HR, 03-03-2017, nr. 16/03134
ECLI:NL:HR:2017:352
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-03-2017
- Zaaknummer
16/03134
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑03‑2017
ECLI:NL:HR:2017:352, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑03‑2017; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2016:3582, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
NLF 2017/0498 met annotatie van Peter van der Muur
BNB 2017/104 met annotatie van J.C. VAN STRAATEN
Belastingblad 2017/135 met annotatie van J.P. Kruimel
Jurisprudentie Grondzaken 2017/150 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
NTFR 2017/623 met annotatie van mr. R. van den Berg MRE
FutD 2017-0542
Viditax (FutD) 2017030305
Beroepschrift 03‑03‑2017
Edelhoogachtbare heer/vrouwe griffier,
Hierbij stelt [X], wonende te [Z], verder te noemen belanghebbende, in beroep in cassatie aan de Hoge Raad der Nederlanden de navolgende gronden en middelen van cassatie voor tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2016 met zaaknummers 15/00376 ([…-STR.1]) en 15/00377 ([B-STR.1]), gewezen tussen hemzelf en de Heffingsambtenaar van de gemeente Bellingwedde, verder te noemen verweerder, waarbij belanghebbende zich laat vertegenwoordigen door ondergetekende, [A] ingevolge aangehechte machtiging van belanghebbende.
Inleiding OZB-heffing van bloot-eigenaar zaaknr 15/00377:
Per eigendomstoestand naar peildatum 1 januari 2013 heeft verweerder van belanghebbende, Onroerend Zaak Belasting over het jaar 2013 geheven over een beklemd perceel met opstallen, waarvan belanghebbende (bloot-)eigenaar is.
Belanghebbende is eigenaar van dat perceel grond in de gemeente [Z], op welk perceel een recht van beklemming rust, dat blijkens de vermelding in het kadaster onverdeeld toekomt aan de zes erven [B] Deze vermelding is vanaf de akte toedeling van de Ruilverkaveling Vriescheloo tot in ieder geval 9 april 2015 (datum overgelegd kadastraal uittreksel) ongewijzigd gebleven en stond ook per peildatum 1 januari 2013 ingeschreven.
Het (bloot) eigendomsrecht van het perceel werd op 16 augustus 2012 aan belanghebbende geleverd tegen de koopsom van € 5,00.
Van de in het Kadaster ingeschreven beklemde meiers heeft het Hof terecht vastgesteld dat mag worden aangenomen dat zij allen zijn overleden. Aan belanghebbende en aan verweerder is onbekend wie de erfgenamen van de in het Kadaster ingeschreven beklemde meiers zijn.
Kenmerkend aan het recht van beklemming is, dat het een overdraagbaar beperkt zakelijk recht betreft, dat de beklemde meier het exclusieve recht op gebruik van de grond toekomt, dat hij de grond van opstallen (woning en bedrijfsgebouwen) mag voorzien, dat de opstallen de beklemde meier in eigendom toebehoren en dat alle publiekrechtelijke lasten ten laste van de beklemde meier komen. Tegenover het recht van beklemming staat dat de beklemde meier jaarlijks een vast onveranderlijk bedrag aan beklemhuur betaalt aan de eigenaar in beklemrechtelijke zin en dat de eigenaar bij wijzigingen in de persoon van de beklemde meier bepaalde gebeurtenissen een ‘geschenk’ toekomt (meestal een bedrag ter hoogte van één jaar beklemhuur, te betalen door de verkoper en/of de koper, c.q. de erfgenaam van het recht van beklemming. Bij beëindiging van het recht van beklemming komt de meier een vergoeding voor zijn opstallen toe, waarvan de hoogte afhankelijk is van wie initiator tot beëindiging is, eigenaar of meier.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dat belanghebbende het genot van de zaak heeft en dat de WOZ-waardering ten aanzien van hem, belanghebbende terecht is genomen, dat hij dientengevolge terecht is aangeslagen voor de OZB over het jaar 2013, waartegen belanghebbende opkomt.
