middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen via een andere partij
dan een Handelaar, bijvoorbeeld in een particuliere transactie, bij een occasion
dealer of een andere leasemaatschappij (Particuliere Partijen C). (…)
Zakelijke Partijen betreffen niet-Particuliere Partijen, die:
(i) een nieuw Getroffen Voertuig van een Handelaar hebben gekocht of via een
Handelaar door middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen
(Zakelijke Partijen A);
(ii) een tweedehands Getroffen Voertuig van een Handelaar hebben gekocht of via
een Handelaar door middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen
(Zakelijke Partijen B); en
(iii) een nieuw of tweedehands Getroffen Voertuig hebben gekocht van, of door
middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen via een andere partij
dan een Handelaar, bijvoorbeeld in een particuliere transactie, bij een occasion
dealer of een andere leasemaatschappij (Zakelijke Partijen C). (…) ”.
SDEJ
2.2.
SDEJ is opgericht op 1 juli 2019. Artikel 2 lid 1 van haar statuten luidt:
De stichting heeft ten doel het behartigen en voortzetten van de belangen van de Gedupeerden (…), waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
a. het wereldwijd behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met de Claim;
b. het behartigen van de belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
c. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden (…) stellen te hebben geleden;
d. het behartigen van de collectieve belangen van Gedupeerden in milieuzaken, in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
e. al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord;
een en ander voor zover dit door het bestuur opportuun wordt geacht.
In de dagvaarding van SDEJ staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) De benadeelden voor wiens belangen de Stichting opkomt (…)
De Stichting sluit zich aan bij de afbakening van de Nauw Omschreven Groep zoals opgenomen in onderdeel IV van de Car Claim Dagvaarding. Zij verzoekt de Rechtbank het gestelde in dat onderdeel hier als herhaald en ingelast te beschouwen. Het gaat dan om Autobezitters die op het moment dat de Overeenkomst(en) werd(en) aangegaan hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Voor zover bepaalde Autobezitters inmiddels uit Nederland zijn geëmigreerd verzoekt de Stichting de Rechtbank te bepalen dat de procedure voor hen leidt tot gebondenheid op basis van opt-out (art. 1018f lid 1 Rv). De Stichting hanteert daarbij net als Car Claim een onderscheid in Particuliere Partijen (subcategorieën A, B en C) en Zakelijke Partijen (subcategorieën A, B en C). (…)”.
SEC
2.3.
SEC is opgericht op 11 december 2020. Artikel 2.1 van haar statuten luidt:
De stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van de Gedupeerden die één of meer Gemanipuleerde Voertuigen hebben aangeschaft of geleased, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
a. het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (i) het ontwikkelen en het installeren van een of meer Manipulatie-instrumenten in Gemanipuleerde Voertuigen en (ii) het verkopen en/of leveren van Gemanipuleerde Voertuigen aan de Gedupeerden;
b. het behartigen van de belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
c. het wereldwijd behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met de Claims;
d. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden;
e. het behartigen van de collectieve belangen van Gedupeerden in milieuzaken, in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
f. al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord;
een en ander voor zover dit door het bestuur opportuun wordt geacht.
In de akte houdende eiswijziging van SEC staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) In deze procedure vertegenwoordigt de Stichting de belangen van alle (eerste en opvolgende) kopers en alle lessees van Sjoemeldiesels die in de periode tussen 1 september 2009 en 1 september 2019 (de “Relevante Periode”) in Nederland zijn geïmporteerd, in Nederland (bij de RDW) zijn geregistreerd en/of in Nederland zijn verkocht of geleaset, steeds met uitzondering van Gedaagden. Deze groep bestaat zowel uit consumenten, als ook uit professionele partijen (zoals verhuurbedrijven, leasemaatschappijen, ondernemingen met een eigen wagenpark of taxiondernemingen), gezamenlijk aangeduid als “de Gedupeerden (…)”.
Renault c.s.
2.4.
Renault S.A. is de moedermaatschappij van onder meer de autofabrikanten Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. Renault Nederland N.V. is de in Nederland gevestigde importeur van Renault- en Daciavoertuigen die bestemd zijn voor de Nederlandse markt.
De Autodealers
2.5.
De Autodealers zijn een groep van in Nederland gevestigde autodealers en leasemaatschappijen die onder meer Renault- en Daciavoertuigen verkopen en in lease aanbieden.
3. Het geschil
3.1.
De Stichtingen hebben hoofdzakelijk vorderingen ingesteld als bedoeld in artikel 3:305a (nieuw) Burgerlijk Wetboek (BW).
3.2.
SEC heeft, na eiswijziging, vorderingen ingesteld tegen Renault S.A. en Renault Nederland N.V. SCC en SDEJ hebben vorderingen ingesteld tegen Renault c.s. en de Autodealers. Deze vorderingen zijn woordelijk weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage. SEC, SCC en SDEJ vorderen verklaringen voor recht en schadevergoeding. SCC en SDEJ vorderen ontbinding en vernietiging van de koop- en leaseovereenkomsten die zijn gesloten tussen de benadeelden en de Autodealers. Zeer kort samengevat leggen de Stichtingen aan hun vorderingen ten grondslag dat hun achterban schade heeft geleden doordat Renault c.s. Renault- en Daciavoertuigen met een illegaal manipulatie-instrument op de Nederlandse markt heeft gebracht. Dit is onrechtmatig. De benadeelden waarvoor zij opkomen hebben daarom recht op schadevergoeding. Ook levert dit een grond op voor aantasting van de koop- en leaseovereenkomsten tussen de benadeelden en de Autodealers.
