Procestaal: Duits.
HvJ EU, 11-02-2015, nr. C-531/13
ECLI:EU:C:2015:79
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
11-02-2015
- Magistraten
R. Silva de Lapuerta, K. Lenaerts, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, J. L. da Cruz Vilaça
- Zaaknummer
C-531/13
- Conclusie
J. Kokott
- Roepnaam
Kornhuber e.a.
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2015:79, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑02‑2015
ECLI:EU:C:2014:2279, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 09‑10‑2014
Uitspraak 11‑02‑2015
R. Silva de Lapuerta, K. Lenaerts, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, J. L. da Cruz Vilaça
Partij(en)
In zaak C-531/13,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 11 september 2013, ingekomen bij het Hof op 8 oktober 2013, in de procedure
Marktgemeinde Straßwalchen e.a.
tegen
Bundesminister für Wirtschaft, Familie und Jugend,
in tegenwoordigheid van:
Rohöl-Aufsuchungs AG,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, K. Lenaerts, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, J.-C. Bonichot (rapporteur), A. Arabadjiev en J. L. da Cruz Vilaça, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: I. Illéssy, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 september 2014,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Marktgemeinde Straßwalchen e.a., vertegenwoordigd door G. Lebitsch, Rechtsanwalt,
- —
Rohöl-Aufsuchungs AG, vertegenwoordigd door C. Onz, Rechtsanwalt, bijgestaan door H.-J. Handler,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer en M. Lais als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze, A. Lippstreu en A. Wiedmann als gemachtigden,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, D. Krawczyk en M. Rzotkiewicz als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Wilms en C. Hermes als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 oktober 2014,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 (PB L 140, blz. 114; hierna: ‘richtlijn 85/337’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Marktgemeinde Straßwalchen (gemeente Straßwalchen) en 59 andere verzoekers in het hoofdgeding, enerzijds, en de Bundesminister für Wirtschaft, Familie und Jugend, anderzijds, over een besluit waarbij aan Rohöl-Aufsuchungs AG een vergunning is verleend om op het grondgebied van de Marktgemeinde Straßwalchen een exploratieboring te verrichten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 85/337 luidt:
- ‘1.
Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, worden de in bijlage I genoemde projecten onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.
- 2.
Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten:
- a)
door middel van een onderzoek per geval,
of
- b)
aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria,
of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.
De lidstaten kunnen besluiten om beide onder a) en b) genoemde procedures toe te passen.’
4
Bijlage I bij richtlijn 85/337, met als titel ‘In artikel 4, lid 1, bedoelde projecten’, bepaalt in punt 14:
‘Commerciële winning van aardolie en aardgas wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500 ton aardolie per dag of meer dan 500 000 m³ aardgas per dag bedraagt.’
5
Bijlage II bij richtlijn 85/337, met als titel ‘In artikel 4, lid 2, bedoelde projecten’, bepaalt in punt 2, onder d):
‘Extractieve bedrijven
[…]
- d)
Diepboringen met name
- —
geothermische boringen,
- —
boringen in verband met de opslag van kernafval,
- —
boringen voor watervoorziening,
met uitzondering van boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond.’
6
Bijlage III bij richtlijn 85/337, met als titel ‘In artikel 4, lid 3, bedoelde selectiecriteria’, luidt:
- ‘1.Kenmerken van de projecten
Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen:
- —
de omvang van het project,
- —
de cumulatie met andere projecten,
- —
het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,
- —
de productie van afvalstoffen,
- —
verontreiniging en hinder,
- —
risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.
- 2.Plaats van de projecten
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen:
- —
het bestaande grondgebruik,
- —
de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied,
- —
het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden:
- a)
wetlands,
- b)
kustgebieden,
- c)
berg- en bosgebieden,
- d)
reservaten en natuurparken,
- e)
gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens richtlijn 79/409/EEG en richtlijn 92/43/EEG,
- f)
gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden,
- g)
gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid,
- h)
landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
- 3.Kenmerken van het potentiële effect
Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen:
- —
het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking),
- —
het grensoverschrijdende karakter van het effect,
- —
de orde van grootte en de complexiteit van het effect,
- —
de waarschijnlijkheid van het effect,
- —
de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.’
Oostenrijks recht
7
Bijlage 1 bij het Umweltverträglichkeitsprüfungsgesetz 2000 (wet van 2000 inzake milieueffectbeoordelingen, BGBl. nr. 697/1993), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (BGBl. I nr. 87/2009; hierna: ‘UVP-G’), bepaalt:
‘In de bijlage zijn de projecten vermeld waarvoor een milieueffectbeoordeling ingevolge § 3 verplicht is.
In kolom 1 en 2 staan de projecten die in ieder geval aan een milieueffectbeoordeling (kolom 1) of een vereenvoudigde beoordelingsprocedure (kolom 2) moeten worden onderworpen. Bij in bijlage 1 genoemde wijzigingen dienen de projecten per geval te worden beoordeeld zodra de genoemde drempelwaarde is bereikt; anders geldt § 3a, leden 2 en 3, behalve als het uitdrukkelijk uitsluitend gaat om de ‘nieuwbouw’, de ‘nieuwe aanleg’ of de ‘nieuwe ontsluiting’.
In kolom 3 staan de projecten waarvoor alleen in bijzondere gevallen een milieueffectbeoordeling verplicht is. Voor deze projecten dient vanaf de genoemde minimumdrempels een beoordeling per geval plaats te vinden. Indien uit deze beoordeling een verplichting tot uitvoering van een milieueffectbeoordeling voortvloeit, dient de vereenvoudigde procedure te worden gevolgd.
De in kolom 3 genoemde categorieën van te beschermen gebieden worden in bijlage 2 gedefinieerd. Wat de verplichting tot milieueffectbeoordeling van een project betreft hoeft echter alleen rekening te worden gehouden met de gebieden van de categorieën A, C, D en E, als deze op de dag van indiening van het verzoek zijn aangewezen.
[…]
Milieueffectbeoordeling (MEB) | MEB volgens de vereenvoudigde procedure | ||
|---|---|---|---|
Kolom 1 | Kolom 2 | Kolom 3 | |
29 | a) productie van aardolie of aardgas met een capaciteit van minimaal 500 t/d aardolie per boorgat en van minimaal 500 000 m3/d aardgas per boorgat; | c) productie van aardolie of aardgas in te beschermen gebieden van categorie A met een capaciteit van minimaal 250 t/d aardolie per boorgat en van minimaal 250 000 m3/d aardgas per boorgat; | |
b) […] | |||
d) […] | |||
(hoeveelheden resp. volume-informatie bij atmosferische druk).’ | |||
8
§ 1 van het Mineralrohstoffgesetz 1999 (wet van 1999 inzake minerale grondstoffen, BGBl. I nr. 38/1999), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (BGBl. I nr. 111/2010; hierna: ‘MinroG’), bepaalt:
‘In de onderhavige bondswet wordt verstaan onder:
- 1.
‘opsporen’: elke directe en indirecte zoektocht naar mineralen inclusief de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden alsmede het ontsluiten en onderzoeken van natuurlijke mineraalbestanden en van verlaten afvalbergen die mineralen bevatten, ter vaststelling van de ontginningsmogelijkheden.
- 2.
‘winnen’: het losmaken of vrijmaken (ontginning) van mineralen en de daarmee verband houdende voorbereidende, bijkomende en aansluitende werkzaamheden;
[…]’
9
§ 119 MinroG, met als titel ‘Vergunningverlening voor mijnbouwinstallaties’, bepaalt in lid 1:
‘Voor de totstandbrenging (bouw) van bovengrondse mijnbouwinstallaties alsmede van vanaf het aardoppervlak bereikbare tunnels, schachten, boringen met boorputten vanaf 300 m diepte en boorgaten vanaf 300 m diepte ten behoeve van de mijnbouw moet bij de bevoegde overheidsinstantie een vergunning worden aangevraagd. […]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10
Bij besluit van de Bundesminister für Wirtschaft, Familie und Jugend van 29 augustus 2011 is op grond van § 119 MinroG aan Rohöl-Aufsuchungs AG een vergunning verleend om op het grondgebied van de Marktgemeinde Straßwalchen een exploratieboring tot 4150 meter diep te verrichten, zonder die boring aan een milieueffectbeoordeling te onderwerpen. Tegen dat besluit is door de Marktgemeinde Straßwalchen en 59 andere verzoekers beroep ingesteld bij het Verwaltungsgerichtshof.
11
Blijkens de verwijzingsbeslissing ziet de litigieuze vergunning op verschillende werkzaamheden en activiteiten, met name de uitvoering van de voor de boorinstallatie noodzakelijke werkzaamheden en, bij mislukking van de exploratie, het herstel van het terrein.