De vestigingsakte van het recht van beklemming van 27 september 1875 omvat een bepaling omtrent het einde van het recht van beklemming na wanbetaling.
Belanghebbende voert tegen de uitspraak van het Gerechtshof de navolgende gronden en middelen aan, welke zowel op zichzelf als in hun onderlinge samenhang zijn te beschouwen:
Middel I:
Het Hof heeft niet dan wel onvoldoende gerespondeerd op de hoger-beroepsgrond tegen de uitspraak van de Rechtbank dat betreffende de vraag aan wie het genot van de zaak in verband met de heffing toekomt, aan de eigenaar dan wel aan de in het kadaster vermelde beklemde meier als beperkt gerechtigde, uitsluitend de kadastrale informatie per peildatum, zijnde 1 januari 2013, bepalend is. Immers, het Hof heeft niet uitdrukkelijk vastgesteld dat de in het kadaster vermelde beperkt gerechtigden geen genothebbende krachtens beperkt recht zijn, hetgeen ingevolge art. 220b, lid 2, GemW is vereist voor toepassing van de uitzondering dat van het kadastrale basisregistratie mag worden afgeweken omtrent de persoon van de belastingplichtige. De rechtsoverwegingen waarin het Hof overweegt dat belanghebbende wèl feitelijk genothebbende van de zaak is, kunnen deze omissie niet verhelen.
Middel II:
Het Hof heeft onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, op welke gronden het Hof onder vaststaande feiten, sub 2.4 heeft vastgesteld en daaraan kennelijk in r.o. 4.3. heeft gerefereerd: ‘Tussen partijen staat vast dat de huur al vele jaren niet wordt voldaan, en in ieder geval gedurende meer dan drie jaar voor 1 januari 2013’.
Immers, Het Hof heeft uit de akte van levering van de beklemde grond aan belanghebbende, die in hoger beroep door belanghebbende is geproduceerd, geen uitsluitsel daaromtrent kunnen afleiden: de leveringsakte vermeldt enkel dat de jaarhuur gedurende meerdere jaren niet is betaald. Het Hof miskent dat belanghebbende vóór 1 januari 2013 niet op grond van de leveringsakte over de wetenschap beschikte dat de jaarhuur langer dan drie jaren onbetaald was of zou zijn gebleven. Hij was immers eerst op grond van de leveringsakte van 16 augustus 2012 eigenaar van het beklemde perceel.
Belanghebbende had de grond op dat moment nog te kort in eigendom om te kunnen weten hoe lang de jaarhuur onbetaald was gebleven. Het Hof liet ten onrechte na te vermelden waarom het af ging op een door verweerder gestelde mededeling omtrent de duur van het onbetaald blijven van de jaarhuur, zonder dat verweerder aan het Hof enig bewijs van deze stelling omtrent de duur van het onbetaald blijven van de jaarhuur heeft ingebracht. Het Hof heeft ten onrechte de duur van het onbetaald blijven van de jaarhuur vastgesteld op ‘tenminste drie jaar voor 1 januari 2013’, terwijl partijen zich niet gemotiveerd omtrent het ‘gedurende tenminste drie jaar’ onbetaald blijven hebben uitgelaten, noch in hun stellingen, noch door bewijsstukken, noch ter zitting. In bezwaar heeft een hoorzitting niet plaatsgehad. In de bezwaarfase heeft verweerder met gemachtigde van belanghebbende zelfs nimmer inhoudelijk contact gehad of gemachtigde zelfs maar uitgenodigd voor enige bespreking of mondelinge behandeling. Blijkens het verweerschrift in beroep en het verhandelde ter zitting in hoger beroep zou er contact zijn geweest tussen verweerder en belanghebbende in persoon. Het Hof miskent daarbij dat eventuele mededelingen die voort zouden spruiten uit enig contact van de heffingsambtenaar of diens taxateur met belanghebbende buiten de gemachtigde om, nimmer aan (het bewijs van) de vaststelling van de duur van het onbetaald zijn van de jaarhuur kunnen en mogen bijdragen.