3.3.
De rechtbank heeft bij rolbeslissing van 23 maart 2022 een procesorde vastgesteld. Daarin is bepaald dat deze eerste fase van de procedure gaat over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, over het toepasselijke collectieve actierecht en over het representativiteitsvereiste.
3.4.
De Stichtingen hebben zich ieder hierover uitgelaten. Zij concluderen dat de rechtbank (internationaal en relatief) bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichtingen, dat artikel 3:305a (nieuw) BW van toepassing is op deze procedure en dat zij voldoende representatief zijn.
3.5.
Gedaagden hebben in deze eerste fase nog geen inhoudelijk verweer tegen de vorderingen van de Stichtingen gevoerd. Zij hebben zich (volgens de vastgestelde procesorde) uitgelaten over de hiervoor genoemde onderwerpen. Gedaagden stellen zich op het standpunt dat artikel 3:305a (oud) BW van toepassing is op deze procedure en zij concluderen samengevat dat de Stichtingen niet-ontvankelijk zijn in hun collectieve vorderingen, omdat zowel onder het oude als het nieuwe collectieve actierecht niet wordt voldaan aan het representativiteitsvereiste.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Rechtsmacht en relatieve bevoegdheid
4.1.
Renault S.A., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. zijn in het buitenland gevestigd. Zij zijn in deze procedure verschenen zonder de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te betwisten, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het geschil (art. 11 Rv in samenhang met art. 26 Brussel I bis-Verordening). Deze rechtbank is ook relatief bevoegd, omdat gedaagden zich niet hebben beroepen op de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank (art. 110 lid 1 Rv).
Toepasselijkheid oude en/of nieuwe collectieve actierecht
4.2.
De vraag of de stichtingen ontvankelijk zijn jegens Renault c.s. en de Autodealers moet worden beantwoord naar Nederlands recht (art. 10:3 BW). Dit geldt ongeacht het recht dat van toepassing is op de vorderingen van de Stichtingen tegen Renault S.A., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Wel in geschil is welk collectief actierecht van toepassing is op de vorderingen van de Stichtingen jegens gedaagden.
4.3.
De rechtbank stelt het volgende voorop. De wettelijke regeling voor collectieve acties inzake massaschade was tot 1 januari 2020 geregeld in de Wet collectieve afwikkeling massaschade (hierna te noemen: WCAM), neergelegd in de artikelen 3:305a tot en met 3:305d (oud) BW. Met ingang van 1 januari 2020 is de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna te noemen: WAMCA) in werking getreden. Hiermee zijn de artikelen 3:305a tot en met 3:305d BW gewijzigd en is titel 14A aan Boek III van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) toegevoegd.
4.4.
De WAMCA geeft een nieuw regime voor de behandeling van collectieve acties die zijn ingesteld op of na 1 januari 2020. Op basis van het bijbehorende overgangsrecht (resultaat van het amendement Van Gent c.s.) zijn de bepalingen van de WAMCA (alleen) van toepassing op rechtsvorderingen die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die op of na 15 november 2016 heeft of hebben plaatsgevonden (art. 119a lid 2 Overgangswet nieuw BW en art. III onderdeel 2 van de WAMCA).
4.5.
De toelichting bij het amendement Van Gent c.s. luidt:
“Dit amendement verbetert het overgangsrecht.
Het oorspronkelijke wetsvoorstel, zoals de regering dat op 15 november 2016 naar de Kamer heeft gestuurd, bevatte geen overgangsrecht (…). Hierop is veel kritiek gekomen. De regering heeft er daarom voor gekozen op 11 januari 2018 per nota van wijziging een beperkte vorm van overgangsrecht in te voegen (…). De indieners vinden deze wijziging een stap in de goede richting, maar zijn van mening dat het overgangsrecht verder kan worden verbeterd.
Op grond van het huidige wetsvoorstel (…) kunnen tot in lengte van dagen vorderingen worden ingediend met gebruikmaking van het nieuwe recht naar aanleiding van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, voor zover geen sprake is van verjaring. Dat levert een onterechte verruiming op van de bevoegdheden voor eisende partijen, terwijl de verwerende partij onmogelijk met gebruikmaking van dit instrument door de eiser rekening had kunnen houden. Deze vorm van overgangsrecht staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel. Bedrijven, organisaties of andere partijen hebben immers geen mogelijkheid gehad om zich voor te bereiden op de komst van de nieuwe wet als deze ook van toepassing is op oude gebeurtenissen. Bovendien ontstaat de theoretische mogelijkheid (…) dat verschillende rechtsvorderingen op grond van verschillende regimes door elkaar gaan lopen als er reeds een procedure op grond van het oude recht aanhangig is. Zolang onduidelijk is welk recht op welke situatie van toepassing is, zal dit extra juridische procedures in de hand werken. Om deze redenen roept het overgangsrecht, zoals voorgesteld door de regering, meer problemen op dan dat het duidelijkheid creëert.
