Asser Procesrecht 11 Faillissement
Einde inhoudsopgave
Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/373:373 Verhouding tot het Burgerlijk Wetboek.
Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/373
373 Verhouding tot het Burgerlijk Wetboek.
Documentgegevens:
prof. mr. F.M.J. Verstijlen, datum 31-12-2024
- Datum
31-12-2024
- Auteur
prof. mr. F.M.J. Verstijlen
- JCDI
JCDI:BSD12786:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dat blijkt er bijvoorbeeld uit dat de wetgever het nodig vond art. 6:136 BW buiten toepassing te verklaren.
MvT, Van der Feltz I, p. 462. Zie ook Molengraaff & Star Busmann, De Faillissementswet 1951, p. 258, Völlmar, Het Nederlandse handels- en faillissementsrecht 1961, nr. 72 en Polak & Polak, Handboek 1972, p. 171.
Zie HR 27 mei 1988, NJ 1988/964, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Amsterdam-Rotterdam Bank/Den Hollander q.q. en Scherpenhuijsen q.q.).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De regeling in de Faillissementswet bouwt voort op die in het Burgerlijk Wetboek. Als zodanig heeft zij een beperkte strekking. De gemeenrechtelijke bepalingen van art. 6:127 en verder BW blijven van toepassing, voor zover er niet van wordt afgeweken.1 Het bijzondere regime in de Faillissementswet beoogt slechts de wederpartij van de gefailleerde tegemoet te komen; niet (de curator van) de schuldenaar, die aangewezen is op art. 6:127 en verder BW.2Art. 53 en verder Fw zien ook niet op boedelschulden, die niet aan het faillissementsregime zijn onderworpen.3