Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg
Einde inhoudsopgave
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/7.4:7.4 Het meerderheidsvereiste
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/7.4
7.4 Het meerderheidsvereiste
Documentgegevens:
Mr. N. Jansen, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. N. Jansen
- JCDI
JCDI:ADS401721:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een wezenlijke voorwaarde voor de verbindendverklaring is dat een cao dient te gelden voor een naar het oordeel van de minister belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen. Om deze belangrijke meerderheid te kunnen bepalen wordt het aantal werknemers dat in dienst is bij aan de cao gebonden werkgevers en onder de werkingssfeer van de cao valt, uitgedrukt in een percentage van het totale aantal werknemers dat onder de werkingssfeer van de cao valt. In paragraaf 3.5.2.4 heb ik het meerderheidsvereiste en de daarmee samenhangende problematiek uitgebreid besproken. Voor dit onderzoek is relevant dat bij de verbindendverklaring van cao-bepalingen de representativiteit van betrokken vakbonden niet of nauwelijks relevant is en dat geldt ook voor het draagvlak van een cao onder werknemers. In het huidige systeem is het dus mogelijk dat een cao die door een niet-representatieve vakbond tot stand is gekomen, niettemin kan gelden voor alle werknemers die onder de werkingssfeer van de cao vallen. Dit is wellicht verdedigbaar als de cao onder de betrokken werknemers op een breed draagvlak kan rekenen, maar het daadwerkelijke draagvlak van de cao speelt bij het meerderheidsvereiste geen rol. Een en ander brengt mee dat een cao verbindend kan worden verklaard voor werknemers die tijdens het cao-overleg niet zijn vertegenwoordigd of in het overleg zijn ondervertegenwoordigd. Vanuit juridisch perspectief is dit problematisch omdat de inbreuk op de individuele contractsvrijheid van ongebonden werknemers bij de verbindendverklaring daardoor niet steeds kan worden gerechtvaardigd op basis van het meerderheidsprincipe. Het is immers mogelijk dat een klein deel van de georganiseerde werknemers collectieve arbeidsvoorwaarden uitonderhandelt die voor alle werknemers gaan gelden, terwijl het mogelijk is dat de meerderheid van de werknemers zich niet kan vinden in het uitonderhandelde resultaat.
De verbindendverklaring maakt niet alleen inbreuk op de individuele contractsvrijheid van werknemers, maar ook op de collectieve contractsvrijheid. Bij de verbindendverklaring van cao-bepalingen kan op verschillende manieren rekening worden gehouden met andere cao’s. Het systeem biedt evenwel geen garantie dat altijd die cao voorgaat die met de meest representatieve vakbond tot stand is gekomen. Het is in theorie mogelijk dat een ondernemings-cao die met een vakbond tot stand is gekomen die als meest representatieve vakbond is aan te merken, moet wijken voor een verbindend verklaarde sector-cao die is aangegaan door een vakbond die nauwelijks representatief te noemen is en de cao ook nauwelijks op draagvlak kan rekenen. Ook is het mogelijk dat een cao niet voor verbindendverklaring in aanmerking komt, terwijl die tot stand is gekomen met representatieve vakbonden, omdat de cao qua werkingssfeer overlap vertoont met een cao die met niet-representatieve vakbonden tot stand is gekomen.
Tot slot merk ik nog op dat, zoals ik in hoofdstuk 1 heb toegelicht, de ondervertegenwoordiging van groepen werkgevers en werknemers een negatief effect kan hebben op de waarde van het systeem van collectieve arbeidsvoorwaardenvorming. Ik breng in herinnering dat de cao voor werknemers het voordeel heeft dat zij zekerheid hebben over hun rechtspositie en dat in het cao-overleg de ongelijke machtsposities zijn gecompenseerd waardoor het cao-overleg een positieve bijdrage levert aan sociale rechtvaardigheid. Als groepen werknemers in het cao-overleg zijn ondervertegenwoordigd heeft dat niet direct invloed op de zekerheid die zij hebben ten aanzien van hun rechtspositie (een ‘slechte’ rechtspositie geeft ook zekerheid), maar wel op de mate waarin de cao bijdraagt aan sociale rechtvaardigheid omdat de machtsongelijkheid niet voor alle groepen werknemers even goed is gecompenseerd. Ook voor de overheid verminderen de voordelen van collectief overleg wanneer niet alle werknemers (goed) zijn vertegenwoordigd. De arbeidsrust die cao’s meebrengen, is minder goed gewaarborgd of minder gegarandeerd wanneer groepen werknemers zich niet kunnen vinden in het onderhandelingsresultaat. Van zelfregulering is ook minder sprake indien groepen werknemers niet zijn vertegenwoordigd in het cao-overleg terwijl de cao wel op hen betrekking heeft en ook de uitwerking van beleidsvoornemens zal voor groepen werknemers niet, althans minder effectief zijn als zij in het cao-overleg niet vertegenwoordigd worden.
Ik hoofdstuk 9 bespreek ik welke verbeteringen in het avv-instrument kunnen worden doorgevoerd met het oog op de representativiteit van de vakbonden in het licht van de hiervoor benoemde knelpunten.