Daarom regelt dit amendement dat een rechtsvordering op grond van het nieuwe recht slechts mogelijk is als de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Dat is de datum dat het wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd en de partijen dus in theorie kunnen weten dat de nieuwe wet eraan komt. Als iemand een massaschadeprocedure wil beginnen wegens een gebeurtenis die vóór 15 november 2016 heeft plaatsgevonden, kan dat op basis van de wet zoals die toen gold. Bij een procedure wegens een gebeurtenis die op of ná die datum heeft plaatsgevonden geldt de wet zoals die na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel zal komen te gelden. In het theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 plaatsvinden, is het recht van toepassing zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden.
De voordelen van deze vorm van overgangsrecht, ten opzichte van het overgangsrecht zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, is dat het rechtszekerheidsbeginsel beter wordt gewaarborgd. Bovendien wordt de mogelijkheid van dubbele procedures op grond van verschillende juridische regimes kleiner. Tot slot sluit deze vorm van overgangsrecht beter aan bij de wetgeving van ons omringende landen, zoals Engeland en België.”
4.6.
In deze zaak dateren de dagvaardingen van de Stichtingen van na 1 januari 2020, dus van na de inwerkingtreding van de WAMCA. Partijen verschillen van mening over de vraag of de vorderingen van de Stichtingen betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor of (op en) na 15 november 2016.
4.7.
De Stichtingen stellen dat de WAMCA van toepassing is. Daaraan leggen zij – samengevat – het volgende ten grondslag. Er moet, anders dan deze rechtbank in eerdere procedures heeft geoordeeld, niet gekeken worden naar de ontwikkeling van het manipulatie-instrument als relevante schadeveroorzakende gebeurtenis. De relevante schadeveroorzakende gebeurtenis is het op de Nederlandse markt brengen van voertuigen met een vals certificaat van overeenstemming en het leveren van deze voertuigen aan de Autobezitters.
Voor zover de rechtbank meerdere gebeurtenissen relevant acht voor het ontstaan van de schade, is er sprake van een reeks van gebeurtenissen die zowel voor als na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. De WAMCA is ook van toepassing op deze reeks. Voor de vorderingen tegen de autofabrikanten zijn de relevante gebeurtenissen i) het produceren van “Getroffen Voertuigen” uitgerust met verboden manipulatie-instrumenten, ii) het voorzien van deze voertuigen van een onjuist certificaat van overeenstemming en iii) het via de Importeur en de Autodealers op de Nederlandse markt brengen van de voertuigen. Voor de vorderingen tegen de Autodealers betreft dit het verkopen en in lease geven van “Getroffen Voertuigen”. De laatste gebeurtenissen van deze reeks hebben zich voorgedaan na 15 november 2016 en trekken de eerdere gebeurtenissen, van voor 15 november 2016, mee voor de toepasselijkheid van de WAMCA.
Indien de rechtbank de ontwikkeling en installatie van verboden manipulatie-instrumenten voor de vaststelling van het toepasselijke collectieve actierecht toch relevant acht, dan wijzen de Stichtingen erop dat in de “Getroffen Voertuigen” op verschillende momenten na 15 november 2016 door updates nieuwe software is geïnstalleerd die verboden is en die tot aanvullende schade leidt. Dit zijn zelfstandige schadeveroorzakende gebeurtenissen die na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden en ook leiden tot toepasselijkheid van de WAMCA, aldus de Stichtingen.
4.8.
Gedaagden weerspreken het voorgaande. Volgens hen is de schadeveroorzakende gebeurtenis de ontwikkeling van het gestelde verboden manipulatie-instrument, dat heeft plaatsgevonden voor 15 november 2016. Zij concluderen daarom dat artikel 3:305a (oud) BW van toepassing is.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat artikel 3:305a (oud) BW van toepassing is en niet de WAMCA. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Het doel en de strekking van het overgangsrecht is dat in één kwestie over de hele linie dezelfde regels van het burgerlijk recht gelden. Uit de toelichting bij het amendement Van Gent c.s. blijkt dat het overgangsrecht aanknoopt bij de schadeveroorzakende gebeurtenis of gebeurtenissen, ook al spreekt de wettekst zelf alleen van gebeurtenis of gebeurtenissen. Daarover zijn partijen het ook eens. Het moment van de schadeveroorzakende gebeurtenis of gebeurtenissen bepaalt welk collectief actierecht van toepassing is. In geschil is wat de schadeveroorzakende gebeurtenis of gebeurtenissen zijn in dit geval. Anders dan de Stichtingen hebben betoogd, is geen sprake van een reeks van schadeveroorzakende gebeurtenissen in de zin van het overgangsrecht. De Stichtingen leggen meerdere handelingen aan het gestelde onrechtmatig handelen van Renault c.s. ten grondslag, zoals het produceren van voertuigen met een verboden manipulatie-instrument, het voorzien van de voertuigen van een onjuist certificaat van overeenstemming, het via de importeur en de Autodealers op de markt brengen van deze voertuigen en het vervolgens verkopen en in lease geven van deze voertuigen. Het zwaartepunt van deze handelingen ligt steeds bij de ontwikkeling van de gestelde verboden software. Zonder het beweerdelijke illegale manipulatie-instrument zouden de overige handelingen en gebeurtenissen immers niet onrechtmatig zijn en zouden de benadeelden geen schade hebben geleden.