12
Voor het geval dat koolwaterstof wordt aangetroffen, heeft Rohöl-Aufsuchungs AG een vergunning voor een testproductie van aardgas met een totale hoeveelheid van maximaal 1 000 000 m3 verkregen om zich te vergewissen van de rentabiliteit van de boring. Volgens de verwijzende rechter wordt een winning verwacht van 150 000 m3 à 250 000 m3 gas per dag en ten hoogste 150 m3 aardolie en 18 900 m3 geassocieerd aardgas per dag. De aldus gewonnen koolwaterstof wordt nabij de boorlocatie afgefakkeld. Er is niet voorzien in een aansluiting op een hogedrukleiding voor aardgas.
13
Verzoekers in het hoofdgeding betwisten de geldigheid van de betrokken vergunning, met name omdat de exploratieboring overeenkomstig punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 aan een milieueffectbeoordeling had moeten worden onderworpen. Dat punt bepaalt dat de winning van aardolie en aardgas aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen wanneer zij ‘voor commerciële doeleinden’ gebeurt en voorts de gewonnen hoeveelheid de in dat punt vermelde drempelwaarden overschrijdt.
14
De verwijzende rechter vraagt zich in de eerste plaats af of een exploratieboring ‘voor commerciële doeleinden’ wordt verricht wanneer daarmee slechts wordt beoogd de winstgevendheid van een vindplaats na te gaan. Voorts is hij van oordeel dat de totale hoeveelheid koolwaterstof die in dat verband kan worden gewonnen betrekkelijk gering is, aangezien de hoeveelheid aardgas voor de winning waarvan in casu een vergunning is verleend, beperkt is tot slechts tweemaal de in punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 vastgestelde drempelwaarde per dag.
15
Het Verwaltungsgerichtshof merkt in de tweede plaats op dat, wanneer wordt aangenomen dat exploratieboringen worden verricht voor commerciële doeleinden in de zin van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337, de verwachte gewonnen hoeveelheid koolwaterstof per dag onder de in het UVP-G vastgestelde drempelwaarden blijft vanaf welke voor een project een milieueffectbeoordeling verplicht is. Voor de betrokken vergunning is immers geen rekening gehouden met de bij de andere boringen in de regio gewonnen koolwaterstof, maar is alleen uitgegaan van de exploratieboring waarvoor Rohöl-Aufsuchungs AG om een vergunning had verzocht.
16
Het Verwaltungsgerichtshof wijst erop dat die benadering in overeenstemming is met het Oostenrijkse recht, aangezien volgens punt 29, onder a), van bijlage 1 bij het UVP-G rekening moet worden gehouden met de ‘per boorgat’ gewonnen hoeveelheid aardolie en aardgas om te bepalen of een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd. Aangezien punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 geen dergelijke precisering bevat, moet echter worden nagegaan of die bepaling door de Oostenrijkse wetgever correct is omgezet.
17
De verwijzende rechter vraagt zich in de derde plaats af of de Oostenrijkse autoriteiten bij de verlening van de vergunning voor de betrokken exploratieboring rekening moesten houden met de cumulatieve effecten van alle ‘gelijksoortige’ projecten. Hij merkt in dat verband op dat er op het grondgebied van de Marktgemeinde Straßwalchen ongeveer 30 boorgaten voor de productie van aardgas bestaan waarmee de Bundesminister für Wirtschaft, Familie und Jugend geen rekening heeft gehouden in het bestreden besluit, terwijl uit de arresten Umweltanwalt von Kärnten (C-205/08, EU:C:2009:767, punt 53) en Brussels Hoofdstedelijk Gewest e.a. (C-275/09, EU:C:2011:154, punt 36) blijkt dat de doelstelling van richtlijn 85/337 niet mag worden gefrustreerd door de opsplitsing van projecten.
18
Gelet op deze overwegingen heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Gaat het bij de in tijd en hoeveelheid beperkte testproductie van aardgas die in het kader van een exploratieboring ter vaststelling van de winstgevendheid van een permanente winning van aardgas plaatsvindt, om een ‘commerciële winning van […] aardgas’ conform punt 14, van bijlage I bij [richtlijn 85/337]?
Voor het geval dat de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, worden de volgende verdere vragen gesteld:
- 2)
Verzet punt 14, van bijlage I bij richtlijn 85/337 zich tegen een nationale regeling die bij de winning van aardgas de in punt 14, van bijlage I bij richtlijn 85/337 genoemde drempelwaarden niet verbindt met de winning op zich, maar met de ‘productie per boorgat’ (‘Forderung pro Sonde’)?
- 3)
Dient richtlijn 85/337 aldus te worden uitgelegd dat de overheidsinstantie in een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin de vergunning voor een testproductie van aardgas wordt aangevraagd in het kader van een exploratieboring, uitsluitend alle gelijksoortige projecten, concreet alle in het gemeentegebied ontsloten boringen, dient te toetsen met betrekking tot het cumulatieve effect ervan om vast te stellen of een verplichting tot het uitvoeren van een milieueffectbeoordeling bestaat?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
19
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 aldus moet worden uitgelegd dat een exploratieboring als in het hoofdgeding, waarbij een testproductie van aardgas en aardolie is gepland ter vaststelling van de commerciële ontginbaarheid van een vindplaats, binnen de werkingssfeer van die bepaling valt.
20
Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/337, onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, van die richtlijn, de in bijlage I bij die richtlijn genoemde projecten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling. Zo moet volgens punt 14 van bijlage I bij die richtlijn de commerciële winning van aardolie en aardgas aan een dergelijke beoordeling worden onderworpen wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500 ton aardolie per dag of meer dan 500 000 m³ aardgas per dag bedraagt.
21
Voorts zij eraan herinnerd dat zowel de eenvormige toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel vereist dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normalerwijs in de gehele Europese Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend met de context van deze bepaling en het nagestreefde doel (zie arrest Edwards en Pallikaropoulos, C-260/11, EU:C:2013:221, punt 29).
22
Een exploratieboring om de ontginbaarheid en derhalve de winstgevendheid van een vindplaats na te gaan, wordt per definitie inderdaad voor commerciële doeleinden verricht. Zoals de advocaat-generaal in punt 26 van haar conclusie heeft opgemerkt, zou dit slechts anders zijn voor een boring die louter met het oog op wetenschappelijk onderzoek en niet ter voorbereiding van een economische activiteit wordt verricht.
23
Evenwel volgt uit de context en de doelstelling van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 volgt dat die bepaling niet van toepassing is op exploratieboringen. Die bepaling verbindt de verplichting om een milieueffectbeoordeling te verrichten immers aan de hoeveelheid aardolie en aardgas waarvan de winning is gepland. Daartoe voorziet zij in drempelwaarden die per dag moeten worden overschreden, wat erop wijst dat zij ziet op projecten van een bepaalde duur die het mogelijk maken om onafgebroken betrekkelijk grote hoeveelheden koolwaterstof te winnen.
24
In dit verband zij opgemerkt dat de toepassing van de criteria van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 op exploratieboringen op zich slechts weinig zin zou hebben, aangezien de bij die bepaling vastgestelde drempelwaarde voor de winning van aardolie 500 ton per dag bedraagt en voor de winning van aardgas 500 000 m³ per dag, terwijl, zoals blijkt uit het in het hoofdgeding bestreden besluit, op grond waarvan een totale hoeveelheid van slechts één miljoen m3 aardgas mag worden ontgonnen, de voor een exploratieboring vastgestelde beperking geen verband houdt met een dergelijke drempelwaarde.
25
Voorts volgt uit de zowel in de verwijzingsbeslissing als ter terechtzitting gegeven toelichtingen dat voorafgaand aan een exploratieboring niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk koolwaterstof aanwezig is. Een dergelijke boring wordt verricht om de aanwezigheid van koolwaterstof aan te tonen en, in voorkomend geval, om de hoeveelheid ervan te bepalen en door middel van een testproductie na te gaan of die koolwaterstof commercieel ontginbaar is. Derhalve kan alleen aan de hand van een exploratieboring de hoeveelheid koolwaterstof worden bepaald die per dag kan worden gewonnen. Bovendien zijn de hoeveelheid koolwaterstof waarvan de winning is gepland bij een dergelijke testproductie en de duur van die testproductie beperkt tot wat technisch noodzakelijk is om de ontginbaarheid van een vindplaats aan te tonen.
26
Die uitlegging vindt voorts steun in de systematiek van richtlijn 85/337. Punt 2, onder d), van bijlage II bij die richtlijn kan immers van toepassing zijn op exploratieboringen, zodat niet alle exploratieboringen zonder meer buiten de werkingssfeer van die richtlijn vallen.