Redenen waarom de uitspraak van het Hof op onbegrijpelijke wijze is gemotiveerd en niet in stand kan blijven.
Middel III
III-1.
Het Hof heeft niet, dan wel onvoldoende uitdrukkelijk gemotiveerd, casu quo in strijd met het recht gerespondeerd op de gronden dat voor het beëindigen of vervallen van het recht van beklemming op grond van onbetaalde tegenprestatie tenminste enige rechtshandeling van de zijde van belanghebbende als eigenaar is vereist. Te denken valt aan het inroepen van het eindigen of het beëindigd zijn van het recht van beklemming per deurwaardersexploit. Het Hof overwoog immers zonder nadere motivering dat zijn vaststelling van het gedurende meer dan drie jaren onbetaald blijven van de jaarhuur in verband met de bepaling in de overeenkomst (r.o. 2.3): ‘Indien de meijer drie achtereenvolgende jaren huur ten achteren is, zal de beklemming weder aan den eigenaar zijn vervallen met alles wat zich op den grond bevindt zonder enige uitzondering’, in 's Hofs visie tot gevolg heeft dat het onderhavige recht van beklemming van rechtswege is vervallen (r.o. 4.6, laatste zin), zulks ten onrechte. In het gewoonterecht dat het beklemrecht beheerst, is thans niet meer onomstreden dat de eigenaar na wanbetaling het recht van beklemming caduceert (dat is: vervallen verklaart.) (Asser-Beekhuis II Zakenrecht, 1977, blz. 244–245). Beekhuis gaat er anno 1977 kennelijk impliciet vanuit dat er een rechtshandeling van de eigenaar, het caduceren, is vereist voor de vervallen-verklaring van een recht van beklemming en dat geen verval van rechtswege intreedt.
III-2.
's Hofe overwegingen aangaande het beëindigd zijn van het recht van beklemming zijn niet verenigbaar met het recht. Dat de inhoud van het recht van beklemming door gewoonterecht wordt bepaald door de beklembrief (vóór het BW van 1838) dan wel door het wettelijk regiem en de daarbinnen passende voorwaarden van beklemming in de notariële vestigingsakte van de beklemming (BW van 1838 tot en met 1991), houdt niet in dat het Hof met rechtsontwikkelingen sedertdien geen rekening behoefde te houden. Het wettelijk regiem bepaalde immers dat het beklemrecht wordt beheerst door gewoonterecht, dat naar zijn aard ongeschreven is, welk gewoonterecht ook thans nog bepalend is voor het beklemrecht (art. 1654 BW (oud) juncto art. 150 Overgangswet nieuw BW) waarbij geldt ‘dat ook een door het gewoonterecht beheerst (oudvaderlands) zakelijk recht zich in beginsel leent voor verdere ontwikkeling op grond van zich wijzigende maatschappelijke omstandigheden’ (HR 1 juli 1994 nr 15277, NJ 1995, 547, r.o. 3.3.3).
Het Hof heeft ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de (rechts-)ontwikkelingen en maatschappelijke ontwikkelingen, althans heeft het Hof daarvan geen blijk gegeven, als daar zijn:
- a.
rechtsontwikkelingen in het ongeschreven recht, waaronder het gewoonterecht
- b.
rechtsontwikkelingen op het gebied van eigendoms- en bezitsbescherming, waaronder art. 1, Eerste Protocol EVRM
- c.
de invoering van de Boeken 3,5 en 6 Nieuw BW per 1 januari 1992, welke invoering voor het beklemrecht waar mogelijk noopt tot analogische toepassing van de wetsregels waarin voor de beëindiging van het recht van erfpacht en van het recht van opstal beschermende bepalingen voor de beperkt gerechtigde zijn opgenomen die het van rechtswege eindigen van deze beperkte zakelijke rechten na ommekomst van de overeengekomen tijdsduur verhinderen, evenals het van rechtswege eindigen van de zakelijke rechten na onbetaald blijven van de canon dan wel de retributie.