Ook zou er zonder de aanwezigheid van het beweerdelijke illegale manipulatie-instrument geen grondslag bestaan voor de vorderingen jegens de Autodealers. Aan deze vorderingen hebben de stichtingen immers hoofdzakelijk ten grondslag gelegd dat de geïmporteerde, verkochte en geleasede voertuigen een illegaal manipulatie-instrument bevatten, waardoor schade is veroorzaakt. Er is dus sprake van één initiële, gemeenschappelijke en alles overkoepelende schadeveroorzakende gebeurtenis, te weten de ontwikkeling van dat illegale manipulatie-instrument.
4.10.
De schadeveroorzakende gebeurtenis is dus niet het op de Nederlandse markt brengen van voertuigen met een vals certificaat van overeenstemming en het verkopen of leasen van deze voertuigen aan de benadeelden, zoals de Stichtingen hebben gesteld. Weliswaar hebben deze gebeurtenissen ervoor gezorgd dat de schadelijke gevolgen zijn ingetreden, maar zonder de aanwezigheid van het beweerdelijk illegale manipulatie-instrument zou er door deze gebeurtenissen geen schade zijn ontstaan. In de toelichting bij het amendement Van Gent c.s. is ook geen aanknopingspunt te vinden dat het intreden van de schadelijke gevolgen van een gebeurtenis of gebeurtenissen beslissend moet zijn voor de vraag welk collectief actierecht van toepassing is.
Hetzelfde geldt voor de gestelde onrechtmatige updates van de software die zouden hebben plaatsgevonden na 15 november 2016 en die tot aanvullende schade zouden hebben geleid. Deze updates zijn onlosmakelijk verbonden met de ontwikkeling van het gestelde illegale manipulatie-instrument. Bovendien zou het aanmerken van updates als zelfstandig schadeveroorzakende gebeurtenis tot gevolg hebben dat een deel van de rechtsvorderingen onder de WAMCA moet worden beoordeeld, en een deel onder het oude recht. Dat is juist wat het overgangsrecht probeert te voorkomen.
4.11.
De ontwikkeling van het beweerdelijke illegale manipulatie-instrument heeft voor 15 november 2016 plaatsgevonden. De slotsom is dus dat artikel 3:305a (oud) BW van toepassing is op deze collectieve actie.
Representativiteit volgens artikel 3:305a (oud) BW
4.12.
De rechtbank stelt het volgende voorop in het kader van de representativiteit.
4.13.
Artikel 3:305a (oud) BW bepaalt dat een stichting of vereniging (hierna: belangenorganisatie) een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. Artikel 3:305a lid 2 (oud) BW bepaalt onder meer dat een belangenorganisatie niet ontvankelijk is, indien met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn. Dit zogenoemde waarborgvereiste heeft als doel om belangenorganisaties met onzuivere motieven te weren. Of de belangen waarop de collectieve actie ziet voldoende zijn gewaarborgd moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat bij de beoordeling of met de collectieve actie de belangen van de betrokken personen al dan niet voldoende zijn gewaarborgd, de rechter dient te onderzoeken i) in hoeverre de betrokkenen uiteindelijk baat hebben bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen en ii) in hoeverre erop vertrouwd mag worden dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren. In de wetsgeschiedenis worden een aantal factoren genoemd die bij de beantwoording van deze vragen in algemene zin een rol kunnen spelen. De omvang van de groep benadeelden die zijn aangesloten bij de belangenorganisatie en in hoeverre zij de collectieve actie ondersteunen zijn zulke factoren.
4.14.
Artikel 3:305a (oud) BW stelde, anders dan de huidige bepaling (art. 3:305a lid 2 (nieuw BW), voor ontvankelijkheid in een collectieve actie niet de eis dat de belangenorganisatie voldoende representatief is. Wel kunnen de factoren die een rol spelen bij de beoordeling van de representativiteit van een belangenorganisatie worden meegewogen bij de beoordeling of is voldaan aan het waarborgvereiste. De wetsgeschiedenis benadrukt dat het aantal benadeelden dat is aangesloten bij een belangenorganisatie geen formeel vereiste is. Het vormt een belangrijke aanwijzing dat is voldaan aan het waarborgvereiste, maar moet niet altijd doorslaggevend zijn.
Verder geldt dat als de groep personen ten behoeve van wie de vordering is ingesteld van zodanige omvang is dat het procederen op naam eenvoudig te realiseren is, het instellen van een collectieve actie niet efficiënt en effectief is.
4.15.
Gelet op het hiervoor onder 4.13 en 4.14 weergegeven toetsingskader zal de rechtbank de representativiteit van SEC, SCC en SDEJ beoordelen als onderdeel van het waarborgvereiste. Deze toets moet op grond van de situatie zoals die nu is (ex nunc) plaatsvinden en niet, zoals Renault c.s. heeft betoogd, op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding (ex tunc).
4.16.
Gedaagden hebben zich op het standpunt gesteld dat de Stichtingen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, omdat zij niet voldoende representatief zijn in de zin van artikel 3:305a (oud) BW. Gedaagden hebben aangevoerd dat de Stichtingen niets hebben gesteld over de omvang van hun achterban en voor zover ze dat op zitting hebben gedaan, dat niet is onderbouwd met stukken.