27
In dit verband zij eraan herinnerd dat de lidstaten volgens artikel 4, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 85/337 door middel van een onderzoek per geval of aan de hand van door hen vastgestelde drempelwaarden of criteria bepalen of de projecten die onder bijlage II bij die richtlijn vallen, aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen.
28
Tot die projecten behoren onder meer de in punt 2, onder d), van die bijlage genoemde diepboringen, met name geothermische boringen, boringen in verband met de opslag van kernafval en boringen voor watervoorziening, met uitzondering van boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond.
29
Uit de formulering van die bepaling volgt dat zij geen exhaustieve opsomming geeft van de verschillende soorten boringen waarop zij ziet, maar dat alle diepboringen binnen de werkingssfeer ervan vallen, met uitzondering van diepboringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond.
30
Derhalve vallen exploratieboringen onder punt 2, onder d), van bijlage II bij richtlijn 85/337 voor zover zij diepboringen zijn.
31
In casu zij opgemerkt dat een exploratieboring als in het hoofdgeding, die erop gericht is de commerciële ontginbaarheid van een vindplaats vast te stellen en tot 4150 meter diep kan gaan, een diepboring in de zin van punt 2, onder d), van bijlage II bij die richtlijn is.
32
Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337 aldus moet worden uitgelegd dat een exploratieboring als in het hoofdgeding, waarbij een testproductie van aardgas en aardolie is gepland ter vaststelling van de commerciële ontginbaarheid van een vindplaats, niet binnen de werkingssfeer van die bepaling valt.
Tweede vraag
33
Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Derde vraag
34
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 85/337 aldus moet worden uitgelegd dat om vast te stellen of een exploratieboring als in het hoofdgeding aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen, de bevoegde instantie slechts rekening moet houden met de cumulatieve effecten van gelijksoortige projecten, in casu volgens de verwijzende rechter alle in het gemeentegebied ontsloten boringen.
35
Aangezien deze vraag enkel wordt gesteld voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, gaat de verwijzende rechter — zoals de advocaat generaal in punt 47 van haar conclusie heeft opgemerkt — er blijkbaar van uit dat de verplichting om een milieueffectbeoordeling te verrichten in de bij hem aanhangige zaak enkel kan worden gebaseerd op artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/337 juncto punt 14 van bijlage I bij die richtlijn.
36
Dat uitgangspunt is echter verkeerd, aangezien — zoals blijkt uit de punten 27 en 30 van het onderhavige arrest — die verplichting kan voortvloeien uit artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 juncto punt 2, onder d), van bijlage II bij die richtlijn.
37
Evenwel staat het in de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, aan het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan oplossen. Daartoe dient het Hof de hem voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren. Voorts kan het Hof bepalingen van het recht van de Unie in aanmerking nemen die door de nationale rechter in zijn vraag niet zijn genoemd.
38
Bijgevolg moet de derde vraag worden beantwoord in het licht van de verplichtingen die kunnen voortvloeien uit artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 juncto punt 2, onder d), van bijlage II bij die richtlijn.
39
In punt 27 van het onderhavige arrest is eraan herinnerd dat de lidstaten volgens artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 door middel van een onderzoek per geval of aan de hand van door hen vastgestelde drempelwaarden of criteria moeten bepalen of de projecten die onder bijlage II bij die richtlijn vallen, aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen.
40
Met betrekking tot de vaststelling van die drempelwaarden of criteria zij eraan herinnerd dat artikel 4, lid 2, onder b), van richtlijn 85/337 de lidstaten dienaangaande weliswaar een beoordelingsmarge verleent, maar dat een dergelijke beoordelingsmarge wordt begrensd door de in artikel 2, lid 1, van die richtlijn vermelde verplichting om projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, met name gezien de aard, omvang of ligging ervan, aan een beoordeling van dat effect te onderwerpen (arrest Salzburger Flughafen, C-244/12, EU:C:2013:203, punt 29).
41
Aldus hebben de in artikel 4, lid 2, onder b), van richtlijn 85/337 vermelde criteria en drempelwaarden tot doel de beoordeling van de concrete kenmerken van een project te vergemakkelijken, teneinde te bepalen of dat project aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen (arrest Salzburger Flughafen, EU:C:2013:203, punt 30).
42
De bevoegde nationale autoriteiten waarbij een aanvraag voor een vergunning voor een project als bedoeld in bijlage II bij die richtlijn is ingediend, moeten bijgevolg in het bijzonder onderzoeken of er, gelet op de criteria van bijlage III bij die richtlijn, een milieueffectbeoordeling moet plaatsvinden (zie in die zin arrest Mellor, C-75/08, EU:C:2009:279, punt 51).
43
In dit verband volgt uit punt 1 van die bijlage III dat bij de kenmerken van een project in het bijzonder de cumulatieve effecten van dat project en andere projecten in overweging moeten worden genomen. Wanneer het cumulatieve effect van een project en andere projecten buiten beschouwing zou worden gelaten, kan dit in de praktijk immers tot gevolg hebben dat dit project aan de beoordelingsverplichting wordt onttrokken, hoewel het in samenhang met andere projecten een aanzienlijk milieueffect kan hebben (zie in die zin arrest Brussels Hoofdstedelijk Gewest e.a., EU:C:2011:154, punt 36).
44
Dat vereiste moet worden gezien in het licht van punt 3 van bijlage III bij richtlijn 85/337, op grond waarvan bij de potentiële aanzienlijke effecten van een project in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 van die bijlage in het bijzonder in overweging moeten worden genomen de waarschijnlijkheid, het bereik, de orde van grootte, de duur en de omkeerbaarheid van het effect van dat project.
45
Bijgevolg staat het aan een nationale instantie wanneer zij nagaat of een project aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen, om het effect te onderzoeken dat dit project samen met andere projecten kan hebben. Voorts is die verplichting bij het ontbreken van een precisering niet beperkt tot gelijksoortige projecten. Zoals de advocaat-generaal in punt 71 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet bij dat voorafgaand onderzoek worden nagegaan of de milieueffecten van de exploratieboringen wegens de effecten van andere projecten groter kunnen zijn dan bij het ontbreken van dergelijke projecten.
46
Voorts zij eraan herinnerd dat de nuttige werking van richtlijn 85/337 namelijk ernstig in het gedrang zou komen indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij de beslissing of van een project een milieueffectbeoordeling moet worden gemaakt, het deel dat in een andere lidstaat moet worden uitgevoerd, konden negeren (arrest Umweltanwalt von Kärnten, EU:C:2009:767, punt 55). Om dezelfde redenen mag de effectbeoordeling van andere projecten niet afhangen van de gemeentegrenzen.
47
Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 juncto punt 2, onder d), van bijlage II bij die richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de verplichting om een diepboring, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde exploratieboring, aan een milieueffectbeoordeling te onderwerpen, uit die bepaling kan voortvloeien. De bevoegde nationale autoriteiten moeten derhalve in het bijzonder onderzoeken of er, gelet op de criteria van bijlage III bij die richtlijn, een milieueffectbeoordeling moet plaatsvinden. In dit verband moet met name worden nagegaan of de milieueffecten van de exploratieboringen wegens de effecten van andere projecten groter kunnen zijn dan bij het ontbreken van dergelijke projecten. Die beoordeling mag niet afhangen van de gemeentegrenzen.
Kosten
48
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Punt 14 van bijlage I bij richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009, moet aldus worden uitgelegd dat een exploratieboring als in het hoofdgeding, waarbij een testproductie van aardgas en aardolie is gepland ter vaststelling van de commerciële ontginbaarheid van een vindplaats, niet binnen de werkingssfeer van die bepaling valt.
- 2)
Artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31, juncto punt 2, onder d), van bijlage II bij die richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de verplichting om een diepboring, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde exploratieboring, aan een milieueffectbeoordeling te onderwerpen, uit die bepaling kan voortvloeien. De bevoegde nationale autoriteiten moeten derhalve in het bijzonder onderzoeken of er, gelet op de criteria van bijlage III bij richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31, een milieueffectbeoordeling moet plaatsvinden. In dit verband moet met name worden nagegaan of de milieueffecten van de exploratieboringen wegens de effecten van andere projecten groter kunnen zijn dan bij het ontbreken van dergelijke projecten. Die beoordeling mag niet afhangen van de gemeentegrenzen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑02‑2015
Conclusie 09‑10‑2014
J. Kokott
Partij(en)
Zaak C-531/131.
Heinrich Kornhuber e.a.
[verzoek van het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
I — Inleiding
1.
Over de MEB-richtlijn2. dient het Hof zich niet voor het eerst uit te spreken, integendeel zelfs.3. Toch rijzen er steeds weer nieuwe vragen over deze richtlijn.