III-3.
Het Hof miskent dat niet met het recht verenigbaar is dat een recht van beklemming vervalt of eindigt door de enkele vaststelling van de belastingrechter op de stelling van een derde (te weten: verweerder), dat er gedurende tenminste drie jaren geen beklemhuur is betaald door de beklemde meiers, zulks terwijl de enigszins vergelijkbare beperkt zakelijke rechten erfpacht en opstal uitsluitend na een daartoe strekkende rechtshandeling van de meest gerede —bij het betreffende recht betrokken— partij op termijn kunnen eindigen. Het recht van beklemming is immers van oudsher een —in een aantal opzichten— sterker ‘beperkt zakelijk recht’ dan het recht van erfpacht respectievelijk het recht van opstal.
III-4.
Het Hof verbindt aan zijn constatering in r.o 2.4: ‘Tussen partijen staat vast dat de huur al vele jaren niet wordt voldaan, en in ieder geval gedurende meer dan drie jaar voor 1 januari 2013’ en (r.o. 4.5) ‘uit de zojuist vermelde feiten en omstandigheden vloeit voort …’ ten onrechte het gevolg dat het recht van beklemming van rechtswege is vervallen (impliciet r.o. 4.6, laatste zin) en (r.o. 4.5) ‘dat belanghebbende het feitelijk genot heeft van de grond, in ieder geval zolang zich niemand bij hem aandient met een aanspraak op het gebruik van de grond uit het beklemrecht’. Deze rechtsoverwegingen berust op een motivering die de uitspraak niet kan dragen, aangezien het Hof niet heeft vastgesteld dat de huur gedurende drie achtereenvolgende jaren onbetaald is gebleven, hetgeen ingevolge de door het Hof (sub 2.3.) aangehaalde voorwaarde uit de vestigingsakte van de beklemming is vereist voor het (van rechtswege) vervallen van het betreffende recht van beklemming.
III-5.
Niet met het recht verenigbaar is dat het Hof op de door belanghebbende bestreden stelling van verweerder (r.o. 4.4) ‘dat belanghebbende vrijelijk over de onroerende zaak kan beschikken en feitelijk het ongestoorde genot ervan heeft’ respondeert met (r.o. 4.5) ‘uit de zojuist vermelde feiten en omstandigheden vloeit voort dat belanghebbende het feitelijk genot heeft van de grond, in ieder geval zolang zich niemand bij hem aandient met een aanspraak op het gebruik van de grond uit het beklemrecht (…) enz.’. Het Hof geeft daarmee blijk dat het de inhoud van het recht van beklemming dat berust op gewoonterecht mede laat bepalen door de standpunten van partijen en de houding van betrokkenen, zulks terwijl de Hoge Raad in HR 1 juli 1994 nr 15277, NJ 1995, 547, r.o. 3.3.4 overwoog dat de inhoud van het gewoonterecht door de rechter wordt bepaald waarbij noch bewijsregels noch standpunten van partijen van belang zijn.
III.6.
Het hof heeft ten onrechte zijn uitspraak op onbegrijpelijke en onsamenhangende wijze gemotiveerd met de navolgende onderling onverenigbare rechtsoverwegingen:
(r.o. 4.5)
‘uit de zojuist vermelde feiten en omstandigheden vloeit voort dat belanghebbende het feitelijk genot heeft van de grond, in ieder geval zolang zich niemand bij hem aandient met een aanspraak op het gebruik van de grond uit het beklemrecht.’
