NJ 1964/188
1. „Onderhandsche eenzijdige schuld-verbindtenissen" in de zin van art. 1915 B. W. 2. Bij uitvoering van overeenkomst van borgtocht door schuldeiser in acht te nemen goede trouw.
HR 13-03-1964, ECLI:NL:HR:1964:98
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13 maart 1964
- Magistraten
Mrs. Wiarda, Houwing, Hülsmann, Loeff en Beekhuis
- Zaaknummer
[13031964/NJ_1964-188]
- Conclusie
Mr. Van Oosten
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1964:98, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑03‑1964
- Wetingang
(BW art. 1374 lid 3, 1868-1875, 1915.)
Essentie
1. „Onderhandsche eenzijdige schuld-verbindtenissen" in de zin van art. 1915 B. W. 2. Bij uitvoering van overeenkomst van borgtocht door schuldeiser in acht te nemen goede trouw.
Samenvatting
1. Voor de bewijskracht van de ren processe overgelegde akte van borgtocht heeft het Hof niet van belang geacht, of het daarop gestelde goedschrift al dan niet door de ondertekenaar persoonlijk is geschreven, zulks op grond dat de akte, waarin van twee partijen melding wordt gemaakt, blijkens inhoud en ondertekening tweezijdig is en dus art. 1915 B. W. op deze akte niet toepasselijk is. Aan deze beslissing ligt een onjuiste ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.