De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/10.1:10.1 Inleiding
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/10.1
10.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS392822:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek heeft de woon- en vestigingsplaats bezien vanuit de regels voor de plaats van dienst centraal gestaan. Hoewel in een algemene verbruiksbelasting als de omzetbelasting heffing over diensten niet achterwege kan blijven, is oorspronkelijk weinig aandacht besteedt dienstverlening in de omzetbelasting. Door technologische en maatschappelijke ontwikkelingen is de belangstelling voor dienstverlening toegenomen wat in Europees verband heeft geleid tot de wijziging van de regels voor de plaats van dienst met ingang van 1 januari 2010. Als gevolg van deze wijziging moet de dienstverrichter meer dan voorheen het geval was, vaststellen waar zijn afnemer is gevestigd. Dat betekent dat voldoende duidelijkheid moet bestaan over de invulling van de woon- en vestigingsplaats. Daarnaast is een uniforme invulling van de woon- en vestigingsplaats in de EU-lidstaten van groot belang. De regels voor de plaats van dienst verdelen de heffingsbevoegdheden tussen lidstaten. Als een begrip in deze regels niet door alle lidstaten op gelijke wijze wordt uitgelegd kunnen situaties van dubbele heffing en niet-heffing ontstaan die ongewenst zijn.
De vestigingsplaats wordt in de regels voor de plaats van dienst onderverdeeld in vier vormen: de zetel van bedrijfsuitoefening, de vaste inrichting, de woonplaats en de gebruikelijke verblijfplaats. Daarbij vormen de twee laatstgenoemde restcriteria. Zij komen pas aan bod bij gebreke van een zetel van bedrijfsuitoefening of vaste inrichting. De andere twee, zetel van bedrijfsuitoefening en vaste inrichting, vormen twee gelijkwaardige criteria waarbij diensten kunnen worden toegerekend aan elk van deze vestigingen afzonderlijk. In dit onderzoek is allereerst ingegaan op de invulling van deze vier vestigingsplaatsvormen en hoe hun onderlinge relatie is bij de toepassing van de regels voor de plaats van dienst. Dit is onderzocht door de vier vestigingsplaatsvormen en hun onderlinge relatie bij de toepassing van de regels voor de plaats van dienst in verband te brengen met het rechtskarakter van de omzetbelasting en haar heffingssystematiek evenals het neutraliteitsbeginsel. Het rechtskarakter geeft de doelstelling van de belasting weer. Door de heffingssystematiek van de omzetbelasting, de indirecte wijze van heffing, moeten echter concessies worden gedaan aan deze doelstelling. Zo kan heffing in het land van verbruik niet altijd worden bereikt doordat de belasting praktisch uitvoerbaar moet zijn voor belastingplichtige en belastingdienst. De eerste probleemstelling van dit onderzoek luidt dan ook:
“Hoe dienen de vier vestigingsplaatsvormen te worden ingevuld en hoe dient hun onderlinge relatie te zijn bij toepassing van de regels voor de plaats van dienst, zodat deze in overeenstemming zijn met het rechtskarakter van de omzetbelasting en het neutraliteitsbeginsel rekening houdend met de heffingssystematiek van de omzetbelasting?”
Vervolgens is aandacht besteedt aan de bijzondere positie die een ondernemer met verscheidene vestigingen inneemt in de omzetbelasting. Wanneer een vestiging een prestatie afneemt die eigenlijk is bestemd voor een andere vestiging, komen, naast de vraag welke vestiging bij toepassing van de regels voor de plaats van dienst als aanknopingspunt moet worden gezien, vragen op als:
Moeten tussen beide vestigingen belastbare prestaties worden aangenomen om de heffing van omzetbelasting in goede banen te leiden?
Hoe moet het recht op aftrek van voorbelasting voor deze afgenomen prestatie worden bepaald?
De tweede probleemstelling van dit onderzoek is daarom:
“Hoe dient te worden omgegaan met kostendoorbelastingen, door vestigingen onderling tegen vergoeding verrichte werkzaamheden en het recht op aftrek van voorbelasting van een ondernemer met verscheidene vestigingen in verschillende landen?”
In dit onderzoek heeft allereerst het positieve recht centraal gestaan. Onder het positieve recht versta ik het geldende recht, zoals dit in wet- en regelgeving is opgenomen en door de rechters is uitgelegd, zodanig dat het vast staat. Daar waar het positieve recht nog invulling behoeft, omdat het niet volledig duidelijk is, moet worden gesproken van een wenselijke invulling van het positieve recht. Van wenselijk recht is sprake indien voor een van het geldende recht afwijkende benadering wordt gekozen. Het wenselijke recht is in dit onderzoek aan de orde gekomen nadat aandacht is besteed aan het positieve recht. Op deze wijze is getracht een voor de praktijk van belang zijnd antwoord op de probleemstellingen te vinden en een wetenschappelijke kritische beschouwing van dit positieve recht te geven. In dit hoofdstuk worden de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken samengevat en per probleemstelling samengebracht. Eerst wordt daarbij het positieve recht en de wenselijke invulling daarvan behandeld. Vervolgens komt het wenselijke recht aan de orde.