(r.o. 4.6)
‘Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat zijn grond door een derde of door derden in gebruik is voor het houden van schapen, maar hij is daartegen niet opgetreden. Hij heeft dat gebruik aldus gedoogd, hetgeen meebrengt dat niet op die grond kan worden geoordeeld dat hij niet het genot heeft van de onroerende zaak. Het doet hierbij niet ter zake of de houder van de schapen, naar later zou kunnen blijken, een van de beklemde meiers is. Ook voor dat geval heeft belanghebbende, die op grond van het vervallen van het beklemrecht had kunnen optreden tegen het gebruik, dat gebruik gedoogd.’
zulks ten onrechte, aangezien het Hof in r.o. 4.5 niet uitsluit dat zich een beklemde meier aandient met een aanspraak op het gebruik van de grond uit het recht van beklemming, en in r.o. 4.6 omtrent het genot overweegt, dat niet ter zake doet of de schapenhouder één van de beklemde meiers is. Het Hof miskent dat het gebruik van de grond voor schapenhouderij door mogelijk één van de beklemde meiers neerkomt op het handhaven casu quo leggen van een claim omtrent het gebruik en genot alsdan op grond van het recht van beklemming, hetgeen het hebben van genot door de eigenaar uitsluit althans verhindert. Omtrent gedogen door belanghebbende heeft het Hof geen vaststellingen kunnen doen, aangezien het Hof niet heeft vastgesteld of overwogen dat belanghebbende of zijn rechtsvoorgangster het recht van beklemming voorafgaand heeft gecaduceerd en het genot daardoor aan zich heeft getrokken. Het Hof miskent dat de koopprijs van € 5 voor de eigendom van een perceel van 9268 m2 (r.o. 2.2) duidt op levering aan belanghebbende in beklemde staat. Het Hof miskent dat belanghebbende vóór 1 januari 2013 niet op grond van de leveringsakte over de wetenschap beschikte dat de jaarhuur langer dan drie achtereenvolgende jaren onbetaald was of zou zijn gebleven, waardoor hij niet in de gelegenheid was te caduceren. Belanghebbende was immers eerst op grond van de leveringsakte van 16 augustus 2012 eigenaar van het beklemde perceel, dat hem —ook blijkens de leveringsakte— uitdrukkelijk in beklemde staat was geleverd. Voorts gaat het Hof stilzwijgend voorbij aan de mogelijkheid dat de beklemde meijer het gebruik van de grond door retentie handhaaft, aangezien hem mogelijk nog een vergoeding voor opstallen toekomt, hetgeen hierna in onderdeel III-7 wordt aangevoerd. Redenen waarom de motivering van het Hof de uitspraak niet kan dragen, waardoor deze niet in stand kan blijven.
‘Voorts is het handhaven van de macht van de retentor moeilijk anders voorstelbaar dan door het voortzetten van het gebruik dat de opstaller van de grond heeft’
aldus Mon. BW B28 (De Jong/Ploeger) 2008, blz. 86.
III-7.
Niet met het recht verenigbaar is dat het Hof, in het onderzoek voorafgaand aan die rechterlijke vaststelling dat het recht van beklemming is geëindigd, de (weliswaar onbekende) beklemde meiers zelfs niet in de gelegenheid stelde te worden gehoord.
III-8.
Niet met het recht verenigbaar is dat het Hof in een belastinguitspraak overweegt en vaststelt, dat het recht van beklemming is vervallen en dat belanghebbende het feitelijk genot heeft van de zaak, alsmede dat het Hof overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat belanghebbende niet het genot heeft van de zaak, terwijl deze uitspraak en/of vaststelling zich niet lenen voor inschrijving in de Openbare registers en voor wijziging in de tenaamstelling in het Kadaster.
III-9.
Niet met het recht verenigbaar is dat als consequentie van de bestreden uitspraak van het Hof de beklemde meiers, die op grond van gewoonterecht bij het eindigen van het recht van beklemming recht hebben op een vergoeding voor hun opstallen, welk recht op vergoeding op grond van datzelfde gewoonterecht is versterkt met een retentierecht, een soortgelijke bescherming als ten behoeve van een opstalgerechtigde blijkt uit art. 5:105, lid 3 juncto 5:100 BW, geheel ontberen.