2.
In het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is de vraag aan de orde of een proefsgewijze exploratieboring naar aardgas een ‘commerciële winning van […] aardgas’ vormt waarvoor bij het bereiken van een drempelwaarde een milieueffectbeoordeling moet worden verricht. Voorts dient te worden verduidelijkt hoe deze drempelwaarde moet worden toegepast, inzonderheid of en — in voorkomend geval — in welke mate extra boringen en andere projecten in aanmerking moeten worden genomen.
3.
Bovendien moet worden onderzocht op welke wijze dient te worden nagegaan of voor een dergelijke proefboring — als diepboring — een beoordeling verplicht is omdat er rekening mee moet worden gehouden dat deze aanzienlijke effecten kan hebben op het milieu.
II — Toepasselijke bepalingen
A — Unierecht
4.
Artikel 2, lid 1, omschrijft het doel van de MEB-richtlijn als volgt:
‘De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en een beoordeling van hun effecten moet plaatsvinden alvorens een vergunning wordt verleend.’
5.
Welke projecten aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen, is nader geregeld in artikel 4, leden 1 tot en met 3, en in de bijlagen I tot en met III bij de MEB-richtlijn:
- ‘(1)
[…] [worden] de in bijlage I genoemde projecten […] onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.
- (2)
Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten:
- a)
door middel van een onderzoek per geval,
of
- b)
aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria,
of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.
De lidstaten kunnen besluiten om beide [sub a en b] genoemde procedures toe te passen.
- (3)
Bij het onderzoek per geval of bij de vaststelling van drempelwaarden of criteria bij de toepassing van lid 2 moet met de relevante selectiecriteria van bijlage III rekening worden gehouden.’
6.
Bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn betreft de winning van aardgas:
‘Commerciële winning van aardolie en aardgas wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500 ton aardolie per dag of meer dan 500 000 m3 aardgas per dag bedraagt.’
7.
Ook bijlage II, punt 2, sub d en e, gewaagt van mogelijke projectentypen die verband kunnen houden met het opsporen van aardgas:
- ‘d)
Diepboringen met name
- —
geothermische boringen,
- —
boringen in verband met de opslag van kernafval,
- —
boringen voor watervoorziening,
met uitzondering van boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond.
- e)
Oppervlakte-installaties van bedrijven voor de winning van steenkool, aardolie, aardgas, ertsen en bitumineuze schisten.’
8.
Bovendien moet ook worden verwezen naar bijlage II, punt 13, sub b, van de MEB-richtlijn, welke bepaling het ontwikkelen en testen betreft:
‘Projecten van bijlage I die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt.’
9.
Ten slotte bevat bijlage III van de MEB-richtlijn de in artikel 4, lid 3, bedoelde selectiecriteria voor projecten van bijlage II:
‘1. Kenmerken van de projecten
Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen:
- —
de omvang van het project,
- —
de cumulatie met andere projecten,
- —
[…]
- —
verontreiniging en hinder,
- —
[…]
2. Plaats van de projecten
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen:
- —
het bestaande grondgebruik,
- —
[…]
B — Oostenrijks recht
10.
Oostenrijk heeft in bijlage 1, eerste kolom, punt 29, sub a, van het Umweltverträglichkeitsprüfungsgesetz 2000 (wet betreffende milieueffectbeoordelingen) bepaald dat de drempelwaarden van bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn gelden ‘per boorgat’:
‘Productie van aardolie of aardgas met een capaciteit van minimaal 500 ton per dag aardolie per boorgat en van minimaal 500 000 m3 per dag aardgas per boorgat.’
11.
§ 1, punten 1 en 2 van het Mineralrohstoffgesetz 1999 (wet betreffende minerale grondstoffen) maakt een onderscheid tussen het opsporen van grondstoffen en het winnen ervan:
- ‘§ 1.
In de onderhavige bondswet wordt verstaan onder:
- 1.
‘opsporen’: elke directe en indirecte zoektocht naar mineralen inclusief de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden alsmede het ontsluiten en onderzoeken van natuurlijke mineraalbestanden en van verlaten afvalbergen die mineralen bevatten, ter vaststelling van de ontginningsmogelijkheden;
- 2.
‘winnen’: het losmaken of vrijmaken (ontginning) van mineralen en de daarmee verband houdende voorbereidende, bijkomende en aansluitende werkzaamheden;
[…]’
III — Nationale procedure en verzoek om een prejudiciële beslissing
12.
In de nationale procedure komen de Oostenrijkse Marktgemeinde Straßwalchen en 59 van haar inwoners, onder wie ook de heer Kornhuber (hierna: ‘Marktgemeinde’ of ‘Marktgemeinde Straßwalchen e.a.’) op tegen de vergunning die de Oostenrijkse Bundesminister für Economie, Familie und Jugend (federale minister van economie, familie en jeugd) op 29 augustus 2011 heeft verleend aan Rohöl-Aufsuchungs AG (hierna ook: ‘RAG’) om op het grondgebied van de gemeente een exploratieboring te verrichten.
13.
De verleende vergunning omvat de bouw van de boorlocatie en de toegang daartoe, de montage en demontage van de boorinstallatie, de uitvoering van de boorwerkzaamheden, de montage en demontage van de testinstallatie, de uitvoering van de testwerkzaamheden, de uitvoering van de buitengebruikstelling van het ten behoeve van de boorinstallatie benodigde gebied en de herstelmaatregelen voor het geval dat er geen grondstoffen worden gevonden, de uitvoering van het herstel van het ten behoeve van de boorinstallatie benodigde gebied tot de afmetingen van de toekomstige boorgatlocatie en de herstelmaatregelen in de randgebieden voor het geval dat er grondstoffen worden gevonden. De voorziene boordiepte bedraagt ca. 4 150 m.
14.
Voor het geval dat er grondstoffen worden gevonden, omvat de vergunning ook een testproductie van aardgas met een totale hoeveelheid van maximaal 1 000 000 m3 om de winstgevendheid van de boring aan te tonen. Daarbij wordt beoogd 150 000 tot 250 000 m3/dag te produceren. Het geproduceerde gas wordt in een later stadium aan de rand van de boorlocatie afgefakkeld. Er is niet voorzien in een aansluiting op een hogedrukleiding voor aardgas. Ingeval er grondstoffen worden gevonden, zal verder (in veel geringere hoeveelheden) een testproductie van aardolie en uit aardolie ontstaan gas (geassocieerd gas) (maximaal 150 m3 respectievelijk 18 900 m3/dag) plaatsvinden.
15.
Er werd geen milieueffectbeoordeling verricht, aangezien het niet om het winnen van aardgas of aardolie ging en er geen verband met een ander project bestond.
16.
Volgens RAG is de boring intussen beëindigd, zonder dat aardgas of aardolie is gevonden.
17.
In het hoofdgeding stelt de Marktgemeinde zich echter op het standpunt dat de milieueffecten van het project hadden moeten worden beoordeeld. Zij betoogt met name dat alleen reeds op haar grondgebied meer dan 30 boringen zijn verricht en nog meer boringen zijn toegestaan. Bovendien zijn op het grondgebied van de gemeente en in de omgeving overal installaties voor de opslag van aardgas opgericht en aardgasleidingen gelegd.
18.
Derhalve legt het Verwaltungsgerichtshof de volgende vragen voor aan het Hof:
- 1)
Gaat het bij de in tijd en hoeveelheid beperkte testproductie van aardgas die in het kader van een exploratieboring ter vaststelling van de winstgevendheid van een permanente winning van aardgas plaatsvindt, om een ‘commerciële winning van […] aardgas’ conform bijlage I, punt 14, van [de MEB-richtlijn]?
Voor het geval dat de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, worden de volgende verdere vragen gesteld:
- 2)
Verzet bijlage I, punt 14, van [de MEB-richtlijn] zich tegen een nationale regeling die bij de winning van aardgas de in bijlage I, punt 14, van [de MEB-richtlijn] genoemde drempelwaarden niet verbindt met de winning op zich, maar met de ‘productie per boorgat’ (‘Forderung pro Sonde’)?
- 3)
Dient [de MEB-richtlijn] aldus te worden uitgelegd dat de overheidsinstantie in een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin de vergunning voor een testproductie van aardgas wordt aangevraagd in het kader van een exploratieboring, uitsluitend alle gelijksoortige projecten, concreet alle in het gemeentegebied ontsloten boringen, dient te toetsen met betrekking tot het cumulatieve effect ervan om vast te stellen of een verplichting tot het uitvoeren van een milieueffectbeoordeling bestaat?
19.