4.17.
Verder hebben de Autodealers aangevoerd dat SCC en SDEJ niets hebben gesteld over de samenstelling van hun achterban, in het bijzonder hoeveel van hun deelnemers een “Getroffen Voertuig” via een Autodealer hebben gekocht of geleaset. Zonder die cijfers kan volgens de Autodealers niet worden vastgesteld of SCC en SDEJ voor wat betreft de vorderingen tegen de Autodealers representatief zijn, in die zin dat zij voor die vorderingen steun hebben van een relevant gedeelte van hun achterban. Het lijkt alsof SCC en SDEJ hun deelnemers niet hebben gevraagd of zij hun voertuig bij een Autodealer hebben gekocht (en zo ja, bij welke). Evenmin informeren zij hun potentiële deelnemers over het feit dat ook vorderingen tegen de Autodealers worden ingesteld en wat die vorderingen inhouden. Uit de aanmelding als deelnemer bij SCC of SDEJ kan daarom niet automatisch steun voor de vorderingen tegen de Autodealers worden afgeleid. Om die reden kan niet worden gezegd dat de belangen van de gedupeerden bij SCC en SDEJ voldoende zijn gewaarborgd, althans voor zover het de vorderingen tegen de Autodealers betreft, aldus de Autodealers.
4.18.
Het standpunt van gedaagden wordt niet gevolgd. Met inachtneming van het toetsingskader zoals weergegeven onder 4.13 en 4.14, is de rechtbank van oordeel dat de Stichtingen voldoende representatief zijn in het kader van het waarborgvereiste. SEC heeft toegelicht dat in Nederland circa 225.000 “Getroffen Voertuigen” zijn geregistreerd in de relevante periode. Op de zitting is door SCC en SDEJ aangevoerd dat er circa 200.000 Renault- en Daciavoertuigen zijn verkocht in de relevante periode. De bezitters van deze voertuigen vormen dus de achterban waarvoor de Stichtingen stellen op te komen. Met deze aantallen hebben de Stichtingen voldoende onderbouwd dat de groep van personen ten behoeve van wie zij de vorderingen hebben ingesteld van zodanige omvang is dat het procederen op naam niet eenvoudig te realiseren is en het instellen van een collectieve actie efficiënt en effectief is.
Op de zitting hebben SEC, SCC en SDEJ bovendien toegelicht dat bij hen op dit moment respectievelijk 5.934, 6.578 en 6.252 personen geregistreerd zijn als benadeelden. De rechtbank ziet, ondanks hetgeen gedaagden hebben aangevoerd over het gebrek aan onderbouwing, geen aanleiding om deze aantallen in twijfel te trekken. Daarmee hebben de Stichtingen voldoende onderbouwd dat er ook een concrete achterban is die belang heeft bij een collectieve actie en die deze collectieve actie ook daadwerkelijk steunt. Daarvoor is registratie bij de Stichtingen voldoende.
SCC en SDEJ hebben verder op de zitting toegelicht dat het voor de deelnemers voldoende duidelijk is, althans moet zijn, dat SCC en SDEJ ook vorderingen hebben ingesteld tegen de Autodealers. Het staat immers in de statuten die voor iedereen te raadplegen zijn op de website en in het aanmeldproces wordt gevraagd of zij hun voertuig hebben gekocht bij een Autodealer (Renault- of Daciadealer). Uit de aanmelding kan dan ook steun worden afgeleid voor de vorderingen tegen de Autodealers. Gelet op het aantal gedagvaarde Autodealers en de grootte van de achterban ligt het voor de hand dat een deel van de deelnemers hun voertuig heeft gekocht bij één van de gedagvaarde Autodealers. Het is in het kader van de representativiteit niet nodig om een concreet aantal vast te stellen.
4.19.
Al hetgeen gedaagden verder hebben aangevoerd over het representativiteitsvereiste in de zin van artikel 3:305a (nieuw) BW kan buiten beschouwing blijven.
4.20.
De overige factoren die van belang kunnen zijn bij de beoordeling of voldaan is aan het waarborgvereiste zullen (indien nodig) in de volgende fase van de procedure aan bod komen. Het verzoek van Renault c.s. om zich nog te mogen uitlaten over de representativiteit van de stichtingen onder het oude collectieve actierecht wordt afgewezen, omdat zij dit al in haar antwoordakte en op de zitting heeft gedaan.
Vervolg van de procedure en tussentijds hoger beroep
4.21.
Nu artikel 3:305a (nieuw) BW niet van toepassing is, zullen de door de Stichtingen aanhangig gemaakte zaken (702519 / HA ZA 21-500, 710414 / HA ZA 21-1028 en 710434 HA ZA 21-030) afzonderlijk worden voortgezet. Wel zal in de roladministratie worden aangetekend dat deze drie zaken met elkaar samenhangen. De zaken zullen worden gevoegd op de rol (“rolvoeging”). Van de gedaagden in de door SCC en SDEJ aanhangig gemaakte zaken zal alsnog griffierecht worden geheven.
4.22.
De eerder vastgestelde procesorde wordt aangepast. De zaken zullen worden verwezen naar de rol voor (incidentele) conclusie van gedaagden met betrekking tot i) de ontvankelijkheid van SEC, SCC en SDEJ volgens artikel 3:305a (oud) BW, met uitzondering van de representativiteit van de Stichtingen, en ii) het toepasselijk recht op de vorderingen van de Stichtingen. De rechtbank stelt een maximumomvang van de (incidentele) conclusies van 30 pagina’s op prijs.