Het Hof is ten onrechte geheel voorbijgegaan aan de rechtsontwikkelingen en de maatschappelijke ontwikkelingen die invloed hebben op het gewoonterecht dat het beklemrecht beheerst, waaronder de invoering van het Nieuw BW. De bestreden uitspraak is daarom in strijd met het recht.
Middel IV
In de overwegingen van zijn bestreden uitspraak schept het Hof in strijd met het recht een (fictieve) rechtstoestand waarin verweerder en andere belastingheffende bestuursorganen geen rekening behoeven te houden met:
- a.
De kadastrale informatie omtrent het recht van beklemming per peildatum.
- b.
De feitelijke rechtstoestand naar burgerlijk recht zoals die van kracht is tussen bloot-eigenaar en beklemde meier, waarin uitsluitend bloot-eigenaar en beklemde meier in hun onderlinge relatie bevoegd zijn wijzigingen aan te brengen, dan wel aan te doen brengen door middel van een uitspraak van de civiele rechter.
doch waarin het Hof de —van het Kadaster afwijkende— per saldo door verweerder gestelde standpunten omtrent het genot dat een zakelijk gerechtigde op grond en opstallen heeft, ten onrechte bevestigt. Dat komt neer op toerekening van het genot van de zaak in het kader van de OZB aan andere personen dan de naar burgerlijk recht gerechtigde(n), waarbij de waarde-vaststelling op grond van de WOZ ten name van de fictieve genothebbende plaats heeft, welke WOZ-waarde vervolgens doorwerkt naar de OZB en naar andere belastingheffingen dan de OZB.
Het Hof gaat er ten onrechte aan voorbij dat de toerekening van het feitelijk genot van de zaak door verweerder aan belanghebbende, van welke belanghebbende eigenaar het Hof niet kan vaststellen dat deze het genot van de zaak naar burgerlijk recht heeft en van wie het Hof niet kan vaststellen dat hij de onroerende zaak feitelijk op grond van eigendom in gebruik heeft, in strijd met het recht is; immers is de belastingrechter niet bevoegd is in te grijpen in de civielrechtelijke verhouding tussen belanghebbende als eigenaar enerzijds en de beperkt gerechtigde anderzijds.
Inleiding Proceskosten: zaaknrs 15/00376 en 15/00377:
Verweerder stelde in één beschikking de WOZ-waarde en de aanslag OZB 2013 ten aanzien van belanghebbende van twee verschillende onroerende zaken vast.
Belanghebbende diende daartegen één bezwaarschrift, dat bezwaren tegen de beschikkingen omtrent beide onroerende zaken omvatte. Het bezwaar [A-STR. 1] btrof de waardering; het bezwaar [B-STR. 1] betrof de persoon ten aanzien van wie de beschikkingen werden genomen en de waardering.
Verweerder deed de bezwaren omtrent beide onroerende zaken in één beslissing op bezwaar af, honoreerde beide bezwaren door de waardering te verminderen. Verweerder kende geen kosten van bezwaar toe.
Belanghebbende stelde beroep in op de rechtbank tegen de beslissing op bezwaar betreffende beide onroerende zaken en tegen de afwijzende proceskostenbeslissing.
De rechtbank splitste het beroep in twee zaken en verlangde in beide zaken betaling van griffierecht. De rechtbank wees de bezwaren omtrent perceel [A-STR. 1] af evenals de bezwaren omtrent [B-STR. 1]. Partijen hadden zich inmiddels verenigd omtrent de proceskosten in bezwaar. De rechtbank kende proceskosten in beroep toe na te hebben overwogen dat beide zaken voor de proceskostenvergoeding als één beroepszaak waren te beschouwen.
Belanghebbende stelde in één geschrift hoger beroep in tegen het oordeel van de rechtbank dat er voor de proceskostenvergoeding sprake is van één beroepszaak, op grond waarvan de rechtbank met toekenning van de proceskostenvergoeding voor één beroep volstond. Dat hoger beroep richtte zich noodzakelijkerwijs tegen de uitspraak van de rechtbank in beide zaken, die voor de beooordeling van proceskostenvergoeding door de rechtbank als één zaak werden beschouwd.