De Marktgemeinde Straßwalchen e.a., de Republiek Oostenrijk, Rohöl-Aufsuchungs AG, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Polen en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en zijn ook gehoord ter terechtzitting van 3 september 2014.
IV — Juridische analyse
20.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de vraag of voor de testproductie van aardgas via een proefboring noodzakelijkerwijs een milieueffectbeoordeling moet worden verricht. Daartoe moet allereerst worden onderzocht of het daarbij om de commerciële winning van aardgas in de zin van bijlage I, punt 14 gaat, vervolgens of de omvang van de testproductie met betrekking tot het bereiken van de voorziene drempelwaarde per afzonderlijk boorgat moet worden beoordeeld, en ten slotte welke andere projecten in aanmerking moeten worden genomen bij de beantwoording van de vraag of een milieueffectbeoordeling noodzakelijk is.
A — Eerste vraag
21.
Met de eerste vraag wenst het Verwaltungsgerichtshof te vernemen of het begrip ‘commerciële winning van […] aardgas’ in bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn ook ziet op een in tijd en hoeveelheid beperkte testproductie van aardgas die plaatsvindt in het kader van een exploratieboring ter vaststelling van de winstgevendheid van een permanente winning van aardgas.
22.
Vooraf zij eraan worden herinnerd dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Europese Unie autonoom en uniform moeten worden uitgelegd, rekening houdend met de context van deze bepaling en met de het door de betrokken regeling nagestreefde doel.4. Hoe het Oostenrijkse recht het begrip ‘winning’ definieert, is dan ook irrelevant.
23.
Oostenrijk en RAG benadrukken dat de proefboring niet rechtstreeks tot doel heeft aardgas voor economisch gebruik te winnen. Veeleer strekt de boring ertoe, na te gaan of — en in welke mate — aardgas zou kunnen worden gewonnen via een rendabele exploitatie.
24.
Zoals Duitsland daartegen inbrengt, beschrijft het begrip ‘Gewinnung’ [‘winning’] in het gewone Duitse taalgebruik op heel algemene wijze de ontginning van bodemschatten en grondstoffen. Het is niet vereist dat de gewonnen materialen economisch kunnen worden gebruikt of dat een dergelijk gebruik wordt beoogd.
25.
Duitsland en de Commissie wijzen er ook terecht op dat de Engelse en de Franse taalversie van de MEB-richtlijn het begrip ‘extraction’ gebruiken5., dat nog minder dan het begrip ‘Gewinnung’ een economisch gebruik van de ontgonnen materialen impliceert. Er zijn geen taalversies waarvan de bewoordingen een testproductie uitsluiten.
26.
Dat enkel de ontginning voor commerciële bedrijfsdoeleinden wordt bedoeld, betekent evenmin dat een in het kader van een proefboring tot stand gebrachte testproductie in geen geval onder dit projecttype kan vallen. Aangezien de testproductie plaatsvindt om na te gaan of de commerciële productie van aardgas of aardolie mogelijk is, dient zij tevens commerciële doeleinden. Dit zou enkel anders zijn voor een testproductie die louter voor onderzoeksdoeleinden en niet ter voorbereiding van een economische activiteit wordt verricht.
27.
Oostenrijk en RAG stellen evenwel dat het begrip ‘Gewinnung’ in de mijnbouw en het mijnrecht enger wordt opgevat. Het heeft volgens hen alleen betrekking op de productie van grondstoffen, terwijl de onttrekking in het kader van een exploratie onder het opsporen daarvan valt. De wetgever heeft zich bij de vaststelling van bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn op deze mijnrechtelijke betekenis gebaseerd.
28.
Deze opvatting wordt bevestigd door de richtlijn betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten.6. Daarin wordt in artikel 2, punten 15 en 16, namelijk een onderscheid gemaakt tussen ‘exploratie’ en ‘productie’, waarbij laatstgenoemd begrip de winning van olie en gas omvat. A contrario is exploratie geen productie. Voor de vaststelling dat dit onderscheid ook voor de MEB-richtlijn relevant is, pleit ook het gegeven dat uit punt 16 van de considerans van eerstgenoemde richtlijn blijkt dat met name niet alle activiteiten in verband met olie- en gasexploratie onder de bestaande Unievoorschriften inzake inspraak bij de besluitvorming — daaronder begrepen die van de MEB-richtlijn — vallen.
29.
Ook uit de richtlijn betreffende mijnbouwafval7. kan een onderscheid tussen exploratie en productie worden afgeleid, aangezien artikel 3, punt 2, sub 1, van deze richtlijn het begrip ‘prospectie’ immers als het zoeken naar economisch winbare ertslagen definieert, tevens inhoudende bemonstering, bulkbemonstering, boren en graven, maar geen werkzaamheden in de ontwikkelingsfase voorafgaand aan de productiefase van dergelijke lagen, noch activiteiten die rechtstreeks met een bestaande winning verbonden zijn.
30.
Beide richtlijnen definiëren het opsporen dus apart, waar zij dit begrip in hun werkingssfeer betrekken. Bijgevolg kan ook met betrekking tot de MEB-richtlijn worden betwijfeld of de exploratie tot de productie kan worden gerekend, zonder dat dit uitdrukkelijk is bepaald.
31.
Niettemin is de in andere regelingen gehanteerde begripsafbakening niet bepalend voor de uitlegging van de projecttypen waarvan sprake is in de MEB-richtlijn. Aldus heeft het Hof het begrip ‘verwijdering van afvalstoffen’ in de MEB-richtlijn aldus uitgelegd dat het ook betrekking heeft op de nuttige toepassing van afval, terwijl de afvalrichtlijn een strikt onderscheid tussen deze beide begrippen maakt.8. Wanneer de begripsafbakening in andere regelingen niets van doen heeft met de gevolgen voor het milieu en de MEB-richtlijn niet uitdrukkelijk naar die andere regeling verwijst, moet een begrip van de MEB-richtlijn immers los van deze regeling en inzonderheid met inaanmerkingneming van de milieueffecten van het project worden uitgelegd.9. De definitie van het begrip ‘verwijdering van afvalstoffen’ in de MEB-richtlijn volgens de daaraan in de afvalrichtlijn gegeven betekenis zou er overigens toe leiden dat de nuttige toepassing van afval volledig van de toepassing van een milieueffectbeoordeling zou zijn uitgesloten.
32.
In casu is de situatie echter niet zo duidelijk als inzake het onderscheid dat tussen de verwijdering van afvalstoffen en de nuttige toepassing ervan wordt gemaakt. De milieueffecten van een permanente productie van aardgas en een testproductie bij wege van een proefboring verschillen op het eerste gezicht vooral wat de duur ervan betreft, alsook aangaande de infrastructuur voor het gebruik van het geproduceerde gas.
33.
Het kan weliswaar niet worden uitgesloten dat vooral boringen, die bij het opsporen en de productie niet wezenlijk verschillen, van belang zijn voor de impact op het milieu. Maar juist op dit punt bestaat er geen aanzienlijk verschil tussen boringen voor de productie van aardgas in de zin van bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn en andere diepboringen, die volgens artikel 4, leden 2 en 3, en bijlage II, punt 2, sub d, enkel aan een milieubeoordeling moeten worden onderworpen wanneer deze boringen aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben.10. Het feit dat boringen worden verricht, noopt bijgevolg niet noodzakelijkerwijs tot de aanname dat aardgas wordt gewonnen.
34.
Aangezien een exploratieboring in de regel hoogstwaarschijnlijk als een diepboring in de zin van de MEB-richtlijn zal worden verricht, hoeft het begrip ‘winning van aardgas’ niet ruimer te worden opgevat dan in het mijnbouwrechtelijke taalgebruik het geval is, teneinde de effecten ervan juist te kunnen beoordelen. Volgens Duitsland is de uitlegging van dit projecttype weliswaar onduidelijk omdat het begrip ‘diepboring’ niet is gedefinieerd, maar ook dit Unierechtelijk begrip kan niet eenzijdig door de lidstaten worden gespecificeerd, doch dient autonoom en met name tegen de achtergrond van de doelstellingen van de MEB-richtlijn te worden uitgelegd.
35.
Een extra systematisch argument om het opsporen van aardgas niet onder de productie ervan in te delen, blijkt uit de vermelding, bij de definitie van dit projecttype in bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn, van een per dag toe te passen drempelwaarde. Een per dag op te vatten bovengrens doet vermoeden dat de wetgever niet een kortstondige testproductie maar over langere perioden verrichte productieprojecten voor ogen had. Testproductieverrichtingen kunnen weliswaar meerdere dagen in beslag nemen duren, zoals blijkt uit de in deze zaak betwiste vergunning waarin de totale maximale productiehoeveelheid en de dagelijkse maximale productiehoeveelheid is vastgelegd, maar de testproductie van aardgas in het kader van een proefboring is niet van dezelfde aard als een duurzame testproductie.