4.23.
SEC heeft verzocht om, indien de rechtbank oordeelt dat artikel 3:305a BW (nieuw) niet van toepassing is op de vorderingen, in de gelegenheid te worden gesteld om haar vorderingen en stellingen aan te passen. Daarvoor ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat SEC al in haar eiswijziging rekening heeft gehouden met de hiervoor onder 4.11 vermelde uitkomst.
4.24.
De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak tussentijds hoger beroep toe te staan.
Proceskosten
4.25.
De rechtbank zal de beslissingen over de proceskosten aanhouden.
Tot slot
4.26.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
verwijst de zaken naar de rol van 26 april 2023 voor de hiervoor onder 4.22 bedoelde (incidentele) conclusie;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.H. Broesterhuizen, mr. M.R. Jöbsis en mr. T.T. Hylkema, rechters, bijgestaan door mr. P. Palanciyan, griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2023.1.
BIJLAGE
Vorderingen SEC (na eiswijziging)
Voor zover de WAMCA van toepassing is:
Verzoek aanwijzing Exclusieve Belangenbehartiger
1. Voor zover de WAMCA op de onderhavige vorderingen van toepassing is; de Stichting
aan te wijzen als Exclusieve Belangenbehartiger in de zin van artikel 1018e lid 1 Rv;
Verklaringen voor recht
2. Te verklaren voor recht dat Renault en de Importeur ieder voor zich onrechtmatig jegens
Gedupeerden hebben gehandeld;
3. Te verklaren voor recht dat Renault en de Importeur hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de
als gevolg van hun onrechtmatig handelen door Gedupeerden geleden schade en
gehouden zijn die schade te vergoeden;
Vordering tot veroordeling tot schadevergoeding en vergoeding van proceskosten
4. Renault en de Importeur hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door
Gedupeerden geleden schade;
5. Renault en de Importeur hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder
de nakosten, althans - voor zover de WAMCA van toepassing is en uw rechtbank een
uitspraak doet ingevolge artikel 1018i Rv - de door uw rechtbank nader vast te stellen
redelijke en evenredige kosten die Stichting in verband met het instellen van deze
procedure heeft gemaakt als bedoeld in artikel 10181 lid 2 Rv, en al deze kosten te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitspraak van het in deze
procedure te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
Voor zover het actierecht van vóór 1 januari 2020 van toepassing is:
1. Te verklaren voor recht dat Renault en de Importeur ieder voor zich onrechtmatig jegens
Gedupeerden hebben gehandeld;
2. Te verklaren voor recht dat Renault en de Importeur hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de
als gevolg van hun onrechtmatig handelen door Gedupeerden geleden schade en
gehouden zijn die schade te vergoeden;
3. Renault en de Importeur hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder
de nakosten, al deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de
uitspraak van het in deze procedure te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele
voldoening.
Vorderingen SCC
Ontvankelijkheid en exclusieve belangenbehartiger
1. voor recht te verklaren dat Car Claim ontvankelijk is in deze collectieve actieprocedure;
2. Car Claim aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger;
Opt out
3. te bepalen dat:
i. iedere Autobezitter met woonplaats of verblijf in Nederland gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging van de uitspraak waarbij Car Claim als exclusieve
belangenbehartiger wordt aangewezen, de griffie van de rechtbank schriftelijk kan laten weten zich van de behartiging van diens belangen in deze collectieve vordering te onttrekken (opt-out, artikel 1018f lid 1 Rv);
ii. iedere Autobezitter zonder woonplaats of verblijfplaats in Nederland gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging van de uitspraak waarbij Car Claim als exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen, de griffie van de rechtbank schriftelijk kan laten wetenzich van de behartiging van diens belangen in deze collectieve vordering te onttrekken (opt-out, artikel 1018f lid 5 slotzin Rv);
Verklaringen voor recht
4. voor recht te verklaren dat natuurlijke personen die werkzaam zijn als zelfstandigen zonder personeel en eenmanszaken met slechts één werknemer, in de in deze procedure toe te wijzen vonnissen ook hebben te gelden als Particuliere Partijen;
5. voor recht te verklaren dat:
i. Renault c.s., de Importeur en Renault-Nissan onrechtmatig hebben gehandeld jegens de
Autobezitters;
ii. Renault c.s., de Importeur en Renault-Nissan hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van de door de Autobezitters geleden en nog te lijden schade;
iii. de door Autobezitters geleden schade ten minste gelijk is aan de door de rechtbank in goede justitie vastte stellen prijsvermindering onder 6(iii), dan wel 6(v);