In hoger beroep bevestigt het Hof de proceskostenvergoeding zoals vastgesteld door de rechtbank. Daartegen komt belanghebbende op.
Belanghebbende voert tegen de uitspraak van het Gerechtshof de navolgende gronden en het navolgende middel aan:
Middel V:
Het Hof heeft in zijn uitspraak omtrent de proceskostenvergoeding in beroep overwogen:
‘r.o. 4.1: Voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht en het Besluit is sprake van één bezwaar indien dit is gericht tegen meer dan een op één aanslagbiljet vermelde besluiten of in één geschrift genomen WOZ-beschikkingen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in dat geval voor de beroepsfase eveneens heeft te gelden dat sprake is van één beroep voor de regeling van de proceskostenregeling. Daaraan doet niet af dat de Rechtbank het beroep na binnenkomst heeft gesplitst en evenmin dat tweemaal griffierecht van belanghebbende is geheven. De Rechtbank heeft derhalve terecht de proceskostenvergoeding toegekend voor één beroep.’,
zulks ten onrechte en in strijd met het recht, casu quo op basis van een gebrekkige en onbegrijpelijke motivering, aangezien de belde beroepszaken geheel van elkaar verschillende onderwerpen en gronden omvatten die niet op de enkele grond dat de WOZ-beschikkingen a quo van beide onroerende zaken en de aanslagen OZB a quo betreffende beide onroerende zaken in één geschrift waren vermeld, voor beoordeling als één zaak in aanmerking komen. Een beroepszaak betreffende een waardering in het kader van de WOZ verschilt immers in alles van een beroepszaak waar het hebben van genot op basis van het beklemrecht wordt betwist. Het hof had wat betreft de overwegingen omtrent de proceskostenvergoeding in beroep niet voorbij mogen gaan aan de splitsing van het beroep door de Rechtbank in twee sterk van elkaar verschillende beroepszaken. Ten onrechte verzuimt het Hof de overweging van de rechtbank te corrigeren, waarin de rechtbank zich ten onrechte beroept op HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, aangezien die uitspraak slechts betrekking had op proceskosten in de bezwaarfase, terwijl de rechtbank de uitspraak toepast op de proceskosten van de beroepsfase. Omtrent het beroep dat belanghebbende deed op de overweging van de Hoge Raad in genoemde uitspraak dat er in een dergelijke zaak (in de bezwaarfase) plaats is voor het toekennen van een hogere factor voor het gewicht van de zaak , werd door het Hof ten onrechte niet gerespondeerd.
Het Hof heeft aldus in strijd met het recht tot bevestiging overwogen en geoordeeld.
Conclusie:
Belanghebbende concludeert dat het de Hoge Raad der Nederlanden behage de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2016 met zaaknummers 15/376 en 15/ 377 op de aangevoerde gronden en middelen te vernietigen; kosten rechtens.
Met verschuldigde hoogachting,
Uitspraak 03‑03‑2017
Inhoudsindicatie
Art. 17, lid 2, Wet WOZ. Recht van beklemming vervallen omdat beklemde meiers huur niet hebben betaald.
Partij(en)
3 maart 2017
nr. 16/03134
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2016, nrs. 15/00376 en 15/00377, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord‑Nederland (nrs. LEE 13/2804 en 13/3354) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Bellingwedde voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaken [a-straat 1] en [b-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft in 2012 de onroerende zaak [b-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak) gekocht voor een bedrag van € 5. De onroerende zaak betreft een kavel cultuurgrond van ongeveer 9268 m2 met daarop restanten van een opstal.
2.1.2.
Bij notariële akte van 27 september 1875 was op de onroerende zaak een recht van beklemming gevestigd. In die akte zijn onder meer de volgende voorwaarden opgenomen:
"A. Het recht van beklemming zal zijn vast altijddurend en onopzegbaar en in alle lijnen vereerven.
(...)