36.
Tegen de achtergrond van deze argumenten kan de vaste rechtspraak volgens welke de MEB-richtlijn, wat de verplichting betreft om een milieueffectbeoordeling te verrichten, een ruime werkingssfeer heeft en een verregaand doel nastreeft11., evenmin tot een ander resultaat leiden.
37.
Derhalve dient de eerste vraag aldus te worden beantwoord dat een in tijd en hoeveelheid beperkte testproductie van aardgas die in het kader van een exploratieboring ter vaststelling van de winstgevendheid van een permanente winning van aardgas plaatsvindt, geen ‘commerciële winning van […] aardgas’ in de zin van bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn is.
B — Tweede vraag
38.
De tweede vraag beantwoord ik voor het geval dat het Hof het door mij voor de eerste vraag in overweging gegeven antwoord niet volgt. Het gaat om de vraag of bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn een nationale regeling toestaat die zich met betrekking tot het winnen van aardgas voor de toepassing van de in bijlage I, punt 14, vermelde drempelwaarde niet op de productie als zodanig maar wel op de ‘Förderung pro Sonde’, dus op de productie per afzonderlijk boorgat baseert.
39.
Uit de bewoordingen van bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn kan niet worden afgeleid dat de drempelwaarde zich beperkt tot de testproductie per boorgat. Alleen al daarom kan worden betwijfeld of deze voorwaarde verenigbaar is met de ruime werkingssfeer van de richtlijn en met het doel ervan.
40.
Bovendien mag de doelstelling van richtlijn 85/337 niet worden gefrustreerd door projecten op te splitsen, en het buiten beschouwing laten van het cumulatieve effect van verschillende projecten mag in de praktijk niet tot gevolg hebben dat projecten, hoewel zij in onderlinge samenhang beschouwd ‘aanzienlijke milieueffecten’ in de zin van artikel 2, lid 1, kunnen hebben, volledig aan de beoordelingsverplichting worden onttrokken.12.
41.
Weliswaar is zulks meestal vastgesteld met betrekking tot projecten die onder bijlage II van de MEB-richtlijn vallen13., maar ook projecten volgens bijlage I mogen niet aldus worden opgesplitst dat de verplichting om een milieueffectbeoordeling te verrichten, wordt omzeild.14. Zoals de Marktgemeinde terecht aanvoert, leidt een toetsing van de in bijlage I, punt 14, vastgestelde drempelwaarde die is beperkt tot de enkele testproductie per boorgat nu juist tot een dergelijke opsplitsing.
42.
Op het daartegen door RAG aangevoerde argument dat een dergelijke opsplitsing om economische redenen is uitgesloten, hoeft niet te worden ingegaan. In dat geval zou het immers geen verschil uitmaken indien ervan werd afgezien om de boorgaten afzonderlijk in aanmerking te nemen.
43.
Oostenrijk en RAG betogen weliswaar dat het Oostenrijkse recht, meer bepaald § 3, lid 2, van het UVP-Gesetz 2000, verlangt dat de cumulatieve effecten in aanmerking worden genomen, maar het Verwaltungsgerichtshof heeft deze bepaling niet in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing betrokken.
44.
Dat kan ook niet verrassen. De door Oostenrijk vastgestelde cumulatieregeling leidt immers, ingeval de drempelwaarde door meerdere projecten wordt bereikt, niet automatisch tot een milieueffectbeoordeling zoals door artikel 4, lid 1, en bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn wordt voorgeschreven. Veeleer wordt enkel een beoordeling verricht indien tevens wordt vastgesteld dat aanzienlijke schadelijke, storende of belastende effecten te verwachten zijn. De Oostenrijkse cumulatieregeling kan dus hoogstens als instrument voor de uitvoering van artikel 4, leden 2 en 3, en bijlage II worden beschouwd, waar die aanvullende vaststelling vereist is.
45.
Bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn staat dan ook in de weg aan een nationale regeling die met betrekking tot het winnen van aardgas voor de toepassing van de in dat punt vermelde drempelwaarde de productie per afzonderlijk boorgat (‘Förderung pro Sonde’) in aanmerking neemt.
C — Derde vraag
46.
Met de derde vraag wenst het Verwaltungsgerichtshof te vernemen welke andere projecten bij het onderzoek of een milieueffectbeoordeling dient te worden verricht, in aanmerking moeten worden genomen. Voor zover deze vraag bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn betreft, beantwoord ik ze eveneens slechts voor het geval dat het Hof bij de beantwoording van de eerste vraag tot een ander resultaat komt.
47.
Aangezien deze vraag enkel wordt gesteld voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, gaat het Verwaltungsgerichtshof er blijkbaar van uit dat de verplichting om een milieueffectbeoordeling te verrichten, enkel kan worden gebaseerd op artikel 4, lid 1, en bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn, dat de commerciële winning van aardgas met een hoeveelheid van meer dan 500 000 m3 aardgas per dag betreft (daarover sub 1 hieronder). Deze verplichting kan echter ook voortvloeien uit artikel 4, leden 2 en 3, en bijlage II, punt 2, sub d, van de richtlijn, ingeval de proefboring — ongeacht de productiehoeveelheid — als diepboring moet worden aangemerkt. Bijgevolg dient het Hof ook op dit aspect in te gaan, teneinde de rechterlijke instantie die de prejudiciële vraag heeft voorgelegd een bruikbaar antwoord te geven (daarover sub 2 hieronder).15.
1. De beoordelingsplicht met betrekking tot het winnen van aardgas
48.
Ingeval de testproductie van aardgas die in het kader van een proefboring plaatsvindt, als het winnen van aardgas moet worden aangemerkt, dient deze overeenkomstig artikel 4, lid 1, en bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn aan een beoordeling te worden onderworpen wanneer de geproduceerde hoeveelheid meer dan 500 000 m3 aardgas per dag bedraagt. Aangezien de gewonnen hoeveelheid niet op basis van het betrokken boorgat alleen kan worden beoordeeld, rijst de vraag hoe zij moet worden berekend.
49.
Volgens het Verwaltungsgerichtshof moet mogelijkerwijs rekening worden gehouden met alle op het grondgebied van de gemeente tot stand gebrachte boringen. Daarmee stelt het twee invalshoeken aan de orde die in dit verband van belang kunnen zijn, namelijk, ten eerste, de aanmerking te nemen soorten projecten of deelprojecten en, ten tweede, de afbakening van het gebied waarbinnen deze projecten relevant zijn. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met een derde invalshoek, te weten het tijdstip waarop de afzonderlijke deelprojecten worden uitgevoerd.
a) De relevante projecten dan wel deelprojecten
50.
De Marktgemeinde stelt zich op het standpunt dat, behalve met de verschillende boorgaten, ook rekening moet worden gehouden met de aardgasleidingen en de installaties voor de opslag van het aardgas.
51.
Deze stelling is echter niet overtuigend. Wanneer de verplichting tot het verrichten van een milieueffectbeoordeling wordt getoetst in het kader van bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn, kunnen aardgasleidingen en -opslaginfrastructuur niet als relevant worden beschouwd. Deze installaties worden in die bepaling niet genoemd. Zij kunnen er evenmin toe bijdragen dat de drempelwaarde wordt bereikt, aangezien met leidingen en opslagtanks geen aardgas wordt geproduceerd. Veeleer dient louter te worden onderzocht of de commerciële winning van aardgas de drempelwaarde van 500 000 m3 per dag overschrijdt, zodat — zoals ook Duitsland en Polen betogen — de via de boorgaten dan wel de boringen gewonnen hoeveelheid relevant is.
b) De territoriale afbakening
52.
Voorts rijst de vraag welke boorgaten bij de berekening van de geproduceerde hoeveelheid in aanmerking moeten worden genomen.
53.
Polen en de Commissie stellen terecht dat de beperking tot het door het Verwaltungsgerichtshof vermelde grondgebied van de gemeente geen geschikt criterium is. Een dergelijke administratieve afbakening van het gemeentelijke grondgebied stemt immers niet noodzakelijkerwijs overeen met de omvang van een project of de reikwijdte van de milieueffecten. Het grondgebied van de gemeente kan in dit verband te klein of te groot blijken te zijn. In voorkomend geval valt het ook slechts deels samen met het projectgebied.
54.
Aangezien de gewonnen hoeveelheid de rentabiliteit van het project weergeeft, overtuigt veeleer het Poolse voorstel om alle technologisch en geologisch met elkaar verbonden boringen in aanmerking te nemen. Duitsland beschrijft dit met het begrip ‘Förderstandort’ [plaats van de productie] en ook de Commissie gaat in die richting waar zij het ruimtelijke kader van het project functioneel definieert.