iv. Renault c.s., de Importeur en Renault-Nissan over de aan de Autobezitters te betalen
schadevergoeding wettelijke rente verschuldigd zijn vanaf de datum dat de desbetreffende
Autobezitters de koopprijs, leaseprijs of bijtelling hebben voldaan, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
6. voor recht te verklaren dat:
primair
i. de Getroffen Voertuigen niet de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn, althans dat de Getroffen Voertuigen andere dan gebruiksbepalende eigenschappen bezitten die niet aan de Overeenkomsten voldoen;
ii. de redelijke termijn tot herstel en/of vervanging van de gebreken in de Getroffen Voertuigen ex artikel 7:21 lid 3 BW ongebruikt is verstreken;
iii. Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B bevoegd zijn om de door hen voor de Getroffen Voertuigen betaalde bedragen uit hoofde van de Overeenkomsten op grond van gedeeltelijke ontbinding te verminderen met een nader door de rechtbank vast te stellen bedrag;
subsidiair
iv. de sub 6(i) genoemde gebreken en de omissies aan de Getroffen Voertuigen zo essentieel zijn dat weldenkende kopers bij een juiste voorstelling van zaken de Overeenkomsten niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, zouden hebben gesloten;
v. Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B bevoegd zijn om de door hen voor de Getroffen Voertuigen betaalde bedragen uit hoofde van de Overeenkomsten op grond van gedeeltelijke vernietiging te verminderen met een nader door de rechtbank vast te stellen bedrag;
primair en subsidiair
vi. de Handelaren over de prijsvermindering jegens de Particuliere Partijen A en B wettelijke rente, en jegens de Zakelijke Partijen A en B wettelijke handelsrente verschuldigd zijn vanaf de datum waarop de desbetreffende Autobezitters de koopprijs / leasepenningen hebben voldaan;
Vordering tot ongedaanmaking, terugbetaling en schadevergoeding
Jegens Renault c.s., de Importeur en Renault-Nissan
7. Renault Holding, Renault, Dacia, de Importeur en Renault-Nissan hoofdelijk te veroordelen aan de Autobezitters de schade te vergoeden die zij hebben geleden, door middel van betaling aan hen van een nader door de rechtbank vast te stellen schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Jegens de Handelaren
primair
8. de gedeeltelijke ontbinding van de Overeenkomsten tussen de Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B en de desbetreffende Handelaren uit te spreken;
subsidiair
9. de gedeeltelijke vernietiging van de Overeenkomsten tussen de Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B en de desbetreffende Handelaren uit te spreken;
primair en subsidiair
10. de respectieve Handelaren te veroordelen tot betaling aan Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B van dat deel van de koopprijs dat deze Autobezitters aan hen te veel hebben betaald voor de Getroffen Voertuigen (de prijsvermindering), in geval van Particulieren Partijen te vermeerderen met wettelijke rente en in geval van Zakelijke Partijen wettelijke handelsrente, vanaf de datum dat de desbetreffende Autobezitters de koopprijs hebben voldaan, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Collectieve schadeafwikkeling
11. te bepalen dat alle door Gedaagden aan Autobezitters verschuldigde vergoedingen aan Car Claim zullen worden betaald onder nader door de rechtbank te stellen voorwaarden van collectieve schadeafwikkeling met inachtneming van het bepaalde in artikel 1018i lid 2 Rv;
12. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan Car Claim van:
i. de volledige door Car Claim gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de
wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
ii. de volledige proceskosten van Car Claim, waaronder de kosten van haar procesfinancier, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen
eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te
vereffenen volgens de wet;
iii. de kosten die Car Claim zal maken in verband met de handelingen die Car Claim in haar
hoedanigheid van exclusieve belangenbehartiger tot aan het eindvonnis geacht zal worden uit te voeren, waaronder maar niet beperkt tot kosten ex artikel 1018f lid 3 BW;
iv. de volledige kosten van Car Claim die zij in verband met de schadeafwikkeling zal maken vanaf het in deze procedure te wijzen eindvonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en
v. de kosten die Car Claim zal maken ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen
eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te
vereffenen volgens de wet.
een en ander met dien verstande dat voor zover de rechtbank van oordeel is dat op het onderliggende feitencomplex het collectieve actierecht van toepassing is zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie, dan heeft te gelden dat de vorderingen sub 2, 3, 7, 10 en 12(iii) van dit petitum komen te vervallen.