E. Indien de meijer drie achtereenvolgende jaren huur ten achteren is zal de beklemming weder aan den eigenaar zijn vervallen met alles wat zich op den grond bevindt zonder eenige uitzondering."
2.1.3.
Blijkens de akte van levering van 16 augustus 2012 was het belanghebbende ten tijde van de verkrijging bekend dat de door de beklemde meiers verschuldigde jaarlijkse vaste huur niet werd voldaan. Die huur wordt al vele jaren niet voldaan, en in ieder geval gedurende meer dan drie jaar voorafgaande aan 1 januari 2013.
2.1.4.
In een overzicht van het Kadaster zijn met betrekking tot de onroerende zaak op de toestandsdatum 9 april 2015 zes gerechtigden tot het beklemrecht vermeld, van wie ten minste twee zijn overleden en twee naar de Verenigde Staten van Amerika zijn geëmigreerd. Geen van de beklemde meiers is getraceerd.
2.1.5.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak naar de waardepeildatum 1 januari 2012 na bezwaar bepaald op € 27.000.
2.2.1.
Voor het Hof was tussen partijen onder meer in geschil of belanghebbende terecht is aangemerkt als genothebbende krachtens eigendom of zakelijk recht van de onroerende zaak.
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende het feitelijke genot heeft van de grond, in ieder geval zo lang zich niemand bij hem aandient met een aanspraak op het gebruik van de grond krachtens het beklemrecht. Mocht iemand zich jegens hem beroepen op dat recht, dan kan belanghebbende zich jegens diegene beroepen op de bepaling uit de vestigingsakte op grond waarvan het recht van beklemming is vervallen wegens non-betaling. Belanghebbende kan zo nodig bij die gelegenheid een exploot doen uitbrengen voor het verkrijgen van een verklaring voor recht, ofwel in verweer het verval van het recht inroepen, aldus het Hof. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat zijn grond door een derde of door derden in gebruik is voor het houden van schapen, maar hij is daartegen niet opgetreden. Hij heeft dat gebruik aldus gedoogd, hetgeen meebrengt dat niet om die reden kan worden geoordeeld dat hij niet het genot heeft van de onroerende zaak, aldus nog steeds het Hof. Het doet hierbij niet ter zake of de houder van de schapen, naar later zou kunnen blijken, een van de beklemde meiers is; ook voor dat geval heeft belanghebbende, die op grond van het vervallen van het beklemrecht had kunnen optreden tegen het gebruik, dat gebruik gedoogd. Dit alles brengt naar ’s Hofs oordeel mee dat belanghebbende terecht is aangemerkt als genothebbende krachtens eigendom en dat de WOZ-beschikking terecht ten aanzien van hem is genomen.
2.3.1.
Middel III komt tegen voormeld oordeel op met onder meer het betoog dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het onderhavige recht van beklemming van rechtswege is vervallen. In het gewoonterecht dat het beklemrecht beheerst, is niet meer onomstreden dat de eigenaar na wanbetaling het recht van beklemming caduceert, dat is vervallen verklaart, aldus dit betoog.
2.3.2.
Het middel gaat terecht ervan uit dat de beklemde meier – met uitsluiting van de eigenaar – de genothebbende krachtens beperkt recht is aan wie de WOZ‑beschikking moet worden bekendgemaakt en de aanslag in de onroerendezaakbelasting voor eigenaren moet worden opgelegd. Daartoe is echter vereist dat het recht van beklemming op de van belang zijnde datum daadwerkelijk op de onroerende zaak rust.
2.3.3.
In dit geval is in de hiervoor onder 2.1.2 aangehaalde akte van vestiging van het beklemrecht bepaald dat het recht van beklemming zal zijn vervallen indien de beklemde meier gedurende drie jaren geen huur heeft betaald. Deze uitdrukkelijke bepaling in de akte waarbij het onderhavige recht van beklemming is gevestigd, stelt eventueel gewoonterecht terzijde. Het middel faalt derhalve in zoverre.
2.4.
Middel III voor het overige en de overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.