55.
De criteria betreffende de technologische en geologische samenhang van boringen op een bepaalde productieplaats kunnen in de onderhavige zaak niet nader worden gespecificeerd, aangezien de gegevens die daarvoor noodzakelijk zijn, ontbreken. Inzonderheid kan niet worden uitgemaakt of de stelling van RAG juist is dat elk boorproject op technologisch en geologisch gebied losstaat van alle andere projecten. Met betrekking tot die benadering moet er evenwel op worden gewezen dat de MEB-richtlijn een ruime werkingssfeer heeft en een verregaand doel nastreeft.16. De voorwaarden betreffende een technologische en geologische samenhang mogen dan ook niet te streng zijn, maar moeten de mogelijkheid bieden om de cumulatieve milieueffecten van boringen op passende wijze in aanmerking te nemen.
c) Het temporele aspect
56.
Rekening moet ten slotte ook worden gehouden met het in het verzoek om een prejudiciële beslissing niet ter sprake gebrachte temporele aspect. Voor de toepassing van bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn kunnen immers niet simpelweg de hoeveelheden worden opgeteld die op een productieplaats van technologisch en geologisch gelieerde proefboringen worden gewonnen.
57.
Zoals Duitsland opmerkt, kan de drempelwaarde van een productie van 500 000 m3 per dag ook bij een cumulatieve beoordeling van de boringen enkel worden bereikt, voor zover met deze boringen op hetzelfde tijdstip, dat wil zeggen op dezelfde dag, aardgas wordt geproduceerd.
58.
Zoals uit de eerste vraag blijkt, is de testproductie in het kader van een proefboring echter niet enkel beperkt inzake hoeveelheid, maar ook in de tijd. Zelfs bij een groot aantal proefboringen lijkt het dan ook onwaarschijnlijk dat met verschillende van deze bij wege van exploratie verrichte boringen tegelijkertijd aardgas wordt geproduceerd. Indien deze vaststelling juist is, lijkt het niet vereist dat de proefboringen met elk een maximaal toegestane gewonnen hoeveelheid van 250 000 m3 per dag — zelfs samen bezien met andere proefboringen — de drempelwaarde van 500 000 m3 per dag bereiken. Het lijkt daarentegen wel mogelijk dat de toegestane gewonnen hoeveelheid van een proefboring de drempelwaarde bereikt samen met reeds bestaande productieboringen. Daarvoor moet wel de voorwaarde zijn vervuld dat er een technologische en geologische band tussen die boringen bestaat. Het staat aan de verwijzende rechter of aan de bevoegde instanties om dit in de onderhavige zaak concreet te beoordelen.
d) Voorlopige conclusie
59.
Derhalve moet op de derde vraag worden geantwoord dat ter beoordeling van de vraag of bij een project voor de commerciële winning van aardgas de in bijlage I, punt 14, van de MEB-richtlijn vastgestelde drempelwaarde van een productie van 500 000 m3 per dag is overschreden en dit project bijgevolg aan een milieubeoordeling dient te worden onderworpen, de gelijktijdige productie van alle op een bepaalde productieplaats verrichte, technologisch en geologisch met elkaar samenhangende boringen in aanmerking moet worden genomen.
2. De beoordelingsplicht met betrekking tot diepboringen
60.
De verplichting om een milieubeoordeling te verrichten kan echter ook uit artikel 2, lid 1, en artikel 4, leden 2 en 3, van de MEB-richtlijn voortvloeien, aangezien een proefboring op een boordiepte van meer dan 4 000 meter — ongeacht de gewonnen hoeveelheid — in elk geval als een diepboring in de zin van bijlage II, punt 2, sub d, moet worden aangemerkt.
61.
Volgens artikel 4, lid 2, van de MEB-richtlijn bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben — door middel van een onderzoek per geval of aan de hand van de door hen vastgestelde drempelwaarden of criteria — of een dergelijk project al dan niet aan een milieubeoordeling moet worden onderworpen.
62.
Het is juist dat artikel 4, lid 2, van de MEB-richtlijn de lidstaten met betrekking tot de vaststelling van drempelwaarden of criteria ter bepaling of een dergelijk project aan een milieubeoordeling moet worden onderworpen, enige beoordelingsruimte laat. Deze marge wordt evenwel begrensd door de in artikel 2, lid 1, vastgestelde verplichting om voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, hoe dan ook de effecten ervan te beoordelen.17.
63.
Bijgevolg kan de verplichting om een milieueffectbeoordeling te verrichten, rechtstreeks uit artikel 2, lid 1, en artikel 4, leden 2 en 3, van de MEB-richtlijn, juncto bijlage II bij deze richtlijn voortvloeien, indien het project onder deze bijlage valt en aanzienlijke milieueffecten kan hebben.18. Tevens moeten de nationale instanties waarbij een aanvraag voor een vergunning voor een onder bijlage II bij deze richtlijn vallend project is ingediend, specifiek onderzoeken of op basis van de criteria in bijlage III bij de richtlijn19. een milieueffectbeoordeling moet worden verricht.20. Bovendien moeten de belanghebbende particulieren, evenals overigens de andere betrokken nationale autoriteiten, de naleving van deze op de bevoegde instantie rustende verificatieverplichting kunnen doen verzekeren, zo nodig via de rechter.21.
64.
Voor de beoordeling of een diepboring aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bevat artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn reeds een aantal aanwijzingen. Volgens deze bepaling betreft de beoordelingsplicht namelijk projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, met name gelet op hun aard, omvang of ligging. Niet alleen de geproduceerde hoeveelheid is dus relevant, maar ook de andere kenmerken van een project moeten in aanmerking worden genomen, inzonderheid de plaats ervan.22.
65.
Bijgevolg kan niet worden uitgesloten dat, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het concrete geval, zoals het type boring of de kwetsbaarheid van het getroffen grondgebied, zelfs één enkele diepboring aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
66.
Zeker bij projecten van bijlage II geldt daarenboven dat de niet-inaanmerkingneming van de cumulatieve werking van meerdere projecten er in de praktijk niet toe mag leiden dat die projecten samen aan elke milieueffectbeoordeling worden onttrokken, hoewel zij — in hun geheel bezien — een aanzienlijk milieueffect in de zin van artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn kunnen hebben.23. Volgens bijlage III, punten 1 en 2, eerste streepje, moeten bij de beoordeling van dergelijke projecten immers in het bijzonder de cumulatieve gevolgen met andere projecten en het bestaande grondgebruik in overweging worden genomen.
67.
Derhalve moet bij de beoordeling of een project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, ook rekening worden gehouden met installaties die niet steeds met een project van dit type verband houden, maar waarvoor dat wel het geval is in de betrokken zaak.
68.
De voornaamste cumulatieve milieueffecten die bij de beoordeling van een diepboring in aanmerking moeten worden genomen, zijn die van andere diepboringen, inzonderheid die welke technologisch en geologisch verbonden zijn met de te beoordelen boring die op een bepaalde productiestandplaats plaatsvindt.
69.
Bovendien heeft het Hof op dezelfde gronden vastgesteld dat ter beoordeling of een project betreffende het ‘[…] transport van elektrische energie via bovengrondse leidingen’ in de zin van bijlage II, punt 3, sub b, van de MEB-richtlijn aanzienlijke milieueffecten kan hebben, ook een uitbreiding van de aangesloten inrichtingen relevant kan zijn, voor zover het bevoegde gerecht vaststelt dat deze uitbreiding deel uitmaakt van een project dat het transport van elektrische energie betreft.24.
70.
Hetzelfde geldt in het hoofdgeding voor aardgasleidingen, aardgasopslaginstallaties en andere infrastructuur. Het bevoegde gerecht of de bevoegde instanties moeten nagaan of deze inrichtingen tot hetzelfde project als de proefboringen behoren. Dat lijkt niet het geval wanneer de proefboring niet aan de aardgasleiding of de opslaginstallatie wordt aangesloten. Niettemin kan het niet worden uitgesloten dat de proefboring met name ook wordt verricht omdat de aanwezigheid van gas in geval van succes gemakkelijk kan worden benut wegens de bestaande infrastructuur.
71.
Voorts moet bij het eerste onderzoek ook worden geverifieerd of de milieueffecten van de proefboringen, gelet op de gevolgen van andere projecten op die plaats of in de omgeving, zoals de impact van reeds bestaande aardgasleidingen of opslaginstallaties, mogelijkerwijs zwaarder doorwegen dan bij het ontbreken daarvan.
72.