Vorderingen SDEJ
Ontvankelijkheid en exclusieve belangenbehartiger
1. voor recht te verklaren dat SDEJ ontvankelijk is in deze collectieve actieprocedure;
2. te bepalen dat
primair
Car Claim zal worden aangewezen als exclusieve belangenbehartiger, voor zover zij ontvankelijk is in haar vordering tegen Gedaagden, onder de bepaling dat SDEJ bevoegd blijft om in die procedure als dan zelfstandig proceshandelingen te verrichten; en
subsidiair
voor het geval Car Claim niet-ontvankelijk is of anderszins niet als EB zal worden aangewezen, SDEJ zal worden aangewezen als exclusieve belangenbehartiger;
Opt-out
3. te bepalen dat:
i. iedere Autobezitter met woonplaats of verblijf in Nederland die behoort tot de Nauw Omschreven Groep, gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging van de uitspraak op de wijze bedoeld in art. 1018f lid 3 Rv, de griffie van de rechtbank schriftelijk kan laten weten zich van de behartiging van diens belangen in deze collectieve vordering te onttrekken (opt-out, artikel 1018f lid 1 Rv);
ii. iedere Autobezitter zonder woonplaats of verblijfplaats in Nederland die behoort tot de Nauw Omschreven Groep, gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging van de uitspraak op de wijze bedoeld in art. 1018f lid 3 Rv, de griffie van de rechtbank schriftelijk kan laten weten zich van de behartiging van diens belangen in deze collectieve vordering te onttrekken (opt-out, artikel 1018f lid 5 slotzin Rv);
Verklaringen voor recht
4. voor recht te verklaren dat natuurlijke personen die werkzaam zijn als zelfstandigen zonder personeel en eenmanszaken met slechts één werknemer, in de in deze procedure toe te wijzen vonnissen ook hebben te gelden als Particuliere Partijen;
5. voor recht te verklaren dat:
i. Renault c.s. en de Importeur onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Autobezitters;
ii. Renault c.s. en de Importeur hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van de door de Autobezitters geleden en nog te lijden schade;
iii. de door Autobezitters geleden schade ten minste gelijk is aan de door de rechtbank in goede justitie vast te stellen prijsvermindering onder 6(iii), dan wel 6(v);
iv. Renault c.s. en de Importeur over de aan de Autobezitters te betalen schadevergoeding wettelijke rente verschuldigd zijn vanaf de datum dat de desbetreffende Autobezitters de koopprijs, leaseprijs of bijtelling hebben voldaan, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
6. voor recht te verklaren dat:
primair
i. de Getroffen Voertuigen niet de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn, althans dat de Getroffen Voertuigen andere dan gebruiksbepalende eigenschappen bezitten die niet aan de Overeenkomsten voldoen;
ii. de redelijke termijn tot herstel en/of vervanging van de gebreken in de Getroffen Voertuigen ex artikel 7:21 lid 3 BW ongebruikt is verstreken;
iii. Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B bevoegd zijn om de door hen voor de Getroffen Voertuigen betaalde bedragen uit hoofde van de Overeenkomsten op grond van gedeeltelijke ontbinding te verminderen met een nader door de rechtbank vast te stellen bedrag;
subsidiair
iv. de sub 6(i) genoemde gebreken en de omissies aan de Getroffen Voertuigen zo essentieel zijn dat weldenkende kopers bij een juiste voorstelling van zaken de Overeenkomsten niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, zouden hebben gesloten;
v. Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B bevoegd zijn om de door hen voor de Getroffen Voertuigen betaalde bedragen uit hoofde van de Overeenkomsten op grond van gedeeltelijke vernietiging te verminderen met een nader door de rechtbank vast te stellen bedrag;
primair en subsidiair
vi. de Handelaren over de prijsvermindering jegens de Particuliere Partijen A en B wettelijke rente, en jegens de Zakelijke Partijen A en B wettelijke handelsrente verschuldigd zijn vanaf de datum waarop de desbetreffende Autobezitters de koopprijs / leasepenningen hebben voldaan;
Vordering tot ongedaanmaking, terugbetaling en schadevergoeding
Jegens Renault c.s. en de Importeur
7. Renault Holding, Renault, Renault-Nissan, Dacia en de Importeur hoofdelijk te veroordelen aan de Autobezitters de schade te vergoeden die zij hebben geleden, door middel van betaling aan hen van een nader door de rechtbank vast te stellen schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Jegens de Handelaren
primair
8. de gedeeltelijke ontbinding van de Overeenkomsten tussen de Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B en de desbetreffende Handelaren uit te spreken;
subsidiair
9. de gedeeltelijke vernietiging van de Overeenkomsten tussen de Particuliere Partijen A en Ben Zakelijke Partijen A en B en de desbetreffende Handelaren uit te spreken;
primair en subsidiair
10. de respectieve Handelaren te veroordelen tot betaling aan Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B van dat deel van de koopprijs dat deze Autobezitters aan hen te veel hebben betaald voor de Getroffen Voertuigen (de prijsvermindering), in geval van Particulieren Partijen te vermeerderen met wettelijke rente en in geval van Zakelijke Partijen wettelijke handelsrente, vanaf de datum dat de desbetreffende Autobezitters de koopprijs hebben voldaan, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Collectieve schadeafwikkeling
11. te bepalen dat alle door Gedaagden aan Autobezitters verschuldigde vergoedingen aan de aan te wijzen exclusieve belangenbehartiger zullen worden betaald onder nader door de rechtbank te stellen voorwaarden van collectieve schadeafwikkeling met inachtneming van het bepaalde in artikel 1018i lid 2 Rv;
12. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan SDEJ van:
i. de volledige door SDEJ gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
ii. de volledige proceskosten van SDEJ, waaronder de kosten van haar procesfinancier (de Funder), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum
van het in deze procedure te wijzen eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
iii. de kosten die SDEJ zal maken in verband met de handelingen die Car Claim of SDEJ in haar hoedanigheid van (mede) exclusieve belangenbehartiger tot aan het eindvonnis geacht zal worden uit te voeren, waaronder maar niet beperkt tot kosten ex art. 1018f lid 3 BW;
iv. de volledige kosten van SDEJ die zij in verband met de schadeafwikkeling zal maken vanaf het in deze procedure te wijzen eindvonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en
v. de kosten die SDEJ zal maken ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
een en ander met dien verstande dat voor zover de rechtbank van oordeel is dat op het onderliggende feitencomplex het collectieve actierecht van toepassing is zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie, dan heeft te gelden dat de vorderingen sub 2, 3, 5(iii) en 8 komen te vervallen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑02‑2023
type: PPcoll: TTH, MRJ en MCHB