Ten slotte moet er in het licht van het betoog van de Marktgemeinde aan worden herinnerd dat tevens sprake kan zijn van de verplichting om de milieueffectbeoordeling alsnog in het kader van een latere aanvraag voor een vergunning te verrichten. Ingeval namelijk zou blijken dat sedert de inwerkingtreding van de MEB-richtlijn materiële werken of ingrepen zijn verricht die als een project in de zin van deze richtlijn hadden moeten worden aangemerkt en waarvoor een milieueffectbeoordeling had moeten worden verricht, zonder dat de milieueffecten van dit project in een eerdere fase van de vergunningsprocedure aan een beoordeling zijn onderworpen, geldt de verplichting om daarmee rekening te houden bij de afgifte van een latere vergunning en de nuttige werking van de richtlijn te verzekeren door die beoordeling althans in die fase te verrichten.25. Voor een proefboring geldt dit in elk geval steeds wanneer deze boring technologisch en geologisch verbonden is met het eerdere project op een bepaalde productieplaats, dan wel samen met de overige — voordien tot stand gebrachte — infrastructuur één enkel gezamenlijk project vormt.
73.
Bijgevolg moet op het tweede deel van de derde vraag worden geantwoord dat ter beoordeling van de vraag of een diepboring aanzienlijke milieueffecten kan hebben in de zin van artikel 2, lid 1, en artikel 4, leden 2 en 3, juncto bijlage II, punt 3, sub b, van de MEB-richtlijn en deze boring derhalve aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen, onder meer rekening moet worden gehouden met alle andere technologisch en geologisch gelieerde boringen op een bepaalde productiestandplaats, met de effecten van alle andere installaties die verband houden met de boringen die van eenzelfde project deel uitmaken, alsook met de cumulatieve effecten van die boring met andere projecten op die plaats of in de omgeving.
V — Conclusie
74.
Ik geef het Hof dan ook in overweging het verzoek om een prejudiciële beslissing te beantwoorden als volgt:
- 1)
Een in tijd en hoeveelheid beperkte testproductie van aardgas die in het kader van een exploratieboring ter vaststelling van de winstgevendheid van een permanente winning van aardgas plaatsvindt, is geen ‘commerciële winning van […] aardgas’ in de zin van bijlage I, punt 14, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31/EG.
- 2)
Ter beoordeling van de vraag of een diepboring aanzienlijke milieueffecten kan hebben in de zin van artikel 2, lid 1, en artikel 4, leden 2 en 3, juncto bijlage II, punt 3, sub b, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31, en deze boring derhalve aan een milieueffectbeoordeling dient te worden onderworpen, moet onder meer rekening worden gehouden met alle andere technologisch en geologisch gelieerde boringen op een bepaalde productiestandplaats, met de effecten van alle andere installaties die verband houden met de boringen die van eenzelfde project deel uitmaken, alsook met de cumulatieve effecten van die boring met andere projecten op die plaats of in de omgeving.
75.
Voor het geval dat het Hof bij de beantwoording van de eerste vraag tot een ander resultaat komt, moet het hierboven sub 2 in overweging gegeven antwoord sub 4 worden verstrekt en dienen de tweede vraag en het eerste deel van de derde vraag te worden beantwoord als volgt:
- 2)
Bijlage I, punt 14, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31, staat in de weg aan een nationale regeling die met betrekking tot het winnen van aardgas voor de toepassing van de in dat punt vermelde drempelwaarde de productie per afzonderlijk boorgat (‘Förderung pro Sonde’) in aanmerking neemt.
- 3)
Ter beoordeling van de vraag of bij een project voor de commerciële winning van aardgas de drempelwaarde van 500 000 m3 per dag die in bijlage I, punt 14, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/31, is vastgesteld, is overschreden en dit project bijgevolg aan een milieubeoordeling dient te worden onderworpen, moet de gelijktijdige productie van alle op een bepaalde productieplaats verrichte, technologisch en geologisch gelieerde boringen in aanmerking worden genomen.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑10‑2014
Oorspronkelijke taal: Duits.
Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40) in de versie van richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 140, blz. 114). Richtlijn 2011/92 (PB. 2012 L 26, blz. 1) heeft de MEB-richtlijn geconsolideerd en recentelijk werd deze op een aantal punten gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU (PB L 124, blz. 1).
Er zijn al ongeveer 100 arresten en beschikkingen waarin sprake is van deze richtlijn.
Arresten Linster (C-287/98, EU:C:2000:468, punt 43), Umweltanwalt von Kärnten (C-205/08, EU:C:2009:767, punt 48) en Edwards (C-260/11, EU:C:2013:221, punt 29).
Hetzelfde stamwoord is terug te vinden in de Spaanse (‘extracción’), de Italiaanse (‘estrazione’), de Maltese (‘l-estrazzjoni’), de Portugese (‘extracção’) en de Roemeense (‘extracţia’) taalversie. Grote gelijkenis bestaat er ook met de Bulgaarse (‘дoбиbаhoTo’) en de Hongaarse (‘kitermelése’) taalversie.
Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PB L 178, blz. 66).
Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PB L 102, blz. 15).
Arrest Commissie/Italië (Massafra, C-486/04, EU:C:2006:732, punt 44).
Arrest Commissie/Italië (Massafra, C-486/04, EU:C:2006:732, punten 42 en 43).
Zie in dit verband punt 60 en volgende van deze conclusie.
Arresten Kraaijeveld e.a. (C-72/95, EU:C:1996:404, punt 31), WWF e.a. (C-435/97, EU:C:1999:418, punt 40), Commissie/Spanje (C-227/01, EU:C:2004:528, punt 46), Commissie/Italië (C-486/04, EU:C:2006:732, punt 37), Abraham e.a. (C-2/07, EU:C:2008:133, punt 32), Ecologistas en Acción-CODA (C-142/07, EU:C:2008:445, punt 28), Umweltanwalt von Kärnten (C-205/08, EU:C:2009:767, punt 48), Brussels Hoofdstedelijk Gewest e.a. (C-275/09, EU:C:2011:154, punt 29), Commissie/Spanje (C-404/09, EU:C:2011:768, punt 79), Commissie/Spanje (C-560/08, EU:C:2011:835, punt 103), en Iberdrola Distribución Eléctrica (C-300/13, EU:C:2014:188, punt 22), alsook beschikking Aiello e.a. (C-156/07, EU:C:2008:398, punt 33).
Arresten Commissie/Ierland (C-392/96, EU:C:1999:431, punt 76), Abraham e.a. (C-2/07, EU:C:2008:133, punt 27), en Commissie/Spanje (C-560/08, EU:C:2011:835, punt 98).
Bovenop de in voetnoot 12 aangehaalde arresten geldt dit ook voor de arresten Ecologistas en Acción-CODA (C-142/07, EU:C:2008:445, punt 44), Brussels Hoofdstedelijk Gewest e.a. (C-275/09, EU:C:2011:154, punt 36), en Salzburger Flughafen (C-244/12, EU:C:2013:203, punt 37).
Arresten Commissie/Spanje (C-227/01, EU:C:2004:528, punt 53), Umweltanwalt von Kärnten (C-205/08, EU:C:2009:767, punt 53), en Iberdrola Distribución Eléctrica (C-300/13, EU:C:2014:188, punt 24).
Arresten Teckal (C-107/98, EU:C:1999:562, punt 39), Abraham e.a. (C-2/07, EU:C:2008:133, punt 24), en Bonnier Audio e.a. (C-461/10, EU:C:2012:219, punt 47).
Zie punt 36 van deze conclusie.
Arresten Kraaijeveld e.a. (C-72/95, EU:C:1996:404, punt 50), WWF e.a. (C-435/97, EU:C:1999:418, punt 36), en Salzburger Flughafen (C-244/12, EU:C:2013:203, punt 29).
Arresten Kraaijeveld e.a. (C-72/95, EU:C:1996:404, punt 61), Wells (C-201/02, EU:C:2004:12, punt 65), en Salzburger Flughafen (C-244/12, EU:C:2013:203, punt 41–43).
Zie ook arrest Salzburger Flughafen (C-244/12, EU:C:2013:203, punt 32).
Arrest Mellor (C-75/08, EU:C:2009:279, punt 51).
Arrest Mellor (C-75/08, EU:C:2009:279, punt 58). De draagwijdte van dit recht is met betrekking tot Oostenrijk aan de orde in de nog aanhangige zaak C-570/13.
Arrest Abraham e.a. (C-2/07, EU:C:2008:133, punt 38).
Zie de punten 40 en 43 van deze conclusie.
Arrest Iberdrola Distribución Eléctrica (C-300/13, EU:C:2014:188, punt 29).
Arrest Brussels Hoofdstedelijk Gewest e.a. (C-275/09, EU:C:2011:154, punt 37).